Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De goddeloze gerechtvaardigd

Dovnload 460.74 Kb.

De goddeloze gerechtvaardigd



Pagina10/12
Datum28.10.2017
Grootte460.74 Kb.

Dovnload 460.74 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

9. KOHLBRUGGE EN DE BEVINDING

Terwijl ik deze titel opschrijf, wete ik tevens, dat ik me op glad ijs begeef. Wat de één namelijk ware bevinding noemt, zal de ander valse mystiek noemen. Kohlbrugge preekte bevindelijk, zegt de één, en een ander zal misschien zeggen, dat hij niet genoegzaam „onderscheidt” en maar wijst op het geloof, en dat gaat toch maar zo niet. Is be­vinding een grond van onze heilszekerheid, dan moet Kohlbrugge daar niets van hebben, want de enige heilszekerheid is Christus, en bij hem moet de bevinding slechts dienen om nóg meer op Christus te zien. Ook bij het werk van de Heilige Geest gaat het er om om Christus werkelijk te kennen.

Kohlbrugge predikte zeer zeker bevindelijk dus, maar als men van de bevinding gronden maakt voor de eeuwigheid, dan wijst Kohlbrugge dit scherp af en van zo’n prediking moet hij niets hebben. Hij gelooft aan de noodzakelijkheid van wedergeboorte, hij gelooft in de uitverkiezing, maar dit worden nooit dorre leergeraamten bij hem, maar als hij het daarover heeft in zijn prediking, dan tintelt het van leven, van het leven dat gewekt en gewerkt wordt door de Heilige Geest.

In zijn leerrede over Romeinen 6 : 6 wijst hij de valse mystiek af: „Daar moogt ook gij voor uzelf toezien, gij, die met allerlei mystieke spitsvondigheid, met eigengerechtige en zelf­gekozen werken, en met de leer van het lichaam niet te sparen daarheen treedt in dingen, die gij niet gezien hebt, en die ook volstrekt geen wezen hebben, maar slechts een schijn van godzaligheid....”

En als hij het heeft over de woorden van de apostel: „Uw leven is verborgen met Chris­tus in God”, zegt hij het nog nadrukkelijker:

„Wat bedoelt de apostel daarmee? Bedoelt hij daarmede het verborgen leven met God, waarvan velen uwer gelezen hebben in de geschriften van Tersteegen en in andere boe­ken van Mystieken, - dan zeg ik u vrij uit, dat zodanig een mystiek verborgen leven met God een hersenschimmig, een ingebeeld leven is....”

En na een scherpe aanval op Tersteegen zegt hij dan, wat deze tekst naar zijn mening wel betekent: „De apostel wil zeggen: Gij moogt uzelf daarvoor houden, dat gij met Christus der zonde gestorven zijt, gij moogt geloven, dat gij Gode leeft in Christus Jezus. Het is enkel zaak des geloofs!”

Toch vindt Kohlbrugge bevindelijke kennis noodzakelijk. We hebben hiervan in voorafgaande citaten kunnen lezen, maar we willen dat hier nog eens opzettelijk doen.

In een aantekening op Matth. 2 : 4, waar Herodes raad vraagt, schrijft hij:

,,Grote Synode, waar men alles wist (behalve het feit zelf) en niets deed; genoeg tot haar verdoemenis. Het opslaan der Heilige Schrift verhardt en verstokt als men blote waar­heid of letterkennis zoekt, maar Jezus niet zoekt tot ver­geving zijner zonde.”

En in een predicatie over Lukas 2 : 1- 14 lezen we:

„Gelukkig is hij, die het uit genade gegeven is, van des Heeren geboorte niet als blote geschiedenis te horen. De vraag is: wat nuttigheid hebt gij daarvan? Wat troost u dezelve? De natuurlijke mens zal op de vraag: wat hebt gij er voor uzelf aan? Moeten bekennen: ik heb er niets aan; want duivel en wereld hebben zijn hart zo ingenomen, dat hij alleen wat meent te hebben aan het opvolgen zijner lusten. Of de natuurlijke mens vraagt het in het geheel niet; hij hoort de geschiedenis aan als was hij een christen, en blijft in zijn dood en in zijn lust tot de zonde, afkerig van elke toepassing op zichzelf, die hem tot bekering roept. Hij gaat óf onverschillig, óf voor een ogenblik treurig weer terug tot zijn eigen weg en werk, dat, hoewel bestraft, de zonde aan de hand houdt.

“ Daarna gaat Kohlbrugge nader in op de blijdschap voor des Heeren volk. Hier is dus wel degelijk separatie gepreekt.

Zeker preekt Kohlbrugge de noodzakelijkheid der weder­geboorte! Want niet alle kerkgangers zijn wedergeboren. En het verschil is weer typerend voor Kohlbrugge: de weder­geborene heeft het niet in zichzelf. Leest u maar:

„Als wij nu de geschiedenis van het lijden en sterven van onze dierbare Heere en Zaligmaker betrachten, moeten wij dan daarbij niet iets voor onszelf hebben? Niet, dat men zegt: wat was dat een schone preek! wel, wat was dat treffend! Neen, maar dat men dit er aan heeft, dat men Hem gevonden hebbe, Die verhoogd is ter rechterhand des Vaders, en Zijn eeuwige liefde wil verheerlijken bij arme, verloren zondaren. Denkt toch niet dat u allen Hem ge­zocht, allen Hem gevonden hebt. Het is geheel iets anders, waarheid gevonden te hebben en be horen, en Hem gevon­den te hebben. De mens stelt zich zo licht tevreden, wan­neer hij in deze zichtbare dingen zijn houvast heeft; daar kan hij ook christelijk en gelovig zijn, kan hij bij tijden liefhebben, maar het blijft toch alles bij het oude; het hart is niet verbrijzeld en verbroken voor God; men houdt eigen weg en eigen wil in zijn hand, en is verkeerd, terwijl men denkt dat men bekeerd is.

Dagelijks sterven er, en ook ons stervensuur komt, en wij zijn niet meer hier. Kan men zich nu iets gelukkigers, iets troostrijkers denken dan dit ik heb een Heiland, mijn Hei­land, Hij is de mijne, voor eeuwig de mijne.

Onbekeerden zijn spoedig daarmede gereed, die kunnen dat spoedig zeg­gen, het staat bij hen onwankelbaar vast, daar mag vol­strekt geen bedenken tegen opkomen. Maar wie waarachtig naar genade hongert en dorst, bij die ligt het diep in de ziel: ‘Zou het waar kunnen zijn? zou Hij mijn Heiland zijn? Zijt Gij, Heere, ook mijn Jezus?’ Ziet, daar liggen zoveel zonden voor zijn rekening, en hij schreit: Ach mijn God, als ik dat bedenk, wat ik gedurende mijn leven gedaan heb, en wat ik nog ben, dan weet ik niet waarheen mij te wenden. De onbekeerden, die weten het beter, maar de bekeerden, de begenadigden, die weten niets; ja, zij weten: de Heiland geneest, maar kan ken mijn Heiland? Kan Hij mij genadig zijn? Kan Hij waarlijk mijn zonde op Zich genomen, gedragen en verzoend hebben? Is het waarheid? Wil Hij ook mij reinigen van mijn zon­den? Daar kruipt men dan zo de Heiland na, het konings­kind kruipt Hem na als een bedelkind, en bedelt om ge­nade, genade.

