Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De goddeloze gerechtvaardigd

Dovnload 460.74 Kb.

De goddeloze gerechtvaardigd



Pagina9/12
Datum28.10.2017
Grootte460.74 Kb.

Dovnload 460.74 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

8. DE PASTOR VAN ELBERFELD

Het is altijd voor mij iets tragisch geweest, dat Kohlbrugge, de vriend van de Hervormde Kerk in Nederland en van de landskerk in het Rijnland, uiteindelijk predikant is ge­worden van een zelfstandige gemeente. Tegen één van zijn gemeenteleden, die de vrije Gereformeerde Kerk van Ge­nève kende en die vergeleek met de gemeente te Elberfeld, zei Kohlbrugge eens: „Weet gij wel wat het verschil is tussen de kerk te Genève en de onze? Zij zijn blijde, dat zij niet tot de staatskerk behoren, maar ik betreur het en zou gaarne tot deze zijn overgegaan, zo ik maar kon.”

Een schitterend kanselredenaar is Kohlbrugge ook niet geweest. Vooral in het begin had hij nogal moeilijkheden met het Duits. Dr. A. Zalm, die nauw aan hem verbonden was, beschrijft de indruk, die Kohlbrugges verschijning op hem maakte aldus:

„Een hoog voorhoofd, prachtige hooggebogen wenkbrauwen, donkere wimpers boven blauwe oogappels, een krachtige spitse neus, een fijn gesloten mond, gaven aan het merkwaardige, ernstige gezicht iets zeer be­tekenisvols. Zijn blik had iets dat de mens doorzag, door­grondde en rustte met volle kracht en scherpte op hem, wie deze gold. Men kon zich niet aan hem onttrekken, maar moest hem rekenschap geven. Zoals in zijn preken zo ook in zijn verschijning werd hij voor mij de merkwaardigste man, die ik leerde kennen: in alles origineel, een door en door bijzondere, gewijde en zich van anderen onderschei­dende persoonlijkheid Een man, die zo zou ik willen zeggen, een omheining om zich had, iemand in eerbied en vrees van zich afhield en toch weer met tederheid, die echter nooit vleierig was, aan zich bond - met dat be­koorlijke, dat steeds bijzonder geestelijk levende mensen hebben. Men kan hem moeilijk beschrijven. Hij was heel anders dan anderen. In elke gewaarwording, uiting en op­vatting van hen verschillend: altijd fijner voelend en van teerder gevoelens. Nooit zag ik iemand, die zo teergevoelig was, die lichamelijk en geestelijk zo diep en machtig door alle smart, door alle onrechtvaardigheid, door alle onbe­tamelijkheid en verkeerdheid werd aangegrepen: een hel­dere waterspiegel, waarin zich alles weldra vertoonde, wat hem nabij kwam.”


Voor zijn preken studeerde hij veel. Graag preekte hij over grote gedeelten van de Bijbel achter elkaar, zodat de ge­meente goede schriftuitleg te horen kreeg. Nauwkeurig ging hij de grondtekst na; hij haalt altijd de Duitse vertaling van Luther aan, maar geeft vaak daar naast een eigen ver­taling. In zijn gedrukte preken staat deze dan ook meest apart aangegeven.

Hij kwam in de kerk onder het zingen, sprak daarna het votum uit, dan kwamen gebed en predicatie, afgewisseld met gezang Men zong de Psalmen, in rijm gebracht door Matthias Jorissen en de 224 liederen van het gezangboek der Gereformeerde Kerken van Kleef-Jelich- Berg en Mark. Driemaal in de week, meest voormiddags hield Kohlbrugge catechisatie. De doop werd gewoonlijk om de zeven weken bediend en avondmaal werd na een voorbereidingspredicatie vier maal per jaar gevierd. Viermaal per jaar werden (en worden nog) alle leden bezocht, waarbij men meteen de kerkelijke bijdragen inzamelt. Plaatsen worden niet verhuurd en men heeft geen aparte banken voor „nota­belen.” De gemeente onderhield, wat voor Duitsland een grote zeldzaamheid was, haar eigen armen.

De kerk kreeg haar eigen begraafplaats omdat andere ker­ken bezwaar maakten tegen het begraven van leden der gemeente op haar kerkhoven. Kohlbrugge zag in een droom waar het kerkhof moest komen. Het perceel ligt tegen een berghelling op één van de mooiste plaatsen van het Wup­pertal. Alle graven zijn gelijk, want toen daar in de kerkeraadsvergadering waar dit beslist werd, bezwaren tegen kwamen, en men verschil wilde maken tussen arm en rijk, zei Kohlbrugge: „Begraaft mij dan bij de allerarmsten.”

