Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Digitale Overheid en de wet

Dovnload 0.59 Mb.

De Digitale Overheid en de wet



Pagina9/13
Datum05.12.2018
Grootte0.59 Mb.

Dovnload 0.59 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

4.4.4 Positie onder de Wet bescherming persoonsgegevens

Naar verwachting treedt medio 2000 de nieuwe wettelijke regeling inzake de omgang met persoonsgegevens (de Wet bescherming persoonsgegevens - Wbp) in werking. De reikwijdte van de Wbp en dus de toepasselijkheid van de bepalingen op BWT-dossiers, wordt in sterke mate bepaald door de betekenis van de definities. Allereerst is dat het begrip persoonsgegeven. Evenals onder de Wpr vallen slechts gegevens betreffende natuurlijke personen onder de nieuwe wet. Gegevens betreffende overleden personen vallen derhalve buiten de reikwijdte van de wet. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat gegevens betreffende overleden personen vaak ook informatie bevatten omtrent nog levende personen. Als zodanig zullen zij dan nog als persoonsgegeven van die persoon moeten worden aangemerkt. Gegevens van rechtspersonen vallen buiten de reikwijdte van de wet, tenzij het bedrijven (zoals eenmansbedrijven) betreft die op een lijn met natuurlijke personen zijn te zetten. In dit geval vallen de gegevens wel onder de wet. Een en ander zal in overweging genomen dienen te worden bij het vaststellen in hoeverre de gegevens in de BWT-dossiers zijn aan te merken als een voor de Wbp relevant persoonsgegeven.

Het tweede criterium stelt dat het moet gaan om informatie die geïdentificeerde of identificeerbare personen betreft. Om te bepalen of een persoon identificeerbaar is, moet worden gekeken naar alle middelen die redelijkerwijs kunnen worden ingezet om de betreffende persoon te identificeren. Concreet voor de casus betekent het voorgaande dat alle gegevens in een BWT-dossier die een natuurlijke persoon betreffen en die persoon identificeerbaar maken, onder het regime van de Wbp vallen. Daarbij is - bijvoorbeeld met het oog op de toekomstige ontwikkeling van een vastgoedloket - tevens relevant of koppelingen zijn gelegd met andere bestanden. Bepaalde gegevens in het BWT-dossier die niet direct een persoon identificeren (zoals het kadastraal perceelsnummer, het WOZ-objectnummer, etc.) kunnen in geval van koppeling toch een persoonsgegeven opleveren.

Een volgende bepalende factor voor de reikwijdte van de Wbp vormt het begrip ‘verwerking’. In tegenstelling tot de Wpr vormen niet de bestanden waarin persoonsgegevens zijn opgenomen het aangrijpingspunt, maar de diverse handelingen die met de persoonsgegevens worden uitgevoerd. Daarmee valt, anders dan onder de Wpr ook het verzamelen (dat wil zeggen: de fase voorafgaand aan de opslag van gegevens) van gegevens onder de werking van de wet. Technische verwerkingshandelingen die dienen ter ondersteuning van het feitelijk gebruik van de gegevens worden met dat gebruik gelijkgeschakeld. Voor het project BWT-dossiers betekent een en ander dat iedere handeling met betrekking tot de persoonsgegevens die in deze dossiers vermeld staan, aangemerkt wordt als een onder de Wbp relevante handeling. Hierbij komt tevens dat de Wbp van toepassing is op openbare archieven. Dit in tegenstelling tot de Wpr: daar werden persoonsregistraties die zich in archiefbewaarplaatsen bevinden uitgezonderd van de wet. Naar verwachting zullen vergunningenregistraties zoals bouwvergunningen (Woningwet) komen te vallen onder het Besluit genormeerde vrijstellingen.

De vervolgvragen zijn nu: in hoeverre zijn de handelingen in relatie tot de twee genoemde opties (on-line en on-site distributie van de dossiers) vanuit Wbp-perspectief rechtens toelaatbaar en onder welke voorwaarden zijn ze dat?
Digitaliseren

Voor de verwerking van persoonsgegevens geldt allereerst dat een aantal criteria met betrekking tot de kwaliteit van persoonsgegevens in acht wordt genomen. De tekst van de Wbp op dit punt is min of meer gelijk aan die van de Wpr.71 Het komt er op neer dat persoonsgegevens alleen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden mogen worden verkregen en vervolgens niet mogen worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. In relatie tot de doeleinden dienen de gegevens toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig te zijn. De gegevens dienen nauwkeurig te zijn, waarbij in geval van onnauwkeurigheid of onvolledigheid voor burgers de mogelijkheid moet bestaan tot correctie of uitwissen. Kortom: het Gemeentearchief dat bij de digitalisering en vervolgens beschikbaarstelling van de persoonsgegevens uit de BWT-dossier oog moeten hebben voor deze criteria.

