Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Digitale Overheid en de wet

Dovnload 0.59 Mb.

De Digitale Overheid en de wet



Pagina6/13
Datum05.12.2018
Grootte0.59 Mb.

Dovnload 0.59 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

Artikel 1, sub c Archiefwet

Archiefbescheiden:

1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten;

2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan;

3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten;

4°. reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder 1°, 2° of 3° bedoelde archiefbescheiden of welke op grond van het bepaalde in artikel 7 zijn vervaardigd.


Uit artikel 1, sub c kunnen we lezen dat de wet geen eisen stelt aan de vorm van archiefbescheiden. In artikel 1, sub c wordt immers steeds gesproken over ‘bescheiden (dan wel reproducties), ongeacht hun vorm, ...’. Het is derhalve mogelijk om een archief bestaande uit elektronische bescheiden bij te houden.45

3.6.1 De zorgdrager

De zorg voor het archief ligt bij de zorgdrager. Wie de zorgdrager is, is afhankelijk van het overheidsorgaan onder wie het beheer van de archiefbescheiden valt. Voorzover het archiefbescheiden van het rijk betreft wordt in artikel 23 van de Archiefwet geregeld wie als zorgdrager moet worden aangemerkt.


Artikel 23 Archiefwet

1. De Eerste en de Tweede Kamer der Staten‑Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat, de directeur van het Kabinet der Koningin en Onze ministers dragen zorg voor hun archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats.

2. Onze commissarissen in de provincie dragen zorg voor de archiefbescheiden die verband houden met de taken, bedoeld in artikel 182, eerste en tweede lid, van de Provinciewet (het betreft hier taken voortvloeiend uit de door de regering aan de commissaris van de koningin gegeven ambtsinstructie, auteurs), voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats.

3. Onze minister (de minister van Onderwijs, cultuur en wetenschappen, auteurs) draagt tevens zorg voor de archiefbescheiden, die in de rijksarchiefbewaarplaatsen berusten.

4. ...
Voor archiefbescheiden van de provincies fungeert (behoudens het hierboven genoemde geval), gedeputeerde staten als zorgdrager (art. 27 Archiefwet). Bij de gemeenten wordt de taak van zorgdrager vervuld door burgemeester en wethouders (art. 30 Archiefwet). Binnen de waterschappen draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden (art. 35 Archiefwet). In de overige gevallen (andere overheidsorganen) wordt het bestuur of het dagelijks bestuur, dan wel ‘de persoon met enig openbaar gezag bekleed’ aangemerkt als zorgdrager (art. 41 Archiefwet).

Veelal worden de beheerstaken van de zorgdrager gemandateerd. Bij het Ministerie van Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties bijvoorbeeld is sprake van mandatering aan de secretaris-generaal. Deze kan op zijn beurt andere personen machtigen, te weten de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, voor zover het hun dienstonderdeel betreft, dan wel het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, voor zover het de Binnenlandse Veiligheidsdienst betreft. De directeuren-generaal kunnen ondermandaat verlenen aan de hoofden van de onder hen ressorterende diensten.46

Een tweetal groepen zorgdragers, namelijk de zorgdragers genoemd in art. 23 lid 1 (rijk) en art 41 lid 1 Archiefwet (pbo-organen en zbo’s) heeft bovendien het opstellen van beheersregels ex. Art. 14 Archiefbesluit tot taak. Wat deze beheersregels moeten behelzen is niet in het Archiefbesluit terug te vinden. In de praktijk blijkt dan ook dat de inhoud van beheersregels sterk uiteenloopt. Bovendien hebben lang niet alle zorgdragers aan hun verplichting voldaan. In een rapport van de Rijksarchiefinspectie daterend van augustus 199847 wordt een overzicht gegeven van bij de rijksoverheid vigerende beheersregels.

3.6.2 Vernietiging

Eén van de taken van de zorgdrager is het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen (art. 5 Archiefwet). Op een dergelijke selectielijst wordt bijvoorbeeld opgenomen welke categorieën bescheiden aanwezig zijn, wat de termijn voor vernietiging van bescheiden uit die categorieën is, en welke (onderdelen van) bescheiden bewaard moeten blijven.48

Bij het ontwerpen van selectielijsten wordt rekening gehouden met de taak van het betreffende overheidsorgaan, met de verhouding van het overheidsorgaan tot andere overheidsorganen, met de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed en met het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek (art. 2 Archiefbesluit49). Tijdens het proces van het opstellen van de lijsten moeten deskundigen en de rijksarchivaris worden geraadpleegd (art. 3 Archiefbesluit).