De begrafenis geschiedt op eenvoudige wijze. De lijkstoet wordt door predikant en kerkenraad ontvangen bij de in­gang van het kerkhof. De kerkenraad neemt de baar over, de predikant gaat voor en de rouwenden volgen hem. Bij het graf wordt een toespraak gehouden, gebeden en gezongen. Bij slecht weer gebeurde dat in een apart gebouw op het kerkhof. Op het ogenblik is dit de vergaderzaal der ge­meente, omdat in de laatste oorlog haar kerkgebouw en pastorie verloren gingen. Nog wordt het kerkhof keurig onderhouden; het is een sieraad voor de gemeente en een heerlijke rustige plaats midden in het drukke woelige Elberfeld.

Huwelijken werden doorgaans zondags in de avonddienst bevestigd. Eens maakte ik dit mee en het was veel plech­tiger zo, midden in de gemeente, dan in een bijna lege kerk midden in de week.

Origineel was hij in zijn omgang met de mensen. Zalm vertelt, dat hij eens bij een wandeling door het bos midden in een gesprek onder een boom ging staan, zich bukte en zijn vriend verzocht in de boom te klauteren. Wel, zei Kohlbrugge toen, „zo doen de mensen met de genade, ze gebruiken ze om omhoog te komen, wat te bereiken en iets klaar te spelen, en zijn ze in de boom, dan zeggen ze de genade vaarwel.”

Op huisbezoek eens bij een jong moedertje, die aan de haard zat, breide, toezag op een pot die op het vuur stond en haar baby de borst gaf, riep hij uit: „Wel, wel, pap ko­ken, kousen breien, de borst geven en onderwijl nog uit Gods Woord vertellen, die vrouw doet meer goede werken dan ik van mijn leven gezien heb, meer dan allen, wier lof in de wereld verkondigd wordt.”

Toen de cholera Elberfeld teisterde, bleef hij getrouw op zijn post. „Waarom zouden wij vrezen? Ons leven is Chris­tus en ons sterven is ons gewin, wij zijn immers reeds lang dood en wachten alleen op de Elias-wagen, die ons ter bruiloft des Lams brengt en al onze zaken zijn in de hand eens getrouwen Gods, Die het tot hiertoe welgemaakt heeft.”


Maar vatten we eerst de loop van ons verhaal weer op. Op 14 mei 1848 hield Kohlbrugge zoiets als een Intredepreek over Psalm 84 : 13: Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.

Op het Pinksterfeest 1848 werd voor het eerst het Heilig Avondmaal gevierd. Ook vele vrienden uit Nederland waren aanwezig. Kohlbrugge voerde de vorm van viering in, die wij in Nederland gewend zijn, maar in Duitsland iets bij­zonders was. Men deelt daar brood en wijn uit, terwijl men aan de tafel voorbij wandelt. Hier had men acht tafels ge­dekt waarom heen de Avondmaalgangers zaten. Bij iedere tafel - er waren 260 avondmaalsgasten - las Kohlbrugge een gedeelte uit de Schrift, en bij het heengaan om plaats te maken voor anderen zong de gemeente een lied. De tekst van de prediking was Hooglied 4 : 16: „Ontwaak, noordenwind; en kom, gij zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat mijn specerijen uitvloeien.”


De gemeente groeide tot ongeveer 700 leden toen, zodat men al spoedig plannen ging maken voor een eigen kerkgebouw. Kohlbrugge wilde eerst een houten noodkerk, omdat hij vreesde dat een stenen gebouw de draagkracht van de ge­meente te boven zou gaan. Dit is niet gebeurd, maar in 1849 verrees in de De Weerthstrasse een eenvoudig, ruim kerkgebouw. Het was van Zwitsers-Frans model, met een uurwerk vóór in de gevel en zonder toren. Tegenover de kerk verrees de pastorie, die een geschenk van mevrouw Kohlbrugge voor haar man was. 30 september 1849 hield Kohlbrugge de eerste predicatie in het nieuwe kerkgebouw over Handelingen 4 : 12: „En de zaligheid is in geen Andere, want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig wor­den.”
In 1856 maakte de gemeente een crisis door wegens de uitoefening der kerkelijke tucht over een lid van het huis­gezin van Carl von der Heydt. Enige families zijn toen weer teruggekeerd naar de Evangelisch Reformierte Kirche. Maar de meesten, ook Daniël von der Heydt en de zijnen, bleven Kohlbrugge trouw. De invloed van Kohlbriligge wordt dan steeds groter.

