Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De goddeloze gerechtvaardigd

Dovnload 460.74 Kb.

De goddeloze gerechtvaardigd



Pagina8/12
Datum28.10.2017
Grootte460.74 Kb.

Dovnload 460.74 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

7. OPNIEUW NAAR ELBERFELD

Op de 14e augustus 1845 verliet Kohlbrugge op medisch advies Nederland om in Godesberg herstel van krachten te zoeken. Ook zijn vrouw en zijn toen tienjarige dochter Anna reisden mee. Zijn vrouw schreef enkele maanden later in een brief: „Ik bad, ik smeekte, ik worstelde om een klein vissersdorp, en het behaagde de Heere mij niet te horen. Zo verliet ik het vaderland, volgde blind, met ge­wonde ziel, in de diepte van mijn hart klonk het: de Heere heeft mij niet verhoord.”


Al spoedig is ook in Godesberg Kohlbrugge druk bezig. Oude vrienden, waaronder de gebroeders Von der Heydt uit Elberfeld, zochten hem op, zodat er vaak ‘s zondags een vergadering van twintig personen onder zijn gehoor was. Zijn drukke briefwisseling zet hij voort en bovendien schrijft hij daar zijn boek, waar we hierboven al over schreven „Waartoe het Oude Testament.” Bovendien schrijft hij er een verhandeling over Psalm 50 en het frag­ment van een Catechismus voor zijn vrienden om tot onderwijs van hun kinderen en ter eigen lering te strekken. En dat alles met zijn slechte ogen. Hij kon slechts door één oog zien, en dat nog maar zwak. Op verzoek van de ge­broeders Karl en Daniël von der Heydt komt dan Kohlbrugge in 1846 naar Elberfeld. Voordien is hij naar Neder­land gegaan om daar de nodige voorbereidingen voor zijn vertrek te nemen. Na hier afscheid genomen te hebben, vertrok Kohlbrugge met zijn gezin op 4 juni met de dili­gence uit Nijmegen over Kleef naar Elberfeld.
Om te begrijpen wat nu volgt, dienen we eerst de toestand van de Gereformeerde Gemeente daar wat nader te bezien. In 1835 moest ook in het Wupperdal de Agenda ingevoerd worden Kerkrechtelijk bezien, betekende dat een grote inmenging van de koning door middel van de door hem in­gestelde besturen en personen in het bestuur van de kerk. Bovendien nog een rooms aandoende liturgie.

Vooral Gottfried Daniël Krummacher heeft hiertegen fel geprotesteerd. Hij zei zelfs tegen de opperste ambtenaar in de Rijnprovincie: „Ik ben de onderdanigste onderdaan van Zijne Majesteit in alle dingen, die het lichamelijk leven betreffen. Maar wil de koning gebiedend ingrijpen in de kerkelijke en geestelijke aangelegenheden, dan is hij mij een voorwerp van de diepste afkeer.”

De commissaris van de koning, „bisschop” Ross, wist het verzet van de predi­kanten te breken door te eisen de godsdienstoefeningen te houden volgens de kleine Agenda, of anders te worden afgezet. Ook de ,,oude” Krummacher gaf toe. Volgens Klug­kist Hesse, die deze geschiedenis uitvoerig beschrijft, was hij ernstig ziek en daardoor was zijn weerstandsvermogen verzwakt.

Uit eerbied voor de allerhoogste kabinetsorder en in ver­trouwen op de verzekeringen, die door de commissaris van de koning, bisschop Ross, aan enkele leden van het kollege zijn gegeven, verder alle gegeven omstandigheden in aan­merking nemende”, kwam men op stille zaterdag „met eni­ge tegenzin tot het besluit, het in de Agenda vervatte kleine uittreksel uit de liturgie niet ingang van Pasen in te voe­ren.” De gehele Agenda in te voeren, zou in Elberfeld on­mogelijk zijn geweest. Ik vond in Van Lonkhuijzen de vol­gende bezwaren, door de Berlijnse predikanten er tegen ingebracht. Ze spreken voor zichzelf.