Voorts ziet de zorgdrager er op toe dat archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en welke ouder zijn dan twintig jaar worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats (art. 12 Archiefwet). Archiefbescheiden van het rijk die voor permanente bewaring in aanmerking komen, worden ondergebracht in een rijksarchiefbewaarplaats die worden beheerd door de rijksarchivaris.


Niet alleen de Archiefwet is van belang in het kader van beslissingen inzake vernietiging. Ook de privacyregels spelen hier een belangrijke rol. De Wpr kent als uitgangspunt dat persoonsgegevens moeten worden verwijderd zodra zij niet meer nodig zijn voor het gestelde doel. Indien persoonsgegevens een archiefbestemming krijgen kan van deze voorwaarde worden afgeweken en wordt aldus ontheffing verleend. Het bepaalde instrument hierbij is de vernietigingslijst of de selectielijst bedoeld in de Archiefwet 1995. Ontbreekt deze lijst of is er geen toepasselijke categorie in die lijst opgenomen, dan dienen de persoonsgegevens op grond van de Wpr en in de toekomst de Wbp vernietigd worden. Als bijzondere wet gaan deze privacywetten voor op de Archiefwet.50

3.6.3 Originelen en reproducties

Een volgende bevoegdheid van de zorgdrager waar we op ingaan is de bevoegdheid archiefbescheiden te vervangen door reproducties (art. 7 Archiefwet). Een reproductie wordt in de Nota van Toelichting bij het Archiefbesluit gedefinieerd als ‘iedere gelijkluidende weergave van een origineel in een andere gedaante of op een andere drager’. Voorbeeld van reproducties zijn kopieën van een fax, maar ook kopieën van elektronische bestanden.


Artikel 7 Archiefwet

De zorgdrager is bevoegd archiefbescheiden te vervangen door reproducties, teneinde de aldus vervangen archiefbescheiden te vernietigen. Voor vervanging van archiefbescheiden die niet als te vernietigen worden aangemerkt in de in artikel 5 bedoelde lijsten, is een machtiging vereist van Onze minister dan wel, indien het archiefbescheiden betreft voor de bewaring waarvan een andere dan een rijksarchiefbewaarplaats is aangewezen, van gedeputeerde staten. Deze machtiging houdt tevens een machtiging tot vernietiging in.


In het hierboven aangehaalde artikel 1, sub c onder vier Archiefwet worden reproducties eveneens aangemerkt als archiefbescheiden. Het vervangen van reproducties door andere reproducties moet dus ook als het vervangen van archiefbescheiden worden aangemerkt.

Een zorgdrager kan slechts tot vervanging van originelen door reproducties besluiten als de vervanging geschiedt met juiste en volledige weergave van de in de vervangen archiefbescheiden voorkomende gegevens (art. 6 lid 1 Archiefbesluit). Voor het vervangen van archiefbescheiden die niet op de vernietigingslijsten voorkomen is een machtiging vereist van de minister van OC&W dan wel van gedeputeerde staten (art. 7 Archiefwet). Bij een aanvraag om een machtiging moet de zorgdrager vermelden hoe rekening wordt gehouden met de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed en met het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek (art. 6 lid 2 Archiefbesluit jo. art. 2 lid 1, onderdelen c en d Archiefbesluit).