In de eerste plaats moet ik noemen zijn vriendschap met Johannes Wichelhaus. Deze jonge man studeerde theologie in Duitsland en werd door zijn ooms, de Von der Heydts in aanraking gebracht met de preken van Kohlbrugge. Hij schrijft hierover: „In de tijd, toen ik theologie studeerde en in de ongehoorzaamheid, tegenspraak en moedeloosheid van mijn hart doodziek lag, is het Woord des Heeren tot mij gekomen in de prediking en het woord van een ge­trouwe en waarachtige getuige der Waarheid, en heeft mij in het stof gelegd, mij overmocht en gezond gemaakt. Ik moest echter spoedig ervaren, dat hetgeen om mij heen ge­leerd werd, dit woord niet is. En hoe ik mijzelf ook wilde helpen om een uitweg te vinden, een weg was er niet. Ik moest het éne haten en het andere lief hebben, of aan het ene mij vastklemmen en het andere verachten.”

Na een bezoek in 1843 aan Kohlbrugge in Utrecht gebracht, ontstaat tussen beiden een drukke en levendige briefwis­seling. Meermalen moest Kohlbrugge zijn jongere vriend moed inspreken, want gemakkelijk had deze het niet. In Bonn probeerde hij de graad van Licentiaat te verwerven, waarna men dan in Duitsland aan de universiteit kolleges mag geven. Hier was echter voorgeschreven, dat men dan een eed moest afleggen, dat men de „Union” erkende, dus het samengaan van Luthersen en hervormden in één kerk­verband. Wichelhaus probeerde het daarna in Halle, maar ook daar mislukte het, omdat men vond, dat zijn weten­schappelijk werkstuk, dat hij moest inleveren, te weinig inging op de Schriftkritiek. Eindelijk is het Wichelhaus toch gelukt, maar zijn kolleges werden slecht bezocht. Kohlbrugge schrijft dan ook: „Zijn slechts twee, slechts twee studenten door de dienst van Wichelhaus bekeerd, dan zijn twee gemeenten bekeerd”, en weet hem zo te troosten. Voor een professoraat werd Wichelhaus gepasseerd en van terzijde gaf men hem te kennen, dat hij sneller vooruit zou komen, als hij Kohlbrugge en de gemeente te Elberfeld maar zou opgeven. Later wordt dan Wichelhaus benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de theologie.

Op 38- jarige leeftijd wordt Johannes Wichelhaus zeer ern­stig ziek. Hij lijdt aan griep, en zijn vrouw, waarmee hij drie jaar daarvoor getrouwd is, vraagt aan Kohlbrugge om enige regels. Deze schrijft dan o.m.: „Wij christenen verdrinken, als niet de hoop ons het hoofd omhoog houdt. Laat ons niet bezorgd zijn voor de dag van morgen. Morgen zal Christus niet dood of zwak zijn, en vandaag is hij sterk in de zwak­ken. Hij leeft, ja Hij leeft; als de palmboom groeit Hij.”

Enkele weken later stierf Wichelhaus. Zijn vrouw las Psalm 48, waar in de Lutherse Bijbel staat: „Heere, wij wachten op Uw goedheid in de tempel”, waarop de stervende zei: „Dat is ingeslagen.”
In hetzelfde jaar 1858 na de dood van zijn vriend bezocht Kohlbrugge Halle en leidde daar een dienst op verzoek van superintendent Neuenhaus. Dit gebeurde op zondag 25 april in de Domkerk aldaar. Onder de kerkgangers waren veel professoren en studenten. In de kathedraal heerste een merkwaardige rust. Liep men onder andere diensten wel eerder weg, nu bleef ieder rustig zitten. Voor velen was de preek moeilijk te begrijpen, vooral ook omdat men de een­voudige prediking van de genade Gods ontwend was, maar allen waren diep onder de indruk van de waardige ver­schijning van de man op de kansel. Kohlbrugge schreef:

“... In herinnering aan onze Johannes gevoelde ik bij de preek, dat er een Naam is hoog boven alle namen en een Woord dat machtiger is dan alle verstand met zijn kritiek en filosofie.”

