Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De goddeloze gerechtvaardigd

Dovnload 460.74 Kb.

De goddeloze gerechtvaardigd



Pagina6/12
Datum28.10.2017
Grootte460.74 Kb.

Dovnload 460.74 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

5. KOHLBRUGGE WAS GEEN ANTINOMIAAN!

Toen Kohlbrugge in 1871 herdacht dat hij 25 jaar in het ambt stond, zei hij o.m.:

“En nu één ding: vurige wensen zijn tot mij gekomen, dat God mij voor u moge sparen. Mijn wensen uit een vaderlijk hart komen tot u: wandelt in de vreze des Heeren! Blijft bij de waarheid, welke ik u meegedeeld heb, waarop ik leef en sterf, en waarvan ik weet dat het datgene is, wat alle eeuwen door de beste leraars der kerk, ook onze dierbare hervormers, op grond van Gods Woord geleerd hebben. Ik sterf daarop en herroep van alles, wat ik geschreven heb, en wat gij in handen hebt, geen titel noch jota. Ik weet; dat het Gods Woord is in zuiver goud en zilver, want ik heb het niet uit de mouw geschud, maar vanuit het diepste lijden heb ik het u mee­gedeelde.”

Daar tegenover staat de beschuldiging van antinomianisme, d.w.z. bestrijder van de wet, die steeds weer opduikt in de litteratuur over Kohlbrugge. Nu is het wel zo, dat men el­kaar maar naschrijft, zonder zelfstandig onderzoek, en ik hoop daar In één der laatste hoofdstukken met name op te wijzen, maar ondertussen spreekt men toch maar een ont­zettende beschuldiging uit.

Nu staat Kohlbrugge wat dat betreft niet helemaal alleen. Paulus, Luther, Calvijn en vele anderen zijn er van be­schuldigd, en ik las eens dat men J. Eswijler, een eenvoudig man, die schreef: „Zielseenzame Meditatiën over de voor­naamste waarheden des Evangeliums, vertonende hoedanig een ziel op vrije genade door het geloof in de Heere Jezus zal leven”, op beschuldiging van deze ketterij heeft gecensu­reerd.

Nu is het vreemde, dat juist Kohlbrugge de wet Gods zeer geëerd heeft. Hij heeft zelfs gepreekt uit de brief van Jacobus en over Psalm 119, waarin het vooral gaat om de wet Gods.

Zeer duidelijk staat het ten overvloede nog eens in een preek over Deut. 33 : 2: „Tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.” Kohlbrugge begint direct met zich te keren tegen de dwa­ling omtrent de wet Gods, waardoor deze gemaakt wordt tot een zware last. Men zegt dan o.a.: „Ik hoop op Gods barmhartigheid. Daarom verontrust mij niet langer! Ik wil van de wet niets weten. Houd mij het Evangelie voor, dan word ik welgemoed....”

Kohlbrugge noemt dit de taal der spotters. En dan komen enkele prachtige zinnen, waarin Kohlbrugge de vreugde der wet bezingt:

„De wet is de volkomen uitdrukking van de wil van onze soevereine God, van die God, Die ons geschapen heeft, Die aan ons mensenkinderen de aarde heeft gegeven, opdat wij het goed daarop zouden hebben, en Die ook een hemel voor ons gemaakt heeft, opdat wij daarin zouden komen en eeuwig bij Hem gelukkig zijn, wanneer wij deze aarde moe­ten verlaten bij de dood.

Opdat wij het hier op aarde goed zouden hebben en een­maal in de hemel komen, daartoe gaf Hij ons Zijn wet. Het innigst Wezen Gods is daarin voor ons opengelegd. Vraagt u : wie is God? En: wat weten wij van God? Sla dan de Tien Geboden op, en u ziet God in al Zijn heerlijk­heid, in al Zijn deugden en volmaaktheden; u ziet dat Hij onuitsprekelijk goedertieren is. Hij geeft ons in enige wei­nige trekken, die een kind wel in zijn geheugen bewaren kan, met Zijn eigen vinger het gehele doen te kennen, dat Hij van ons eist.... en elk woord verkondigt het als met luide stem: Aanschouwt Gods goedertierenheid! op deze tien pilaren rust uw ganse levensgeluk en het geluk uwer kinderen, en dat van hun kinderen na hen, tot in het dui­zendste geslacht.”

Maar dan komt natuurlijk de vraag: Wij moeten de wet houden, maar wij kunnen en willen niet. „Wat raad blijft er dan voor mij, opdat ik de wet bewaar, als ik het toch niet kan?”

En dan wijst Kohlbrugge ons op Christus. Hij heeft alle goede werken gedaan. „Ziet opwaarts naar het loon, dat een ieder ontvangt, die zich in Christus in de vurige wet bevindt, die In Christus blijft in de daden Gods, uitgespro­ken in de Tien Geboden, in de daden, die voor ons gescha­pen zijn, in de werken, welke God tevoren bereid heeft. Ziet, daar staat een overtreder van alle geboden des Hee­ren, een afgodendienaar voor de rechterstoel Gods, ver­doemd, verloren, rechtmatig aangeklaagd, door de duivel gebonden - en hij werpt zijn afgoden uit de hand; hij werpt ze in de hel, waarin hij zelf moest ingaan - en hij zelf, hij werpt zich op het Lam, Dat voor de rechterstoel Gods staat en hem in zijn verlorenheid vriendelijk aanziet; hij werpt er zich op, zoals h ij Is, en dit Lam, Het draagt hem door alle vloeden des toorns en des doods naar de ge­westen der zalige onsterfelijkheid, in het zalige licht van het aangezicht des Vaders; daar heeft hij eeuwige vrede en eeuwige rust. Hij heeft het gebod gehouden, en alle duive­len, alle geestelijke boosheden uit de afgrond, die in de lucht zijn, zullen zich van hem niet meester maken - de engelen Gods dragen hem door alles heen in de heerlijk­heid.”

De wet des Heeren prijst dus Kohlbrugge zeer, en ik geloof dat men gerust kan zeggen, meer dan iemand vóór hem ooit gedaan heeft. Nu kunnen wij mensen deze wet echter op twee manieren gebruiken. De mens kan de wet gebruiken onder het werkverbond. De wet op Sinaïl is een vorm van het Genadeverbond, maar de mens maakt er dan een werk­verbond van. Men neemt dan het gebod in eigen hand, pro­beert deze uit eigen kracht te vervullen en meent zo Gode een dienst te bewijzen. Dit alles is slechts vleselijke wandel en schending van de wet. Men komt zo tot de leer van het zelfkruisigen van het vlees, men komt zo tot de leer van de trapsgewijze heiligmaking, en Kohlbrugge houdt niet op om daartegen te waarschuwen. Men kan op deze wijze ook de genade afhankelijk maken van de mens. Men doet de wet en hoopt op Goddelijke bijstand. Het ontbrekende zal Wel bewerkt worden door de hulp van de Heilige Geest en door de kracht van Christus. Door de inwerking van Gods genade komt het dan tot een effectieve verandering van de mens. Met de wedergeborene staat het anders dan met een natuurlijk mens. Met een vrijgemaakte wil neemt men het opnieuw tegen de zonde op.

