Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De goddeloze gerechtvaardigd

Dovnload 460.74 Kb.

De goddeloze gerechtvaardigd



Pagina2/12
Datum28.10.2017
Grootte460.74 Kb.

Dovnload 460.74 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

ONTWAKEND LEVEN

De eerste helft van de 19e eeuw is een tijd van armoede. Zeer zeker ook in stoffelijk opzicht. Vooral de arbeiders, men noemde ze in die tijd wel „armen”, hadden het be­droevend slecht. Om nog wat geld bij een te krijgen om te kunnen eten moesten niet alleen de vrouwen, maar ook kinderen werken. Deze treurige toestand zou in ons land vrij laat pas aangepakt worden. De voeding was zeer een­zijdig: grote hoeveelheden aardappelen met wat azijn en mosterd met alleen op bijzondere dagen wat olie of vet. Brood was te duur, zeker tarwebrood, men at op zijn hoogst roggebrood of brood uit gort- of aardappelmeel. De meeste arbeiders aten nooit vlees. Meestal at men na ast de aard­appel alleen wat goedkope meelpap. Men dronk veel jenever om het gevoel van holheid in de maag te verdrijven. Het drankmisbruik nam af toen de lonen omhoog gingen en men beter kon eten. De woningtoestanden waren volgens een kommissie „hoogst ongunstig.” Op een gezin van acht leden vond men soms maar één bedstee. Laat ieder die graag terug wil naar die „goede oude tijd” maar eens het meesterwerk van Prof. Dr. I. J. Brugmans lezen, „De arbei­dende klasse in Nederland in de 19e eeuw.”

Maar, zult u wellicht zeggen, in geestelijk opzicht waren de zaken veel beter dan In onze 'geesteloze dagen. Het spijt me erg, maar ook nu weer moet ik u teleur stellen. Als ik in geestelijk opzicht de eerste helft der 19e eeuw zou moe­ten karakteriseren, dan zou het woord slaperigheid zeker niet misplaatst zijn. Alles dommelt in ons land, en een Duits professor, die hier een bezoek 'gebracht heeft, zegt dan ook: „De Hollanders zijn allemaal slaapkoppen.”

Pas na 1830 komt een zekere opleving, veroorzaakt door de nationale uitdaging van de Belgische scheiding, die vooral na 1840 gaat doorzetten. Maar zo pas na de ver­schrikkingen van de oorlogen van Napoleon is ieder be­dacht op rust. Eén van de weinige werkers is de koning, Willem I, die men graag laat bedisselen. Wat dat aangaat is het „Wien Neérlandsch bloed” wel de meest volkomen uiting van de volksmening: „Bewaar de Vorst, bewaar zijn huis, en ons zijn huisgezin.”

Het eind van de 18e eeuw was de tijd geweest van het ver­stand. Alles moet door de rede of ratio verklaard worden: de tijd van het rationalisme noemen we deze periode dan ook wel, of naar een Duits woord de verlichting. De tijden van bijgeloof waren voorbij, en men was nu in een gouden eeuw, het toppunt van het menselijk kunnen en denken gekomen. In het begin van de 19e eeuw komt er natuurlijk weer een derde: de romantiek. Dan wordt weer het accent gelegd op het gevoel. Maar men blijft in een optimistische geest, die gelooft in de vooruit­gang der mensheid. Ook op godsdienstig gebied is dit zo. Wel komt er een reactie op de al te koele nuchterheid der liberale theologie. De Groninger richting gaat weer de nadruk leggen op het gevoelen en beleven van de gods­dienst. Maar de wijze professoren uit Groningen moeten van de orthodoxe „bloedtheologie”, zoals ze schimpen, niets hebben. Hun tijdschrift heet, en de naam is al een program, „Waarheid in Liefde”, en ze propageren een algemeen christendom boven geloofsverdeeldheid. Men wilde een rustig, praktisch christendom, waarin het vooral op doen aankomt. Treffend is dit te vinden in het leesboekje van N. Anslijn, dat in 1867 nog een 50e druk zou beleven. In „De brave Hendrik”, zoals dit kinderboekje heet, staat het volgende typerende vers:

Een deugdzaam kind



Ziet zich bemind

Bij alle brave mensen:

Wie zou daar niet naar wensen?

Maar groter loon

En erekroon

Kan hij bij God verwachten:

Wie zou daar niet naar trachten?”
Belangrijker dan de dogma's is het geloof des harten, maar toch wil men aan de Bijbel vasthouden, zonder de resulta­ten van de moderne filosofie opzij te zetten. Een mengel­moes van Kant met zijn: God, deugd en onsterfelijkheid met enkele Bijbelse gedachten. „Halfheid, er is geen ander woord.”

In zijn grondgedachte Is de toonaangevende theologie van die dagen, die de Nederlands Hervormde Kerk beheerste, niet anders dan humanisme, want men gaat uit van de mens, de brave, vrome mens, die steeds verder opklimt op het pad der deugd.

Van orthodoxe zijde komt langzamerhand verzet. Het be­gint bij Bilderdijk, de bekende dichter, de baanbreker in ons land van het reveil.