Ach, voordat wij sterven, moeten wij het weten, persoonlijk weten waar onze zonden gebleven zijn; voordat wij sterven, moeten wij toch weten, een iegelijk voor zichzelf, of de grote schuld is uitgedelgd, of deze rekening, die gij en ik met ons eigen bloed moeten onderschrijven, dat wij ten­gevolge van onze zonden de eeuwige dood hebben verdiend, of deze rekening met Zijn bloed betaald is. Ja, ik moet dat maar niet alleen zo zingen, maar wanneer ik het gezongen heb en zing, moet het ook in mijn hart gezonken zijn: ,de kwijtbrief is geschreven, dat alles is betaald.’

Dit staat vast: Waar waarachtige bekering, waarachtige wedergeboorte is, daar kan men in de zonde niet leven, daar kan men het in de zonde niet uithouden, ja, daar wordt men vreselijk door de zonde geplaagd en gekweld, het is daar voor die mens een hel in zijn binnenste, en zijn geweten klaagt hem aan; er is echter berouw, waar­achtig, oprecht berouw, en hoe meer het hart is gebroken en over de zonde weent, des te droger zijn de ogen naar het gevoel, en hoe meer het zuchten in het verborgene toe­neemt, het roepen in de nacht tot de Heere om genade, des te meer is het voor het gevoel alsof er een steen op het hart lag, om elke zucht ten onder te houden; men moet echter doorbreken; men kan in de zonde niet blijven, er is waarachtig berouw, de scheiding is gemaakt, waarvan de Heere in het paradijs heeft gesproken: ,Ik zal vijand­schap zetten tussen u en tussen deze vrouw.’ Als er dat is, als er ware verlorenheid is, zal men rust noch vrede hebben voordat men weet, waar de zonde is gebleven.

In bespiegeling voortdurend het in de mond te hebben, daarin bestaat het niet, maar dat men van de vergeving zijner zonden verzekerd is aan de voeten van de Heere Jezus! Dit echter heeft niemand gezien; dat is tussen u en Hem alleen voorgevallen.

Of het nu bij alle mensen op dezelfde wijze toegaat, is hier niet de vraag; het is echter de mens heilzamer eenmaal te worden wakker geschud, dan dat hij in zijn slaap blijft liggen, en de duivel hem in slaap sust, door tot hem te zeggen: “gij zijt een kind Gods.”

(Amsterdamsen Zondagsblad, V jrg., blz. 96)


En ook hier denkt Kohlbrugge niet lichtvaardig over de zonde. Terwijl ik dit las, dacht ik nog, hoe of het mogelijk kan zijn, dat als men zulke woorden van hem leest, men hem nog voor Antinomiaan durft uit te maken?

Kohlbrugge schreef eens zes preken over de eerste vraag en het antwoord van de Heidelbergse Catechismus.

In de derde leerrede heeft hij het over: „Hij heeft voor al mijn zonden volkomenlijk betaald.” U moet deze zes preken be­slist alle zes lezen. Ze zijn van het begin tot het eind praktikaal. Hier geen dorre leerstelligheid. En op het eind van de derde predicatie vat hij het zo samen: „Moge zich ook deze of gene met een gestolen troost tevreden stellen, de rechtvaardige God zal hem geen rust, in zijn geweten geen rust laten. ,Gij liegt! heet het daarbinnen. En met kracht, zodat het tot een besluit komt, wordt in de ziel geworpen: Het moet in orde voor God; de zonde moet ver­zoend zijn, er moet betaling geschieden; Gods eer, Zijn Naam, Zijn gerechtigheid, die ik geschonden heb, eisen het. Eerder ik in de hel, dan dat deze gekrenkt worden. Gods Naam, Zijn eer, Zijn wet zullen volkomen en ongekrenkt blijven, en geen tittel of jota daarvan zal vallen. De waar­achtig berouwhebbende zondaar onderschrijft zijn leven lang met zijn bloed: Heere, de eeuwige dood heb ik ver­diend; Gij evenwel zijt mijn leven en mijn gerechtigheid!”
In de tweede jaargang van het Amsterdams Zondagsblad vond ik een preek over Hand. 26 : 18. Paulus spreekt daar tot Agrippa en zegt dan: „...Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.”

Ook deze preek is zeer geschikt om na te gaan wat Kohlbrugges gedachten over de bekering zijn. Hij schrijft aller­eerst:

De mens, wie hij ook zij, kan, wat zijn zaligheid, wat God, zijn hoogste goed aangaat, met al zijn wilskracht niets willen; hij heeft geen wil, die iets uitrichten kan, hij is in de macht des satans, dus in genen dele vrij om te kiezen, maar een slaaf, lijfeigene en gebondene des satans, die hem vasthoudt in zijn wil, en als satan hem ook opzet in vijandschap tegen God, zodat hij zich tot God niet wen­den kan en ook niet wenden wil. Hij heeft dus bij alle wil en wilskrachten in het natuurlijke, volstrekt geen wil tot Gods wil, en kan die niet willen. Elk mens, hij zij wie hij zij, moet eerst geopende ogen ont­vangen om te zien, dat hij niet ziet, om te zien dat hij zich in de duisternis en in de onzaligste onwetendheid bevindt aangaande de kennis Gods en zijner ziele zaligheid. Uit die duisternis kan hij, al heeft hij geopende ogen ont­vangen, niet uitkomen; hij weet nog niets van het licht, en moet door des Hoeren Woord en Geest tot het licht gebracht worden

Als hij tot het licht gebracht wordt, dan begint hij God te zien, maar hij wordt nu eerst zijn onwil en zijn onmacht, zijn volslagen machteloosheid gewaar, hij ziet zich in des satans macht, banden en boeien, en kan er niet uit; de vijandschap tegen vrije genade moet in hem gebroken wor­den, een ander dan hij zelf moet hem vrijmaken van des satans boeien, en hem tot God brengen.

Elk mens, hij zij wie hij zij, die niet van de duisternis tot het licht, van de macht des satans tot God bekeerd is, heeft geen vergeving van zonden, neen, maar zijn zonde en schuld liggen voor zijn eigen rekening, hij ziet hoe hij genoegdoening en betaling brenge! hij heeft geen erfdeel met degenen, die zalig worden, er is voor hem niet aan te denken, dat hij in de hemel zal komen, waar God woont; veelmeer kan hij er van verzekerd zijn, dat zijn deel zal wezen eeuwige rampzaligheid met de satan in de eeuwige duisternis.”