Van al deze redeneringen moet Kohlbrugge niets hebben. Voor de armen en de ellendigen heeft de wet in de hand Gods in de Schrift Evangelie. De genade schaft de wet niet af, ze doet er ook niet wat af, opdat wij de rest zullen vervullen, nee, de genade is juist de waarlijke vervulling van de wet. De wet is ons uit genade gegeven, want zij is uit­drukking van Gods liefde over ons. De wet doelt ook op genade, want zij is tuchtmeester tot Christus. God hand­haaft Zijn heilig gebod om de mensen voor de genade toe te bereiden. Het doel van de wet is Christus, en bij de kribbe van Bethlehem leren we het best onze zonde verstaan. En dus is de inhoud van de wet genade. De wet toont ons de weg. De Tien Geboden zijn de samenvatting van de ganse Schrift. Zijn geboden zijn: geloof, hoop en liefde. En ten­slotte leest Kohlbrugge in de geboden Gods voor degenen, die de Zijnen zijn, evenveel beloften Gods. De wet is dus een werk, niet van de mens, maar van de Heilige Geest.

In zijn Leer des Heils zegt hij het als volgt:

„Vraag 145: Zullen wij dan... met de wet geheel in overeenstemming zijn?

Gewis, want daar geeft God Zijn Heilige Geest, Die Zijn vrucht met Zich brengt.

Vraag 146: Mag dan zodanige vrucht geen dienst van mensenhanden zijn?

Neen, want alleen de Heilige Geest weet hoe in de tien woorden der wet moet worden gewandeld. Wij hebben daarvan geen verstand. Wij leggen alles uit naar heidense, onrechtvaar­dige zedenleer en naar onze onbarmhartige eigenliefde, en niet naar Gods hart.

Vraag 147. Wat is dus nodig? Dat de Heilige Geest ons drijve.”

Denkt er echter goed om - o allen, die Kohlbrugge van an­tinomianisme beschuldigt - dat Kohlbrugge meteen verder vraagt in vraag 148:

„Mogen wij ons van de wet ontslagen achten?

Volstrekt niet. Gods wet blijft eeuwig; en wij zijn in God gebonden en verplicht haar te houden tot op een tittel en een jota. Zo niet - wij worden getroffen door de vloek Gods. Daarom mogen wij ook niets daarvan afdoen, ook niets daaraan toedoen.”

En tenslotte vraagt hij in vraag 161: „Hoe staat dan de ware gelovige tegenover de wet?

Hij heeft haar van harte lief, want hij ziet daarin een ke­ten van de trouwste beloften Gods en de heerlijkste hand­having, zowel van de ere Gods, als van zijn eigen heil. Daarom zichzelf prijsgevende, is het hem alleen om ge­rechtigheid te doen.”
Wij willen dit alles door enkele stukken uit preken van Kohlbrugge nader toelichten. In een preek over Rom. 5 : 9 zegt hij:

„De wet moet vervuld, dat is, gedaan zijn, en de mens met de wet in overeenstemming zijn; dit stond zowel bij de farizeeërs als bij de apostelen vast.

De farizeeërs zochten echter het doen der wet in het uiter­lijke wezen, in de letter; de apostelen daarentegen hand­haafden datgene, wat de Wetgever met de wet inderdaad bedoelde.

De farizeeërs vleiden zich er mee, dat zij met de wet in over­eenstemming waren, naar het uiterlijk zoveel van de wet doende als zij met alle mogelijkheid konden, en hielden zichzelf voor rechtvaardigen; de apostelen predikten, dat slechts Eén rechtvaardig is, en dat een mens, Hem geloven­de, met de wet in overeenstemming is zonder werk.

Ik zeg: „met de wet in overeenstemming”, of „overeen­komstig de wet”, want zo heeft men toen het woord „recht­vaardig-zijn” verstaan.

In de leer der apostelen nu moet het bewijs geleverd wor­den, dat een mens overeenkomstig de wet, met de wet in overeenstemming kan zijn, zodat hij niets te vrezen heeft, maar integendeel een levende hoop op God hebben kan, zonder dat hij zelf ooit een werk, ja ook maar één enkel werk der wet gedaan heeft.”

En dat leest Kohlbrugge dan in zijn tekst, waar hij woordelijk naar de grondtekst ver­taalt: „Om veel meer, zullen wij, gerechtvaardigd zijnde nu in Zijn bloed, gered worden door Hem van de toorn.” Duidelijk zien we hierin het tweeërlei gebruik van de wet door Kohlbrugge toegelicht. Geen predicatie van hem of we zien iets daarvan doorschemeren.

Hij toont dan in deze predicatie allereerst aan dat God niets door de vingers ziet. En dat dus Gods toorn op ons rust vanwege onze overtredingen van ‘s Heeren wet. Nee, van de toorn Gods denkt de apostel niet licht. Wie over de toorn Gods schrijft, die moet geloven dat hij gedurende heel zijn leven aan deze toorn bloot staat. Maar Paulus weet ook, dat het Gods wil is, dat wij van de toorn behouden worden. En we lezen dan ook: „De wet kan niet zo onvoorwaardelijk onze verdoeming wil­len; zij vordert deze verdoeming slechts voor zover datgene niet vervuld wordt, wat de wet naar haar innigst wezen recht heeft om te eisen. Goed beschouwd, bestaat de wet uit een reeks van beloften; volgens het Hebreeuws staat er niet: gij moet niet, gij moet niet, maar: gij zult niet begeren. Het gaat dus daarom, of in waarheid deze beloften, volgens welke wij echtbrekers de echt niet breken, wij dieven niet stelen, wij doodslagers niet doodslaan, wij haters Gods en des naasten God en onze naasten liefhebben, bij ons heerschappij hebben. Een wet, die uit zulke beloften samen­gesteld is, kan het niet anders dan goed met ons menen, dat wij namelijk in zulke beloften zullen gelukkig zijn.

Bijgevolg is het de wet slechts om onze vrede en om ons geluk te doen; zij kan dus niet willen dat wij in de toorn vergaan.”
En in het derde gedeelte van deze preek, geladen met in­houdvolle woorden, horen wij;

„Van Sinaï gaf God Zijn Tien Geboden in even zoveel be­loften, en gaf ons de vorm van een verbond, naar hetwelk Hij ons genadig wil zijn. Hij wilde Zelf in ons tot stand brengen wat Hij in Zijn verbondswoorden beloofd had. Want Zijn verbondswoorden, zij waren een getuigenis te gen ons, dat wij geen van die vervulden; een getuigenis waren zij tevens vóór ons, dat zij nochtans in vervulling zouden komen.”

