Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De gelijkenis van de werkers in de wijngaard een rechtvaardig loon

Dovnload 17.97 Kb.

De gelijkenis van de werkers in de wijngaard een rechtvaardig loon



Datum25.10.2017
Grootte17.97 Kb.

Dovnload 17.97 Kb.


24 september 2017, De Krijtberg, Jes. 55:6-9, Mt. 20:1-16

DE GELIJKENIS VAN DE WERKERS IN DE WIJNGAARD

Een rechtvaardig loon


Het leven is oneerlijk. De een heeft veel, de ander weinig, de een is ziek, de ander gezond. Ook de landheer uit het evangelie van vandaag lijkt oneerlijk. We kunnen ons de teleurstelling van de werkers van het ochtendgloren best voorstellen. Want zij hadden de hele dag gezwoegd, maar kregen niet meer dan de werkers van de late namiddag.

We hebben gehoord hoe de landheer ’s morgens vroeg om zes uur erop uittrok en hoe hij enkele dagloners vond om in zijn wijngaard te werken. Met elke arbeider werd overeengekomen dat hij één denarie zou verdienen. Daar konden hij en zijn gezin een dag van leven. Dit was een rechtvaardig bedrag voor een dagloner. De landheer handelde overeenkomstig de Wet. Hij deed overeenkomstig Deuteronomium (24:14v): ‘Je mag een arbeider die arm is en weinig bezit, niet slecht behandelen… Je moet hem betalen op de dag dat hij gewerkt heeft, voordat de zon ondergaat. Want hij is arm, en zonder geld kan hij niet leven.’ We hoorden verder hoe de landheer om negen uur, om twaalf uur, om drie uur ’s middags en om vijf uur er opnieuw op uittrok om arbeiders te ronselen. Om zes uur ’s avonds vond de afrekening plaats.



Rechtvaardigheid en goedheid

Dat de laatst-gekomenen, die maar één uur hadden hoeven te werken, evenveel kregen als de eerst-geroepenen, die twaalf uur hadden moeten zwoegen, komt niet overeen met ons rechtsgevoel. Wanneer de eerst-gekomenen als eersten hun loon zouden hebben gekregen, zou er niets aan de hand zijn geweest. Ze zouden naar huis zijn gegaan en niet hebben gemerkt dat de laatsten even veel kregen. Het verhaal laat in ieder geval duidelijk uitkomen dat de heer niet handelde overeenkomstig de verwachtingen van de eerst-geroepenen. Toch deed hij hun geen onrecht aan. Hij was met hen één denarie overeengekomen. Dat hij de werkers van het elfde uur – dat wil zeggen vijf uur in de middag - evenveel gaf was ook rechtvaardig, maar dan in een andere zin. In een ethische samenleving mag niemand van honger omkomen. Als de landheer aan de laatst-gekomenen minder dan één denarie had gegeven, hadden ze de volgende dag honger moeten lijden.

Het gaat in dit verhaal om een rechtvaardigheid die de gewone rechtvaardigheid overstijgt. Dat blijkt uit wat de heer tot de eerst-geroepenen zei: ‘ik behandel je toch niet onrechtvaardig?… Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ Hier wordt goedheid tegenover rechtvaardigheid gezet. Gods goedheid tegenover menselijke rechtvaardigheid. Een goedheid die niet in strijd is met rechtvaardigheid, maar deze overstijgt. Deze goedheid is van een heel andere, goddelijke orde.

De rechtvaardigheid van de farizeeën


Het is mogelijk dat met de eerst-geroepenen de officiële vromen van Israël zijn bedoeld: de farizeeën. De laatst-geroepenen zijn dan de tollenaars, de zondaars en de heidenen. De farizeeën hadden de last en de hitte van de dag – de last van de vele geboden en verboden van de Wet - gedragen en rekenden erop dat God hun wetsgetrouwheid zou belonen. Daarom lezen we verschillende keren in het evangelie dat ze mopperden omdat Jezus het opnam voor de tollenaars en de zondaars. Zo deden ook de eerst-geroepenen hun beklag bij de landheer en moesten ook zij mopperen. Zij waren jaloers op de laatst-geroepenen, die onverdiend een hele denarie in ontvangst konden nemen. Maar ze waren vergeten dat iedere mens – farizeeër en tollenaar - leeft van Gods goedheid, van zijn genade en vergeving. De mateloosheid van de goddelijke liefde staat tegenover de afgemetenheid van het recht zoals dat onder mensen functioneert. Het recht kent grenzen, de barmhartigheid niet. De mens wordt opgeroepen om God niet te reduceren tot onze maat, de maat van loon naar verdiensten, maar om ons te richten naar Gods maat: goedheid die juridische rechtvaardigheid overstijgt. In het koninkrijk van God wordt alles ervaren als genade, als gave.