Maar wat nu volgt, is nu weer echt Kohlbrugge ten voeten uit. Let u goed op, wat hij onder bekering verstaat, want ook de bekering maakt ons voor God niet verdienste­lijk:

„Niet daardoor, dat men geopende ogen ontvangt, tot het licht komt, of tot God bekeerd wordt, komt de vergeving der zonden, het eeuwig erfdeel onder alle geheiligden van de Heere Jezus. Vergeving van zonden en het erfdeel komt van God, de bekering is het gebracht worden tot God; en als men tot God gebracht is, clan is de vergeving van zon­den en het erfdeel een geschenk van vrije goedheid, dat wordt door ons komen tot God niet verdiend, ook daardoor niet, dat wij de duisternis verlaten en satan de dienst opzeggen.

Er is hier geen sprake van zelfbekering, van het zich vormen naar een godsdienstig model, van het uitoefenen van godsdienstige plichten of wetten en regelen, die de mens zichzelf oplegt, maar er is hiervan sprake dat een mens door de dienst van een ander, die de Heere zendt, krachtdadig bekeerd wordt tegen des mensen natuurlijke verstand en aangeboren vijandschap en onwil in.”

Want hoe vindt nu de bekering plaats?

„Het Woord des Evangelies doet het, hetwelk een zondaar, maar van de Heere begenadigd en gezonden, zijn mede­zondaren verkondigt dat Woord, dat niet weder ledig te­rugkeert tot de Heere, maar uitwerkt waartoe Hij het zendt; als de Heere en Zijn Geest zenden, zo opent de Heere, dat is de Heilige Geest, blazende in wie Hij wil, zo wordt in het hart acht gegeven wordt op hetgeen door des dienaars mond verkondigd wordt. Opening der ogen, licht en bekering verheerlijken de mens niet, maar maken hem ootmoedig; hij leert zijn blindheid, zijn onmacht en zijn onwil, dat hij uit zichzelf nimmer zou gekomen zijn, en hij leert Gods vrije ontferming roemen en prijzen, en God op het hoogst verheffen.

Verder zegt de Heere van de mens, dat hij bij God geen vergeving van zonden, geen erfdeel der zaligheid, geen heiligheid, geen eeuwig wonen onder des Heeren geheilig­den vindt, dan door het geloof in de Heere.

Wie dan tot God bekeerd wordt, vindt als eeuwige oorzaak zijner vrije rechtvaardigmaking: onverdiende goedheid, zuivere liefde Gods, eeuwige ontferming - als verdienende oorzaak de Heere Jezus en Zijn genoegdoening, gerechtig­heid en heiligheid; als een goddeloze ontvangt hij de gave der rechtvaardiging, en de Geest, die hem door het Evangelie tot God gebracht heeft, wordt in hem een Geest des gebeds en des geloofs, om op des Heeren Woord te pleiten, ontsteekt kennis Gods in het aangezicht Jezus Christi, geeft vertrouwen, hetwelk alleen berust op des Heeren Jezus offer aan het kruis, zet een ziel zo in Christus over, en eigent de mens alle weldaden van Christus, de beloften en het beloofde toe. Dat is het wat de Heere Jezus zegt: door het geloof in Mij - dus door niets anders.”


Ik sla nu een vrij groot gedeelte van de preek over. Belang­rijk is echter nog een stuk waaruit we kunnen lezen, welke waarde Kohlbrugge aan het geloof hecht.

Is dat dan misschien het goede werk, dat we moeten doen om tot God te kunnen komen? Nee, zelfs het geloof niet. Want nadat Kohlbrugge opgemerkt heeft, dat de genade niet verdiend kan worden zelfs niet door een zucht of een traan, vraagt hij: „Verdient het geloof dan niets, het geloof in de Heere Jezus? Nee, de Heere Jezus heeft het alleen verdiend door Zijn volmaakte gehoorzaamheid. Het geloof is de hand, welke ontvangt wat van Godswege toegerekend en geschonken wordt, namelijk de volkomen gerechtigheid Christi. Maar zo het slechts de hand is, waarom hangt de Heere Jezus dan alles daaraan? Daarom, om ons in Zijn bloed een vaste grond te geven van hetgeen wij van God hopen, al is het tegen hope, en ons in Zijn volmaakte offe­rande alleen te doen berusten met afzien van alle werk, wijsheid, kracht en gerechtigheid des vleses. God wil, dat wij voor Zijn rechterstoel de Naam Jezus oproepen, en met dat vlekkeloze Lam tevreden zijn voor onze consciëntie; als Hij dat in ons heeft en ziet, zo spreekt Hij ons als Rechter vrij, eens voor altijd, en zo dikwerf als wij komen om genade in de nood onzer ziel.”


Ook in het stuk van de toepassing des heils dus, is de prediking van Kohlbrugge niets anders dan een lofzang op de genade Gods. Ook nu weer geen mensenwerk, ook geen vrome, bevindelijke werken, dat alles snijdt Kohlbrugge af, het gaat alleen om het geloof in Christus, dat gewerkt wordt door de Heilige Geest. En dat geloof is geen doel, maar middel.

Zeer belangrijk vindt Kohlbrugge Gods Woord. Alle dopersen ten spijt, houdt hij vol, dat de Geest nooit buiten het Woord om werkt. En de Schrift is op zichzelf niet krachteloos en dood.

„De gehele wereld komt daartegen op; de leer der vroegere Wederdopers, dat het Woord dood is, en dat wij alleen dan er wat aan hebben, als God zulks eerst levendig maakt, deze leer heeft haast alles met zich voortgesleept; vandaar vooral die grote woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar wanneer de kracht gezocht wordt, zo wordt die niet gevonden. Ik ken de teleurstelling bij ondervinding, waarbij men voor het Woord neerzit en daar niets aan heeft, hoe gaarne men ook een woord van troost daarin zou wensen te vinden; dan beeldt men zich in, zelf levendig te zijn, maar dat het Woord dood is, in plaats van de gevolgtrekking om te keren en te denken: daar ik voor het Woord neerzit, en niet getroost word, zo ben ik dood, en gelijk een lijk, dat niet inwendig warm zal worden, al zou men het ook voor het heetste vuur houden. Daarentegen ken ik ook bij ondervinding, dat God de Heere nu en dan het hart met zulk een macht opent, dat men acht geeft op het Woord, en het gehele Woord er in gaat; ook ken ik het onbedrieg­lijke der ondervinding, dat, wanneer men, hoe ook de ganse hel brult, dat men het niet doen zal, en hart en handen beven uit vrees van bedrogen uit te komen, hoe men ook een peilloze afgrond onder zich en alleen toorn en grim­migheid boven zich ziet, hoe men ook de dood om zich heen en op de lippen heeft, en uit angst en nood der ziel niet meer horen of zien kan, alsdan het Woord aangrijpt, men juist dan de Heere bij de zoom Zijns kleed aangegrepen heeft, en opeens is de dodende vloed des bloeds gestelpt.” En in een preek over de herders bij Bethlehem, zegt hij dan ook: „Wie de Heere zoekt op het woord af, dat hij gehoord heeft, die vindt Hem en met Hem al de kentekenen, dat Hij het is. Zo vinden de herders en zij zagen, wat hun het eerst in de ogen komen moest; Maria en Jozef, die daar zo een­zaam zaten, zo verlaten, zo zonder toespraak; zij vonden het Kindeke, liggende in de kribbe, alles zoals de Heere het hun had verkondigd.

