Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Digitale Overheid en de wet

Dovnload 0.59 Mb.

De Digitale Overheid en de wet



Pagina7/13
Datum05.12.2018
Grootte0.59 Mb.

Dovnload 0.59 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13

3.7.1 Artikel 14 Archiefwet

De archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten, zijn openbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17. Een ieder is, behoudens de beperkingen die voortvloeien uit het in die artikelen bepaalde, bevoegd die archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen te maken of op zijn kosten te doen maken.

Nu de Archiefwet ten aanzien van deze regeling geen specifieke bepalingen bevat wat betreft het onderscheid tussen papieren en elektronische bescheiden, kan worden aangenomen dat ook wanneer deze in elektronische vorm zijn opgeslagen, een ieder bevoegd is archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen te maken of op zijn kosten te doen maken indien het archiefbescheiden betreft die worden overgebracht naar de archiefbewaarplaats en hun primaire toegangen. Indien echter een Dienst Documentaire Informatievoorzieningen investeert in het digitaliseren van de aldaar berustende archiefbescheiden, om zodoende de burger beter te kunnen bedienen, dan kunnen zij daarvoor kosten in rekening brengen. Voorwaarde is dan wel dat de burger ook het alternatief heeft de oorspronkelijke bronnen kosteloos te kunnen raadplegen. Zo moest het Rijksarchief in het verleden als gevolg van de Archiefwet 1995 muntautomaten bij microfilmreaders weghalen omdat de dienst de originelen niet ter inzage gaf.

3.7.2 Wet openbaarheid bestuur

Van groot belang waar het de openbaarheid van overheidsinformatie betreft, is de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob). De voor dit onderzoek relevante vraag in dit verband is in hoeverre er bij elektronische opslag en bewaring van overheidsinformatie problemen ontstaan in relatie tot het instrumentarium neergelegd in deze wet. Uit diverse parlementaire stukken blijkt dat er nogal wat schort aan de toepasselijkheid van de Wob op elektronische gegevensbestanden.58 Eind 1998 verscheen mede naar aanleiding van de parlementaire debatten een rapport betreffende het gebruik van elektronische gegevensbestanden bij de overheid59, waarbij tevens werd aangekondigd dat de Wob eind 2000 wederom zal worden geëvalueerd ten aanzien van de vraag of de bepalingen functioneren in het licht van de technologische ontwikkelingen. Voor dit rapport is in ieder geval ook relevant de reeds eerder genoemde beleidslijn ‘Naar optimale beschikbaarheid van overheidsinformatie’ die op 20 april 2000 door Minister van Boxtel naar de Tweede Kamer werd gestuurd. In de beleidslijn somt de Minister een groot aantal vragen op die betrekking hebben op de openbaarheid en de toegankelijkheid van elektronische gegevensbestanden op grond van de Wob. Het antwoord op deze vragen moet worden gegeven in een medio 2000 gestart onderzoek naar de werking van de Wob in het ICT-tijdperk.

Voor wat betreft de overheidsdocumenten waar we het in het kader van de Wob over hebben, is het van belang hier te vermelden dat de Wob de term ‘bestuurlijke informatie’ hanteert. Daarmee wordt gedoeld op gegevens betreffende een bestuurlijke aangelegenheid die in documenten zijn neergelegd en die bij een bestuursorgaan berusten of bij een instelling, dienst of bedrijf werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, als bedoeld in de Wob (art. 1 sub a en b, 1a en 3 lid 1 Wob) berusten.60 In de voornoemde beleidslijn wordt opgemerkt dat ook databanken in principe tot bestuursinformatie kunnen worden gerekend, met uitzondering van situaties waarin het bestand geen relatie heeft met het bestuurlijk handelen van het betreffende overheidsorgaan.