Is er eenmaal sprake van gegevens die aan deze criteria voldoen, dan dient vervolgens te worden gekeken naar de voorwaarden met betrekking tot de toelaatbaarheid van gegevensverwerking. Deze voorwaarden zijn terug te vinden in art. 8 Wbp, waarbij opvalt dat steeds wordt gesproken over een noodzakelijkheidsvereiste. Concreet voor het proces van digitalisering van BWT-dossiers (dus los van de wijze van beschikbaarstelling), kan worden gesteld dat de verwerking geoorloofd is op grond van het feit dat hier sprake is van de uitvoering van een wettelijke plicht: het verstrekken van afschriften conform de Archiefwet 1995.72 Noodzakelijk is dat zonder verwerking van de gegevens het uitvoeren van de wettelijke verplichting redelijkerwijs niet goed mogelijk is. Betoogd zou kunnen worden dat de rechtvaardiging niet direct gevonden kan worden in de eerbiediging van een wettelijke plicht, omdat de wet digitalisering van de dossiers ten behoeve van verstrekking van klantenkopieën niet als zodanig voorschrijft. Echter, in het licht van enerzijds de opslagruimte die de enorme hoeveelheden papieren archief vragen en anderzijds de oplossing die digitalisering in dit verband kan bieden, mag worden aangenomen dat aan het voornoemde vereiste is voldaan. Een grondslag is in dat verband eerder gelegen in het feit dat digitalisering plaatsvindt voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak (onderdeel e) dan wel ter behartiging van gerechtvaardigde belangen van het Gemeentearchief (onderdeel f). Bij een beroep op deze rechtvaardigingsgrond staat - in tegenstelling tot bij verwerking op grond van een wettelijke plicht - de burger overigens wel een recht op verzet ter beschikking. Er zal een afweging plaats moeten vinden tussen het belang van het Gemeentearchief bij digitalisering en het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. Toestemming van de burger - eventueel te verkrijgen op het moment van indiening van het verzoek voor een bouwvergunning - zou eveneens een rechtvaardigingsgrond voor de verwerking van diens gegevens kunnen opleveren, maar in de praktijk zal dit veelal niet goed te realiseren zijn.
On-line beschikbaarstellen

Worden de gedigitaliseerde persoonsgegevens als onderdeel van de BWT-dossiers vervolgens on-line beschikbaar gesteld, dan kan deze verwerking geoorloofd zijn op diverse gronden. Van belang daarbij is dat de rechtvaardiging mede wordt bepaald door de specifieke partij aan wie on-line wordt verstrekt. Met andere woorden het Gemeentearchief zal zeer goed moeten kijken naar de reikwijdte van de belanghebbenden aan wie de BWT-dossiers beschikbaar worden gesteld. De navolgende gronden zijn afhankelijk van de gekozen situatie en relatie:



  • er is toestemming van de betrokkene voor on-line beschikbaarstelling verkregen (bijvoorbeeld op moment van indienen van de vergunning), of,

  • er is sprake van de uitvoering van een wettelijke plicht. In die gevallen dat het Archiefwet-regime op de openbaarmaking c.q. beschikbaarstelling toepasselijk is, zal on-line beschikbaarstellen in art. 8 onderdeel c Wbp een rechtvaardiging vinden;

  • er is sprake van een goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door de Dienst Documentaire Informatievoorziening dan wel het bestuursorgaan (bijvoorbeeld de belastingdienst die on-line kan raadplegen) waaraan de gegevens worden verstrekt. Van belang hierbij is dat de verwerking via on-line beschikbaarstelling aan andere bestuursorganen noodzakelijk is met het oog op de taak van deze organen. Vanwege de criteria ‘publiekrechtelijke taak’ en ‘bestuursorgaan’ valt de on-line beschikbaarstelling aan bijvoorbeeld makelaars niet onder de reikwijdte van de verwerkingsgrondslag.