En dan opeens breekt het volle licht van het evangelie door, want de apostel zag, dat alles gemaakt was naar een beeld, dat de Heere aan Mozes op de berg getoond had „Toen ging de hemel voor hem open, en hij verstond waarom het aangezicht van Mozes zo glinsterde: hij zag de heerlijkheid van Jezus. Hij ging dat dit beeld niet anders was dan het beeld van de Gezalfde; Christus zag hij in de ark der getuigenis, in het verzoendeksel, in de gehele tabernakel.” En zo worden wij alleen door Hem van de toorn Gods behouden.
En in een andere predatie over Bom. 8 : 28 zegt hij over het woord “heilige” het volgende: „Bij ,heilige’ denkt men altijd aan zedelijke volmaaktheid - denkt u echter daar­bij aan de liefde Gods. Want degenen, die Hij heilig heet, heet Hij daarom zo, wijl Hij Zich hunner niet geschaamd heeft, maar hen aangenomen heeft, en hun de verzekering Zijns vredes doet toekomen. Omdat dus Zijn Woord tot hen is gekomen, daarom zijn zij heilig, en nu, houd het daar­voor, u, wie het om heiligheid gaat, dat u heilig zijt om­dat het Woord tot u gekomen is. Want het Woord overdekt hen met Zijn heerlijkheid. Diegenen nu, die het Woord met Zijn heerlijkheid overdekt, zijn juist daarom in de ogen Gods heilig, omdat zij zichzelf in genen dele kunnen helpen, maar zeer zwakke vaten zijn.... Heiligen zijn dus de zo­danigen, die volkomen gezondheid van node hebben en uit de grond des harten daarnaar verlangen.”

En in vraag 346 van de Leer des Heils zegt de prediker van Elberfeld het nog eens zo: „Naar vlees wandelen is: naar onze begrippen van godsdienst en heiligheid leven, waaruit al onze zonden voortkomen; en naar Geest wandelen is: zich alleen aan de genade van Christus houden en in Hem aan de liefde Gods, hetwelk alle heiliging des Geestes in zich bevat.”

Natuurlijk komt dan direct de vraag op: Ja maar, mag je dan maar raak leven? Komt het dan na wedergeboorte er niet op aan hoe je leeft? Je bent toch gered door het geloof? Eigenaardige vragen al. Wie stellen deze vragen? Niet de gelovigen, zij die verontrust zijn door Gods toorn. Nee, vol­gens Paulus zijn het de mensen, die van Gods gebod niets begrepen hebben. Nee, het geloof, dat wil zeggen het leven door de Geest uit Christus, brengt vruchten voort. Kohlbrugge zegt zo:

„Dat dierbare Evangelie wone dan ook in u alzo, dat gij heengaat en desgelijks doet, een ieder in zijn kring; want wie de lankmoedigheid Gods kent, die zal ook met de aller­ergste geduld hebben om hem te laten zien en proeven wat ontferming en genade is, opdat hij getrokken worde tot en gebogen zij in dat harte, dat vol ontferming is, niet over hetgeen gered is, maar over hetgeen verloren is.”

En in een andere preek: „Terug dan geliefden, tot het alledaagse, gewone, prozaïsche doen en laten van dit leven, hoe moei­lijk het u ook moge vallen! Niet gehaakt naar hemelen van uw fantasie, van een godzaligheid naar eigen keus, maar Gods genade erkend en beleden, hetzij gij zijt bij de smelt­oven of bij het weefgetouw, in het kraambed of aan de lessenaar - een ieder wete zijn roeping, waarin hij door God geroepen is,.. ja daar de genade erkend en beleden van de God Israëls, Die tussen de Cherubim woont, en daar Hem aangeroepen.... want er is geen Heiland behalve Hij !”
En men leze eens zijn predicatie over Colossenzen 3 : 12-­16, waarin hij het heeft over de vruchten van het nieuwe leven.

„Zo is het gesteld met de heiligmaking des Geestes. Zij is er, of wel de volkomen dood is er. Is zij evenwel daar, zo zal het aanschouwd wonden, dat het Woord van Christus de vrucht uitdrijft en zichtbaar maakt, niet uit de mens, maar uit Christus door Zijn Geest in de mens, en zo de mens werkzaam maakt, gelijk de vrucht werkzaam is niet door zichzelf, maar door de inwendige drang, die in de boom.

Dat de vrucht niet altijd daar is of niet gezien wordt, hetzij in de gemeente of bij de leden in het bijzonder, dat zullen wij tot onze vermaning, waarschuwing, maar dan ook tot onze vertroosting, wel ter harte nemen en er dan acht op geven, hoe wij tot Christus gelokt worden, opdat de vrucht er zij, en de tegenstand overwonnen moge worden”

En dan gaat hij al deze vruchten, in dit tekstverband ge­noemd, aandachtig beschouwen. Zo zegt hij bijvoorbeeld van de zachtmoedigheid: „Zachtmoedigheid is het beschei­den, stil en rustig bestaan, dat zich stil houdt, en dat steeds tot zichzelf inkeert, waar het iets van anderen verneemt dat niet aldus moest - gedaan of gesproken zijn. Zachtmoe­digheid breekt de staf over zichzelf en niet lichtelijk over anderen, waar het van anderer zonden en ondeugden iets verneemt. Zij is een gezindheid des harten, gans in tegen­stelling met dat in toorn ontvlammend gemoedsbestaan, waaraan de patriarch Juda gehoor gaf toen hij van Thamar zei: „Brengt haar hier, opdat wij haar verbranden.” Boven alles te prijzen echter is de liefde: „ De liefde nu houdt de harten samen; de andere klederen zijn stuksge­wijze; de liefde echter maakt allen tot een geheel, opdat alles van één zin, van één gemoed, van één gevoelen zij. Daar wordt het alles één en van één gemoed tussen hogen en lagen, armen en rijken, zodat het in alle opzichten vol en als uit één stuk gegoten is, zodat er een hechte eenheid en gemeenschap bestaat, zo in het kwade als in het goede, zodat elke tegenspoed door de anderen als hun eigene aan­genomen wordt, en men over het kwade heenkomt, zonder dat het iemand schaadt, of aan lichaam en ziel verderf aanbrengt.”

,,Dat zij dan genoeg gezegd van de geestelijke kleding, waar­mede wij mogen bekleed zijn, ja moeten bekleed zijn tot ere Gods en tot heil en zegen voor onze naaste.”