„De Agenda bevat te veel liturgie, de geestelijke en het koor zijn bijna alleen werkzaam in eentonige herhaling, gelijk bij de roomse mis; het vrije gebed is buitengesloten; de preek mag niet langer dan een half uur duren; bij strenge winterkoude behoeft slechts de liturgie gelezen te worden. De Agenda is geheel naar oud- katholieke en lutherse voorbeelden gemaakt. De landsheer wordt er in aangeduid als de opperste bisschop terwijl ook de geestelijken worden verplicht, Indien zij weten dat er iets tegen de staat wordt ondernomen, daarvan kennis te geven. De Agenda is uit­gegaan van het Kabinet des Konings en niet van de kerke­lijke vergaderingen.”
Nadat in 1837 Gottfried Daniël Krummacher gestorven was, voelden mannen als de Von der Heydts en hun vrienden zich in de kerk niet meer thuis. Langzamerhand verlieten zo’n 38 man de oude gemeente. Kohlbrugge heeft met Elberfeld steeds contact gehouden. Reeds in 1835 schreef hij: „Een onuitsprekelijke smart en grievende droefheid heeft mijn ziel zó ingenomen, dat zij mij in mijn slaap zelfs niet begeeft, sedert ik van alles nauwkeurig onderricht ben wat er in Pruisen met de Alten­den omgaat, en hoe dezelve ook in Elberfeld aangenomen zijn, en door de Krummachers afgelezen werden. Evenwel, de Heere regeert en Hij ontfermt Zich over Zijn Sion, en laat het meer en meer openbaar worden dat vlees vléés is, en Hij alleen God, Die mij tevens ook in dit smartelijke bevestigd heeft, dat ik in Zijn Naam gesproken heb toen ik die van Elberfeld en het Wupperdal heb moeten aan­kondigen wat nu geschied is.”
In 1838 heeft Kohlbrugge te Düsseldorf, waar hij voor zijn gezondheid heen gereisd was, opnieuw contact met enkele Eiberfeldse vrienden gehad. In 1846 schreven deze vrienden hem, dat zij hem tot hun leraar begeerden. Zo verhuist Kohlbrugge naar Elberfeld. Hij zegt 25 jaar later over hen het volgende: „Te Elberfeld aangekomen, trof ik in kerkelijk opzicht een treurige toestand aan. Let op, jonge mensen! uw ouders gingen niet meer naar de kerk, want de Agenda, zij het ook slechts de kleine, was ingevoerd. Ja, velen werkten zelfs op zondag, en omdat zij de ware prediking van Gods Woord niet hadden, was er ook allerlei strijd en ontwrichting. De één had deze vreem­de opvatting, de ander die Dat was verschrikkelijk.. “

De zondag na Pinksteren begon Kohlbrugge zijn arbeid door in zijn eigen huis te preken. Er waren 35 personen aanwezig. Er werd niet gezongen. Met een twintigtal kin­deren begon hij in de week zijn catechisaties. In de stad kwam grote opwinding; men noemde de aanhangers van Kohlbrugge de „koolboeren.” Zelf schreef hij aan een Ne­derlandse vriend: „Van Elberfeld zou ik moeten schrijven: kom en zie! Een algemene ontvlamming in het dal en op de bergen, een machtige oprakeling van onder de as. De mensen spreken over die twaalf jaar, dat ik weg was, alsof zij mij gisteren nog gezien hadden. Ik spreek des zondags tweemaal, begin deze week de catechisatie met circa twin­tig kinderen, en word overlopen van visites.”


Spoedig kwamen er meerderen die hem beluisteren wilden. We lezen van Kohlbrugges hand: „Men betwist elkander de ingang. Honderden worden weggezonden. Men komt van verre....” in de zaal van zijn huis zaten wel 140 mensen, behalve zij, die op de trap en in de gang zaten. „Wie eens geweest was, kwam terug.”