  • on-line beschikbaarstelling vindt plaats ter behartiging van gerechtvaardigde belangen van het Gemeentearchief dan wel een der andere betrokkene die de gegevens on-line raadplegen (te denken valt aan de politie en brandweer). Juist met betrekking tot deze laatste rechtvaardigingsgrond zal duidelijk een afweging gemaakt dienen te worden tussen het belang dat niet alleen het Gemeentearchief, maar ook de respectievelijke betrokkenen (politie, brandweer, makelaars andere burgers) hebben bij on-line beschikbaarstelling enerzijds en het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene anderzijds. Het valt zeker te betogen dat de belangen van deze laatste kunnen prevaleren waar het raadpleging door makelaars en andere burgers betreft. In de praktijk betekent het dat het Gemeentearchief een motiveringsplicht ten aanzien van de keuze om de persoonsgegevens on-line beschikbaar te stellen. Daarbij zal ze de volgende vragen moeten beantwoorden:

- is er werkelijk een belang dat on-line beschikbaarstelling van de BWT-dossiers met persoonsgegevens rechtvaardigt?

- wordt met deze beschikbaarstelling een inbreuk gemaakt op de belangen of fundamentele rechten van de personen van wie gegevens in de BWT-dossiers vermeld staan en zo ja, dient dan - afhankelijk van de ernst van de inbreuk - de beschikbaarstelling niet achterwege te blijven?

- kan het doel dat met de beschikbaarstelling wordt nagestreefd ook langs andere weg - bijvoorbeeld geanonimiseerde dossiers - worden bereikt?

- is de beschikbaarstelling in de mate die is beoogd (bijvoorbeeld voor wie allemaal zijn de gegevens beschikbaar?) evenredig aan het nagestreefde doel?


On-site beschikbaarstellen

Voor wat betreft de on-site beschikbaarstelling van de BWT-dossiers, kunnen we stellen dat de verwerking van persoonsgegevens die hiermee gemoeid is, gerechtvaardigd kan zijn op basis van de volgende gronden:



  • er is toestemming van de betrokkene voor on-site raadpleging binnen het Gemeentearchief verkregen, of,

  • de verwerking vloeit voort uit een wettelijke plicht. Te denken valt hier aan de openbaarheidsbepalingen van de Archiefwet 1995;

  • er is sprake van een goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door de Dienst Documentaire Informatievoorziening dan wel het bestuursorgaan. De bepaling biedt in ieder geval een grondslag voor de on-site beschikbaarstelling voor eigen doeleinden van de Dienst Documentaire Informatievoorziening. Of beschikbaarstelling aan derden gerechtvaardigd is hangt af van het antwoord op de vraag of de beschikbaarstelling aan het betreffende bestuursorgaan noodzakelijk is met het oog op de taak van deze organen. Gegeven de criteria ‘publiekrechtelijke taak’ en ‘bestuursorgaan’ valt beschikbaarstelling aan particulieren niet onder de reikwijdte van deze verwerkingsgrondslag.

  • on-site beschikbaarstelling vindt plaats ter behartiging van gerechtvaardigde belangen van het Gemeentearchief (waarbij zoals hiervoor opgemerkt een belangenafweging plaats moet vinden).


Rechten betrokkene

Voor wat betreft de inzage door betrokkenen gaan de betreffende bepalingen uit art. 14 e.v. Archiefwet voor op de algemene bepalingen uit de Wbp. Wat betreft het correctierecht is het voor de Dienst Documentaire Informatievoorziening is van belang vast te stellen dat voor archiefbescheiden die zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet 1995 het toelaatbaar is dat onjuiste gegevens op een duurzame drager mogen blijven gehandhaafd, op voorwaarde dat de betrokkene bij het betwiste stuk zijn/haar lezing kan deponeren. Indien de gegevens daarentegen worden gedigitaliseerd, zal wijziging of verwijdering van onjuiste gegevens wel weer tot de mogelijkheden behoren. Overigens zal het wijzigen van NAW-gegevens problemen kunnen opleveren in de gevallen dat de archiefbescheiden niet op naam benaderbaar zijn, zoals in het geval dat de NAW-gegevens op de als images opgeslagen originele stukken voorkomen.

Onder de Wbp wordt ook voor degene van wie persoonsgegevens worden verwerkt een recht op verzet geïntroduceerd. Hiervoor is al opgemerkt dat de betrokkene voor verwerkingshandelingen die hun grondslag vinden in onderdeel e en f van art. 8 Wbp de betrokkene een dwingend beroep op het recht op verzet kan doen indien hij een gerechtvaardigd individueel belang kan aantonen.

