Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Digitale Overheid en de wet

Dovnload 0.59 Mb.

De Digitale Overheid en de wet



Pagina4/13
Datum05.12.2018
Grootte0.59 Mb.

Dovnload 0.59 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

3.2.3 Auteursrecht en commerciële exploitatie van overheidsinformatie

Voor overheidsinformatie die op digitale wijze aan derden ter beschikking wordt gesteld betekent het huidige wettelijk regime dat deze derden deze informatie vooralsnog vrijelijk mogen gebruiken en exploiteren.9 Indien een overheidsorgaan een dergelijk (commercieel) gebruik door derden ongewenst acht, zal het een voorbehoud ten aanzien van de rechten dienen te maken. In de voornoemde beleidslijn ‘Naar optimale beschikbaarheid van overheidsinformatie’ merkt het kabinet op dat “overheidsorganen, anders dan in de papieren situatie, massaal het auteursrecht en het databankenrecht op hun elektronische gegevensbestanden voorbehouden. Burgers en bedrijven kunnen daardoor de informatie wel krijgen maar mogen deze vervolgens zonder expliciete toestemming niet naar eigen inzicht hergebruiken. Dat lijkt in strijd met de geest van de Wob. Ook in ander opzicht lijkt deze handelswijze ongewenst. Een belangrijk kenmerk van de nieuwe kenniseconomie is immers dat de maatschappelijke waarde van informatie groter wordt naarmate meer mensen deze gebruiken.” Het kabinet stelt daarom voor een beleidslijn te formuleren gericht op de non-exploitatie van overheidsinformatie door de overheid zelf.


3.2.4 Databankenrecht

In juli 1999 is in Nederland de wet ter implementatie van de Europese Richtlijn inzake de rechtsbescherming van databanken van kracht geworden.10 Met de implementatie van de Europese richtlijn kent ons recht een speciale sui generis bescherming voor de inhoud van databanken. Hiernaast blijft auteursrechtelijke bescherming van belang. Het sui generis recht heeft betrekking op de inhoud van een verzameling gegevens, welke niet voldoet aan het auteursrechtelijk criterium van oorspronkelijkheid. Dit recht verleent de producent van de databank11 het exclusieve recht derden ervan te weerhouden de databank of een (in kwalitatief of kwantitatief opzicht) substantieel gedeelte daarvan op te vragen en/of te hergebruiken. De ratio van dit recht is gelegen in het belang de investeringen welke zijn gedaan om de databank te vervaardigen te beschermen (en wel voor een periode van 15 jaar).

Omdat ook de elektronische verzamelingen van overheidsinformatie aangemerkt kunnen worden als een databank12, is het van belang dat overheidsinstanties zich rekenschap geven van de implicaties van de nieuwe wet. Een overheidsorgaan wordt als producent aangemerkt wanneer het overheidsorgaan de opzet en het onderhoud van de databank voor haar rekening neemt. Ook in het geval het overheidsorgaan deze activiteiten bij een bedrijf of organisatie tegen betaling van de benodigde investering heeft ondergebracht, zal dit overheidsorgaan als producent worden aangemerkt. Wel moet daarbij goed worden opgelet dat zowel de gedane investering als het te lopen risico in het overheidsorgaan verenigd zijn. Met name bij overheidsorganisaties kan de situatie zich namelijk voordoen dat de investering of het risico over meerdere organisaties (bijvoorbeeld ook bij publieke-private samenwerking) verdeeld is. In dat geval zullen deze organisaties tot afspraken dienen te komen inzake de overdracht van dan wel licentie op de eventuele rechten.

In verband met dit onderzoek is specifiek van belang hetgeen is neergelegd in art. 8, tweede lid, van de wet. Het betreft een belangrijke beperking op de mogelijkheid tot exploitatie. In lijn met het voornoemde artikel 15b Aw, sluit dit artikel het sui generis recht uit voor databanken die door de openbare macht geproduceerd zijn, tenzij dit recht is voorbehouden.13 Een en ander betekent dat de (commerciële) exploitatie door een overheidsorgaan van een databank in de praktijk niet mogelijk zal zijn, tenzij het sui generis recht door dit orgaan is voorbehouden. Zoals hiervoor opgemerkt is de beleidslijn van het kabinet echter dat overheidsorganen niet zelf over moeten gaan tot de exploitatie van hun overheidsinformatie.