Elke opzettelijke afzondering werd door Kohlbrugge ver­meden. Ieder mocht binnen komen, zodat zelfs wel de pre­dikanten der Hervormde Gemeente kwamen luisteren. Hij had dan ook met hen een goed, broederlijk contact. Ook heeft hij zeer beslist uitgesproken, dat hij het als zijn taak beschouwde, de bezwaarden tot de gemeente terug te voe­ren. Van kerkelijke zijde verklaarde men dan ook, geen bezwaren tegen de godsdienstoefeningen in zijn huis te hebben. Op aandrang van de predikanten stelde Kohlbrugge zelfs de aanvangstijden van zijn godsdienstoefeningen van 10 op 11 uur, en ‘s avonds van 6 op 7 uur, als de andere kerk uit was. Men huurde een grote zaal met meer dan 400 zitplaatsen. „Deze staat in de morgenpreken vol, en de aandacht waarmede alles aangehoord wordt, gaat boven alle beschrijving. Van dag tot dag hoor ik van overwonnen vijandschap.” Met een enkel lied er tussen door, werden weer de oude Psalmen gezongen. Ook in Berlijn scheen men zeer welwillend tegenover Kohlbrugge te staan. De Von der Heydts waren aan het hof zeer gezien en hadden daar goede relaties.


Dat Kohlbrugge beslist niet aan afscheiding dacht, blijkt overtuigend uit zijn verzoek, gedaan op 2 november 1846 aan het eerwaardig presbyterium te Elberfeld, om in de Hervormde Gemeente te mogen worden opgenomen. Hij schreef:

„Genade, barmhartigheid, vrede van God de Vader en van Jezus Christus, de Zoon des Vaders. Aangezien de onderge­tekende niet alleen uit overtuiging, maar ook door onder­wijzing van God de Hervormde leer, volgens haar belijdenis­geschriften, van harte toegedaan is, ook geen andere leer wil of leert, spreekt hij hierdoor, onder voorbehoud dat de intrede in de gemeente hem aan niets bindt wat in de eredienst of kerkorde in strijd is met de Hervormde belijde­nis, met name niet aan de Landsagenda, de wens uit, dat het een eerwaardig presbyterium moge behagen, hem in broederlijke liefde op te nemen onder het getal van haar gemeenteleden. Met broederlijke groet in de gemeenschap van Jezus Christus, de dienstwillige dienaar van een eer­waardig presbyterium, H. F. Kohlbrugge, theologiae doctor.”

Het presbyterium ging op deze aanvraag in. Men nodigde Kohlbrugge uit tot een samenspreking in het armenhuis der gemeente, waar twee predikanten en twee ouderlingen een nader gesprek met Kohlbrugge zouden hebben over zijn leer. De volgende dag wensten ook de andere (twee) predi­kanten bij het onderhoud aanwezig te zijn, waarin Kohlbrugge toestemde. Aanwezig waren met Kohlbrugge de predikanten Ds. Bali, Kohl, Friedrich Wilhelm Krummacher en Künzel en de ouderlingen P. J. Hoeker en Karl vom Dorp.

Men begon samen te lezen Johannes 17, het hogepriesterlijk gebed, waarin Christus bidt voor de eenheid van Zijn kin­deren. Daarop werd gebeden. „In ons gebed begeerden wij vurig ons met de te voltrekken handeling te stellen voor het aangezicht van onze allerheiligste Hogepriester, het enig Hoofd en Opziener van Zijn gemeenten, en vooral on­der de zegen van Zijn hogepriesterlijk gebed.”

Hierna begon het gesprek. Men verlangde van Kohlbrugge eerst instemming met de belijdenis van de Evangelisch Reformierte Gemeinde, dat is de Heidelbergse Catechismus. Daarna begon een gesprek over de leer van Kohlbrugge.

In de eerste plaats sprak men, nadat Kohlbrugge zich gaarne bereid verklaarde alle verkeerde opvattingen van zijn leer de wortel af te snijden door een onomwonden getuigenis over de leer aangaande de wet en haar betrekking tot het nieuwe leven der wedergeborene, dit om alle anti­nomiaanse dwaling af te weren.

Uit het verslag van het godsdienstgesprek blijkt, „dat Dr. Kohlbrugge de wet niet alleen erkende als tuchtmeester tot Christus, maar ook als de door God Zelf door de Heilige Geest in de harten der gelovigen gegeven wet, en derhalve als richtsnoer van het nieuwe leven der wedergeborenen. Hij erkende het genadewerk van God niet alleen in een verandering van de verhouding van God tot de zondaar en van de zondaar tot God, maar eveneens in de verande­ring, die in de met de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof onafscheidelijke wedergeboorte in het hart van de begenadigde plaats heeft.”