En aan het einde van deze predicatie vat hij alles nog eens samen:

„Het afleggen en aandoen geschiedt evenwel niet door eigen kracht, maar het heeft zo plaats, dat de Geest der heilig­making, der genade en des gebeds in de raderen komt, dat men bedenkt wat en. hoe Christus vergeven heeft en ver­geeft, en dat de ziel door de Geest des geloofs Christus aan­neemt en omhelst, gelijk wij in Hem de oude mens hebben afgelegd en Hem aangedaan hebben, en ook dag aan dag al Zijn weldaden aannemen. Immers dit aandoen is een aandoen in het geweten en in het hart, zodat degene, die in zijn onreine klederen en in zijn schande, naakt daar staat, in de liefde des Geestes de Heere Christus en al Zijn gerechtigheid aanneemt als zijn eigen goed, en zich daarop verlaat. Daar wordt dan het geweten blijmoedig en ver­heugd, en terwijl de gemeente zich rijkelijk in Christus gedekt en bekleed ziet, wordt zij door de Geest wel warm ge­maakt, om zich gaarne onder het Woord van Christus te stellen; zo komt de gewilligheid en, terwijl het gebed daar is, voelt men het oude afleggen en het nieuwe aandoen, en grijpt weldra naar de harp tegen alle aanvechtingen, dood en tegenspoed, om ook voor kranke leden de snaren aan te slaan, de machtige Koning ter eer.”

En tenslotte las ik in het Amsterdams Zondagsblad van 10 september 1899 de volgende gedachte van Kohlbrugge, lang na zijn dood nog tot ons komend:

„Wanneer God de mens bekeert, dan brengt Hij voorzeker de mens geheel van de werken der wet af, doch dan schrijft Hij tevens Zijn wet, niet in steen, maar in het hart des mensen. Hij heeft met het bloed Zijns verbonds het hart teder gemaakt, en nadat Hij dit gedaan heeft, schrijft Hij met Zijn vinger, de Heilige Geest, Zijn wil daarin, zodat de mens, in weerwil van alle strijd, van harte geneigd is tot de wil Gods, tot Zijn gebod, en dit ook in oprechtheid voor God kan betui­gen. Zulk een mens weet en zegt het in zijn hart: „Wat ik leef, dat leef ik door de genade; wat ik ook doe, ik drijf op de genade; sterf ik, zo sterf ik op dezelfde genade”, doch hij kent tegelijkertijd zijn roeping, de roeping om de boze te weerstaan, alles te verrichten en staande te blijven.” Nogmaals, hoe men ooit heeft kunnen zeggen dat Kohl­brugge de wet van God verachtte, dat is mij altijd een raad­sel geweest. Zeker komt het doordat hij niet paste in het systeem van Kuyper, die niet nagelaten heeft vooral zijn volgelingen zwart te maken. Maar daar komen we in het laatste hoofdstuk nog op terug.
In dit verband wil ik nog één boek van Kohlbrugge kort bespreken. Dat is zijn „Overdenking van het eerste hoofd­stuk van het Evangelie van Mattheüs”

Op zijn sterfbed heeft Kohlbrugge juist weer dit boekje gelezen en het verschafte hem grote troost.

Terecht noemt Van Lonkhuyzen dit geschriftje wel „zijn predicatie over Romeinen 7 : 14 in beeld”, en juist ook over dit boek zijn veel misverstanden ontstaan. Men heeft hem zelfs beschuldigd de Zoon van God zonde te hebben toege­schreven.

Ging het in Rom. 7 : 14 over „de wedergeborene is vlese­lijk”, hier gaat het om het komen van Gods Zoon in het vlees. „Het Woord is vlees geworden.” Hiernaast moet men lezen zijn werk over de Godheid van Christus, want in Mattheüs 1 gaat het om de menselijke natuur van Christus. Mattheüs begint zijn evangelie met een register ener wording van Jezus Christus. Het gaat niet om de ge­boorte, dat komt pas later vanaf het 18e vers ter sprake. De belofte van Christus heeft haar begin genomen in hen, die voorwerpen van die belofte waren; „dat de belofte in al de bijzondere personen, die als erfgenamen dier belofte opkwamen, zich voortdurend ontwikkelde; dat in hen allen Christus was. Maas in geen van hen wat datgene volkomen aanwezig, wat de belofte letterlijk aanduidde, totdat Jezus de Gezalfde in het vlees kwam; in Hem zagen ze alles letter­lijk, wezenlijk, volledig; in Hem het gezamenlijke, dat bij de enkelen slechts gedeeltelijk te voorschijn kwam. In Izak, Israël, David enz. zagen zij Christus worden; geworden zagen zij Hem en erkenden als zodanig Jezus de zoon van Jozef.”

Christus en Israël zijn één. Israël heeft profetisch vooruit beleefd wat later aan de Christus Israëls overkomen zou. Jezus leeft en sterft met het Oude Testament op Zijn lippen.

De wording van Jezus Christus is een wording des geloofs! Duidelijk is dit bij Abraham, en bij Izak herhaalt zich dat. „Terwijl Ismaël, de uitgeworpen, in de wereld in ieder op­zicht de voorrang handhaaft, heeft Izak een onvruchtbare huisvrouw; en de erfgenaam der belofte moet tegenover zijn vrouw gedurende twintig jaren hopen en wachten onder bidden, worstelen en smeken, dat hij de belofte, die hij heeft, ook verkreeg. Eindelijk, na lang, bang wachten, komt de ure der vervulling. Maar nu gaat het eerst recht tegen en door elkander. Rebecca baart twee zonen; wie zal daaruit wijs worden? De eerste, ja, die is het, die is prachtig en sterk, heeft zelfs een wonderteken; zie daar komt de tweede, met hand en hoofd tegelijk, en aan de reeds uitgekomene zich vasthoudende. Ach, aan de baarster der belofte is een baren beschoren, waarbij het leven der moeder en van Jacob groot gevaar loopt, een baren vol jammer en smarten, angst en doodsnood…. En op welk een weg komt de zegen aan de rechte erfgenaam, zodat de lichamelijke eerstgeboorte teniet gemaakt werd en Gods raad en doen zegepraalde? Was het soms een wonder, of de zonde in de gestalte des geloofs? Nee, het geloof der moeder en de gehoorzaamheid der jongere in de gestaltenis ener afschuwelijke leugen, in de gestaltenis van list en be­drog! En daarna moet de erfgenaam des zegens het rijke vaderhuis verlaten, en in de vreemde een heenkomen zoe­ken. Dat is de gewinning Jacobs van Ezau.”

De vertaler van dit werk voegde er in een noot bij een aan­tekening van Calvijn bij Gen. 27 : 5, die ik hierbij over­schrijf: “Maar indien wij nu naar de oorzaak van die zo grote ijver bij haar onderzoek doen, dan wordt ons haar uitnemend geloof openbaar. Want dat zij het waagde haar man uit te tarten, bittere vijandschap tussen de broeders te verwekken, haar beminde zoon Jacob aan een dadelijk doodsgevaar bloot te stellen, dit vloeide voorzeker alleen uit het geloof voort.”

Het is hier noch van Kohlbrugge, noch van Calvijn een goedpraten van de zonde. Het doen van Rebecca, van Thamar, van Rachab was zonde. Maar zij geloofden en door het geloof waren zij rechtvaardig. Het is de rechtvaar­diging van het geloof, die door Luther werd beleden met de woorden: „tegelijk zondaar en rechtvaardig.”