Geloofsverlangen, gij zult ontvangen! Eerst geloofden de herders, en zij geloofden het woord; zij maakten zich op de weg daarheen, waar het te vinden was. Toen zagen zij het. Velen willen eerst zien, en dan geloven, zijn te vasthoudend aan gevoelen en bevinden, om alles alleen op Gods Woord te bouwen. Gelooft het Woord en werpt de afgoden weg. Werpt die voor de vleermuizen, of werpt die in het vuur, en dan met het Woord er doorheen; en op het Woord des Heeren worstelingen Gods geworsteld, en zie dan of de Heere Zich niet wendt tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en of Hij Zich niet zal laten zien in uw armoede en ellende, en in Zijn grote, machtige daden. Hij, Die verlossing gebiedt Zijnen Jakobs. Waren er maar meer, die alleen de Heere zochten, wie het alleen om de Heere ging, en niet om het verdoemelijk eigen en om het zichtbare en vergankelijke, daar alleen is de Heere hun goed genoeg voor; maar die de Heere zoeken, zoeken de Heere, en de inwendige toestand en de uiterlijke omstandigheden wer­ken wel mee, doch alzo, dat de Heere hun hoogste goed wordt, uit Wiens hand en macht en trouw zij alleen verder dat verwachten, wat in Zijn ogen voor hen goed zal zijn. Het hoogste en kostelijkste is: zij hebben gevonden de Mes­sias, de Redder hunner zielen, en wie Die gevonden heeft, doet gelijk de herders: hij maakt het alom bekend. Wat maakt hij bekend? Merk op, opdat gij op de weg blijft, waarop zelfs de blinden niet dwalen kunnen, dat maakten zij bekend, wat hun van dit Kindeke gezegd was.

Als ge om uw zonde hebt getreurd,

Vertelt gij, wat u is gebeurd,

Dan zeg toch vrij, wie Jezus is,

Dat maakt een weif’lend hart gewis.

Rust heeft hij, die zich nederlegt

Op ‘t geen het Woord van Jezus zegt.”
En vraagt u nu: Maar hoe komt men aan dit geloof? Wel, dan antwoordt Kohlbrugge ons:

„Al wordt ook het lijden en sterven des Heeren ons allen voor ogen geschilderd, al worden rotsen gespleten en graven geopend, toch zijn er zeer velen in de gemeente, die het Woord horen en dood blijven; zij blijven dood, tenzij op hen nederdale de Heilige Geest. Zo min de mens iets tot zijn geboorte kan bijdragen, zo min zal hij iets bijdragen tot zijn wedergeboorte; geen mens komt uit zichzelf tot God en tot de Heere Jezus Christus; er is in het hart veel te veel vijandschap en wereldzin, lust tot de zonde en tot het eigen ik, dan dat een mens zou vallen voor de levende God, om aan te nemen genade, vrije genade. Als niet de Geest Gods van de hemel nederdaalt en het hart verbreekt, dan blijft het zo hard als een steen. De Geest Gods moet komen en het hart door de liefde en het bloed van Jezus verbreken en verbrijzelen.

Maar een mens kan toch bidden, en dat is toch reeds een begin van het christelijk leven.

Och wat bidden? Wie in waarheid bidden kan, kan hemel en aarde maken. Almachtige genade, de Heilige Geest is nodig, zal de mens het éne woordje „Abba” voor God uit­spreken.”

En in een pinksterpreek: „Ach wat is de mens. Zo de Geest Gods hem niet bekeert, dan helpt alles niets; hij wordt niet bekeerd, maar blijft met Bijbel en gebedenboek en alle mogelijke goede werken toch in de kaken des duivels en spot met de Heilige Geest. Wie niet tot dezelven inkeert en zich bekeert, zal ondervinden wat het zegt te zondigen tegen de Heilige Geest.”

Maar dan gaat Kohlbrugge onmiddellijk evangelisch troos­tend verder:

„God vraagt echter niet naar verkeerdheid, zonde en ver­derf, vraagt niet of we komen uit het gruwelijke Egypte of Babylonië, uit het zwarte Ethiopië, het Morenland, of uit welke plaats ook; maar Hij zegt, dat het gedierte des velds, de draken en de jonge struisen Hem zullen eren. Dat nu is het werk des Heiligen Geestes. Er komt geen vuur van de hemel om de goddelozen onder de mensen te verslinden, maar vuurvlammen worden gezien om te verkondigen uit de volheid van eeuwige genade en ontferming, en de ziel zingt: Al ben ik zwart en van de zon verbrand, ik ben noch­tans lieflijk, de Heere heeft het gezegd.”

Want zegt Kohlbrugge, die Heilige Geest wordt uitgestort op vlees. En besluit hij zijn pinksterpreek: „Waar de pre­diking van het dierbare Evangelie komt, daar komt ook de kracht des Geestes, en al nemen in de gehele wereld ook maar tien het Woord aan, zo komt de wereld in rep en roer, en raast de duivel.”

Ook hier weer wil Kohlbrugge Woord en Geest wel onder­scheiden, maar beslist niet scheiden.
Ergens anders zegt hij: „De Geest Gods bedient Zich van de door God verordende middelen. Hij verbindt Zich met het Woord Gods en keert daarmee tot onze harten in. Hij opent het hart door het Woord, komt zo binnen en is een licht in het hart. En het kind, zowel als de volwassene be­ginnen te geloven van God: dat Hij goed, dat Hij goeder­tieren is, en van de Heere Jezus, dat Hij een goede Herder is en Zijn leven voor de schapen stelt. Deze God nu en deze Jezus moet het kind evenals de volwassene tot zijn deel hebben.”