Hiernaast heeft de betrokkene, met uitzondering van een limitatief omschreven aantal uitzonderingssituaties, het recht om over de verwerking van zijn persoonsgegevens te worden geïnformeerd. Uitgangspunt is dat burgers van een gegevensverwerking op de hoogte moeten worden gebracht. Kortom: de Gemeente Amsterdam zal de burger die een aanvraag voor een bouwvergunning doet moeten informeren over de opname van diens gegevens in het BWT-dossier. Alhoewel voor deze informatieplicht een uitzondering geldt wanneer de persoonsgegevens worden verkregen bij de burger zelf en de betrokkene op de hoogte is van de verkrijging van de gegevens door de Gemeente, valt het aan te bevelen dat burgers bij het indienen van bijvoorbeeld een bouwvergunning worden geïnformeerd over de digitalisering van de dossiers en de wijze van beschikbaarstelling van deze dossiers. In sommige gevallen zullen de persoonsgegevens die in BWT-dossiers zijn opgeslagen zijn verkregen op een andere wijze dan bij de betrokkene zelf. Ook in deze gevallen zal de Gemeente de betreffende burger moeten informeren over de verwerking. Uitzonderingen op deze plicht gelden wanneer mededeling aan de betrokkene onmogelijk blijkt, de mededeling een onevenredige inspanning kost of de verwerking bij of krachtens de wet is voorgeschreven. In veel gevallen zal de Gemeente op deze laatste uitzondering een beroep kunnen doen.



4.4.5 Samenvatting en conclusies

Uit de voorgaande analyse van de situatie bij het Gemeentearchief Amsterdam blijkt heel nadrukkelijk dat de beslissing tot een actief beleid inzake het on-line beschikbaarstellen van elektronische archiefbescheiden noodzaakt tot een zorgvuldige aandacht voor de diverse belangen die hierbij afgewogen dienen te worden. Bij on-line beschikbaarstelling van archiefbescheiden op grond van de Archiefwet, zal bezien moeten worden welke ruimte de Auteurswet biedt om auteursrechtelijk beschermde werken elektronisch beschikbaar te stellen. Ook moet men - wanneer de archiefbescheiden persoonsgegevens bevatten - aandacht hebben voor de privacyconsequenties. Zowel het auteursrecht als het privacyrecht stellen nadere randvoorwaarden die in acht genomen moeten worden bij de beslissing om ‘on-line te gaan’ in het kader van een betere dienstverlening voor burgers.



4.5 Ministerie VROM: Discussieplatform Nederland 2030

4.5.1 Positie in analysekader

De casus inzake het discussieplatform Nederland 2030 van het Ministerie van VROM betreft een voorbeeld van zowel het creëren van gegevens en documenten als het opslaan c.q. bewaren van deze gegevens en documenten. Zoals reeds bij de toelichting op het analysekader is opgemerkt, zal bij deze casestudie vanuit de fase van creëren en opslaan gekeken worden naar de juridisch relevante aspecten inzake bewaring, privacy, openbaarheid en beveiliging. Alvorens op deze juridische implicaties in te gaan, belichten we allereerst enkele achtergronden van de casus: het verzamelen en in een later stadium bewaren van materiaal verkregen naar aanleiding van een openbare elektronische discussie op het Internet. Doel van deze discussie was belangengroeperingen, bedrijven en burgers de gelegenheid te bieden op elektronische wijze hun visie kenbaar te maken ten behoeve van op te stellen nota's ruimtelijke ordening.



4.5.2 Situatieschets

De concrete aanleiding voor deze gevalsstudie betrof het project “Discussieplatform Nederland 2030”. Het betrof een openbare site waar belangengroeperingen, bedrijven en burgers hun visie kenbaar konden maken ten behoeve van op te stellen nota's ruimtelijke ordening. De discussie is afgerond en de resultaten zijn bewaard. De digitale discussie is op een CD-ROM geplaatst. Daarnaast bestaan diverse schriftelijke achtergrondstukken.