Tijdens de parlementaire behandeling is voorgesteld het voornoemde artikel te schrappen omdat het kan resulteren in een inconsistente wildgroei aan beschermingniveau’s tussen de verschillende overheidsorganen (sommige behouden de rechten wel voor, anderen niet). Dit is niet gebeurd. In ieder geval lijkt het in toenemende mate van belang dat de overheid – los van de beleidslijn inzake non-exploitatie van overheidsinformatie - op centraal niveau beleid ontwikkelt aangaande de wenselijkheid van het voorbehouden van het auteursrecht en sui generis recht ter zake van overheidsinformatie.14

3.3 Bescherming persoonsgegevens

In veel gevallen zullen gegevens die zijn opgenomen in bepaalde (elektronische) overheidsdocumenten en bestanden als persoonsgegevens kunnen worden aangemerkt. Het classificeren van een gegeven als een persoonsgegeven heeft belangrijke consequenties, met name omdat de nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), in tegenstelling tot diens voorganger de Wet persoonsregistraties (Wpr), van toepassing zal zijn op persoonsgegevens in overheidsdocumenten die berusten in een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet. Hieronder zal kort op deze consequenties worden ingegaan. Hiernaast speelt de privacywetgeving ook een rol bij de beoordeling in hoeverre voldaan kan worden aan een verzoek tot openbaarmaking op grond van de Wob. Het belang van de privacybescherming kan onder bepaalde omstandigheden met zich meebrengen dat bepaalde informatie niet naar aanleiding van een Wob-verzoek verstrekt mag worden.

Ter illustratie van de verschillen met de situatie onder de Wpr, zal allereerst kort deze - bij het schrijven van dit rapport nog niet vervangen - Wpr worden besproken. Overigens is de verwachting dat de Wpr na de zomer van 2000 plaats zal maken voor de Wbp.

3.3.1 De Wet persoonsregistraties (Wpr)

Het beschermingsobject van de Wpr15 is niet zozeer de privacy op zich, als wel een persoonsregistratie. Een persoonsregistratie wordt in de Wpr gedefinieerd als ‘een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd'. Het gaat dus om onder meer een geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens (bijvoorbeeld een adresdatabank). De Wet persoonsregistraties is niet van toepassing op persoonsregistraties die berusten in een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet (art. 2 lid 1, sub d Wpr).

Belangrijk bij de vraag of een geautomatiseerde registratie als persoonsregistratie kan worden aangemerkt is de vraag of deze registratie persoonsgegevens bevat. Een persoonsgegeven wordt in de Wpr gedefinieerd als ‘een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele natuurlijke persoon’ (art. 1 Wpr). Deze definitie omvat meer dan alleen gegevens over namen, adressen en woonplaatsen. Alle informatie die op één of andere wijze herleidbaar is tot personen wordt aangeduid als persoonsgegeven. In het algemeen kunnen we stellen dat alle informatie die dan wel direct, dan wel indirect kan worden herleid tot personen, een persoonsgegeven is. Het criterium hierbij is of een redelijk toegeruste houder (de organisatie die de registratie bijhoudt, wordt de houder genoemd) de gegevens kan herleiden. Als een houder extra faciliteiten heeft om gegevens te herleiden, worden deze hem echter aangerekend. Als een houder minder faciliteiten heeft, blijft het criterium ‘redelijk toegerust' van kracht.

Een categorie persoonsgegevens die bijzondere aandacht verdient, zijn de zogenaamde gevoelige gegevens. Het gaat hier bijvoorbeeld om gegevens over iemands ras, politieke gezindheid, seksuele leven, medische toestand, enz. Voor het opslaan van deze gegevens in een persoonsregistratie gelden aanvullende eisen (onder andere neergelegd in het Besluit gevoelige gegevens).