En uit een preek van 1859 citeer ik tenslotte nog over het werk van de Heilige Geest:

„Zo lang een mens zich met zijn geloof, met zijn vroomheid en heiligheid, met zijn zedenleer, zijn werken en gerechtigheid, met zijn oordelen en zijn ver­stand kan helpen, behoort hij tot de wereld en de wereld wordt door deze Geest overtuigd. Ik behoef Rome niet te zeggen, wat haar zonde is; ik behoef het aan de christe­lijke wereld niet uiteen te zetten wat haar zonde is, zij weet het zelf; haar zonde is, dat zij half aan haar geloof, half aan haar werken vasthoudt. De Heilige Geest zegt het haar deze achttien eeuwen door, wat haar zonde is; Hij zegt: Dat gij monnik of non zijt, is meer zonde dan al uw wellustig­heid.

Wat is zonde?

Dit is uw zonde, o mens, dat gij, zo melaats als gij zijt, u niet houdt aan de enige Hogepriester.”
Een belangrijke vraag is ook, hoe we de zekerheid des ge­loofs vinden. Welnu, dit zal u na alles wel duidelijk zijn. Kohlbrugge vindt de geloofszekerheid niet in de mens, want dan was het voor eeuwig verloren, maar hij vindt deze in het Woord.

„Is er dan geen zekerheid der zaligheid? Ongetwijfeld is zij er, maar de mens is zich haar niet altijd bewust; op de bodem der ziel, daar ligt zij, waar het zaad, het onvergan­kelijk zaad, in het hart is geworpen, wijl God in waarheid het hart heeft verbroken; maar in het bewustzijn is het zo: nu eens twijfel, dan weer geloof, zo gaat het op en af. Daarbij kan de ziel een spel der winden worden. Vanwaar komt nu ook voor het bewustzijn, trots alle twijfel, trots alle vrees, die nimmer zal ophouden, van waar komt nu ook voor het bewustzijn meer en meer de bevestiging of het gegrond zijn, het geworteld zijn in het geloof van Christus? Dat komt enkel en alleen van het Woord. Het bevestigd worden bestaat niet daarin, dat men soms eens weer een belofte voor zich vindt, maar de bevestiging, zo zij gegrond is, komt van het Woord van Christus, van het Evangelie, alzo, dat de mens door het Woord, door het Evangelie, meer en meer er van verzekerd wordt, dat de grond, die God gelegd heeft, de enige is.

Wij mensen zoeken het voortdurend bij ons en in ons, wij zoeken of wij wel voor de grond deugen, en in plaats dat wij denken aan een grond van eeuwige genade, denken wij dan aan een grond van vergankelijke werken. Toch hebben wij meermalen gehoord, dat wij de grond niet moeten zoe­ken in ons, maar buiten ons in Christus Jezus. Dit kunnen wij echter nooit genoeg ervaren, horen, leren verstaan, het kan ons nooit genoeg gepredikt worden, wij kunnen ons er nooit genoeg in oefenen, dat wij daarvan zeker zijn: de grond, die God in Christus gelegd heeft, die grond behaagt Gode alleen, die is alleen de ware, de alleen betrouwbare. Nu moet ik niet weten, of ik kan vasthouden, maar ik moet weten, of de grond, tot welke ik mijn toevlucht mag nemen, houdt. Houdt deze grond, en ben ik daarop gekomen, dan zal de grond mij houden. Altijd dus tot het Evangelie heen, altijd tot het Evangelie heen, als gij zekerheid wilt hebben van de zaligheid uwer ziel.”

En dan op het eind van de preek, zegt Kohlbrugge het nog eens overduidelijk, zoals altijd in zijn preken. We willen ze alleen niet altijd verstaan, want het Evangelie is nu een­maal niet naar de mens en zo neemt Kohlbrugge ons alles af wat van ons is, om ons een betere weg te wijzen:

„Het Evangelie is het, waardoor God roept, en Hij roept u, en als Hij u roept, roept Hij u tot de genade van Chris­tus. Dat is het Evangelie. En als Hij u roept, belooft Hij, ja wat?, de genade van Christus. Dit Evangelie is enig, dat wil zeggen: er is in waarheid geen Evangelie nevens dit, geen ander Evangelie. Men mag zich aanstellen, alsof men van de hemel kwam met de hoogste wijsheid en geestelijkheid, er is geen ander Evangelie dan dit eenvoudige: God roept in de genade van Christus. Het is gewis, dat daarbij ver­ondersteld wordt, dat gij des doods zijt, en dat gij dus uw vonnis niet uw bloed wilt ondertekenen: ik ben des doods. Voorondersteld wordt, dat dit in uw leden en in uw hart gegrift staat: is het niet de genade van een Ander, dan ben ik reddeloos verloren. God roept u. Nog eens: waartoe roept Hij u! Tot de genade van Christus. Hoe kan ik dat weten? Ja, daar zit juist de knoop. Nu denkt u: Dat kan ik weten, als ik het hier in mijn hart gevoel en met mijn hand, met mijn geloofshand, kan vasthouden. Neen, dat kunt gij wetten van het Bijbelblad, uit het onvergankelijke Woord Gods.

Als nu de duivelen u willen aangrijpen, om u van het Bijbelblad los te scheuren, houdt u er dan toch aan vast, of u ook alles toeroept: Gij zijt verloren. U vindt het niet in uw lege kisten en kasten, niet in uw verstand of hart, niet in uw vlees en bloed, tot het Woord heen, daar staat het geschreven: dit is het Evangelie; God roept, Hij heeft ge­roepen, Hij zal roepen tot de genade of de genade van Christus. Christus heeft dus de genade verdiend en ver­wonen, Hij schenkt haar ook en eigent haar toe. Christus is u zondaar, u vervloekte, genegen, en God ook. En nu, daar Christus alles heeft bereid, roept God u in deze genade.”


Kohlbrugge gelooft in de praedestinatie, zelden we al.

In een preek over de herders en de engelenzang, zegt bij: „Maar is dit geschenk voor alle mensen zonder onder­scheid? Als de engelen zeggen. In de mensen een welbe­hagen, menen zij dan alle mensen, hoofd voor hoofd? Heil­zame vraag om wakker te schudden uit de droom van het zelfbedrog met de leer van algemene genade. Volgens het Grieks zeggen de engelen niet „in de mensen” maar „in mensen” een welbehagen. Zij menen het soort van schep­selen, waarin God een welbehagen heeft, en niet een men­selijk geslacht zo geheel, dat er niet mensen zouden zijn, die van dat welbehagen zijn uitgesloten.”