Ook het derde deel van de Catechismus nam Kohlbrugge volledig voor zijn rekening, vooral ook de vragen 86 en 114.

Het tweede punt ging over de heilige, zondeloze mensheid van Christus. De discussie werd hier zeer fel.

Kohlbrugge zegt: „Driemaal brak het gesprek af, maar God knoopte het weer aan.” Klugkist Hesse beschrijft het aldus: „Kohlbrugge verklaarde, dat hij het vlees, waarin de Zoon van God was gekomen, erkende als de ware menselijke natuur, gelijk wij die thans deelachtig zijn; echter zo, dat Christus niet alleen zonder dadelijke zonde in gedachte, woord of werk, maar ook eenvoudig zonder de geringste kiem of de verborgenste beweging van afval van God was.

„Kohlbrugge is dus beslist tegen de opvatting dat Zijn mensheid geen heilige mensheid zou zijn. Natuurlijk kwam toen een op­merking over zijn boek Mattheus 1. Waarschijnlijk afkom­stig van de jonge Krummacher die Kohlbrugge ook hierin niet begrepen heeft m.i. Kohlbrugge heeft alle misvattingen dienaangaande bestreden. Aan alle onduidelijkheid werd een einde gemaakt en hij zegde toe alle aanleiding te zul­len benutten om aanstoot, die hij gegeven zou kunnen hebben, weg te nemen.

Klugkist Hesse merkt op: „Heeft Kohlbrugge zich tot deze tegemoetkomende verklaring over zijn leer, die hij zelf met zijn handtekening bekrachtigd heeft, laten brengen onder invloed van gehaalde stemmingen? Zou hij ze onder andere omstandigheden niet van enkele beperkingen hebben voor­zien? Wij kunnen dat niet uitmaken. Ook hij heeft geweten dat het geen gemakkelijke taak is aan de inhoud van het Evangelie met ons nadenken recht te laten wedervaren. Onze taal is al te arm om de heilige geheimenissen der Schrift zó onder woorden te brengen, dat nooit ofte nimmer een misverstand ontstaat. Wij dragen ook de schat van de leer onzes Gods in aarden vaten en ook de beste theologie blijft blootgesteld aan dwalingen en gebreken.... Het blijft een werken en worstelen, een levenslang zich inspannen over God en Jezus Christus en de openbaring zonder gebrek en dwaling te spreken. Dat heeft ook Kohlbrfigge geweten, en ook hij heeft zich ingespannen de zuivere leer zo zuiver mogelijk tot uitdrukking te brengen.”

(Kerkblaadje LII, 17, blz. 132)
Om de eenheid der gemeente te bewaren is Kohlbrugge zo veel mogelijk aan alle bezwaren tegemoet gekomen. Over de kerk en de sacramenten en het goed recht van de kin­derdoop was men het spoedig eens. Kohlbrugge vertelde over zijn moeilijkheden in Nederland. Hij was van de kerk vervreemd, maar buiten zijn toedoen. Daarom had hij ook verzocht in de gemeente te mogen worden opgenomen. Zijn tweede huwelijk had hij kerkelijk willen laten inzegenen, maar een bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig predikant had op zijn dringende uitnodiging niet eens een zegenend gebed willen houden, Hij had toen met een be­droefd hart zich genoodzaakt gezien zelf een zegen van de Heere over zijn huwelijk af te smeken.

De slotwoorden van het door Ds. Bali geschreven verslag luiden dan ook:

„Na deze in hartelijke, broederlijke liefde gevoerde bespre­kingen verklaarden de aanwezige predikanten en ouderlin­gen der gemeente eenstemmig, dat bij hen ook niet het minste bezwaar meer bestond, de hartelijk geliefde, in de gemeenschap van Jezus Christus met hen innig verbonden broeder in de gemeenschap van onze gemeente op te nemen. Daarom werden hem voor het aangezicht des Heeren de vragen voorgelegd, die voorgeschreven zijn in het formulier voor de opnamen van volwassenen in de gemeente, en op de bevestigende beantwoording daarvan werd hij in de Naam des Heeren, de enige Opziener en Hoofd van Zijn gemeente, opgenomen in de gemeenschap van de christelijke, naar Gods Woord hervormde kerk. Toen hem de hand der ge­meenschap werd toegereikt, brak hij in de diepe bewogen­heid zijns harten uit in een vurig gebed, dat door ons aller amen bezegeld werd. De Heere was in ons midden, daar­van zijn wij getuigen.”
Ook zijn vrouw, die een attestatie kon overleggen van de kerkenraad der Hervormde gemeente te Nijmegen, werd als lidmate opgenomen in de gemeente van Elberfeld.