Op het moment dat bepaalde gegevens als persoonsgegeven worden gekwalificeerd, worden daar wettelijke gevolgen aan verbonden. Zo stelt de Wpr bijvoorbeeld dat een persoonsregistratie slechts mag worden aangelegd met het oog op een bepaald doel, waarbij bovendien wordt gesteld dat het belang van de houder tot dat doel redelijkerwijs aanleiding moet geven. De gegevens uit een persoonsregistratie mogen in principe slechts voor dat, vooraf bepaalde, doel worden gebruikt.

Een houder van een persoonsregistratie moet deze registratie in beginsel bij de Registratiekamer aanmelden (in een aantal gevallen beschreven in het Besluit genormeerde vrijstelling hoeft dit niet, bijvoorbeeld bij salarisadministraties). De opgeslagen gegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk, aan de geregistreerde moet inzage in de gegevens worden geboden, er moet desgevraagd een kopie van de gegevens worden verstrekt, enz.

Een belangrijk punt van aandacht is dat toestemming van de geregistreerde om bepaalde handelingen met zijn of haar gegevens uit te voeren in veel gevallen de mogelijkheden van de houder om de gegevens voor verschillende doelen te gebruiken uitbreidt.

3.3.2 De wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)

De Europese Unie heeft in 1995 een richtlijn afgekondigd inzake de bescherming van persoonsgegevens. Deze richtlijn beoogt de Europese privacywetgeving te harmoniseren. De richtlijn had in oktober 1998 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd moeten zijn. Dit is niet gebeurd. De nieuwe wet, die de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp16) zal gaan heten, zal zoals gezegd naar alle waarschijnlijkheid medio 2000 van kracht worden. Belangrijk voor dit onderzoek is dat de Wbp ook van toepassing is op persoonsgegevens die berusten in een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet. De uitzondering als opgenomen in de Wpr is dus komen te vervallen.

De Wbp zal in zijn algemeenheid diverse veranderingen ten gevolge hebben. In de eerste plaats komt er een verandering in het te reguleren object. Dit zal niet langer de persoonsregistratie zijn, maar de verwerking van persoonsgegevens. Het begrip verwerking wordt zeer ruim gedefinieerd als ‘elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, uitwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens’. Dit betekent dat het werkingsgebied van de nieuwe wet ruimer zal zijn dan dat van de oude wet. Handelingen die niet onder de werking van de Wpr vielen zullen wel onder de werking van de Wbp vallen. Omdat we bij het verwerken van persoonsgegevens niet langer kunnen spreken van een houder, wordt het begrip verantwoordelijke gehanteerd.

Uitgangspunt van de Wbp is dat persoonsgegevens in overeenstemming met de wet op behoorlijke en zorgvuldige wijze moeten worden verwerkt (art. 6 Wbp). In de Wbp wordt dit geconcretiseerd in de vorm van een aantal gronden voor verwerking. Alle verwerkingen zullen op één van deze gronden gebaseerd moeten worden. De gronden worden gedefinieerd in art. 8 Wbp.


Artikel 8 Wbp

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;

d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van vitale belangen van de betrokkene;

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.


Voor bijzondere gegevens geldt een verbod op verwerking (art. 16 Wbp). In de artikelen 17 tot 23 van de Wbp wordt dit verbod geclausuleerd. In deze artikelen zijn derhalve de gronden voor verwerking van bijzondere gegevens te vinden. In een voorstel tot wijziging van bepalingen met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens17 is voorzien in een wijziging van de Archiefwet die het verwerken van bijzondere gegevens in een archiefcontext mogelijk maakt. In de Archiefwet zal een artikel 2a worden ingevoegd.
Artikel 2a Archiefwet

Het verbod persoonsgegevens te verwerken, bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (het betreft hier zogenaamde bijzondere gegevens, onderzoekers), geldt niet voor verwerkingen die verband houden met:

a. de vervanging van archiefbescheiden, bedoeld in artikel 7;

b. de overbrenging van archiefbescheiden naar een archiefbewaarplaats, bedoeld in de artikelen 12 en 13;

c. de opneming van archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3°, in een archiefbewaarplaats, of;

d. het beheer van archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten, met uitzondering van het ter raadpleging of gebruik beschikbaar stellen van zodanige archiefbescheiden.