En lees dan die mooie bladzijden over David: „Een mens was hij, die zich door zijn lust liet inpakken; een koning, wie alles ten dienste stond en die zijn macht op een zoele dag misbruikte; een praktikus, zoals vlees is, dat alles liever van de baan ziet, dan dat de straf zijner schande aan de dag kome; een mens, die nam wat hem geluste en zijn God op de achtergrond terugdrong. En nu, als bij het genomen heeft, gaat hij daarheen, het spoor bijster en als dood, zonder rust, zonder blijdschap; niet bij de duivelen, want die mochten hem toch niet lijden; niet bij God, want het hart wilde niet breken en de vrouw was hem lief geworden. Ja, al het zichtbare mag hem tot walging geweest zijn, behalve de vrouw; maar die had de plaats ingenomen tussen hem en God, alzo ook daar gal in iedere kus. Daarbij stond hij nog hoog genoeg om een ander wegens echtbreuk ter dood te veroordelen, zonder te vermoeden dat hij de man was; zonder dan, als hem zijn misdaad in een gelijkenis wordt voorgehouden, tot zichzelf in te keren, zichzelf aan te klagen.... Alle vlees maakt het evenzo en wordt voor het aangezicht des Heeren en door de Heilige Geest over­tuigd, dat het overtreden heeft het Woord: „Gij zult niet begeren.” in zulk vlees heelt Hij, Die alleen heilig is, Zich niet geschaamd, noch gevreesd te zijn gekomen, in zulk vlees is God openbaar geworden. Het heeft Hem behaagd juist uit David en Bathseba de overvloedige rijkdom Zijner genade kond te doen; juist uit zulk een verbintenis wilde God Zijn Eerstgeborene op de meest plechtstatige wijze als Koning in de wereld inbrengen, opdat aan alle vlees de mond gestopt en Hij alleen als rechtvaardig erkend zij, en opdat zij, die Zijn gerechtigheid erkennen, in deze gerech­tigheid leven, in- en uitgang hebben en weide vinden mo­gen.”

En in vers 16 lezen we dan: “En Jacob gewon Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd de Gezalfde.” Volgens Kohlbrugge is in Mattheüs het geslachtsregister van Maria geschreven, en geeft Lukas dat van Jozef.2 Ook in de lijn van Jozef is Jezus de zoon van David, maar niet van Salomo, en daarom schrijft hij:

„Hier is inderdaad het onmogelijkste der onmogelijkheid. Deze Jacob, Matthans zoon, was namelijk de laatste kroon­erfgenaam Davids, en het rijks- en kroonrecht was, bij uit­sluiting aan zijn zaad verbonden. Dit zaad echter was een dochter. Gewis had deze dochter bij gebreke eens zoons des vaders rechten; maar de wettige troonopvolging bereik­te met haar een einde en met de hoop op de beloofde Da­vidszoon was het voorbij. Want al kon zij ook als erf dochter door huwing met een man uit de Stam baars vaders haar geslacht rechtsgeldig voortplanten, zo kon toch geen man op aarde haar de zoon verwekken, die de belofte had. Uit het lichaam, het zaad van de koning David, moest het zaad voortkomen, en dit was bij de stand der dingen on­mogelijk, of Maria moest zonder een man te kennen als maagd een zoon bekomen, die haar rechten, de troon zijns vaders David erfde en alzo over Jakob koning werd. Daar het echter naar de natuur een onmogelijkheid is, dat een maagd baart, zo was het met de belofte Gods, met de eed aan David gezworen, uit en voorbij, of de Allerhoogste moest Zelf tussenbeide komen.

Dat heeft Hij gedaan, en op een wijze gedaan, juist zoals Gods wijze en doen is.... God laat een mens geboren worden, zonder dat ook één enige ziet hoe dat toegaat; aan Zijn daden behoort men Hem waar te nemen, aan de wer­ken, die Hij gedaan heeft; en dat doet Hij, opdat men Zijn uitspraak gelove, doende wat Hij gezegd heeft; en wie Zijn genade gehoorzaamt, zal uit Zijn werken ervaren welke God hij heeft.”

En door Gods verborgen wijze van werken schijnt het alsof Jezus de zoon van Jozef is. Zo is het Woord vlees geworden.

Velen verstaan dit niet en van dezen zegt Kohlbrugge: „Daar maakt hij zich een Heiland en tweede God, om Hem tegen een eerste God te kunnen stellen, opdat hij zijn complimenten en plichtplegingen Hem brenge; daartoe huichelt hij zich een derde God voor, om met diens hulp zich van zijn tweede gemaakte God te ontdoen. Of hij demoniseert zich uit Jezus, ik weet niet wat voor een hemelman en uit de Heilige Geest een hersen- en gevoels­wezen; en zodoende, terwijl Gods zaligheid hem voor ogen ligt, ontdoet hij, vlees, stof en as, zichzelf van de troost des Heiligen Geestes. Is het waar, dat het Woord „vlees” werd, zo hebben we hier het getuigenis, hoe het vlees geworden is: vlees van vlees geboren; niet van een vleselijk reine ge­boorte, om quasi- erfzonde te bedekken, maar vlees zoals wij zijn, namelijk „niet Geest”, maar van God geheel en al ontvreemd, ontdaan, uit de heerlijkheid Gods uit; begrepen in geheel dezelfde verdoemenis, of eeuwige dood en vloek, waarin wij van onze geboorte aan zijn; overgegeven aan hem, die het geweld des doods heeft, dat is de duivel, even­als wij van huis uit. Zo is Hij voor ons geboren van een vrouw, en dit ons gehele wezen, met alle menselijke aan­doeningen, begeerten en behoeften, „zonde” voor ons ge­maakt, was Hij hier in gelijkheid van vlees van zonde in onze plaats.”


Juist deze plaats is nogal aangevallen en men heeft zelfs Kohlbrugge er van beschuldigd de zondeloosheid van Chris­tus te loochenen. In een preek over Lukas 2 blijkt duidelijk dat dit niet het geval is. ,,Hij was geen kind des toorns, zoals wij, daarom is Zijn moeder niet onrein geworden door Zijn geboorte, want zij heeft niet een kind des doods, maar de Vorst des levens voortgebracht; niet een kind des toorns en der ongerechtigheid heeft zij gebaard, maar het Woord, dat in den beginne was, dat bij God was, dat God was - het Woord vol van genade en waarheid. Wij hebben dus hier een heilige moeder en een heilig Kind; een heilige moeder, omdat zij niet onder de wet ontvangt en baart, maar onder genade; en een heilig Kind, omdat het van de moeder geen dood en verdoemenis erft, maar uit de moeder voortkomt als een Overwinnaar des doods en Uitdeler van alle zegen. En nochtans moet deze heilige moeder gereinigd worden, en dit heilige Kind met haar.”

Jezus werd niet een zondaar, maar God heeft Hem zonde voor ons gemaakt. Hij heeft onze schuld op Zich genomen en de straf gedragen en zo heeft Hij ons verlost.