In omgevingen waarin met elektronische documenten wordt gewerkt kan de regeling voor het vervangen van originelen door reproducties problemen opleveren. Om dit nader te illustreren moeten we een onderscheid maken tussen archiefbescheiden die eerst in schriftelijke (papieren) vorm beschikbaar waren en die later zijn omgezet naar elektronische vorm en archiefbescheiden die vanaf het begin van hun levenscyclus slechts in elektronische vorm beschikbaar waren. In het eerste geval zijn er bij de vervanging geen bijzondere problemen. Er kan op normale wijze gewerkt worden met selectielijsten. In het tweede geval kunnen wel problemen optreden. In de eerste plaats is het onderscheid tussen originelen en reproducties niet duidelijk te maken. In de tweede plaats is het begrip ‘reproductie’ of ‘kopie’ moeilijk te hanteren. Vrijwel alle handelingen met elektronische documenten omvatten immers mede het maken van een kopie van het document. Gezien het verschil in het toepasselijk regime voor archiefbescheiden die voor permanente bewaring in aanmerking komen en voor archiefbescheiden waarvoor dit niet geldt, kan dit betekenen dat reeds in de fase waarin archiefbescheiden geconcipieerd wordt rekening moet worden gehouden met het verdere traject dat de archiefbescheiden zullen doorlopen.

3.6.4 Duurzaamheid

In artikel 21 lid 1 Archiefwet wordt gesteld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de duurzaamheid van door overheidsorganen op te maken archiefbescheiden, omtrent de bouw, verbouwing, inrichting en verandering van inrichting van archiefruimten, alsmede omtrent de ingebruikneming van gebouwen of gedeelten van gebouwen als archiefruimte of archiefbewaarplaats. In het Archiefbesluit (art. 11 lid 1) is omtrent de duurzaamheid het volgende gesteld:


Artikel 11 Archiefbesluit

1. De zorgdrager treft zodanige voorzieningen ten aanzien van de door hem opgemaakte archiefbescheiden die ingevolge een door hem geldende selectielijst voor bewaring in aanmerking komen, dat bij het raadplegen van die archiefbescheiden na tenminste honderd jaar geen noemenswaardige achteruitgang zal zijn te constateren.


Archiefbescheiden moeten derhalve vaak lange tijd beschikbaar en raadpleegbaar blijven. De termijn van honderd jaar geldt overigens slechts voor door de overheid opgemaakte, permanent te bewaren archiefbescheiden en is derhalve niet van toepassing op door de overheid ontvangen archiefbescheiden.51 Ten aanzien van de duurzaamheid van op termijn te vernietigen archiefbescheiden en ten aanzien van door de overheid ontvangen archiefbescheiden gelden geen bijzondere eisen. Wel moeten ook deze bescheiden in goede, ordelijke en toegankelijke staat worden gehouden (art. 3 Archiefwet).

Bij het bewaren van archiefbescheiden in elektronische vorm kunnen problemen optreden ten aanzien van de duurzaamheid van deze gegevens. Zonder adequate maatregelen zal de vergankelijkheid van digitaal vastgelegde archiefbescheiden groter zijn dan de vergankelijkheid van archiefbescheiden vastgelegd op een papieren drager. Voor deze categorie archiefbescheiden moeten dan ook aanvullende maatregelen worden genomen.

Een aanvullende eis voor elektronische archiefbescheiden is in de Nota van Toelichting bij het Archiefbesluit te vinden. Aangezien de duurzaamheid voor elektronische archiefbescheiden niet alleen wordt bepaald door de duurzaamheid van de drager, maar ook door de kwaliteit van de programmatuur die wordt gebruikt voor opslag, verwerking en raadpleging van gegevens, geldt voor deze programmatuur eveneens een bewaar-eis.

Voor archiefbescheiden die dreigen de gestelde termijn van honderd jaar niet te overleven, wordt gesteld dat moet worden overgegaan tot vervanging van de archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in artikel 7 van de Archiefwet. In de context van elektronische archiefbescheiden leidt dit er toe dat regelmatige conversie naar nieuwe bestandsformaten dan wel migratie naar een andere besturingsomgeving en/of hardwareplatform zal moeten plaatsvinden en dat apparatuur en programmatuur waarmee de gegevens kunnen worden ingezien beschikbaar moet blijven. Op voorwaarde dat deze conversie of migratie voldoet aan de vereisten van art. 3 Ontwerp ‘Regeling goede en geordende staat archiefbescheiden’ wordt dit overzetten van gegevens niet aangemerkt als het vervangen van die gegevens door een reproductie van die gegevens. Indien niet is voldaan aan de vereisten worden de handelingen wel aangemerkt als een vervanging in de zin van art. 7 Archiefwet 1995.