Een aantal eisen uit de Wpr komt, enigszins aangepast, ook in de Wbp terug. Zo mogen gegevens slechts met het oog op een bepaald, expliciet aangegeven doel worden verzameld (art. 7 Wbp) en mogen gegevens niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen (doelbinding, art. 9 lid 1 Wbp). In art. 9 lid 2 Wbp wordt vermeld dat verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, niet als onverenigbaar wordt beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden. Ook worden eisen gesteld aan de juistheid en nauwkeurigheid van gegevens (art. 11 lid 2 Wbp), de bewaartermijn (niet langer dan nodig, art. 10 lid 1 Wbp), de toereikendheid en terzake dienendheid (er mogen niet meer gegevens worden verzameld dan noodzakelijk voor het doel, art. 11 lid 1 Wbp) en de beveiliging van gegevens (art. 13 en 14 Wbp).

Het verkrijgen van gegevens moet worden medegedeeld aan de betrokkene, tenzij deze daarvan reeds op de hoogte is (art. 33 Wbp). Op de informatieplicht wordt een uitzondering gemaakt waar het gegevens betreft die berusten in een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet (art. 44, lid 2 Wbp). Gelet op de grote hoeveelheden archiefbescheiden die worden overgebracht naar de archiefbewaarplaatsen, zou het informeren van de betrokkene hierover, de verantwoordelijke in het kader van de Archiefwet voor onoverkomelijke problemen stellen, aldus de Memorie van Toelichting. Van belang is wel dat de procedure zoals die is opgenomen in de Archiefwet inzake het informeren van belanghebbenden omtrent de wijze waarop de overheid voornemens is om te gaan met de archiefbescheiden wordt nageleefd. Omdat de procedures inzake de omgang met archiefbescheiden - en aldus de daarin opgenomen persoonsgegevens - zijn neergelegd in de op te stellen selectielijst en het ontwerp van deze lijst conform de Awb-regeling inzake openbare voorbereidingsprocedures ter inzage moet worden gelegd, neemt de regering aan dat burgers in voldoende mate op de hoogte kunnen zijn van hetgeen met hen betreffende gegevens gebeurd.

We merken op dat het van belang is voor ogen te houden dat de voornoemde uitzondering op de informatieplicht slechts van toepassing is op archiefbescheiden die zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Dit betekent dat zolang de archiefbescheiden waarin persoonsgegevens vermeld staan niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, de informatieplicht conform de Wbp wel van toepassing is.

Verder heeft de betrokkene onder andere het recht de gegevens te (laten) verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen (art. 36 Wbp). Ook heeft de betrokkene in sommige gevallen het recht van verzet (tegen de verwerking van zijn of haar gegevens, artt. 41 en 42 Wbp).

In de Wbp zijn voorts bepalingen te vinden over gedragscode en privacyfunctionarissen. Gedragscodes kunnen bijvoorbeeld door brancheorganisaties worden opgesteld en worden voorgelegd aan de Registratiekamer, die kan verklaren dat de in de code opgenomen regels een juiste uitwerking vormen van de wet (art. 25 Wbp). Een soortgelijke procedure kan worden gevolgd voor gedragscodes op communautair niveau.

Een privacyfunctionaris wordt benoemd door de verantwoordelijke, maar kan en mag geen aanwijzingen omtrent de uitoefening van zijn taak ontvangen van de verantwoordelijke (artt. 62-64 Wbp). Hij of zij ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens, de naleving van een eventuele gedragscode, enz. Een privacyfunctionaris moet bij de Registratiekamer worden gemeld.