Aan Ds. J. J. le Roy van Oude Tonge, die een toelichting o.m, op deze passage verzocht, schreef Kohlbrugge dan ook: „Moest God dat krediet terughebben? Ja, want anders kon Hij de wereld niet meer regeren, en niemand in Zijn Woord, waarin Hij alles geschapen en gesteld heeft en tot hetwelk Hij alles geschapen heeft, in eeuwig heil zetten bij Zich, want kan ik gelukkig zijn bij die, wie ik niet vertrouw? Maar wie moet God dat krediet wedergeven? Dat moet vlees doen, ik, gij; God noch de wet kunnen hier de verontschuldiging aannemen, dat wij nu vlees zijn; zo weinig als de belastingschuldige die zijn goed heeft opge­maakt zich excuseren kan; de ontvanger met de wet eert de belastingschuldige als onderdaan en kan de schuldenaar geenszins houden voor als betaald hebbende, of wij dus al vlees zijn, God eert ons als Zijn maaksel: en zo zijn wij ge­houden in Hem, in Zijn wet en gebod en schuldig Hem te geloven zonder acht te geven op goed of kwaad en zonder er naar te vragen.”

Maar God heeft Zijn Zoon gezonden en van Hem zegt Kohlbrugge dan in deze brief:

„Toen Hij niet was, wat Hij was, moor was wat wij waren, voor ons, handhaafde Hij op het Woord af wat Hij was, en op dat Woord deed God alles door Hem, God was met Hem, liet dadelijk komen, wat Hij zeide en heeft Hem ook uit doden opgewekt, heeft Hem ere gegeven en een Naam boven alle namen.”

En dan komt die prachtige bladzijde bij vers 19 over Jozef, die Maria wil verlaten. En waarin bestaat dan de rechtvaar­digheid van Jozef? Vraagt Kohlbrugge zich af. „Maar dit is de gerechtigheid van Jozef. Hij heeft bij zichzelf gedacht, zij is een zuster, een vrome maagd; maar - zij heeft echt­breuk bedreven, en in plaats van te bekennen verhaalt zij mij wondergeschiedenissen om haar gedrag te bemantelen: maar ik, wie ben ik, waar de wet zegt: „gij zult niet bege­ren.” Ook ik had van dezelfde overtreding overvallen kun­nen zijn. Wat zal ik haar dus oordelen, en mij wreken. De genade heeft aan mij toch geen andere, waar zelfs de vluch­tige blik, waar de blote wens naar een vreemde een oproerig gedrag is tegen Gods ordening, die wil, dat een ieder het zijne heeft. Want dat is gerechtigheid voor God, dat men bekent, wie men is en hoe men zich kent - een mens geheel en al, en zich niet boven zijn naaste verheft. De mens is echter zo gesteld, dat hij, wanneer van echtbreuk en derge­lijke sprake is, dadelijk in de weer is om uit te roepen: „nu zie toch eens die zondaar, die huichelaar, helpt hem uit ons midden weg”, en voor het aangezicht van Hem, Die ogen heeft als vuurvlammen, moet zodanige schare van heiligen van de oudste tot de jongste zich van echtbreuk overtuigd zien. Daar leven zij met eerbare vrouwen, nemen boven an­deren de schijn aan als waren zij engelen; en als God een uit hun midden neemt, aan wie het openbaar zal worden wie zij zijn, dan verdoemen zij hem vol ijver ter dood, als konden zij God wijs maken, dat deze handhaving der wet een bewijs was, dat zij daarvan rein waren. O, gij farizese ziel, leer uit het Evangelie, wie een rechtvaardig man is niet wie anderen reinheid voorspreekt en zelf beeft van begeerte, maar wie hun zegt: zo ben ik, zo zijt gij, en zo staat het met de genade. Slechts de liefde weet barmhartig te zijn, want zij is geboren in de afgrond van het zelf ver­loren zijn: zulk een liefde oordeelt slechts en verdoemt zichzelf, maar predikt aflaat aan hoeren, echtbrekers en tollenaren, want slechts zulken vatten iets van de barm­hartigheid.

Daarom dan gij verloren ziel, dat ik het u in Gods Naam zeg, en al moge het duizendmaal erger verleren zijn, ik predik u nochtans aflaat, en alleen aflaat en opnieuw af­laat; en dat doe ik, omdat God mij als een in de grond ver­dorvene en verlorene aangenomen heeft....”

Maar men leze dit stuk verder in zijn geheel.


En men leze weer eens hoe praktikaal, ontdaan van alle bespiegelingen Kohlbrugge predikt als hij zegt: „Deze zal Zijn volk redden van hun zonden. Daarmede is nu aange­duid, wat Zijn volk is, namelijk wat zonden heeft, niet vreemde, maar eigene, hun zonden. Er staat niet: één zonde, maar zonden. De engel geeft dus hier een kenteken op, waaraan men weten kan of men tot Zijn volk behoort, namelijk als men zonden heeft: niet zonden, die men God of Adam, de duivel of het lichaam, het hart of de omstan­digheden ten laste legt, maar zonden, die men zelf in eigen persoon doet, gelijk ook David zegde: ik, ik heb gezondigd.”

En tenslotte schrijft Kohlbrugge:

„Jezus noemt hij het Kind. In het Hebreeuws is Jezus Eén, Die ruimte maakt. In de eerste dagen Zijns vleses maakte Hij voer de mensen ruimte in de herberg, dat zij op hun peluwen bleven, en Hij lag in een stenen trog te midden van het vee.... Aan het einde van de dagen Zijns vleses gaf Hij Zijn lichaam over, en liet Zijn bloed vergieten voor velen, en Hij werd onder de kwaaddoeners en moorde­naars gerekend. Dat is van diegenen geschied, die dagelijks riepen: Ach, dat de hulp uit Sion kwame.

Gij vrome, erken nu, Wiens de gerechtigheid is. Werk niet, maar geloof in Hem, Die goddelozen in gerechtigheid doet leven.

Gij goddeloze, met wie het uit is, die echter in een reine betrekking tot de wet wenst te zijn: als de Schrift zegt, dat zij de goddeloze niet rechtvaardig spreekt, zo leer, dat zij nochtans doet en kom herwaarts.”

We willen het hierbij laten, wat Mattheüs 1 aangaat. Het is een troostvolle overdenking voor zondaren en geheel in de lijn van Kohlbrugges prediking.


Helaas moesten we ons beperken, maar dat is wel goed. Des te gauwer komt u er toe om Kohlbrugge zelf te lezen. Ik wil nu nog enkele stukjes hier weergeven, om u nog­maals een idee te geven wat Kohlbrugge in zijn prediking eigenlijk beoogde.