De voornoemde Regeling is een uitvloeisel van de mogelijkheid die is gecreëerd om bij ministeriële regeling aanvullende regels omtrent de duurzaamheid van archiefbescheiden (art. 11 lid 2 Archiefbesluit, nog niet in werking getreden) te stellen. In het verleden is op basis van dit artikel reeds geëxperimenteerd met wat toen werd aangeduid als ‘Proefreglement’ en wat wij hier ter onderscheiding met de Regeling die momenteel in voorbereiding is nog aanduiden als ‘Proefreglement’.52 In dit ‘Proefreglement’ worden concrete eisen aan digitale gegevensdragers gesteld; gegevensdragers moeten minimaal tien jaar houdbaar zijn (art. 2, sub a ‘Proefreglement’). De zorgdrager moet er bovendien op toezien dat er zodanige voorzieningen in de voor het langdurig bewaren van archiefbescheiden gebruikte informatiesystemen zijn aangebracht dat migratie van archiefbescheiden in verband met technologische vernieuwingen mogelijk is (art. 4, sub a ‘Proefreglement’). Ook moet een veiligheidskopie op CD‑ROM van de opgeslagen archiefbescheiden worden bewaard op een andere locatie dan het moederexemplaar (art. 5 ‘Proefreglement’).

Op het moment circuleert een concept houdende regels omtrent de duurzaamheid van archiefbescheiden, dat naar verwachting medio 2000 als besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zal worden vastgesteld (Regeling geordende en toegankelijke staat archiefbescheiden 1999, concept van september 1999). De regeling is van toepassing op archiefbescheiden die volgens een selectielijst voor bewaring in aanmerking komen en legt aan de zorgdrager een verplichting tot het treffen van voorzieningen op die moeten waarborgen dat te allen tijde de weergave van archiefbescheiden geheel in overeenstemming is met hun oorspronkelijke vastlegging, verschijningsvorm en structuur. Voorts moet de zorgdrager maatregelen voor de beveiliging van archiefbescheiden treffen teneinde te voorkomen dat onbevoegden zich toegang verschaffen tot archiefbescheiden, dat ongeoorloofde wijzigingen worden aangebracht, of dat archiefbescheiden ongeoorloofd worden vernietigd (zie voorts onder beveiliging). Het concept bevat in paragraaf 2 specifieke bepalingen inzake elektronische archiefbescheiden.



3.6.5 De goede, geordende en toegankelijke staat van elektronische archiefbescheiden

Zoals vermeld wordt in art. 3 Archiefwet gesteld dat overheidsorganen verplicht zijn de onder hun berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Op grond van art. 21 lid 2 Archiefwet kunnen hieromtrent bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld. In het Archiefbesluit wordt aangegeven dat dit bij ministeriële regeling moet gebeuren (art. 12 Archiefbesluit, nog niet in werking getreden). Op grond van deze bepaling is de voornoemde concept-Regeling opgesteld, waarin regels staan met betrekking tot het in geordende en toegankelijke staat brengen en bewaren van archiefbescheiden. De concept-Regeling is van toepassing op archiefbescheiden die ingevolge een selectielijst voor bewaring in aanmerking komen (vgl. art. 1, sub a concept-regeling). Het gaat hierbij dus niet uitsluitend om elektronische archiefbescheiden. Wel bevat de concept-Regeling zoals opgemerkt in paragraaf 2 bepalingen die het bewaren van elektronische archiefbescheiden regelen.53

De concept-Regeling legt enige verplichtingen op aan de zorgdrager. Zo moet de zorgdrager er op toezien dat er een doelmatige en doeltreffende systematiek is met betrekking tot de logische ordening en toegankelijkheid van archiefbescheiden (art. 3 lid 1 concept-Regeling). Van archiefbescheiden moet de inhoud, structuur en vorm op het moment dat de bescheiden door het overheidsorgaan werden ontvangen of opgemaakt te allen tijde kunnen worden vastgesteld (art. 5 concept-Regeling). Ook moet de zorgdrager zorgen voor een compleet en logisch samenhangend overzicht van alle bij het overheidsorgaan berustende archiefbescheiden (art. 10 lid 1 concept-Regeling).