Een geheel of gedeeltelijke geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens moet bij het College bescherming persoonsgegevens (nu: Registratiekamer) of de privacyfunctionaris worden gemeld (art. 27 Wbp). Analoog aan het Besluit genormeerde vrijstelling bij de Wpr zal er bij de Wbp een Vrijstellingsbesluit komen. De verwerking van persoonsgegevens met een archiefbestemming zal naar verwachting onder het Vrijstellingsbesluit vallen. Dit betekent dat het betreffende bestuursorgaan de verwerking niet behoeft aan te melden bij de Registratiekamer. Alle overige bepalingen van de wet blijven echter van toepassing.
In relatie tot archivering is nog specifiek van belang dat de reikwijdte van de Wbp beperkt is tot nog in leven zijnde personen.
Naar aanleiding van de introductie van de nieuwe privacywet, wordt ook een groot aantal andere wetten die de omgang met persoonsgegevens regelt, gewijzigd. We noemden reeds de wijziging in de Archiefwet. Hiernaast wordt bijvoorbeeld ook de Kadasterwet aangepast. Een van de belangrijkste wijzigingen in de Kadasterwet (Kadw) betreft de aanscherping van de doelbinding van de verwerking van persoonsgegevens door het Kadaster. Art. 3a lid 1 ontwerp-Kadw geeft, onder uitdrukkelijke verwijzing naar de Wbp aan, dat persoonsgegevens door het Kadaster verwerkt mogen worden ten behoeve van:

1. de bevordering van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen, in het rechtsverkeer, het economisch verkeer en het bestuurlijk verkeer;

2. een doelmatige informatievoorziening bij de overheid;

3. de ondersteuning van economische activiteiten.

Uit het tweede lid van art. 3a Kadw wordt duidelijk dat persoonsgegevens niet mogen worden gebruikt voor direct marketing doeleinden. Bulkverstrekkingen van gegevens door het Kadaster aan overheidsinstanties en bedrijven worden gebonden aan het doelbindingsvereiste van de Kadasterwet, art. 8 sub c t/m f Wbp en een nog vast te stellen AmvB (art. 107c ontwerp-Kadw).

Belangrijk is verder dat in het voorgestelde art. 107b Kadw de afkondiging van een AmvB wordt mogelijk gemaakt waarmee voor een aangewezen soort of soorten van persoonsgegevens beperkingen kunnen worden vastgelegd ten aanzien van de verstrekking van inlichtingen over personen die in de kadastrale registratie voorkomen. Deze mogelijkheid komt er derhalve op neer dat middels een AmvB het regiem van de volledige openbaarheid van het Kadaster ingeperkt kan worden (zo kunnen niet alleen adresgegevens, maar ook koopsomgegevens niet langer openbaar worden).18



3.4 Vormvereisten19

Het handelen van de overheid vindt zijn neerslag voornamelijk in papier. Deze gegevensdrager is al eeuwenlang een met succes gebruikt medium. Alhoewel de overheid bij de uitvoering van haar taken in toenemende mate gebruik maakt van ICT, blijft men vooralsnog, zowel in de communicatie met de burgers als ook tussen overheidsorganen onderling in haar eindproduct veelal gebonden aan papier. De regering onderkent dit in haar nota ‘Wetgeving voor de elektronische snelweg’.

Jurisprudentie op het gebied van alternatieve gegevensdragers is er in het bestuursproces recht niet of nauwelijks geweest. Wel heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het gebruik van het faxbericht als bezwaarschrift20. Een faxbericht wordt geacht ‘een toelaatbare wijze’ te zijn om het rechtsmiddel van bezwaar aan te wenden. Of dit arrest algemene strekking heeft en het zodoende mogelijk is om het faxbericht ook op andere wijze in te zetten valt zeer te betwijfelen gezien de bewoordingen van de Raad. Er wordt immers alleen gesproken over het rechtsmiddel van bezwaar.

In hoeverre er een juridische noodzaak bestaat om overheidshandelingen in de schriftelijk vorm neer te leggen, zal in de onderstaande beschouwing bekeken worden. We bezien in welke vormen het schriftelijkheidsvereiste in publiekrechtelijke wet- en regelgeving naar voren komt, wat het begrip geschrift in het bijzonder voor het publiekrecht inhoudt en wat de ratio van de wetgever is om dit te hanteren. Aan de hand van deze algemene uiteenzetting zal een kader worden gegeven waaraan getoetst kan worden. De slotvraag zal zijn of de overheid in haar communicatie met de burger (uitsluitend) gebruik zou kunnen maken van een elektronisch equivalent. Vanwege het feit dat in de literatuur geen publicaties voorhanden zijn over de vraag in hoeverre in het publiekrecht elektronische documenten en handtekeningen gelijk gesteld kunnen worden aan de schriftelijke pendant, is de onderstaande bespreking redelijk uitgebreid ten opzichte van die in de overige paragrafen van dit hoofdstuk. 21