En daarom zegt Kohlbrugge, wat verder in dezelfde preek: „Onderzoeke zich een iegelijk of hij van dat welbehagen persoonlijk ondervinding heeft. Eerst dan wordt Gode in de hoogste hemelen van alles de eer gegeven, eerst dan on­dervindt men dat er op aarde vrede besteld is door die Held, Die heerst midden onder Zijn vijanden, en Die Zijn Koninkrijk, het Koninkrijk van genade, vergeving van zonde en eeuwig leven staande houdt tegen alle tegenstand

En aan het slot van een preek over de arbeiders in de wijngaard, gehouden op 20 februari 1859 lezen we over de uitverkiezing:

„Wij komen nu als vanzelf aan de leer der praedestinatie. Daarbij gaat het naar het woord: „Ik zal genadig zijn, wie ik genadig ben, en ik zal Mij ontfermen over wie ik Mij ontferm.” Velen zijn geroepen, ja, en zij mogen zitten op tronen als apostelen en veel zegen van God ondervinden, velen zijn geroepen, maar uitverkoren zijn zij niet, dat zijn weinige n. Waar ligt dat aan? Uitverkoren, wat is dat? Is dat, heilig, Gode welbehaaglijk of zo iets? Neen, uitver­koren wil zeggen: van eeuwigheid door God uitverkoren, in Zijn eeuwige verkiezing. Maar de Heere Jezus spreekt hier niet van hetgeen voor alle eeuwigheid door ons is geschied, maar Hij spreekt er van hoe de mensen zich ge­dragen. De eeuwige verkiezing leren wij uit de Heilige Schrift; van de praedestinatie ter zaligheid en die ter ver­doemenis weten wij niets dan alleen uit de Heilige Schrift. Het is geen verborgen waarheid, zodat men zou moeten denken: ‘Och, het helpt mij toch alles niets; ben ik uitver­koren, dan kom ik in de hemel, en ben ik nu eenmaal niet uitverkoren, dan kom ik in de hel, daar kan ik niets aan veranderen.’ Neen, het is een geopenbaarde leer, geopen­baard in de letters van het Woord Gods.

Ik zou hier willen vragen: Gij knaap, hoe komt gij op een kantoor? Gij man, hoe komt gij aan dit of dat werk? Wat zijn daartoe de we­gen en middelen? Het Woord Gods, dat ons de praedesti­natie ter zaligheid en die ter verdoemenis, dat ons de eeuwige verkiezing ten leven leert, datzelfde Woord Gods leert ons ook de wegen en middelen, om ons in deze ver­kiezing ingezet te vinden en er zeker van te zijn: ik ben uitverkoren. Middelen en wegen daartoe zijn: waarachtig berouw, waarachtige bekering; wij komen tot God met onze zonde en schuld, wij rechtvaardigen onszelf niet, wij verlangen naar een Middelaar. De Middelaar wordt ons voor­gehouden en gepredikt en, schoon aarzelend, toch wordt de toevlucht tot Hem genomen, en wij zijn in waarheid tevreden met Zijn betaling; wij zijn voor onszelf arm, dood­arm; wij ondertekenen het met ons bloed, dat wij de eeuwi­ge dood hebben verdiend, en zien in Christus alleen heil en leven. De zodanigen zijn uitverkoren.

Nu weet u de weg: berouw en bekering, niet zichzelf recht­vaardigen, maar God gelijk geven, de toevlucht nemen tot de Heere Jezus Christus, in Hem geloven, dat is de weg. Maar nu komt de proef op de som Het moet blijken, wat men heeft gezocht en waar het om ging. Er zijn er, die zeg­gen: “ik zoek niets voor mijzelf, het gaat mij alleen om God en Zijn eer.” Maar bij de uitverkoorne, daar geeft men nauwlettend acht op zijn hart, en het boze dat zoekt door te breken, wordt gevangen geleid: de vervloekte gierig­heid, de eigenliefde, het verlangen naar het zichtbare, doch daarbij zinkt men neer aan de voeten van de Heere Jezus, anders kan men het niet uithouden. Zij kunnen alleen van vrije genade leven, dat is hun adem, daarom bidden en smeken zij.

De vraag komt tot de mens: Wat zoekt gij?

De eersten zeg­gen: ik zoek God. De laatsten zeggen: Ach, dat het zo ware. De eersten zeggen: ik dien God om niet. Ik help de broe­deren om niet. De laatsten zeggen: Ach, ware het zo. De eersten zetten zich op de troon en willen rechter zijn, zij danken God, dat zij meer zijn dan andere mensen, zij wor­den pausen; in plaats van huizen, akkers, enz. te verlaten, verlaten zij de gemeente Gods; de anderen echter vinden in zichzelf altijd zonde en schuld, en terwijl zij zich alzo bevinden, en dus de laatsten in alles de laatsten zijn, zijn zij voor God de eersten. Zoals wij van de heer des huizes opmerkten, was hij gelukkig, dat hij de lediggangers aan het werk had gezet, zodat zij wat konden verdienen; nog gelukkiger was hij, toen hij later nog meer mannen vond, die hij gelukkig kon maken; en zijn geluk steeg ten top, toen hij ter elfder ure nog enigen vond. Zo ook God. Van degenen, die Hij ter elfder ure vindt, zegt Hij: „Die zullen ook in Mijn hemel.”

En zo verkondigt ons het Evangelie: „Is het verloren, dan zijt ge gered; hebt ge zonde, zo hebt ge ze niet; beeft ge voor het gericht, zo komt ge niet in het gericht; zijt ge dood, zo hebt ge Mij tot uw leven; zijt ge arm, Ik ben uw rijkdom; klaagt gij uzelf aan, zo zijt ge vrij gesproken.”

(Kreck, Die Lehre von der Heiligung bei H. F. Kohlbrugge).
Een belangrijke vraag voor velen in dit verband is ook: Wie mag aan het Avondmaal gaan? Of met andere woorden: Hoe nodigt de prediker? Ook hierover vinden wij bij Kohlbrugge wel enige uitspraken. Uitvoerig schrijft hij hierover in het geschriftje: Beproeft uzelven (zie bibliografie). Ik wil me hier beperken tot een paar stukken uit twee preken over het Heilig Avondmaal. Na de betekenis van het sacrament van het Heilig Avondmaal verklaard te hebben, be­sluit hij:

“Wanneer dus iemand denkt: Ach, ik arme zondaar zou zo gaarne verzekerd zijn, dat ook mij, ja ook mij, al mijn zonden genadiglijk vergeven en bedekt zijn, en dat ook ik, ook ik deel hebbe aan mijn lieve Heere Jezus, en ook ik, ik hem waarlijk ingelijfd ben en tot het verbond Zijner genade behoor, en dat Hij ook mij door Zijn Geest regere, ook mij een zalig uiteinde verlene en hiernamaals in heer­lijkheid opwekken zal, zo trede hij toe tot des Heeren dis en zie op het brood en zie op de drinkbeker, en als hij dan het brood in de hand neemt en in de mond steekt, zo wete hij en bedenke: het brood geeft u de Heere tot een onder­pand en zegel daarvan wat gij gaarne weten en voor uzelf voor waar en waarachtig houden moogt, en evenzo doe hij met de drinkbeker; hij verwachte niet iets bijzonders van de hemel, maar hij zie aan het teken wat de Heere hem zegt, wat Hij hem bekrachtigt en verzegelt, en heffe alzo hart en ogen hemelwaarts, en zij niet ongelovig, maar ge­lovig op grond van het woord en de belofte van Christus: ‘Ik geef u en heb u gegeven Mijn vlees te eten ten eeuwigen leven, Mijn bloed te drinken tot vergeving van alle zonden; gij zijt eeuwig Mijn, zoals gij zijt, en Ik ben eeuwig de uwe als uw getrouwe Borg des Verbonds en almachtige Ver­bondsgod; gij hebt in brood en wijn pand en zegel daarvan van Mijn hand.’