Later preekte Neuenhaus ook in de gemeente van Kohlbrugge, zo de kloof met de landskerk overbruggend.
Door bemiddeling van Wichelhaus waren ook jonge theo­logische studenten naar Elberfeld gekomen om bij Kohlbrugge praktische vorming te krijgen. Ook dit is een merk­waardigheid van de Nederlandse Gereformeerde Gemeente aldaar geweest. Hoewel men geheel alleen en apart leek te staan, in de praktijk had men vele banden met andere Hervormde Kerken. Zo kwam in 1858 ook Eduard Böhl in het huis van Kohlbrugge aan. De familie had toen juist een ernstig verlies geleden. De tweede zoon van Kohlbrugge, Jakob, was juist in Indië aan de pestpokken overleden. Natuurlijk was men diep bedroefd. De jonge Böhl deed Kohlbrugge steeds weer aan zijn zoon denken. Hij schrijft hem dan ook als antwoord op een betuigen van medeleven: „Ik dank je voor het meevoelen in mijn diepe droefheid, waarvan je blijk gegeven hebt. Je hebt zo buitengewoon veel, waardoor je op mijn gestorven Jakob lijkt. Daarom had ik je ook zo graag om mij heen en kan ik niet anders dan met voortdurende liefde aan je denken, ja, je in mijn hart dragen.”

In 1860 verloofde hij zich met Anna, de doch­ter van Kohlbrugge uit diens tweede huwelijk. Böhl werd privaatdocent in Bazel en in 1864 hoogleraar in de gere­formeerde dogmatiek te Wenen. Met Böhl heeft Kohlbrugge in 1864 een rondreis gemaakt langs de kerken in Bohemen en Moravië. Hij heeft ze geholpen aan de formu­lieren van á Lasco en er zijn lange tijd, ook na de dood van Kohlbrugge, betrekkingen geweest van deze kerken met de gemeente te Elberfeld en de vrienden van Kohlbrugge in Nederland. Voor deze arme kerken werd gecollecteerd en ook op andere wijzen steunde men hen.


Tot zelfs in Amerika was een kring van vrienden van Kohlbrugge, waarover Dr. K. de Groot de volgende bijzonderhe­den vertelt:

„Uit aantekeningen van Prof. J. H. F. Kohlbrugge is mij gebleken, dat in 1893 in Iowa een periodiek werd gesticht: „Der Wächter; Blätter für reformierte Lehre und Wehre , door de Duits- Amerikaanse predikant J. H. Sterk, na diens dood ongeveer 1900 geredigeerd door Reverend H. Treick, dat zeer bepaald voor Kohlbrugges theologische visie opkwam. Dit blad schijnt tot ongeveer 1932 bestaan te hebben.

Interessant is te vernemen, hoe de hoofdredakteur Stark met de geschriften en preken van Dr. Kohlbrugge in Ame­rika in kontakt is gekomen. Op zekere dag keerde Ds. Stark van een reis huiswaarts. In zijn woonplaats aangekomen zag hij een jonge man, die op hetzelfde station uit de trein gestapt was, in de richting van de stad voortstrompelen. Het scheen, dat deze elk ogenblik ineen kon zakken. Stark ging naar hem toe en vernam, dat het een Duits-Ameri­kaans theologisch student was, die voor studie naar Duits­land gegaan was en nu vandaar terugkeerde. Hij had zich te ziek gevoeld om de reis voort te zetten, was daarom uit­gestapt en wilde in de stad een hotel zoeken. Stark nam hem mee naar huis en verpleegde hem. Na korte tijd stierf de student. Voor zijn dood verzocht hij Stark alle boeken, die hij in zijn koffer bij zich had, als geschenk te willen aannemen. Die boeken bleken uitsluitend werken van Dr. Kohlbrugge en Dr. A. Zalm te zijn. Door het lezen en be­studeren ervan werd Stark geheel voor de Bijbelse bood­schap, zoals Kohlbrugge ze zag gewonnen, en sedert die tijd verbreidde hij diens geschriften en trad in eigen publicaties als pleitbezorger van de Elberfeldse leraar op. Hij was het ook, die de Amerikaanse uitgave van de verhande­ling over Mattheüs 1 verzorgde.”