In het kader van deze paragraaf dient een aantal van de in de Wob gehanteerde termen en voorwaarden te worden geanalyseerd op hun functionaliteit in een digitale omgeving. Zo spreekt de wet over “een verzoek om informatie neergelegd in documenten” en over documenten die bij een bestuursorgaan “berusten”. Aan een ieder die daarom verzoekt kan informatie dan wel kunnen documenten worden verstrekt, onder meer door het geven van een “kopie”. In sommige gevallen dient het bestuursorgaan “uit eigen beweging” de relevante informatie te verschaffen. In het onderstaande willen wij aan deze termen en voorwaarden nader aandacht besteden.


Informatie neergelegd in documenten

In art. 1 sub a Wob wordt het begrip ‘document’ omschreven. Het betreft een schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Niet alleen documenten die afkomstig zijn van het bestuursorgaan zelf, maar ook stukken die van buiten de overheid afkomstig zijn vallen binnen het begrip. Criterium is dat de documenten voor het bestuursorgaan als zodanig bestemd zijn. Een blik op de Memorie van Toelichting leert dat rekening is gehouden met nieuwe technologische toepassingen. Ponskaarten, banden, en elektromagnetische kaarten vallen binnen het bereik van het begrip. Gezien het feit dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen het begrip document een medium-onafhankelijke invulling te geven, mogen we concluderen dat de elektronische opslag van overheidsbescheiden ten aanzien van dit aspect geen invloed heeft op de toepasselijkheid van de Wob.

Bij lezing van kabinetsnota “Naar toegankelijkheid van overheidsinformatie”61 ontstonden bij deskundigen toch enkele twijfels over deze conclusie.62 Nadat de regering reeds na publicatie van de bovengenoemde kabinetsnota had laten weten dat in principe ingevolge de Wob ruimhartig moet worden gereageerd op verzoeken om informatie in digitale vorm, merkte Minister Van Boxtel in april 2000 in de beleidslijn ‘Naar optimale beschikbaarheid van overheidsinformatie’ (daarbij vooruitlopend op de resultaten van de Wob-ICT-evaluatie) op dat de bestuursorganen binnen het regime van de Wob ook nu al hun bestanden in elektronische vorm moeten verstrekken.

Belangrijk in dit verband is tenslotte de door de Pres. Rb. Amsterdam op 19 augustus 1997 getroffen voorziening in de zaak die een journaliste van het Dagblad Trouw had aangespannen tegen het Ministerie van OC&W.63 Volgens de President vallen elektronische gegevensbestanden die bij een bestuursorgaan berusten of die eenvoudig, of zelfs met een simpele bewerking, geproduceerd kunnen worden onder het Wob-begrip ‘document’. Van belang in relatie tot ICT is de volgende overweging van de President. Hij stelde dat alhoewel sommige gegevens weliswaar niet in documenten neergelegd waren, deze desalniettemin via een simpele technische bewerking (‘niet ingewikkeld of arbeidsintensief’) geproduceerd konden worden en aldus ook onder het bereik van de Wob vallen. Kortom: nu met behulp van ICT gegevens steeds eenvoudiger en sneller zijn te zoeken, te combineren en te analyseren, mag worden verwacht dat het bereik van het Wob-criterium ‘informatie neergelegd in documenten’ ruimer zal worden, hetgeen tevens betekent dat het toepassingsgebied van de Wob in deze richting zal toenemen.

Kortom: het criterium ‘informatie neergelegd in documenten’ kan onder de WOB ook slaan op elektronische opslag. Het lijkt echter wel wenselijk dat deze conclusie uiteindelijk expliciet in de wet wordt verwoord.
Bij overheidsorgaan berustend

Wat is de betekenis van een term als ‘berusten’ in een digitale omgeving waar de grenzen van onder meer organisaties in toenemende mate afbrokkelen en de inhoud van document onafhankelijk van een medium kan fungeren? Kortom: beschikbaarheid is niet langer noodgedwongen aan één plaats gebonden en wanneer ‘berusten’ overheidsdocumenten dan nog bij een bepaalde overheidsinstantie?