In een predicatie over vraag en antwoord 45 van de Heidel­berger (het nut van Christus opstanding), zegt hij in dit verband (bij het tweede gedeelte van het antwoord):

„.... ten andere worden wij ook door Zijn kracht opge­wekt tot een nieuw leven. Dat is echter een zwaar stuk. Er is een oud leven, dat is het leven in Adam. Wie geen nieuw leven ontvangt, die is des doods. Het oude leven wordt echter een mens ontnomen in de opstanding, in de wedergeboorte; dan ontvangt hij een nieuw leven, en heeft hij dit nieuwe leven ontvangen, dan gaat het hem, als wan­neer een mens jong is, dan is hij blijde, fris, vrolijk, terwijl hij oud zijnde, zwak en krom is, en nauwelijks zijn handen kan gebruiken. Het nieuwe leven nu ligt in Christus, zodat men het niet ziet, en is het oude leven ook voor het oog des geloofs weg, het is nochtans aanwezig en wil het nieuwe leven boven het hoofd groeien en het verstikken, en dat gelukt het maar al te zeer, want wij zijn nu eenmaal door het zichtbare gans en al gevangen genomen. Zo kan het niet anders, of een mens, al heeft hij ook het nieuwe leven ontvangen, zou toch door het oude leven overweldigd wor­den, zou omkomen en het nieuwe leven verliezen, indien niet de Heere Jezus machtig ware om voortdurend het nieuwe leven niet alleen te onderhouden, maar ook voort­durend als uit de dood te voorschijn te roepen. Ja, zo is het naar de ervaring. O, wanneer wij een valse leer aanhangen, dan kunnen wij allen geestelijk levend zijn, dan kunnen wij onszelf ook levend maken; men heeft zo allerlei mid­delen daartoe. Maar waar het in de ziel waarheid is, daar blijft het ook waar, dat God het Zijn beminden als in de slaap geeft, dat de Heere eeuwig voor de Zijnen waakt, en daar doet Hij nog, zoals Hij deed in Gethsémané, toen de discipelen sliepen: Hij bad en wekte hun op uit hun slaap. Vandaar, dat geen kind Gods te enige dage roem voor zichzelf heeft, maar de Heere is gekomen en heeft gezegd: Sta op uit de doden, en de mens gaat en doet wat hij niet had willen doen, hij zou een andere weg gekozen hebben, maar hij gaat en doet Gods wil. Zo is het onze wil, maar het blijkt, dat het Gods wil en niet onze wil, niet de wil van ons vlees, ook niet van ons vrome vlees is. Veel ge­makkelijker kan men uit harde doornen lieflijke bloemen te voorschijn roepen, dan dat een kind Gods een daad doet, die in God gedaan is. Dat is een voortdurend scheppen en in het aanzijn roepen als uit de doden. De klem is er, het zaad is er, het zaad van het onvergankelijke Woord, maar zal er vrucht gedragen worden, zal er iets in gerechtigheid geschieden, zo moet er kracht van boven komen, kracht uit de opstanding Christi, en dit is de kracht, die opwekt tot een nieuw leven.

Deze waarheid moeten wij vasthouden, dan weten wij, waaraan wij ons hebben te houden, wanneer voortdurend ons alles ontzonken is. De leer, dat de mens na de weder­geboorte iets kan en vermag, voert tenslotte slechts tot huichelarij of tot wanhoop. Maar de belijdenis, dat wij midden in de dood liggen, drijft tot het ootmoedig gebed: Heere, maak mij levend door Uw Woord. En dit behoudt in het leven; de Heere komt en verheerlijkt aan een dode Zijn wonderbare macht, zodat een mens gelooft, al ziet hij niets dan het tegendeel. Dat is schoon uitgedrukt in Rom. 6 : 5: Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding, want in de praktijk worden wij gebracht tot dezelfde dood, zodat alle macht ons ontnomen wordt, zodat er overblijft een zuchtend schepsel, dat roept vanwege zijn dood, ja in het geheel niet meer roept, maar neerligt en dood is. De Heere Jezus wacht niet naar ons, maar wanneer Hij iemand in het leven wil behouden, dan neemt Hij hem als het ware bij de haren en zet hem hier of daar neer, en vraagt naar de gehele wereld niets. Of er kracht is of geen kracht, of er geloof is of niet, de Heere kent de Zijnen. Daar is een gebroken riet, Hij neemt het in Zijn hand, en met dit gebroken riet licht Hij de wereld uit haar voegen,

(Amsterdamsch Zondagsblad, V, blz. 118)
Op 10 januari 1858 preekte Kohlbrugge over 1 Timothéüs 1 : 8: „Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt.”

Hij begint dan met te zeggen: „Ik bid een iegelijk bij de overweging dezer woorden, ze op zichzelf toe te passen en niet aan anderen te denken.” Ook nu dus is Kohlbrugge, zoals altijd in zijn prediking praktikaal. Na gezegd te heb­ben, dat er een natuurlijke wetskennis is, en één, die door genade in ons hart geschreven is, zegt hij:

„Nu doet men echter in zijn vrees niets anders dan de wet Gods misbruiken; want in het hart is pure vijandschap tegen de wet. Zo ligt men dan met deze wet voortdurend overhoop, want men kan de wet Gods niet gunstig gezind zijn, omdat zij steeds tegen onze begeerten ingaat; en toch neemt men haar ter hand, of omdat men daarvan iets ver­wacht, of uit vrees, denkende: God straft mij, als ik dit en dat niet doe; Hij straft mij aan vrouw en kind, aan geld en goed, aan huis en hof; ik word niet zalig, kom niet in de hemel. Zulke vrees nu veroorzaakt enkel verkeerdheid en huichelarij, en hoogmoed bovendien..., men wil de wet houden om de straf te ontgaan.

Fijner wordt de zaak, wanneer men het doet om loon. Wel belooft de wet anders niets, maar dit is toch waar: die haar gehouden heeft, zal leven. Nu zoekt men het leven in het houden der wet; men wordt een christen, wordt bekeerd, niet echter tot God bekeerd, maar tot zichzelf. De zaak is echter zeer fijn gesponnen, en lang kan hij, die in waarheid dient, met hem, die om loon dient, samengaan, totdat waarheid en leugen openbaar worden.