(Kerkblaadje, 51e jrg., blz. 103)


Maar bovenal hadden Kohlbrugge en zijn gemeente veel kontakten met Nederland. In het begin van zijn ambts­periode in Elberfeld heeft Kohlbrugge gemeend na enkele jaren naar Nederland te kunnen terug keren. God heeft het echter anders beschikt en Kohlbrugge zag ook spoedig het belang van zijn prediking in den vreemde in. Wel hoopte hij nog eens op een Nederlandse kansel het Evangelie te mogen verkondigen. Maar dan in een rechte weg, dus na een officiële aanvraag - van een predikant en een wettige kerkenraad. Zelf wilde hij daarom niet verzoeken als een gunst, want Kohlbrugge was ervan overtuigd, dat God hem recht zou doen wedervaren. Wel zijn enige vrienden hier­mee bezig geweest, waaronder vooral de heer en mevrouw Boissevain te Amsterdam, maar mevrouw Kohlbrugge schrijft hen:

„Beste vrienden. Wat zal ik op uw vragen antwoorden? Stille zitten, uw behoeften de almachtige God voordragen, vasthouden bij en aan Zijn Woord. Gij hebt in mijn papieren en in hetgeen sedert gebeurd is de sterkste bewijzen, dat Hij hoort en boven bidden en ver­staan doen kan, evenwel alles naar Zijn wil, raad en wel­behagen, op Zijn eigen tijd. Ik geloof dat er nog een tijd der genade, nog een einde aan Kohlbrugges geschiede­nis komen zal. Maar dat zal vanzelf komen, dat zal God Zelf doen. Verder is alles voor onze ogen tot hiertoe ver­borgen; is het onze plicht om op het heden der genade te achten en te zorgen dat wij binnen zijn, geborgen voor de toorn des Lams, aangedaan met het bruiloftskleed, dat Wij de wereld overwonnen hebben door het bloed des Lams. Dat zijn onze zaken, waartoe middelen voor ons en onze kinderen voorhanden zijn.”

Ook een schrijven naar de synode der Hervormde Kerk haalde niets uit. Pogingen in 1851 om in Delft en later in Amsterdam een aparte gereformeerde gemeente in het leven te roepen om Kohlbrugge zo predikant te doen wor­den in Nederland werden door hem bij monde van zijn vrouw scherp afgewezen:

„Onder het lezen van uw lief schrijven dacht ik onwillekeurig terug aan die avond, toen Kohlbrugge u de hoogste beduiding der Nederlandse Gere­formeerde Kerk te Elberfeld uitlegde, daarbij voegende, dat haar bestemming zo vaak miskend en niet verstaan werd. Waarom zo gewurmd? Waarom zo weinig begrepen of ter har­te genomen wat Kohlbrugge toen bedoelde? Waarom u niet onderworpen aan Gods raad, Die de kerk uit Nederland op vreemde bodem overvoerde, de gemeente des waren Gods in de woestijn leidde, totdat haar tijd vervuld zou zijn? Wat spraken wij toen onderling? De bezwaren niet te ont­zien, de aangeboden middelen te gebruiken en hier ter plaatse te genieten, wat Gods genade hier gegeven heeft. Begrijpt gij niet, beste vrienden, dat een kerk te Amster­dam bouwen een onding is, in welke Kohlbrugge, de raad Gods vernietigende, preken zou, dus dit nimmer zou kun­nen doen zonder de Gereformeerde Kerk tot een sekte te maken, en zichzelf recht te verschaffen, dat toch alleen zake des levenden Gods is. De miserabele vleespotten van Delft herinner ik mij zeer goed. Het zou op een haar ge­daan geweest zijn, indien de Heere in Zijn onuitdenkbare barmhartigheid de strikken des duivels niet verbroken had. Laat oude en jonge advokaten rusten: roepen tot Hem, Die sluit en alleen opent, wachten tot Zijn tijd daar is, en niets meer.”


Sinds 1855 woonde Kohlbrugges oudste zoon Gerrit als zaakwaarnemer in Vianen. Kohlbrigges schoondochter Mathilde von Bode weet de predikant Ds van Duyl te over­tuigen dat haar schoonvader in Nederland door de Her­vormde Kerk groot onrecht is aangedaan. Als Kohlbrugge een keer in Vianen logeert, vraagt deze oude predikant, die helemaal geen aanhanger van Kohlbrugge was, hem zondagavond een dienst te willen waarnemen. Intieme vrien­den van Kohlbrugge weet men te berichten en zo bestijgt Kohlbrügge op zondagavond 29 juni 1856 de kansel van de grote kerk te Vianen.

Zijn voorafspraak was aldus:

„Gemeente Gods vergaderd te Vianen, en gij allen die mij te dezer ure hoort. Genade en vrede van Hem, Die is en Die was en Die komen zal.