De zorgdrager moet niet alleen zorg dragen voor de blijvende bewaring van de archiefbescheiden, maar ook voor de bewaring van de toepassingsprogrammatuur waarmee de archiefbescheiden kunnen worden geraadpleegd (art. 8 concept-Regeling). In art. 9 wordt voorts bepaald dat technische metagegevens over de aanmaak en het beheer van archiefbescheiden eveneens moeten worden bewaard. Ook de relaties tussen verschillende bescheiden moeten worden aangegeven. Voor databases geldt bovendien dat een beschrijving van de structuur van de database moet worden bewaard.



3.6.6 Archiefwet-Auteurswet

Evenals bij de relatie tussen de Wob en de Auteurswet, kunnen zich tussen de Archiefwet en de Auteursrecht vragen van wetsvoorrang voordoen. Een ieder heeft op grond van de Archiefwet de mogelijkheid om uit de door hem geraadpleegde archiefbescheiden een afschrift, uittreksel, etc. te maken of te doen maken. Deze openbaarheidsbepalingen staan op gespannen voet met de Auteurswet, nu op bepaalde archiefbescheiden een auteursrecht van derden kan rusten.54

In zijn bijdrage van november 1992 in de losbladige ‘Archiefbeheer in de praktijk’ concludeert Quaedvlieg ‘Auteurs- en archiefrecht zijn niet op elkaar afgestemd, maar ook niet onverenigbaar. Het archiefbeheer wordt in zijn functioneren noch buitengewoon gehinderd door het auteursrecht, noch tot overdreven voorzichtigheid genoopt.’55

Gegeven de huidige stand van de technologie, kan deze conclusie niet zonder meer worden gehandhaafd. Het betoog van Quaedvlieg is gebaseerd op een situatie waarin burgers en bedrijven veelal naar het archief komen om aldaar archiefbescheiden te raadplegen dan wel een afschrift daarvan te (laten) maken. In die gevallen dat op werken in deze archiefbescheiden een auteursrecht van een derde rust, zal het voor raadpleging en verveelvoudiging beschikbaar stellen conform de zogenaamde uitputtingsleer geen auteursrechtelijk relevante handeling opleveren. Hiernaast zijn verveelvoudigingen voor eigen gebruik van de archiefdienst (hierna: Dienst Documentaire Informatievoorziening) toegestaan binnen de randvoorwaarden van art. 16b lid 6 Auteurswet jo art. 2 Reprobesluit resp. art. 17 Auteurswet. Verder kunnen burgers en andere derden voor zichzelf (doen) verveelvoudigen op grond van art. 16b Auteurswet, op voorwaarden dat de grenzen van dit artikel in acht worden genomen (voor zover het een geschrift betreft dient de verveelvoudiging beperkt te blijven tot een klein gedeelte daarvan). Volgens Quaedvlieg is de archivaris/DIV-medewerker verplicht om de plannen van degene die verzoekt om meer dan enkele verveelvoudigingen te verifiëren. Het laten tekenen door de verzoeker van een vrijwaringsverklaring is dan eveneens aan te bevelen.56


Welke ruimte bieden de voornoemde uitzonderingen voor het beschikbaar stellen van archiefbescheiden via elektronische middelen? Voor zover de beschikbaarstelling van het archiefmateriaal on-site dan wel on-line geschiedt, verandert de beschreven situatie in een aantal opzichten. De basis voor het rechtmatig verveelvoudigen door verzoekers is nog steeds te baseren op art. 16 Auteurswet, maar we moeten ons afvragen in hoeverre de DIV-medewerker nog invulling kan geven aan de plicht om de plannen te verifiëren van degene die verzoekt om meer dan enkele verveelvoudigingen. Een waarschuwingsplicht kan zeker van de DIV-medewerker worden verlangd (bijvoorbeeld via een waarschuwende mededeling op het scherm). Verder lijkt het laten tekenen door de verzoeker van een vrijwaringsverklaring in deze situatie zeer zeker wenselijk.