Uit zowel de Memorie van Toelichting als de jurisprudentie kan worden afgeleid dat niet alleen de praktische maar ook de juridische beschikkingsmacht over een document bepalend is voor de beoordeling of een document bij een bestuursorgaan berust. Voor documenten die op elektronische wijze bij een bestuursorgaan zijn opgeslagen doen zich geen problemen voor. Die treden wel naar voren waar documenten zich in een netwerkomgeving bevinden. Beers pleit als oplossing voor het Zweedse model inzake de openbaarheidsregeling.64 Criterium bij deze regeling is dat een elektronisch document bij een orgaan berust indien het document voor het orgaan beschikbaar is voor overbrenging in een zodanige vorm dat deze leesbaar of anderszins kenbaar kan worden gemaakt. Niet alleen bij het bezit van het medium waarop de informatie is opgeslagen is aan de voorwaarde voldaan, maar ook in geval van de beschikkingsmacht over die informatie indien via een netwerk daartoe toegang is.

Mede in het licht van ontwikkelingen als Overheidsloket 2000 zou het aldus aanbeveling kunnen verdienen een regeling zoals die momenteel in Zweden functioneert in de Nederlandse wetgeving op te nemen. Aldus wordt duidelijkheid gecreëerd ten aanzien van de status van overheidsdocumenten in een netwerkomgeving. Wel zullen overheidsorganen afspraken moeten maken voor die situaties waarin documenten bij meerdere organen berusten omdat deze documenten in een open netwerkomgeving worden gedeeld.


Verstrekken door middel van een kopie

Wanneer niet alleen onze maatschappij, maar ook de overheid in toenemende mate overgaat op een digitale informatiehuishouding, treedt de vraag naar voren of burgers een recht op de elektronische verstrekking van overheidsinformatie hebben. Kunnen burgers van de overheid eisen dat ze de Wob-informatie op floppy of per e-mail verstrekt in plaats van op schrift?

Een blik op art. 7, eerste lid, Wob leert dat een verzoek om informatie op verschillende manieren kan worden gehonoreerd. De burger kan een kopie of de letterlijke inhoud worden verstrekt, kan kennisneming van de inhoud worden toegestaan, van een uittreksel of een samenvatting van de inhoud worden voorzien of inlichtingen worden verstrekt. Bij de keuze tussen deze opties dient het bestuursorgaan rekening te houden met zowel de voorkeur van de verzoeker als de vlotte voortgang van de werkzaamheden. De Memorie van Toelichting stelt ten aanzien van de genoemde opties dat het nimmer de bedoeling is geweest de al bestaande informatieverstrekking geheel in formele juridische banen te leiden en het soms om praktische redenen noodzakelijk kan zijn de inhoud van documenten in andere vorm te verstrekken. Met andere woorden: de deur staat open voor elektronische verstrekking. Voor wat betreft de voorkeur van de burger ten aanzien van de wijze van verstrekking stelt de Memorie van Toelichting dat in het geval een burger een voorkeur aangeeft, de ambtenaar dit verzoek dient te honoreren, tenzij een vlotte voortgang van de werkzaamheden een andere wijze van verstrekking vereist.65 Kortom: indien de burger om elektronische verstrekking verzoekt, kan een ambtenaar dit uitsluitend weigeren indien een dergelijke vorm van verstrekking de vlotte voortgang der werkzaamheden belemmert.

Evenals bij de interpretatie van de term ‘document’ blijkt ook hier de regering weer te aarzelen waar het de consequenties van deze conclusie betreft. In de eerdergenoemde nota “Naar toegankelijkheid van overheidsinformatie”, merkt de regering op: “In het systeem van de Wob hebben burgers aanspraak op informatie over documenten, maar niet op de documenten zelf. Bij elektronische informatie kan het verschil tussen kopie en origineel echter wegvallen. Daarom is het zeer de vraag of een verplichting tot het verstrekken van kopieën in elektronisch bewerkbare vorm uit de huidige wet mag worden afgeleid.” Beers stelde zich tegen dit standpunt te weer en het Parlement ging in deze kritiek mee. Een en ander resulteerde ook ten aanzien van dit punt in een terugkrabbelen van de regering. Het voorlopig standpunt luidt ook hier dat in principe ruimhartig wordt gereageerd op Wob-verzoeken om informatie in digitale vorm. Ook op dit punt zal de komende evaluatie moeten laten zien of een aanpassing van de Wob noodzakelijk is. Inmiddels is door de eerder in dit hoofdstuk genoemde werkgroep ‘Wob-auteursrecht’ geconcludeerd dat op een Wob-verzoek de informatie desgevraagd ook in de vorm van een elektronische kopie moet worden verstrekt.