3.4.1 Communicatieverhoudingen

Handelingen van overheidsorganen die hun neerslag in een schriftelijke vorm moeten krijgen zijn er legio. De bekendste is wel het vereiste in artikel 1:3 Awb. Daarnaast zijn er ook veel termen die een schriftelijkheid in zich dragen zoals staatscourant, verslag, nota etc. Niet alleen voor de overheid zijn er schriftelijkheidsvereisten neergelegd in de wet- en regelgeving, ook burgers dienen het vereiste in acht te nemen in hun communicatie met de overheid.

We kunnen het publiekrechtelijk geschriftenverkeer in een drietal gebieden opdelen. Dit is van belang omdat in elk der deelgebieden andere vormvereisten aan het geschrift worden gesteld. Allereerst is er het verkeer van de burger naar de overheid, ten tweede het verkeer tussen overheidsorganen en tenslotte het verkeer tussen overheid en burger. We richten de aandacht in deze paragraaf primair op laatstgenoemd terrein, maar de eerste twee zullen hieronder kort worden bekeken.
Burger naar overheid

Onze Grondwet kent het petitierecht (art. 5 GW). Dit geeft burgers het recht tot het indienen van een verzoekschrift bij het bevoegd gezag. Dit basisrecht is meer een vangnetbepaling. In specifieke wetgeving is veelal een nadere invulling gegeven aan het verzoekschrift. Aldus kan een burger ex art. 40 Woningwet verzoeken om een bouwvergunning of ex art. 67 Algemene bijstandswet om bijstand. We stellen hierbij vast dat het schriftelijkheidsvereiste in sommige gevallen is verruimd. Zo kan in bovengenoemd voorbeeld bijstand ambtshalve worden vastgesteld indien schriftelijk aanvragen niet mogelijk is. Ook is in sommige gevallen, zoals bijvoorbeeld art. 5 Wob, een mondeling verzoek voldoende. In alle genoemde gevallen is de ratio achter de verruiming gelegen in een laagdrempelige toegang tot de overheid. In bepaalde gevallen worden aan een geschrift afkomstig van een burger echter ook zwaardere vormvereisten gesteld. Dat is met name het geval als het gaat om geschriften ex art. 6:5 Awb, houdende een beroep- of bezwaarschrift. Het moet ondertekend zijn en enkele specifieke gegevens bevatten.

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat het schriftelijkheidsvereiste, ten behoeve van een laagdrempelige toegang tot overheidsorganen wordt opgerekt tot mede daaronder begrepen een mondelinge communicatie.
Tussen overheidsorganen

Een blik op de regelingen inzake de communicatie tussen overheidsorganen leert dat vele administratieve procedures verplichtingen inzake verslaglegging bevatten of een besluit van een bevoegd personen vereisen. Als voorbeeld noemen we de totstandkoming van een wet in de fase waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal betrokken wordt22. De behandelings- en goedkeuringsprocedure van een wetsontwerp is geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede en Eerste kamer. Uit vrijwel ieder artikel komt naar voren dat een handeling schriftelijk moet zijn neergelegd: het opstellen van een wetgevingsrapport (art. 92), het inzenden van schriftelijke opmerkingen (art. 93), een verslag van de commissie (art. 94), het indienen van een amendement (art. 97) etc. En uiteindelijk resulteert dit in de behandeling van de wet in het Parlement waarvan verslag, met diverse formele eisen, dient te worden gemaakt (art. 121 ev). Heeft de wet de gehele cyclus doorlopen dan wacht het de ondertekening van de Koning(in) en het contraseign van de betrokken Minister. Hier komt dus ondertekening expliciet aan de orde. Bij de voornoemde handelingen wordt ondertekening niet expliciet genoemd, maar daar zal zeker sprake van zijn.