4.5.3 Problematiek

Bij VROM gaf men in zijn algemeenheid aan de zaken juridisch goed op orde te hebben. Vanuit de invalshoek van creëren (daaronder gevat het verzamelen van gegevens en materiaal) en het bewaren van elektronische documenten werden evenwel diverse knelpunten en problemen naar voren gebracht:



  • om ook vanuit een normatief oogpunt het elektronisch documentbeheer op orde te hebben verwacht men in toenemende mate extra werk, hetgeen een belangrijke financiële investering vereist. Zo verwacht men dat de nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens - mede in verband met de gewijzigde positie van openbare registers - veel extra werk met zich mee zal brengen. Bij het verzamelen en opslaan van persoonsgegevens zal veel meer op rechtmatigheid onder de nieuwe privacywet getoetst dienen te worden, hetgeen meer werk betekent. Daarbij wordt tevens opgemerkt een decentrale uitvoering van taken meer centrale regelgeving c.q. sturing vergt. Daar zitten veel diensten niet op te wachten.

  • ten aanzien van de fase van het bewaren ligt een belangrijk knelpunt bij de overdracht van het Semi-statisch Archief aan het Algemeen Rijksarchief. Formeel dienen stukken overgedragen te worden (zoals concreet in het geval van de casus de diverse documentatie inzake het Discussieplatform Nederland 2030). Echter, men weet bij dit Archief veelal niet wat men ermee moet beginnen en zegt ‘hou het maar zolang’. Het gevoelen is dat het ontbreekt aan duidelijke beleidsregels bij zowel het Semi-statisch Archief als bij het Rijksarchief. Ook vanuit deze laatste heeft men bij VROM te horen gekregen dat ze niet weten wat ze met de digitale documenten moeten aanvangen (‘Hoe lang moeten we de bijbehorende hardware bewaren?’, was een vraag). Inmiddels is bij de Rijksarchiefdienst in het kader van het project ‘Digitaal Depot’ de neerslag van de discussieplatforms als proefproject aangemeld.

  • In het verlengde hiervan komt men regelmatig voor de vraag te staan wat en hoeveel men nu precies moet bewaren als het om elektronische documenten gaat. ‘Welke e-mail correspondentie moet precies bewaard worden? ‘Als een digitale discussie wordt gevoerd waarbij er links zijn met andere pagina's moeten deze sites dan ook worden gedownload en bewaard, bijvoorbeeld omdat ze na een jaar verdwenen kunnen zijn?’ Er is duidelijk behoefte aan aangrijpingspunten voor beslissingen inzake de omvang van de te bewaren documenten en informatie. De toepassing van een stappenplan waaruit bijvoorbeeld voor de mensen die dagelijks met e-mail werken duidelijk wordt dat op e-mail correspondentie in principe de regels van de Archiefwet 1995 van toepassing zijn en de vragen die in dit verband beantwoord moeten worden niet anders zijn dan bij papieren documenten, zou een stap in de goede richting zijn.73 Zo ook zou uit een dergelijk stappenplan duidelijk kunnen worden dat de status van links onder de Archiefwet op eenzelfde wijze benaderd kan worden als e-mail: in principe is de te bewandelen weg niet anders dan bij papieren documenten. Dit laat onverlet dat het zeker nieuwe keuzevragen inzake de te bewaren documenten met zich meebrengt.

Veelal hangen de knelpunten ook samen met het ontbreken van een standaard procedure voor de afhandeling van binnenkomende en binnen het Ministerie opgestelde informatie (tot op heden zijn de processen binnen het Ministerie - ook waar het elektronisch documentbeheer betreft - zeer autonoom). Tevens hangt een goede aanpak nauw samen met de financiële mogelijkheden.

4.5.4 Opvallende punten

Behalve de door de vertegenwoordiger van VROM zelf gesignaleerde knelpunten, laat de gevalsstudie bij VROM nog een aantal andere te vermelden punten zien. Want alhoewel wordt aangegeven dat men aanneemt te handelen conform de toepasselijke wet- en regelgeving, blijken dagelijkse praktijk en toepasselijke normen soms niet synchroon te lopen. Een aantal van deze punten hangt nauw samen met het feit dat in de praktijk zeer vaak ten behoeve van archiefdoeleinden een schriftelijke kopie van een origineel digitaal document wordt gemaakt:



  • In de praktijk blijkt de keuze voor de selectie van te bewaren elektronische documenten (bijvoorbeeld e-mail) nu te liggen bij de betreffende ambtenaar. Dit terwijl formeel deze selectie een streng te volgen procedure betreft, via selectielijsten of BSD, die hun basis vinden in de Archiefwet 1995 en onderliggende besluiten (indien de betreffende ambtenaar de selectielijst nauwkeurig volgt hoeft er overigens geen strijd te zijn met de procedure);