Wanneer we het wettelijke systeem als uitgangspunt nemen, moeten we concluderen dat de Wob in principe niet verhindert dat burgers het verstrekken van een elektronische kopie afdwingen. Uitsluitend wanneer een dergelijke wijze van verstrekken het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden in de weg staat kan het overheidsorgaan zich op het standpunt stellen dat een andere (papieren) vorm van verstrekken noodzakelijk is.
Actieve verstrekking van overheidsinformatie

In het kader van dit onderdeel besteden we tenslotte aandacht aan de situatie waarin overheidsorganen uit eigen beweging informatie verstrekken. Deze situatie doet zich voor wanneer een dergelijke informatievoorziening van belang is voor een goede en democratische bestuursvoering. Voorwaarden daarbij zijn dat de informatie in een begrijpelijke vorm en op een zodanige wijze moet worden verstrekt dat burgers optimaal en op zodanige tijdstippen worden bereikt, dat ze hun visie tijdig ter kennis van het bestuursorgaan kunnen brengen. Het zal duidelijk zijn dat - op voorwaarde dat de informatie ook goed te vinden is - de toepassing van digitale technieken hierbij grote voordelen kan bieden. Een overheid die haar informatiehuishouding digitaliseert en documenten in elektronische vorm bewaart, zal een nieuwe invulling kunnen geven aan de plicht tot actieve openbaarmaking. Gewezen is inmiddels op een on-line voorziening, waarmee burgers direct toegang hebben tot de relevante overheidsdocumenten.

Een belangrijke voorwaarde is dan natuurlijk wel dat de informatie ook daadwerkelijk tussen de enorme hoeveelheid elektronisch beschikbare gegevens voor de burger te vinden is. Immers, de informatie moet op een zodanige wijze worden verstrekt dat burgers zo optimaal mogelijk worden bereikt. Een en ander betekent onder meer dat er aandacht zal dienen te zijn voor zoeksystemen, gebruikersvriendelijke software en interfaces, help-desks, etc. Daarnaast zullen overheidsorganen zich reeds bij het opstellen en de aanmaak van stukken bewust moeten zijn van een mogelijke elektronische actieve verstrekking (hetgeen veelal een eenmalige beslissing over de openbaarmaking van de informatie met zich meebrengt).66 Mede in het licht van art. 8 Wob zou de digitalisering van de informatiehuishouding op termijn namelijk ook een verschuiving van de aandacht van passieve naar actieve verstrekking kunnen betekenen.67

Tenslotte wijzen we op de spanning die, zoals hiervoor beschreven, een actieve openbaarmakingshandeling onder de Wob kan opleveren met de Auteurswet.


4 Gevalstudies

4.1 Inleiding

Bij de uitvoering van de in dit hoofdstuk beschreven gevalstudies is gebruik gemaakt van een analysekader. Dit kader dient twee doelen. Ten eerste dient het om een overzicht te geven van de mogelijke praktische situaties die bij het gebruik van elektronische documenten binnen de overheid kunnen optreden. Dit was van belang bij de keuze van de gevalstudies die zodanig is gemaakt dat een zo volledig mogelijk beeld is verkregen van de omgang met elektronische documenten bij de overheid. Het analysekader dient ten tweede om de bevindingen van de gevalstudies te interpreteren. Daar waar gesignaleerde problemen en knelpunten of voorgestelde oplossingsrichtingen bij specifieke gevalstudies zijn gesignaleerd, kan aan de hand van het analysekader worden aangeven op welke klasse van gevallen de bevindingen van toepassing zijn.