Gegeven onze gedecentraliseerde eenheidsstaat, kennen we een scala aan besluitvormingsprocessen tussen overheden. Zo kent bijvoorbeeld de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing (WSDV) bepalingen waarin de gemeenteraad bevoegd is een verordening vast te stellen op grond waarvan de gemeente aan natuurlijke of rechtspersonen geldelijke steun in het belang van de stadsvernieuwing verleent (art. 41 lid 1 WSDV). Via budgettering vloeit er geld van de rijksoverheid via de provincie naar de gemeenten. Het college van B & W behoort verslag uit te brengen, vergezeld van een accountantsrapport, aan Gedeputeerde Staten inzake de besteding van deze gelden (art. 42 lid 1 WSDV). Al deze interne procedures hebben hun (papieren) neerslag. De relevante geschriften moeten worden opgemaakt door het bevoegde orgaan, de daartoe bevoegde personen dienen het besluit van hun handtekening te voorzien. Aan de eigenschappen van de drager wordt nergens specifiek gerefereerd. Desalniettemin laat de praktijk zien dat er bij deze overheidshandelingen nauwelijks gebruikt wordt gemaakt van andere dragers dan papier. Wel ontstaan bij de voorbereiding van de besluiten en andere handelingen concepten in digitale vorm.
Van Overheid naar burger

Iedereen behoort de wet te kennen: aldus een bekend adagium. Maar hoe komt de burger deze wetten, maar ook andere besluiten die hem (kunnen) treffen, te weten? Op hoofdlijnen kunnen we het volgende vaststellen: De Bekendmakingswet regelt voor de centrale overheid en respectievelijk de Provinciewet en de Gemeentewet voor provincie en gemeenten op welke wijze wetten en verordeningen bekend moeten worden gemaakt. Daarnaast kent de Awb regels om burgers te informeren. Soms wordt ook gebruik gemaakt van een specifieke wet. In de Bekendmakingswet wordt het Staatsblad en de Staatscourant genoemd. Op provinciaal en gemeentelijk niveau wordt veelal gebruik gemaakt van bekendmaking via een publicatie in een huis-aan-huis blad en een terinzagelegging in het provincie- of gemeentehuis.

Ook rechterlijke instanties hebben een bekendmakingsverplichting, hetgeen voortvloeit uit art. 121 GW (zij worden gehouden uitspraak te doen in het openbaar). Veelal volgt vervolgens slechts een selectieve publicatie van uitspraken.

Bestuursorganen in de zin van de Awb hebben een bekendmakingsverplichting die is geregeld in afdeling 3.6 Awb. Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Ook zijn aan de bekendmaking eisen gesteld. Zo dient een besluit gericht aan een of meer belanghebbenden (alsmede de aanvrager) te geschieden door uitreiking of toezending. Mochten er zeer veel belanghebbenden zijn (bv. bij een bestemmingsplan) dan geschiedt bekendmaking in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op andere geschikte wijze. Uit het document zal door ondertekening moeten blijken dat het geschrift afkomstig is van het bevoegde orgaan. En uiteindelijk is het belangrijk dat het geschrift gedateerd is, dit omdat burgers vaak beroep of bezwaar kunnen aantekenen tegen een besluit en dit is gebonden aan termijnen. Daarnaast moet de burger wetenschap hebben vanaf wanneer het besluit rechtswerking heeft.


Concluderend kunnen we uit het voorgaande opmaken dat in ieder van de besproken relaties verschillende schriftelijkheidsvereisten zijn te herkennen. Daarbij kent het verkeer van overheid naar burger zwaardere eisen dan dat van burger naar overheid.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

  • 3.2.4 Databankenrecht
  • Een en ander betekent dat de (commerciële) exploitatie door een overheidsorgaan van een databank in de praktijk niet mogelijk zal zijn, tenzij het sui generis
  • 3.3 Bescherming persoonsgegevens
  • 3.3.1 De Wet persoonsregistraties (Wpr)
  • 3.3.2 De wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
  • Artikel 8 Wbp
  • Artikel 2a Archiefwet
  • 3.4 Vormvereisten 19
  • 3.4.1 Communicatieverhoudingen

  • Dovnload 0.59 Mb.