Mijn plannen zijn niet jullie plannen’

We hebben gezien dat in Gods nieuwe wereld geen menselijke logica in het spel is, maar een goddelijke. Geen menselijke rechtvaardigheid, maar goddelijke goedheid. Geen loon naar werken, maar genade. Geen prestaties en verdiensten, maar een krijgen. Dit geldt voor iedereen, de farizeeën, de vromen, de mensen die geslaagd zijn en aanzien genieten, maar dit geldt ook voor de tollenaars, de zondaars en de heidenen, mensen die fout, verdacht en veracht zijn, mislukkelingen en buitenstaanders.

Ook de eerste lezing is van toepassing op Gods nieuwe wereld, waar de goddelijke goedheid de menselijke rechtvaardigheid overstijgt. Jesaja laat God spreken: ‘Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen… Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen’.

Beide lezingen zijn een uitnodiging om onze eigen horizon te verwijden in de richting van de horizon van Gods goedheid.

September 24, 2017, De Krijtberg, Is 55: 6-9, Mt 20: 1-16


LABOURERS IN THE VINEYARD


A fair wage

Life is unfair. One has plenty. another little, one is sick, another healthy. Even the landowner of today's gospel seems unfair. We can imagine the disappointment of the workers of the daybreak. For they had labored the whole day, but received no more than the workers of late afternoon.


We heard how the landowner went out at six o'clock in the morning and how he found some day labourers to work in his vineyard. With each worker it was agreed that he would earn one denarius. So he and his family could live one day. This was a fair amount for a day labourer. The landowner acted according to the Law. He did according to Deuteronomy (24: 14v): ‘You must not exploit a poor and needy wage-earner… You must pay hem his wages each day, before the sun goes down, since he, being poor, needs them badly…’ We heard further how the landowner went out at nine o'clock, at twelve o'clock, at three o'clock and at five o'clock to hire workers. At six o'clock in the evening the payment took place.

Justice and goodness

That the last workers, who only had to work for one hour, got as much as the first labourers, who had to work twelve hours, is not in line with our sense of justice. If the first workers would have come first to receive their wages, they would have gone home first and would not have noticed that the latter got as much as they did. In any case, the story reveals that the landowner did not act in accordance with the expectations of the first workers. Yet he was not unjust to them. He agreed one denarius with them. That the workers of five o'clock in the afternoon got the same amount was also fair, but in a different sense. In an ethical society, no one should die of hunger. If the landowner had given less than one denarius to the latter workers, they would have starved the following day.

The story is about a justice that transcends ordinary justice, as is indicated by the words spoken by the landowner to the first workers: ‘I am not being unjust to you… Why should you be envious because I am generous?’ Here goodness is opposed to justice. God's goodness against human justice. A goodness that does not violate justice, but transcends it. This goodness is of a different, divine order.

The justice of the Pharisees

It is possible that the first workers represent the Pharisees, esteemed by everyone as pious people. The last workers are the tax collectors, sinners, and pagans. The Pharisees carry the burden and the heat of the day - the burden of the many commandments and interdictions of the Law - assuming that God would reward their faithfulness to the Law. Therefore, we read in the gospel more than once that the Pharisees grumbled because Jesus spoke in defense of tax collectors and sinners. So the first workers also grumbled at the landowner. They were envious of the last workers, who received undeservedly one denarius. But they forgot that every person - Pharisee and tax collector - lives thanks to God's goodness, to his mercy and forgiveness. The excess of divine love measured against human justice. The law is limiting, but mercy is unlimited. We cannot reduce God to our size, but we are called to raise ourselves to the standard of God: goodness that transcends legal justice. In the kingdom of God everything is accepted as grace, as a gift.



'My thoughts are above your thoughts'

We have seen that in God's new world not human, but divine logic reigns. Not human righteousness, but divine goodness. Not reward but mercy. Not achievements and merits, but grace and gifts. This applies to everybody, the Pharisees, the pious, the people who are successful and enjoyable. But it also applies to tax collectors, sinners and pagans: people who are wrong, suspected and despised, outsiders.

The first reading also applies to God's new world, where divine goodness transcends human justice. According to Isaiah God says, ‘my thoughts are not your thoughts and your ways are not my ways… For the heavens are as high above earth as my ways are above your ways, my thoughts above your thoughts.’

Both readings are an invitation to widen our own horizon toward the horizon of God's goodness.




  • De rechtvaardigheid van de farizeeën

  • Dovnload 17.97 Kb.