In Elberfeld heerste grote blijdschap. Volgens mededelingen van Kohlbrugge zelf, was de volgende zondag bij Friedrich Wilhelm Krummacher de kerk propvol en deze predikant zei: „Geliefde gemeente, verblijd u, gij hebt een goed werk gedaan. Gij hebt de man Gods, die 17 jaar werd onder­drukt en vervolgd, deze week in uw huis opgenomen.”


Dan komt echter een zeer verwarde tijd. Wat er precies gebeurt, zal wel nooit opgehelderd worden De predikanten schijnen beloofd te hebben te proberen zich met hem van de Agenda los te maken, eventueel met losmaking van het kerkverband, en Kohlbrugge een vijfde predikants­plaats te geven. Dan zouden ook alle bezwaren van de vrienden Von der Heydt en anderen volkomen zijn opgelost. Nu ging het ministerie (de predikanten dus) van hem eisen, dat hij de Agenda zou aanvaarden en zijn bijeenkomsten zou staken. De kerkenraad besloot dan ook op 11 december Kohlbrugge aan te zeggen, dat hij zijn godsdienstoefenin­gen moest staken. Maar waarom heeft men dan iemand als Kohlbrugge als lidmaat aangenomen? Logisch dat hij op zijn minst hulpprediker werd. Voor mijn gevoel zit er achter al dit gedoe toch een politiek spel van althans som­mige predikanten daar. Het heeft in elk geval Kohlbrugge veel verdriet gedaan.

Kohlbrugge schreef reeds de volgende dag dus 12 december aan het eerwaardig presbyterium de volgende brief:

„In ootmoedig antwoord op uw geëerd schrijven van 11 de­cember jl. meen ik als bekend te mogen veronderstellen, onder welke omstandigheden ik mij hier bevind, aangezien ik meer dan eens gelegenheid had mij dienaangaande tegenover de praeses en diens collega’s openhartig en ver­trouwelijk uit te spreken.

Hierheen geroepen door die lidmaten der Hervormde Ge­meente, die in het jaar 1834 hadden geprotesteerd tegen In­voering van de agenda en de kerkorde en de jaren daarna de stem van hun geweten in het vervullen van een moei­lijke plicht volgend, zich hadden onttrokken aan de open­bare godsdienstoefeningen en aan het waarnemen van de gemeentelijke aangelegenheden; hierheen geroepen om hen, die zo lang de prediking des Woords en der sacramenten hadden ontbeerd, en het Woord Gods te onderwij­zen, waartoe ik volgens bestaande kerkelijke orde bevoegd ben, bracht ik zó weinig oppositionele en separistische tendensen mee, dat veeleer van het begin van mijn verblijf al­hier mijn oogmerk daarop gericht was, de in deze gemeente bestaande kloof, indien maar enigszins mogelijk, uit de weg te ruimen en te helen. Zo heb ik mij dan ook bijzonder ver­blijd, bij de heren predikanten dezelfde gevoelens aan te treffen, en wat mijn samenkomsten betreft, waarover ik van hen slechts instemming te horen kreeg, ik heb de uren overeenkomstig uw wens gaarne zó gesteld, dat zij met de openbare godsdienstoefeningen niet samenvielen, waarvoor, terloops opgemerkt, niet alleen aan de wettelijke voor­schriften is voldaan, maar waarvan ook aan het hoge mi­nisterie van geestelijke enz. aangelegenheden kennis ge­geven is.

Toen ik vervolgens mij er van overtuigen kon hoe verscheiden van de heren predikanten en leden van de kerkenraad over de gebeurtenissen van 1834 denken, mocht ik mij met de hoop vleien, dat een hereniging van hen, die, wat de belijdenis betreft, in geen enkel belangrijk punt uiteengaan, mettertijd te bereiken zou zijn. Deze hereniging kwam mij des te wenselijker voor, naarmate niet alleen van de kant van de „lichtvrienden” voor de kerk gevaren dreigen, maar allermeest sindsdien door hen, die men ge­woon was te beschouwen als steunpilaren der kerk, onder de schijn van geleerdheid en kritiek openlijk de fundamen­tele waarheden der christelijke kerk in twijfel worden ge­trokken.