Maar er verandert nog meer. Kenmerkend voor beschikbaarstelling via elektronische media is dat een dergelijke beschikbaarstelling een verveelvoudiging noodzakelijk maakt. De traditionele uitputtingsleer biedt hier niet langer ruimte. Nu het zogenaamde Reprobesluit geen uitzondering bevat voor het archiefbeheer als zodanig, zal de ruimte gevonden moeten worden in een der algemene uitzonderingen op de exclusieve rechten van de auteur. Relevant is hier de uitzondering van art. 17 Auteurswet (voor verveelvoudigen is geen toestemming, maar wel een vergoeding vereist). Hier geldt echter dat de verveelvoudiging beperkt dient te blijven tot enkele exemplaren. Gegeven het feitelijk resultaat van on-line en on-site beschikbaarstelling, is het twijfelachtig of art. 17 Auteursrecht een adequate basis oplevert. Betoogd kan worden dat - op voorwaarde dat het aantal raadplegingen inderdaad beperkt blijft tot het aantal dat voor gebruik binnen een overheidsinstelling redelijkerwijs noodzakelijk is - de digitalisering ten behoeve van interne raadpleging via CD-ROM zonder toestemming van de auteurs is geoorloofd. Voor dit gebruik zal aan de auteurs een redelijke vergoeding betaald dienen te worden. Toch blijft de precieze status van gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal ten behoeve van on-site dan wel on-line raadpleging van archiefbescheiden onduidelijk. Wij zijn van mening - naar analogie met de eerder aangehaalde conclusies van de interdepartementale werkgroep Wob-Auteursrecht - dat in geval een Dienst Documentaire Informatievoorziening besluit in het kader van de dienstverlening aan burgers archiefbescheiden actief on-line openbaar te maken, ze de relevante consequenties onder de Auteurswet en Databankenwet voor haar rekening dient te nemen. Bij een openbaarmaking (elektronisch verzending van de archiefbescheiden) naar aanleiding van een verzoek van een individuele burger op grond van de Archiefwet, doet deze beslissing op het verzoek geen afbreuk aan het bepaalde in de Auteurswet en de Databankenwet.


Quaedvlieg merkt in zijn genoemde bijdrage op dat hoe belangrijk het auteursrecht ook is, ‘... behoedzaamheid past voordat men het archiefbeheer al te zeer gaat knevelen. Archieven spelen een prominente rol bij het beschikbaar doen komen van informatie als zodanig en het is niet de bedoeling dat intellectuele eigendomsrechten misbruikt worden om de vrije informatiestroom - een zaak van levensbelang - af te knijpen.’57 Ondanks het feit dat de Dienst Documentaire Informatievoorziening de elektronische ter beschikking stelling (en aldus een verveelvoudiging en openbaarmaking) in het algemeen belang verricht, doet dit niets af aan een gerechtvaardigde claim van een auteursrechthebbende: het archiefbelang als zodanig kan een auteur nimmer van zijn rechten ‘onteigenen’. Waar ligt dan de oplossing?

Deze zou gevonden kunnen worden in art. 16b zesde lid dat de mogelijkheid opent om bij algemene maatregel van bestuur speciale regels vast te stellen voor het verveelvoudigen van geschriften ter uitoefening van de openbare dienst. Zoals vermeld, bevat het zogenaamde Reprobesluit, dat uit deze bepaling is voortgekomen, momenteel geen uitzondering voor het archiefbeheer als zodanig. Een specifieke op het archiefbeheer toegespitste uitzondering zou ruimte kunnen creëren voor een balans tussen de belangen van de openbaarheid van informatie enerzijds en auteursrechthebbenden anderzijds.


Overigens moet tot slot wel opgemerkt worden dat wanneer een auteur zijn auteursrecht op onredelijke wijze uitoefent, dit onder omstandigheden een misbruik van recht kan opleveren.

3.7 Openbaarheid van overheidsinformatie

Zowel de Archiefwet als de Wet openbaarheid van bestuur bevat regelingen welke een overheidsorgaan verplichten - gegeven nadere randvoorwaarden - overheidsdocumenten en overheidsinformatie openbaar te maken. De overstap naar de elektronische opslag en bewaring van documenten en informatie roept vragen op ten aanzien van de openbaarmakingshandelingen.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

  • 3.6.3 Originelen en reproducties
  • Artikel 11 Archiefbesluit
  • 3.6.5 De goede, geordende en toegankelijke staat van elektronische archiefbescheiden
  • 3.6.6 Archiefwet-Auteurswet
  • 3.7 Openbaarheid van overheidsinformatie

  • Dovnload 0.59 Mb.