  • In de praktijk bestaat geen nauwkeurige visie op het concept ‘originele minuut’ van een digitaal document. Veelal wordt het originele digitale stuk niet als zodanig beschouwd, maar de kopie daarvan. Kan een e-mail zomaar worden uitgedraaid en als ‘origineel’ worden bewaard? Immers, de gegevensdrager zelf zou historisch ook relevant kunnen zijn? Kortom: wat is de status van een digitaal document? Zoals hiervoor opgemerkt brengt de komst van elektronische documenten, zoals e-mail, formeel niets nieuws met zich mee: de vragen die beantwoord dienen te worden zijn niet anders dan bij papieren documenten. Aldus is een uitdraai van een e-mail formeel een vervanging op grond van de Archiefwet 1995. Praktisch gezien ontstaan er echter problemen, omdat het in de praktijk veelal lastig zal zijn om voor iedere uitdraai van een e-mail een machtiging te verkrijgen.

  • De praktijk laat eveneens zien dat over het element ‘toegankelijkheid’ snel wordt heengestapt. Veelal wordt niet stilgestaan bij de vraag in hoeverre men als men met toestemming substitutie toepast (bijvoorbeeld een uitdraai van een CD-ROM op papier), de toegankelijkheid van het document mag verminderen. De wijze van toegang is immers een relevant element.

  • Tenslotte laat de praktijk zien dat privacy een ondergeschoven kindje is. Zo werden alle gegevens die voortkwamen uit de digitale discussie Nederland 2030 op CD-ROM opgeslagen - inclusief de namen, e-mailadressen, etc. van de personen die deelnamen - zonder dat expliciet werd stilgestaan bij de vraag of dit relevante handelingen onder de Wpr waren, of ze in dat verband rechtmatig waren en in hoeverre betrokkenen bijvoorbeeld over de opslag geïnformeerd dienden te worden.

4.5.5 Een algemeen beleidskader

Mede in het licht van de onderhavige casus, werden tijdens het gesprek bij VROM enkele meer algemene opmerkingen gemaakt inzake het bewaren van digitale documenten. Met name is melding gemaakt van een project dat relevant is voor het thema digitaal documentbeheer bij het Ministerie van VROM. Behalve met de digitale documenten die werden gecreëerd in het kader van de onderhavige casus, heeft men bij VROM te maken met diverse andere processen en projecten die digitale documenten genereren. Zo zijn bijna alle stukken relevant voor het Nationaal Milieubeleidsplan III in elektronische vorm opgesteld en verloopt de totstandkoming van een eventuele vergunning voor het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen volledig digitaal. Wanneer men overigens ook de beschikking in verband met de vergunning digitaal vorm zou willen geven stuit men vooralsnog op juridische problemen, nu formeel een schriftelijkheidsvereiste op dit punt bestaat.

Meer algemeen van belang voor dergelijke processen zijn de werkzaamheden die worden verricht om te komen tot een homogene aanpak van het elektronisch documentbeheer. Momenteel ontbreekt het aan vaste (afhandelings-) procedures, bijvoorbeeld waar het binnenkomende e-mail betreft. Halverwege 1999 is het ‘Blauwdruk voor elektronisch documentbeheer als basisdienst’ voor raadpleging en goedkeuring aan de verantwoordelijke ambtenaren van VROM gezonden. Dit document levert de uitgangspunten voor een ministerie-brede en homogene aanpak van het elektronisch documentbeheer. In de Blauwdruk (die in feite niet langer als ‘Blauwdruk’wordt aangeduid) wordt mede aandacht gevraagd voor de relevante juridische aspecten van elektronisch documentbeheer. Gesteld wordt dat de gehanteerde werkwijzen en procedures getoetst moeten worden op:


  • Wet bescherming persoonsgegevens;

  • Wet openbaarheid van bestuur;

  • Arbo-wetgeving;

  • Het Statuut Documentaire Informatie (het betreft hier een uitwerking voor VROM van de Archiefwet 1995);

  • Het Statuut Informatiebeveiliging.

1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

  • 4.4.5 Samenvatting en conclusies
  • 4.5 Ministerie VROM: Discussieplatform Nederland 2030 4.5.1 Positie in analysekader
  • 4.5.2 Situatieschets
  • 4.5.3 Problematiek
  • 4.5.4 Opvallende punten
  • 4.5.5 Een algemeen beleidskader

  • Dovnload 0.59 Mb.