Dewijl het bovengenoemde alzo de ware leer en betekenis des heiligen Avondmaals is, zo verzoek ik allen, die met hun belijdenis en openbaar en verborgen leven zich als goddelozen aanstellen, het wel te bedenken, hoe nodig hun allereerst de bekering huns levens is, opdat Gods verbond niet veracht en Zijn toorn over de gehele gemeente verwekt worde, en zij mitsdien zich niet een oordeel eten en drinken. Wat echter de ware betering des levens is, dat moet ook allen voorgehouden en gezegd worden. Zij is deze, welke ons waardig maakt tot de dis des Heeren te komen; zij is deze:

Dat wij eerstelijk onszelf vanwege onze zonden mis­hagen en nochtans vertrouwen, dat die zonden ver­geven zijn, en onze overige zwakheid met het lijden en sterven van Christus bedekt is.

Ten andere, dat wij ook begeren, hoe langer hoe meer ons geloof te versterken en ons leven te beteren.

Ten derde, dat wij voorts ons verstand en twijfel en bedenken en allerlei ,ja maar’, daartoe elke verdienste en elk werk en elke gezindheid met één woord alles uit ons prijsgeven, en daarnaar niet vragen, maar alleen ons vertrouwen stellen op Christus ter rechterhand des Vaders, en neme - in eenvoudigheid des harten de teke­nen en zegelen van Zijn handen, zodat wij bij het zien der zichtbare tekenen de onzichtbare genade voor waar en zeker houden.”


Bij een korte uitleg van de catechismus over het Avond­maal uit het jaar 1871, dus op het einde van Kohlbrugges leven, hebben zijn gedachten hierover zich nog niet ver­anderd.

„Nu kom ik tenslotte nog met een vraag uit de catechismus, en deze vraag is: Mag ik tot het Heilig Avondmaal gaan? Het antwoord op deze vraag heeft ieder kind reeds geleerd: Christus heeft aan mij en alle gelovigen, tot Zijner ge­dachtenis, van dit gebroken brood te eten en van deze drinkbeten te drinken bevolen. Dus mag ik niet eens vragen: Mag ik? Ik heb dit bevel, en daarom zeg ik: wee degene, die dit bevel, waarmee de Koning tot ons komt, veracht en niet begrijpt, dat alleen van deze Koning zijn leven, en dat zijn ongenade de dood is.

Maar nu komt een andere vraag: wie moeten tot de tafel des Heeren komen? En daar luidt dan het antwoord op de 81e vraag: Degenen, die zichzelf vanwege hun zonden mis­hagen; wij arme mensen hebben aan ons doemwaardig ik een welgevallen; wij zijn er altijd op uit om onze wegen te rechtvaardigen en alle schuld op de naaste te werpen. Dus wie moeten tot het Avondmaal des Heeren komen? Die zichzelf uitspuwen en verwerpen, die een walg aan zich­zelf hebben, vanwege hun zonden Zij komen dus met de belijdenis: aan mijn leven is niets goeds, maar daar blijven zij, die het bevel des Heeren hebben, om tot de tafel des Heeren te komen, niet bij zitten, neen, zij begeren hun leven te beteren. Die dus belijden, dat aan hun leven, hun leven voor God, hun leven in de gemeente, in huis met de hunnen, hun leven in het algemeen, niets goeds is, maar die van harte begeren, dit leven te beteren, die mogen tot het Avondmaal des Heeren komen; want dat het leven ge­beterd wordt, het zwakke geloof gesterkt, de mens hoe langer hoe meer verootmoedigd wordt voor zichzelf, dat alles werkt dit hemelbrood, deze beker des heils.”
En zo lazen we dus, dat Kohlbrugge goddelozen aan de tafel des Heeren nodigt.

In 1860 schreef Kohlbrugge een preek over de aanhef van de brief van Paulus aan de Kolossensen. Deze preek is van belang om eens na te gaan hoe Kohlbrugge de gemeente aanspreekt.

Deze brief is gericht tot: de heilige en gelovige broederen in Christus, die in Kolosse zijn. „In plaats van Kolosse schrijve een iegelijk, die deze brief hoort of leest, de naam van de stad of plaats waar hij woont. Dit heeft Kohlbrugge met Luther gemeen, die ook altijd in de Bijbel zijn eigen naam invulde. Zo spreekt de Bijbel namelijk veel meer tot ons. Na dit wat uitgewerkt te hebben, vervolgt Kohlbrugge: „Mitsdien, waar het Woord van Christus heenkomt, daar vormt het een heilige gemeente, en waar het heengekomen is en nog is, daar begroet het de gemeente in haar geheel en zo de enkele leden in het bijzonder, die toch slechts mensen, en wel zondige, kleingelovige mensen zijn, die evenwel uit de wet Gods hun ellende kennen of leren kennen, en in alle ootmoed belijden, dat zij van nature ge­neigd zijn God en hun naaste te haten, als gelovige en hei­lige broeders; maar daar ziet hen het Woord niet aan, zoals zij in zichzelf zijn, maar in Christus. Gelijk de Heere Jezus Zelf spreekt: Gijlieden zijt nu rein om het Woord, dat ik tot u gesproken heb. Blijft in Mij en ik in u, Joh. 15.”

Dan waarschuwt echter Kohlbrugge, want zo is de gemeen­te niet. En nadrukkelijk gaat hij verder: „Wachten wij ons voor zelfbedrog, als het Woord in zulk een macht der liefde tot ons komt, en bedenken wij het wel, wat de Kolossenzen af te leggen en wat zij aan te doen hadden, wat wij ook af te leggen en aan te doen hebben. De heiligmaking ligt dus in de roeping. God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar Hij heeft ons geroepen tot heiligmaking.”

En nu komt een belangrijk gedeelte uit deze preek, wat weer veel uit Kohlbrugges prediking duidelijk maakt. „Waar de apostelen optreden, daar beginnen zij nooit te schelden en te straffen, maar zij lokken en nodigen eerst vriendelijk om onder de wijnstok en de vijgenboom te komen, geven van de hemelse wijn te proeven en van de hemelse vruchten te smaken, opdat men de bittere wateren der zonde en de sodomsappelen verafschuwe en wegwerpe. Ook komen zij , die wel weten hoe ledig de mens in zichzelf is, en hoe hij niets nemen kan, tenzij het hem van haven gegeven worde. Zij, met de ganse volheid der liefde Gods en van Christus, opdat daarmee vervuld worde wat niet ledig verschijnen mag voor God. Ook moet het Woord u, onge­lovige, onreine, verkeerde, vooraf rein en gelovig verklaard en u als broeder begroet hebben, zodat gij u verbaast en verwondert en belijdt: „van waar komt mij zult een groetenis?” Indien n.l. uw innerlijk zijn en uw wandel heilig, gelovig en broederlijk zijn zullen.