Hij ondergaat de invloed van de romantiek, want ook bij hem vindt men een nadruk leggen op het gevoel. Ergens zegt hij: „de gehele godsdienst behoort tot het gevoel, is waarlijk gegrond in de inwendige bevinding.” In Leiden weet hij een kleine kring jongeren te boeien door zijn voor­lezingen over de vaderlandse geschiedenis. Kohlbrugge heeft hem meermalen ontmoet, en op zijn huwelijksreis bracht hij met zijn vrouw deze grote figuur een bezoek. De beste leerling van Bilderdijk was wel de ons 'bekende Da Costa, - door Meijer terecht een Joods romanticus genoemd. Kort na zijn overgang tot het christendom schreef hij „ook tegen zichzelf” zijn „Bezwaren tegen de geest der eeuw.” Hij gaat hierin wel eens te ver, zoals in het veroordelen van aardappels eten en in het goedkeuren van de slavernij, maar als „geboortekreet van het reveil” is dit boekje erg belangrijk. Hij wilde de oude orthodoxe leer van Dordt niet alleen in eer herstellen, maar pook met het hart beleven. De deftige Arnhemsche Courant noemde Da Costa „een ellendeling”, anderen spraken van “gekras van nachtge­vogelte.” Da Costa werd gemeden als de pest, rechercheurs noteerden wie zijn huis binnen gingen.


Het reveil zelf geeft trouwens allerlei schakeringen te zien. Eén van de vrienden van Da Costa is Willem de Clercq ge­weest, die later onder invloed van Kohlbrugge kwam Hij was een 'invloedrijk man, als secretaris van de Nederlandse Handelmaatschappij, en heeft een voor de 'geschiedvorser uiterst belangrijk dagboek bijgehouden. Op 20 oktober 1828 beschrijft hij een bijeenkomst van vrienden in het huis van Da- Costa aldus:

„Midden onder het gesprek hoorde ik vragen, of men niet zou beginnen, daar het anders zo laat werd, en nu zag ik, dat men zich gereed maakte een oefening in forma te houden. Ik schiet hiervan eerst, daar ik altijd vrees voor die bijeenkomsten gehad heb, doch zag nog meer op, toen Kohlbrugge, wiens uiterlijk mij niet bij­zonder ingenomen had, voor een grote Bijbel ging zitten. Ook aan ons werden Bijbels uitgedeeld. Wij zon­gen eerst een psalm, dat mij wel beviel. Toen was er gebed, toen preek, nog tweemaal zingen, een nagebed en eindelijk een zegen.”

De Clercq moet dan nog niet veel van Kohlbrugge weten, maar ook tegen de bijeenkomsten heeft hij bezwaren: Ze kunnen aanleiding geven tot geestelijke hoogmoed. Mis­schien ook wel omdat hij bang is voor een beweging, die steeds meer een onkerkelijk karakter gaat krijgen. Het zijn zij, die door de verlichte liberalen van die tijd wel „dwepers” en „1618- ponders” wonden genoemd. Mensen, die vast­houdend aam de oude leer geen zielevoedsel meer in de oude vaderlandse kerk konden vinden. Begrijpelijk als men weet, dat de kerk toen getypeerd werd door een versje, dat in de voorgevel van een Gronings kerkje te vinden was:

Leer hier uw hogen stand



Uw waarde als mens beseffen,

En tracht door Jezus' geest

U daartoe te verheffen.”
Zo zag het er van binnen ook uit. Meestal verenigden de bezwaarden zich tot gezelschappen, waarin oefenaars voor­gingen. Voor het tot Afscheiding kwam nam de regering op grond van hun sympathie voor Da Costa al maatregelen. Op grond van onze Franse wetgeving was het houden van vergaderingen van meer dan twintig personen behoudens goedkeuring van de overheid verboden. Later zou men tegen de afgescheidenen nog erger optreden overigens. Deze mensen kregen moeite bij het dopen van hun kinderen. Men wilde zijn kind niet bij een onrechtzinnige leraar laten dopen, en noemde dat zelfs zijn kind „de moloch offeren.” Door dat de doop verzuimd werd, kwam er behoefte aan Afscheiding. Toen deze dan kwam in 1834, werden zij ver­zameld, die allang los stonden van de Hervormde Kerk. We zullen in verband met Kohlbrugges leven nog gelegen­heid krijgen op deze beweging nader in te gaan. Met al deze besproken groepen is Kohlbrugge trouwens in conflict gekomen. Loos zegt terecht: „Wij krijgen van Kohlbrugge vaak een harde, onverzettelijke, zeer intolerante indruk, alsof in het Woord der Schrift regelrecht van hem ge­schreven staat: Zijn hand was tegen allen, en de hand van allen was tegen hem. Kohlbrugge heeft in zijn veelbewogen leven veel alleen gestaan. Nauwelijks was het ene conflict afgelopen, of een nieuwe controverse deed zich voor.”

Het wordt tijd, dat we deze figuur eens wat nader gaan bezien.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


Dovnload 460.74 Kb.