Dit is de hoofdzaak, waarop alles aankomt, dat het hart het Goddelijke ondervonden hebbe van die liefdedaad, dat God Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat wij door Hem het leven hebben. Dat wij dit zingen of zeggen, zal ons niet zalig maken. Kunt u allen, die hier ter kerke zijt, het voor een alwetend God met blijdschap betuigen: Ja, zo is het, dat ondervond ook mijn hart? Daarop zal het toch aankomen in de ure des doods, voor een onherroepelijke eeuwigheid. Neen, u kunt niet allen betuigen, dat u het ervaren hebt, of dat die ervaring een doorgaande, een blij­vende is. En toch, u hebt het ter harte te nemen, wat ook uw eerwaarde herder en leraar in deze morgenure u toe­riep: Wij hebben antwoord te geven op de gewichtige vraag: heb ook ik daaraan deel, is het ook voor mij, voor mij ? Al het andere is ijdelheid. - Het baat ons niet of wij het al weten, de kennis maakt opgeblazen en zorgeloos. Maar de liefde sticht. Dat de liefde Gods en des naastens in ons wone, en zo door ons beoefend worde, dat is de hoofd­zaak. Waar alleen kennis is, is voortdurend twijfel, of Gods Woord wel Gods Woord is; daar onttrekt men zich bij elke gelegenheid, als het op de proef komt, aan het geloof en aan de gehoorzaamheid, die men Gode schuldig is; daar hoort en spreekt men van het Evangelie, maar men doet met Gods wet naar eigen zondig overleg, en zet in goddeloos opzet zijn lust, eigen zin en wil door, lichaam en ziel ten verderve. Eerst dan, als de liefde Gods wordt uitgestort in ons hart, door de Heilige Geest, Die ons gegeven is, onder­werpt men verstand, wil en weg aan de gehoorzaamheid Christi; eerst dan, als er waarachtige bekering komt tot God en geloof in God, houdt men Gods wet voor Gods wet, en acht men zichzelf aan die wet schuldig en in haar ge­bonden, neemt Gods Woord geheel aan voor Gods Woord, en heeft van de werking van de gehele raad Gods ter zalig­heid, van Zijn vrijmachtige genade, een ondervinding welke zaligmakend is.

Opdat wij evenwel tot zulke zaligmakende ondervinding komen of daarin versterkt en bevestigd en daarbij be­waard worden, heeft de Heere gegeven, en zal Hij het geven, zo lang er nog één ziel is, die binnen gebracht moet worden - en geeft Hij het ook heden, dat Zijn heilig Woord verkondigd wordt. Bij die verkondiging - waar, wanneer en zoveel Hij wil - werkt Hij door Zijn Geest mede, zodat de mens bij ervaring kennis krijgt van deze drie stukken: Hoe groot zijn zonde en ellende is, hoe hij van zijn zonde en ellende verlost wordt en hoe het gelegen is met het leven des geloofs en der heiligmaking en met de waarachtige dankbaarheid.

Aangezien de uit ervaring verkregen kennis dezer drie stukken tot zaligheid volstrekt noodzakelijk is, daar zij in het geestelijk leven elkander de hand reiken, en zal het geloof oprecht zijn en de ervaring waar zijn, nooit van elkander gescheiden mogen worden, zo heb ik mij voorge­nomen deze drie stukken met u kortelijk te behandelen.”

Kohlbrugge geeft dan ook in deze preek, geladen met een diepe inhoud, een korte samenvatting van zijn prediking aan de hand van Genesis 3. Na het gebed en het zingen van Psalm 65 : 2 handelde Kohlbrugge over de volgende zeven punten:

1. Des mensen diepe val en moedwillige overtreding. Dit ge­deelte handelt over de eerste zeven vetten. Zonde is vol­gens hem, dat Eva „zich het gebod uit de hand liet spelen, en vergat dat daarin al haar heil lag.” „Zij vergat dat het geluk haars levens in het houden van Gods gebod en de dood in de overtreding van dat gebod zat, en dacht dat het in de boom zat.”

2. Gods opzoekende liefde, vers 8- 10. God is altijd de eerste. „Adam, waar zijt gij? zegt de Heere. De Heere God deed toen niets anders dan Hij nog doet. Hij arresteert met Zijn Woord.” Van ons is er niets bij.

3. Gods heilig gebod en des mensen onvatbaarheid daar­voor, vers 11- 13. Het gaat hier niet om een algemene belijdenis van dat wij zondaren zijn van de hoofdschedel af tot de voetzool toe, maar om die éne zonde, waar het in dit speciale geval om gaat. „Gij noemt duizend zonden om de ene hoofdzonde te bedekken, en zo die aan de hand te houden.”