Dat alles ligt niet aan de wet, maar aan ons. Niemand kan uit zichzelf God liefhebben, eren en vrezen. Er is niets dan vijandschap, vijandschap jegens God en jegens de naaste. Nu zegt de een of ander: ik kan Gods gebod niet houden. Welnu, wie heeft dat van u geëist? God eist van u, dat ge tot Hem komt en belijdt: ik heb de handen verbrand en kan niet werken; ik heb de voeten verbrand en kan niet lopen, ik heb mij de ogen uitgestoken zodat ik niet kan zien; ik heb mijn hart verhard en kan het niet vertederen. Maar geen mens komt er in waarheid uit zichzelf toe, dit te be­lijden, maar hij is als een vat, waarin de goddeloosheid is, hetwelk door twee vrouwen, t.w. vrees en zucht naar loon, tussen hemel en aarde gedragen en naar Babel gevoerd wordt.... Geen mens op de ganse aardbodem, geen mens is in staat Gods gebod te houden. Alles in de mens is daar­tegen, alles is verkeerd. Maar wie ziet het? Wie belijdt het? Wie gelooft het? Alleen die onder de tucht des Heiligen Geestes staat. Hij komt voor God met de belijdenis, dat hij, hijzelf, iedere dag zevenmaal valt, dat zijn ganse doen en denken niets is dan overtreding van het heilige gebod; hij belijdt voor God met een verbrijzeld hart, dat hij op één dag zevenmaal doodgeslagen, overspel bedreven en gestolen heeft, en roept om ontferming. Nu dan, wanneer geen mens Gods wet houden kan noch wil, en alles vijandschap tegen haar is, zullen wij haar dan opheffen? Neen, wij zullen haar wel laten staan. God zal Zijn wet handhaven

Nu komt het rechte gebruik der wet:

God geeft Zijn uitverkorenen een waarachtige belijdenis, zodat zij slechts hun zonde zien en niet de zonde van anderen; zij liggen voor Gods rechterstoel en kennen maar één zondaar, dat zijn zij zelf.... en daarmede komen zij tot God. De wet drijft dezulken om de toevlucht te ne­men tot ontferming; zij geven Christus de wet in handen, om Zijn heilige wil en raad te volbrengen. Zij leggen de heilige wet uit hun handen en geven haar over aan de Enige, opdat Hij het doe. God houdt niet op met Zijn wet te komen, totdat Hij de Zijnen gelukkig gemaakt heeft in God begint met de barmhartigheid; dat leert Hij de Zijnen eerst. Hij geeft een week hart, neemt het stenen hart weg en geeft een vlesen hart, dat met de olie der barmhartig­heid voortdurend in het leven moet gehouden worden en gehouden wordt.

Nu vraag ik alleen naar zulk een barm­hartigheid, waaruit beide, de ere Gods en des naasten nut en voordeel ontspruit. Maar waar blijf ik dan?

Ja, dat is het juist. Komt het ik er tussen, dan is alles verkeerd. Ge­lukkig hij, die het op zichzelf toepast, dat alles verkeerd is, als ik het ik er tussen komt. Voorwaar, als ik mij houd aan Gods eer en des naasten nut, dan zal ik niet bedrogen uitkomen.... En zolang ik leef, zal ik niet moede worden, om aan alle armen en ellendigen van deze barmhartigheid te getuigen, en mij niet bekommeren om de ondankbaar­heid en verkeerdheid des mensen.”

Tot zover Kohlbrugge over dit Schriftwoord.


Hieruit blijkt weer eens zeer duidelijk het tweeërlei gebruik van de wet, dat hij leert. In een volgend stukje vinden we het weer op een andere manier gezegd. Ook hier wijst Kohlbrugge er met nadruk op, dat wij ons zelf niet kunnen heiligen, hoewel hij zeer beslist geen vrijbrief geeft om nu er maar op los te zondigen. Het staat in een preek over 2 Kor. 5 : 17, en ook nu vond ik het in het Amsterdams Zondagsblad (Jaargang V, no. 32; het vorige no. 37, 38).

„Maar, zegt de apostel, het oude is voorbij gegaan, ziet het is alles nieuw geworden. Wil hij daarmee zeg­gen: nu zijn wij volmaakt? Nee, maar dit: alles is voor u klaar en gereed. Wat is dan klaar en gereed? De Geest der heiligmaking, Die is voor u verworven, de kracht is verworven, oprechtheid, waarheid, gerechtigheid is verwor­ven, het is er. Gelijk nu de apostel de Korinthiërs, zo zou ik u door de prediking gaarne daarheen willen brengen, dat gij verstaat, wat gij verliest, en begrijpt, wat voor u verworven Is, opdat deze stukken bij ons waar zijn: dat wij in de eerste plaats in ware ootmoed voor de Heere wan­delen, dat wij voor Hem blijven arm, ellendig en verbroken; dat de dief een dief blijve, maar in het leven eerlijk zij ; dat de hoereerder een hoereerder zij voor Gods wet, maar in het openbaar en verborgen zich kuis gedrage; dat hij, die spoedig in drift ontsteekt, zich te allen tijde voor de Heere verootmoedige vanwege zijn drift, maar onder de mensen zachtmoedig zij als een lam; dat hij, die deze of die bij­zondere zonden heeft - ieder weet zelf het best waar hem de schoen wringt - begrijpe en versta: ik mag het niet met een Evangelie bepleisteren, maar, daar er in mij geen kracht is, en ik slechts het oude in mij bevind, moet ik tot U gaan en roepen: Mijn Man en mijn Bruidegom; mijn Heere en mijn God, dat het toch waar zij wat Gij gezegd hebt. Dan komt wat de engelen zongen in de nacht: Vrede op aarde.”


Nu nog twee kleine stukjes:

„Zo had dan de kamerling teken en zegel, dat begraven was in de dood van Christus zijn gehele oude mens; hij had teken en zegel, dat hij op zichzelf wel niet was veranderd - hij had nog de oude zwarte huid - doch dat hij voor God stond als een nieuwe mens; hij heeft de feestklederen, de wisselklederen van Jezus ontvangen, en heeft de priester­lijke hoed op. Is het nu zeker, dat Christus is opgestaan, dan kunnen dood en duivel en graf mij niet meer houden, want wat Hij is opgestaan, dat is Hij Gode opgestaan, en Hij heeft het voor mij gedaan; Hij leeft, en is mijn Voor­spraak in de hemel; Hij geeft genadiglijk Zijn Heilige Geest, en Deze zal mij leren en leiden, opdat u dit ellendig leven, hoewel onrein, nochtans rein doorkome.”

En tenslotte:

„Kentekenen van genade ziet het arglistige hart in ver­meende vordering in de heiligmaking, maar daar men slechts de kreeftengang waarneemt, zo wordt de genade terzijde gesteld en de mens sluit de deur tot de eeuwige vreugde en tot de vrijheid van zonde en ongerechtigheid voor zichzelf toe met een „indien, dan”, - indien ik de zonde niet meer doe, indien ik tot de rechtvaardigheid zal gekomen zijn, dan zal ik vrijmoedigheid hebben om op genade te hopen en om te geloven, dat de genade er ook voor mij is -. Zó gaat het velen, en met dat al is er een vleselijke rust, alsof men zalig kon worden, zonder voor God, met betrekking tot Zijn eeuwiggeldende wet, zó te staan gelijk het behoort. En met een in slaap gewiegd ge­weten droomt men van een genade, waarvan men telkens, als men door het Woord wordt wakker geschud, wel gevoelt, dat men haar in waarheid niet deelachtig is.”


En met deze ernstige waarschuwing van Kohlbrugge willen we dit hoofdstuk besluiten. Het wordt tijd, dat we het ver­haal van zijn levensloop weer voortzetten, om daarna terug te komen op het werk van de Heilige Geest.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


Dovnload 460.74 Kb.