Niet als de apostelen doen de valse apostelen; zij keren het om en leren: u zult uzelf eerst heilig, gelovig en tot een broeder maken, alsdan zullen wij u als zodanig groeten. Zo drijven en leren zij het wandelen naar het vlees en zien op het vlees; de apostelen leren evenwel het wandelen naar de Geest en zien enkel en alleen op het Lam Gods, op Chris­tus en wat Zijn bloed, Zijn Woord en Zijn Geest vermogen, naar Gods Wil, verkiezing en voornemen.”


Op dezelfde wijze heb ik dat terug gevonden in zijn ,,De enige troost in leven en sterven.” Hierin heeft Kohlbrugge alleen over de vraag: Welke is uw enige troost, beide in leven en sterven?, de eerste preek geschreven. En dan be­trekt hij bij deze vraag de gehele gemeente. En hij zegt dus niet: Nu ja, onbekeerd mens, dit is niet voor u; hier hebt u niet mee te maken. Luistert u maar wat Kohlbrugge zegt:

„Zo begint dan dit boekje zeer eigenaardig, schier tegen alle kennis des mensen, tegen alle verstand in. Immers, waar deze vraag en dit antwoord komt, daar zegt men: „Ja, mijn kind is nog dood. Mijn kind verstaat daar nog niets van. Mijn jongen, ja, ik houd veel van hem en heb hem lief, maar er is nog geen leven in hem; en mijn doch­ter, ja, zij is een goed kind, maar zij is ook nog dood. Moet nu zo’n kind leren en opzeggen: „Welke is uw enige troost, beide in leven en sterven?”

Het verstand zegt: Nee. De dwaas de wederdoper zegt ook: Nee, om alles niet, voor niet nog zoveel. Het kind moet eerst levend gemaakt worden, en wanneer het levend gemaakt is, dan eerst mag het deze vraag en dit antwoord leren en opzeggen. Dat zou de duivel wel gaarne zo willen hebben. Dat is de remonstrantse duivel, die de leer van de vrije wil drijft; dat is de Bptistische duivel, dat is de Plagiaanse duivel, die helpen wil zonder middel. Het leven komt echter niet uit de mens - de mens maakt zich zelf niet levend - maar het leven komt van God, en wel komt het leven van God door Zijn Woord, door het Evangelie; en wanneer het leven in de mens, in de volwassene niet onder­houden werd, wanneer er niet voortdurend, zoals bij een lamp, olie bij kwam, zou het weldra uitsterven.

Dat het leven onderhouden wordt, dat de mens in het leven blijft, geschiedt door het Woord. Ja, zegt gij, maar de Heilige Geest moet er bij komen. Dat gaat mij, die u onder­wijst thans niets aan; dat weet ik zeer goed, dat wil ik u ook leren, dat de Heilige Geest het doet; maar het moet niet komen van beneden naar boven, maar van boven naar beneden. Derhalve kom ik tot u, mijn kind, tot u, volwas­sene, met de vraag: Welke is uw enige troost, beide in leven en sterven. Het Evangelie sluit hier niet één uit. De vraag komt tot één, tot twee, tot vier, tot duizend, tot een gehele gemeente, tot een gehele stad, tot een geheel land. Maar die hebben het toch niet allen? Nee, niet één heeft het van zichzelf. Maar de vraag moet hun gedaan wor­den.... De vraag komt juist daarom, opdat de mens tot zichzelf inkere en wel overwege: Wat vraagt die man daar? Hij spreekt van troost. Wat is dat? Hij spreekt van troost, beide in leven en sterven. Hij vraagt mij: welke is u w troost? Hij vraagt: welke is uw enige troost? De zon heeft geschenen, de regen is gevallen; waar de vraag werkt, daar werkt zij. De vraag komt echter niet zo, dat zij zegt: dat gaat u wel aan, maar u niet. Maar zij komt, en laten we wat nu komt eens dubbel gaan onderstrepen, want hier gaat het bij Kohlbrugge om:

“maar zij komt, zoals de ware gereformeerde leer altijd komt, met de genade. En nu een vraag: wie kan zich bij aanvang of voortgang, met deze vraag voor ogen, op zijn leven beroemen? De vraag zelf zal bekeren, de vraag zal tuchtigen, straffen en troosten, de vraag doodt en maakt levend.”
En nu kom ik in de verzoeking deze preek nog verder aan te halen, want hij is zo mooi en praktisch, ontdekkend, be­straffend, en vertroostend, maar ik wil het hier bij laten. En voor de zoveelste maal moet ik zeggen: Leest u deze preek in zijn geheel.

Ik wil dit hoofdstuk besluiten met te verwijzen naar een preek van Kohlbrugge over vraag en antwoord 2 van de oude Heidelberger. Kohlbrugge zegt het dan nog eens, als in al zijn preken, dat ware, zaligmakende kennis van deze drie stukken nodig is tot een zalig leven en sterven in de troost van het Evangelie.

Ik ken geen prediker, die zo praktikaal predikt en zo be­vindelijk predikt als juist Kohlbrugge. Maar ik ken ook geen prediker, die zo van de mens en zijn bevinding afwijst naar Christus en Zijn verdienste. Want Kohlbrugge is de prediker van de genade Gods. En hij predikt daarom zo diep over deze genade, omdat hij uit ervaring weet, dat in de mens geen goed woont. Alle goed is alleen in Hem. Onze rechtvaardiging en onze heiliging wordt in Hem gevonden. Als ik Kohlbrugge lees, denk ik wel eens aan dat mooie Schilderij van Matthias Grünewald, de „Kruisiging.” Het is gemaakt als deel van het altaar te Isenheim, in het begin der zestiende eeuw. Jezus hangt aan het kruis, en daarbij staan de vrouwen en Johannes, de discipel, maar daar staat ook Johannes de Doper. Het schilderij is dus als een ge­lijkenis bedoeld, want Johannes de Doper was allang ont­hoofd toen. Johannes de Doper, steekt een lange, magere vinger uit, en wijst op de Man van smarten. Want Christus was de inhoud van de prediking van Johannes de Doper. Zij was het ook van Kohlbrugge. Ook hij wijst in zijn pre­diking op Christus en Zijn Woord. Hij is immers de enige Weg, Die ons met God verzoenen kan. Slechts wie dat ver­staat, kan Kohlbrugges prediking verstaan.


1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12


Dovnload 460.74 Kb.