Toen ik nu onder de indruk van deze gevaren, van de kant van enkele der heren predikanten broederlijk en dringend werd uitgenodigd mij bij hen aan te sluiten tot de gemeen­schappelijke strijd tegen het ongeloof, beschouwde ik het als heilige plicht mijn welwillendheid te laten blijken door te verzoeken om opname in de gemeente, evenwel met uit­drukkelijk protest tegen al wat in de liturgie of kerkorde met de hervormde belijdenis in strijd is, en voornamelijk tegen de landsagenda.

Terwijl het eerwaardig presbyterium deze opname voltrok, heeft het noch de bedoeling kunnen hebben, mij te schei­den van hen, bij wiens protest tegen kerkorde en agenda ik mij aangesloten heb, noch de mening kunnen koesteren, dat ik de verplichting, die ik zoals het presbyterium bekend is, tegenover hen op mij genomen heb, trouweloos zou schenden. Daar deze dingen alzo zijn, mag ik gerust het eerwaardig presbyterium zelf laten oordelen, of ik aan zijn dringend verzoek gevolg kan of mag geven.”
Volgens mededelingen, ons door Zalm overgeleverd, moet F. W. Krummacher in een persoonlijk bezoek, dat hij Kohlbrugge bracht, zelfs gedreigd hebben dat hij het land uit­gezet kon werden.

Opgestookt door enige predikanten, verbiedt de burgemees­ter van Elberfeld zelfs de bijeenkomsten. Het bevel kwam ‘s zaterdags, maar mevrouw Kohlbrugge had de moed het achter te houden en het pas ‘s maandags aan Kohlbrugge door te geven. Er kwamen zoveel mensen, dat men de zaak toch niet meer keren kon. De kerkenraad besloot met 9 tegen 8 stemmen de zaak aan de superintendent in handen te geven.

Kohlbrugge schreef naar een officiële instantie in Berlijn met - en dat terecht - de opmerking: „Ik ben niet geko­men om de scheur in de gemeente te vergroten, maar om ze veeleer indien mogelijk te helen.”

In een antwoord wordt Kohlbrugge aangeraden rustig met zijn godsdienstoefeningen voort te gaan, omdat binnenkort bij een Koninklijk Besluit vrijheid gegeven zal worden ge­meenten te stichten zonder door de staat voorgeschreven Agenda en kerkorde. Dit koninklijk „Religionspatent” ver­scheen dan ook op 30 maart 1847.


Ondertussen nam de toeloop, die hij al had, nog steeds toe. In de Kersttijd waren er zoveel mensen, dat Kohlbrugge soms moeite had op de preekstoel te komen en de toehoor­den waren tot tranen toe geroerd; Kohlbrugge moet getui­gen: „Allerlei wonderen heeft God in deze laatste dagen gedaan. Ik dacht aan het woord: De sterren van de hemel streden tegen Sisera. Welk een jaar is dit - nog in Godesberg tot april - het afscheid van mijn land, het verlaten van mijn huis - het afscheid van u - vrees en beven toen ik hier aankwam - de maand november - nu in alles ruimte - allen dankbaar en jubelend over mijn kerstpre­ken, en wij zitten er stil bij en zien het alles aan. God is groot en goed.”

Op 28 april 1847 constitueert zich de zelfstandige gemeente in Elberfeld met de volgende akte, die aan het presbyte­rium der Hervormde gemeente van Elberfeld werd toege­zonden:


Eerwaardig presbyterium!