4.2 Analysekader

Het onderzoeksdomein van juridische problemen bij de toepassing van informatietechnologie wordt opgespannen door twee hoofddimensies: de gebruikte toepassingen van informatietechnologie en de relevante juridische hoofdonderwerpen. Voor beide dimensies kiezen we een indeling die de mogelijke gevallen zo volledig mogelijk afdekt en die de gevallen differentieert naar de relevante aspecten van de bewaar- en beheerstaken met betrekking tot digitale overheidsdocumenten.



4.2.1 Informatietechnologie: informatieverwerkingsfuncties

De toepassingen van informatietechnologie worden ingedeeld aan de hand van vijf verschillende gegevensverwerkingsfuncties die globaal overeenkomen met de stappen waarin de levenscyclus van gegevens kan worden ingedeeld:


a. creëren van gegevens,

b. opslaan van gegevens,

c. bewerken van gegevens,

d. transport van gegevens en

e. beschikbaarstellen van gegevens.
Toepassingen van informatietechnologie kunnen één of meer van deze gegevensverwerkingsfuncties omvatten. De functies waarin door specifieke toepassingen wordt voorzien, bepalen in grote mate de techniek die ze gebruiken en het type ondersteuning dat ze bieden.

ad a. De eerste fase in de levenscyclus van gegevens wordt gevormd door het creëren van gegevens (documenten, informatie, beelden, teksten, etc). Naast vastleggen en opstellen van nieuwe gegevens kan deze verwerkingsfunctie tevens het verzamelen en identificeren van de bestaande gegevens omvatten. Het creëren van gegevens wordt typisch ondersteund door auteurssystemen zoals tekstverwerkers.

ad b. Het opslaan van gegevens betreft het vastleggen en ordenen van gegevens om ze op een later moment in de tijd te kunnen raadplegen en gebruiken. Voor het opslaan van gegevens worden veelal databanksystemen gebruikt.

ad c. Het bewerken van gegevens houdt in dat bestaande gegevens worden gecombineerd, aangepast, vernietigd of omgezet in een andere vorm. Dit wordt net name ondersteund door transactieverwerkingssystemen zoals berekeningsprogramma’s en administratieve toepassingen.

ad d. Naast het transport in de tijd door middel van opslag, kunnen gegevens ook tussen plaatsen, personen of systemen worden getransporteerd. Het transport van gegevens wordt ondersteund door communicatiesystemen zoals e-mail en file-transfer.

ad e. De laatste fase in de gegevenslevenscyclus is het beschikbaarstellen van gegevens. De geautomatiseerde ondersteuning van het beschikbaarstellen van gegevens vereist van systemen dat ze kennis bevatten van het domein waarin de gegevens worden toegepast. Dit is nodig om op geautomatiseerde wijze een relatie te kunnen leggen tussen de gegevens in het systeem en de omgeving waarin deze gegevens worden toegepast. Voorbeelden van zulke systemen zijn information retrieval systemen en expertsystemen.

4.2.2 Juridische aspecten: juridische hoofdonderwerpen

De juridische aspecten van de toepassing van informatietechnologie worden ingedeeld aan de hand van het zestal juridische hoofdonderwerpen die bij de inventarisatie van juridische bronnen zoals wet- en regelgeving relevant zijn bevonden:


a. Bewaring en archivering,

b. Schriftelijkheidsvereisten,

c. Openbaarheid,

d. Privacy,

e. Beveiliging en

f. Intellectuele eigendom.
In aanvulling op de wet- en regelgeving die bij de inventarisatie als relevant is geïdentificeerd worden bij de gevalstudies nog aanvullende specifieke regelingen in de beschouwing meegenomen. Het betreft hier veelal uitvoeringsregelingen die regels stellen ten behoeve van een specifiek domein, dan wel nadere invulling geven aan algemene wet- en regelgeving binnen de zes onderscheiden categorieën.