Op grond van het allerhoogst patent van 30 maart j.l. heb­ben de ondergetekenden een eigen, van de Landskerk en van de staat onafhankelijke Hervormde Gemeente alhier gesticht. Het protest, dat enigen der ondertekenaars in december 1835 bij het eerwaardig presbyterium hebben in­gediend, bevat de beweegredenen voor het constitueren van een eigen gemeente en voor het uittreden uit het pa­rochiale verband van de gemeente, waartoe zij tot dusver hebben behoord. Terwijl zij hierdoor van hun uittreden kennis geven, tegelijk ook uitdrukkelijk afstand doen van ieder aandeel in het beheer zowel als in het tijdelijk ver­mogen der gemeente, verzoeken zij het eerwaardig presby­terium hun door een ontslagbrief van hun uittreden akte te geven. Tenslotte veroorloven zij zich het verzoek uit te spreken, dat hun het recht moge worden toegestaan hun doden op het bestaande kerkhof te begraven....”


Als eerste tekende Daniël von der Heydt, „voor zichzelf, zijn echtgenote en zijn kinderen.” Ook Kohlbrugge tekende voor zichzelf en zijn echtgenote.

De koning stelde voor dat de gemeente de naam „Nieder­ländisch Reformierte Gemeinde” zou aannemen. De ge­meente heeft inderdaad deze naam aangenomen, mede om de invloed der Nederlandse kerken op de kerken aan te geven, vooral ook vanwege de besluiten van Wezel in 1568 en de synode van Embden van 1571. Verder ook omdat de predikant een Nederlander was.


Een moeilijkheid nu werd de bevestiging van Kohlbrugge.

Deze was wel proponent geweest in de Lutherse Kerk, maar nooit door handoplegging tot wettig predikant geordend. Men heeft vele predikanten uitgenodigd, totaal twaalf in getal, tot in Engeland en Schotland toe, maar allen weiger­den. Kohlbrugge kwam toen tot de ontdekking, dat in de Gereformeerde Kerken de handoplegging niet vereist was. Calvijn en Voetius zijn nooit als prediker „bevestigd.”

Op dinsdag 9 mei 1848 kwamen alle manslidmaten bijeen. Daniël von der Heydt, die de bijeenkomst leidde, stelde de volgende drie vragen:


  1. Wilt ge u als zelfstandige Nederlands- Gereformeerde Ge­meente constitueren?

  2. Begeert ge Kohlbrugge als herder en leraar?

  3. Stemt ge er in toe, dat Kohlbrugge van de ouderlingen de handoplegging ontvangt?

Op deze drie vragen klonk een volmondig ja.

Eén der ouderlingen las nu het oude bevestigingsformulier en na het bevestigend antwoord van Kohlbrugge, werden hem de handen opgelegd en was hij dus wettig herder en leraar van deze gemeente. Nadat de ouderling het formu­liergebed had uitgesproken, hield Kohlbrugge een korte toespraak. Daarna bevestigde Kohlbrugge de kerkenraad. „Wij eindigden met het zingen van het laatste vers uit Psalm 147. Mijn leven lang - schreef Kohlbrugge - heb ik zó niet horen zingen. De gemeente was dronken van blijdschap. Vrijdag en zaterdag weende ik aldoor van dank jegens de Heere.”

De volgende zondag werden dertig kinderen gedoopt.

Zo heeft langs een wonderlijke weg Kohlbrugge toch van de Heere de predikstoel gekregen.


In 1856 heeft men nog eens geprobeerd Kohlbrugge terug te krijgen in de Evangelisch Gereformeerde Gemeente van Elberfeld. Een deel van de leden wilde in een vakature Kohlbstigge beroepen zien. De kerkenraad liet het niet tot een stemming komen en beriep een ander. Kohlbrugge schreef aan zijn vrienden: „Zo ben ik met ere en gelukkig van iets af, dat nog al wat te bedenken zou hebben gege­ven.”

Wel heeft hij altijd verlangd dat een hereniging met de Landskerk zou plaats hebben. Bij zijn 25-jarig ambts­jubileum in 1871 getuigde hij: „Ik heb mij waarlijk niet willen afzonderen, zo weinig, dat ik thans nog niet de evangelisch gereformeerde kerk kan voorbijgaan, zonder in mijn hart het gevoel te hebben: daar heb ik ook eens gepreekt in het jaar 1833, daar behoor ik eigenlijk thuis. Maar de Heere heeft het anders geleid en ik ben er mede tevreden. De Heere heeft gezegd: „gij zult Mijn prediker zijn, laat hen tot u wederkeren, gij zult tot hen niet weder­keren.”



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12


Dovnload 460.74 Kb.