4.3 Keuze van de gevalstudies

4.3.1 Een kruisclassificatie

Het analysekader is opgezet als een kruisclassificatie van twee dimensies: een indeling naar verwerkingsfuncties en een indeling naar relevante regelingsonderwerpen. Met beide indelingen wordt beoogd de betreffende dimensie zo volledig mogelijk af te dekken zodat ieder mogelijk geval ermee kan worden geclassificeerd. Het is niet de bedoeling dat de indeling ook gebruikt wordt om gevallen uniek te identificeren. Het is dan ook mogelijk dat specifieke gevallen meerdere eigenschappen van de indelingsschalen omvatten. Toepassingen van informatietechnologie kunnen meerdere gegevensverwerkingsfuncties omvatten en het is ook mogelijk dat daarbij meerdere juridische hoofdonderwerpen van belang zijn.

Het analysekader is bij de selectie van gevalstudies gehanteerd om ervoor te zorgen dat het spectrum van mogelijke juridische en technische vraagstukken zo volledig mogelijk wordt afgedekt. Hiermee wordt bereikt dat voor iedere mogelijke categorie van problemen één of meer voorbeeldgevallen worden bestudeerd. Het analysekader biedt daarnaast de mogelijkheid om het bereik aan te geven waarbinnen de bevindingen van de gevalstudies van toepassing zijn. Bij de presentatie van de conclusies in de vorm van een stappenplan worden de bevindingen die per gevalstudie worden gedaan voorzichtig gegeneraliseerd naar andere (niet bestudeerde) gevallen die volgens het analysekader dezelfde eigenschappen hebben.

4.3.2 Inleiding gevalstudies

De gevalstudies worden hieronder opgesomd met een korte beschrijving en een verantwoording ten aanzien van de typen van problemen die ze vertegenwoordigen.


Gemeente-archief Amsterdam: Project BWT‑dossiers

Bij 16 onderdelen van de gemeente Amsterdam liggen nog ca. 4 kilometer dossiers met bouwvergunningen (BWT-dossiers) vanaf 1905. Deze moeten op grond van de Archiefwet 1995 worden overgebracht naar het Gemeentearchief. Nadat de dossiers zijn overgebracht naar het Gemeentearchief blijft er een informatiebehoefte bij de stadsdelen. Daartoe wordt momenteel gekeken naar mogelijkheden tot reproductie in digitale vorm als instrument voor dekking van de informatiebehoefte van diverse belanghebbenden. Naast het voordeel van een betere dekking (de gegevens kunnen immers op diverse locaties beschikbaar worden gesteld) biedt digitalisering de mogelijkheid de informatie snel te distribueren naar de belanghebbenden. Doelstelling is het in één arbeidsgang tegelijk microfilmen en digitaliseren van deze dossiers, waarna er twee opties zijn voor het beschikbaar stellen van de gegevens: on-site doorzoeken en raadplegen van de archieven en elektronisch verstrekken van gegevens aan belanghebbenden.

De gegevensverwerkingsfuncties die aan de orde zijn bij de geautomatiseerde behandeling van BTW-dossiers zijn: opslag, verzenden en beschikbaarstellen. De juridische hoofdonderwerpen die in verband met deze geautomatiseerde gegevensverwerkingsfuncties worden bestudeerd zijn: openbaarheid, intellectuele eigendom en privacybescherming.
Ministerie VROM: Discussieplatform Nederland 2030

De concrete aanleiding voor deze gevalstudie betrof het project “Discussieplatform Nederland 2030”. Het betrof een openbare site waar belangengroeperingen, bedrijven en burgers hun visie kenbaar konden maken ten behoeve van op te stellen nota's ruimtelijke ordening. De discussie is afgerond en de resultaten zijn bewaard. De digitale discussie is op een CD-ROM geplaatst. Daarnaast bestaan diverse schriftelijke achtergrondstukken.

De geautomatiseerde ondersteuning van het discussieplatform omvat in hoofdzaak het creëren en het opslaan van gegevens. De juridische hoofdonderwerpen die bij deze gevalstudie relevant zijn, betreffen: bewaring en archivering, openbaarheid en privacy van toepassing.
Kadaster: Digitaliseren Openbare registers

Het kadaster heeft als taak om de registratie te houden en bij te werken van kadastrale kaarten en feiten die van belang zijn voor de rechtstoestand van registergoederen. Met deze registratie wordt bijgedragen aan de rechtszekerheid inzake vastgoed en kan informatie worden verstrekt aan bedrijven, particulieren en andere belanghebbenden. Om deze taken beter en efficiënter te kunnen vervullen is het Kadaster Apeldoorn ertoe overgegaan de kadastrale registratie en de openbare registers om te zetten in elektronische vorm. Het elektronische registratiesysteem maakt het tevens mogelijk de aanlevering van gegevens (door bijvoorbeeld notarissen) en de verstrekking van informatie langs elektronische weg te laten verlopen.

De belangrijkste gegevensverwerkingsfuncties die binnen dit geautomatiseerde systeem worden ondersteund zijn: opslaan en verzenden. Bij deze gevalstudie worden de juridische problemen besproken die verband houden met: bewaarplichten, openbaarheid, privacy, beveiliging en intellectuele eigendom
Belastingdienst: Elektronische belastingaangifte

Met de belastingdiskette is het nu reeds een aantal jaren mogelijk om langs elektronische weg aangifte te doen voor inkomsten belasting. Elektronisch aangifte doen is mogelijk geworden door de aanvaarding van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten in verband met de invoering van de mogelijkheid tot het doen van aangifte op elektronische wijze. Het systeem van elektronische belastingaangifte sluit aan bij de registratie en verwerking van belastingaangiften die al langer in elektronische vorm geschieden.

Bij de elektronische belastingaangifte worden met behulp van geautomatiseerde systemen gegevens verzonden, opgeslagen en bewerkt. Op deze gegevensverwerkingsfuncties zijn de regels van toepassing die betrekking hebben op bewaring en archivering, privacy en beveiliging.
OC&W: Intern documentenverkeer

Op het Ministerie van OC&W is een project uitgevoerd waarbij de mogelijkheden zijn onderzocht om verschillende vormen van documentenverkeer elektronisch te faciliteren en te begeleiden. De bedoeling daarbij was met name om het schriftelijke, formele documentenverkeer elektronisch dan wel elektronischer te maken. Om dit mogelijk te maken is voor een stapsgewijze aanpak gekozen waarbij na onderzoek in een proeftraject is gekeken naar de haalbaarheid en wenselijkheid van de introductie van elektronisch documentverkeer binnen OC&W. Tijdens de proef is vooral gekeken in hoeverre het interne formele documentenverkeer (vooral bestaande uit memo's, nota's en minuten) kan verlopen op elektronisch ondersteunde wijze in plaats van c.q. aanvullend op het ‘traditioneel’ verlopend schriftelijk documentenverkeer.

Het elektronische documentenverkeer kent geautomatiseerde bewerkingen waarbij gegevens worden gecreëerd, verzonden, opgeslagen en bewerkt. Daarbij is niet alleen gekeken naar de technische mogelijkheden tot zulk elektronisch verkeer, maar is ook de vraag aan de orde gesteld wat de mogelijke juridische consequenties of juridische aspecten van een dergelijk proces zijn ten aanzien van bewaring en archivering, schriftelijkheidsvereisten, openbaarheid en beveiliging.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13

  • 3.7.2 Wet openbaarheid bestuur
  • 4 Gevalstudies 4.1 Inleiding
  • 4.2 Analysekader
  • 4.2.1 Informatietechnologie: informatieverwerkingsfuncties
  • 4.2.2 Juridische aspecten: juridische hoofdonderwerpen
  • 4.3 Keuze van de gevalstudies 4.3.1 Een kruisclassificatie
  • 4.3.2 Inleiding gevalstudies

  • Dovnload 0.59 Mb.