4. Het eeuwig Evangelie, vers 14, 15. Hierin staat de hoofd­zaak van de gehele preek. Dit Evangelie wordt gesproken, niet tot de mens, maar tot de slang. „De straf, die het zicht­bare schepsel opgelegd is, moest voor de mens een vertroos­tend beeld zijn van de straf, waarmee God Zijn onzichtbare vijand gestraft heeft.”

„De woorden: ik zal vijandschap stellen, be­vatten alles wat de apostelen heiligmaking des Geestes noemen. Het is de scheiding, de onheelbare breuk, die God Zelf gemaakt heeft tussen duisternis en licht, tussen zonde en heiligheid. Het is de onverzoenlijke strijd tussen vlees en Geest.... Zodra iemand een onderdaan wordt van Koning J ez u s, wordt de haat in zijn hart geplant tegen alles wat de duivel wil, en de duivel zal niet ophouden Ieder te haten, die zijn onzalige dienst verlaat....

Het zaad der slang is alle vlees. Al wat van Adam komt, al wat door de wil van een man geboren wordt is van nature een kind des toorns, een kind van duivel en dood; het be­vindt zich onder de heerschappij van duivel en zonde, en is aan de eeuwige verdoemenis onderworpen. Hetgeen uit vlees geboren is, is vlees, en als zodanig een vijand en Inter van God. Dit zaad wil Christus niet laten leven, wil niet, dat Hij Koning is.

Daarentegen kan Christus de duivel en zijn zaad, dat aan Zijn Evangelie niet gehoorzaam wil zijn en onder Zijn ge­nadige scepter niet wil leven, ook niet zijn wil laten. Hij, de Christus Gods, de alleen Heilige, is dit Zaad der vrouw, dat met Geest, water en bloed midden onder Zijn vijanden de ene overwinning na de andere behaalt, dat uit vijanden vrienden, gewillige en gelukkige onderdanen maakt, maar ook allen, die in hun tegenstand volharden, met een ijzeren scepter verplettert.

Hij is het zaad der vrouw, niet van een man. En al was Eva niet onmiddellijk Zijn moeder, toch is zij het naar Gods bedoeling. De man is met zijn kracht buitengesloten,

en de zwakke vrouw staat bovenaan in dat Koninkrijk, waar het zwakke ontferming vindt, en waar geen welge­vallen kan zijn aan het willen en lopen van een man.

Wanneer de slang deze Immanuël in de hiel steekt, dan lijdt en sterft Hij, maar als Hij met een doorstoken hiel de slang de kop vertrapt, dan overwint Hij de slang en de dood in Zijn dood, dan staat Hij op uit deze dood, en al wat aan list in deze kop der slang zit om tot ongeloof en ongehoorzaamheid aan de wil van een Vader in de hemel te verleiden, is mede vertrapt in de dood van dit Zaad aan het kruis en in Zijn zitten op Zijn eeuwige troon

U zegt: Het is niet tot Adam gezegd. Als het tot Adam gezegd was, dan zoudt gij komen met uw „maar het is niet tot mij gezegd.” Hoor, wat God zegt: Vrede door het bloed des kruises. Hoor wat er op de grote worstelplaats Golgotha gebeurt. Wie midden in de dood ligt, die zoeke zijn leven buiten zichzelf, door te zien op hetgeen Christus doet en zegge tot zijn vijand: God de Heere heeft u ver­vloekt en verdoemd, en Christus heeft u de kop verpletterd, ga weg van mij. Hier is Zijn bloed. Of moet er nog een nadere bevestiging komen, opdat de mens geen lust meer zal hebben tot geloof aan de verleiding van de duivel tot ongeloof, maar van honger en kommer der ziel wel zal moeten geloven en zal worstelen om te geloven, waar hij met geen mogelijkheid kan geloven, ja, het blindelings zal wagen op grond van het Woord des Heeren? Welnu, God de Heere heeft er wel wegen en middelen toe, en deze zijn:

5. Gods vaderlijke kastijding”, vers 16- 19. Deze brengt de mens op Golgotha en bij het kruis.

6. Het geloof en de gerechtigheid die aan het geloof wordt toegerekend, vers 20, 21. „Wij lezen niet, dat Adam zegt, dat hij gelooft; maar wij lezen, hoe hij met zijn doen zijn geloof belijdt en bewijst. Opeens is er de liefde tot de naaste. Hij, die nog kort tevoren alle schuld op de vrouw geworpen heeft, ziet en kent en bemint zichzelf niet meer met eigen­liefde. Hij handelt als één, die zelf overschiet. Hij ziet zijn vrouw aan als degene, in wier Zaad het leven en het recht ten leven en de erfenis des levens ook voor hem is. Hij is met haar mede- erfgenaam van de genade des levens. Hij geeft haar door de Geest des geloofs een naam, die zij nog niet droeg, een nieuwe naam. Zo is de huwelijksband op­nieuw gelegd in genade, en alles wordt geleden, gedragen, geloofd, gehoopt in uitzicht op de Man, de Heere, de Enige, in Wie het leven is, Die komt zonder toedoen Van een man en het leven geeft aan allen, die het beërven zullen

Wanneer een des doods en der verdoemenis schuldige, een radeloze en reddeloze, het Evangelie hoort, de blijde bood­schap, dat er genade is door voldoening en een te niet doen Van hem, die de oorzaak is van zijn dood, dan is alles wat hij hoort, Christus; dan hoort hij God op het hoogst ver­heerlijken, maar zo wordt hij zelf ook op het diepst ver­nederd. Hij krijgt een welgevallen aan de kastijding, ziet over de dood heen, zoekt het leven buiten zichzelf, wordt enerzijds verlegen over zijn diepe ellende, juicht anderzijds in de zaligheid, die hem wordt voorgehouden, en gelooft hetgeen hij gehoord heeft, omdat hij niet anders kan noch wil. En aan dit geloof wordt hem de gerechtigheid toegerekend, die geheel buiten de mens ligt, maar die hem geschonken wordt, als ware zij zijn eigen gerechtigheid.

7. Het leven des geloofs, of hoe het met de voortzetting der heiligmaking en met de waarachtige dankbaarheid ge­legen is, vers 22- 24.

Adam moet uit het paradijs weg, anders zou het steeds weer geweest zijn een zoeken van eigen heiligheid en volmaakt­heid, een nemen van het leven in eigen hand. God be­schermt hem tegen zichzelf. Heiligmaking kan alleen bui­ten het paradijs gebeuren. De cherub hanteert het vlam­mend zwaard der wet om ons af te schrikken en tegen te houden, opdat wij in het genadeverbond, in het geloof alleen blijven. Er is geen zichtbare heerschappij van Chris­tus op aarde, want de mens zal door het geloof alleen leven zonder te zien. Jezus zegt tegen de moordenaar: “Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.”

En Kohlbrugge besluit zijn preek aldus: „Dat antwoord geeft stervenstroost, en nog een weinig geduld, lieve ziel, al worden de beenderen ook verbroken, de laatste slag, de laatste snik, en Adam is binnen eer hij het weet, hij is er, en hij had niet gedacht dat hij er komen zou. Zalig zijn zij, die de geboden doen van Hem, Die is de Alfa en de Omega, opdat hun macht zij aan de boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. Amen.”


Bijna twee uren had de dienst geduurd en ieder had inge­spannen geluisterd. Twee predikanten en de gehele kerkenraad stonden klaar toen Kohlbrugge de kansel verliet, om hem de hand te drukken. Ds. van Duyl hield een kort toe­spraakje, dat door Kohlbrugge kort beantwoord werd. De collecte, die anders één gulden bedroeg, bracht nu f 600,- op. Over eigen omstandigheden, over het onrecht hem aan­gedaan, sprak hij niet, hij bracht alleen het Evangelie aan zijn landgenoten.
Vele malen heeft Kohlbrugge nog daarna in Nederland gepreekt. In 1865 kreeg Kohlbrugge zelfs een beroep, en wel van de Hervormde Kerk in Zoutelande. Het beroep ge­schiedde met aggreatie en approbatie van zijne majesteit koning Willem III. Wel mocht Kohlbrugge zeggen: „Nu zie ik, dat God trouw houdt, want toen, in de tijd mijner vervolging, men mij raadde aan de afscheiding deel te ne­men, zei ik: God zal mij recht doen, al was het in het kleinste dorpje aan de zee.”

Consulent van Zoutelande was toen Ds. Gobius du Sart van Arnemuiden, die een vriend van Kohlbrugge was. Kohlbrugge heeft voor het beroep bedankt. Teveel bond hem aan. Elberfeld, veel liefde, maar ook veel leed.


Op 25 maart 1866 stierf zijn tweede vrouw, die erg veel voor hem bete­kend heeft. Ze werd bijgezet op het kerkhof van de ge­meente, naast de plaats, waar men ook de grijze prediker zelf zou begraven. Kohlbrugge heeft zich de laatste jaren zeker erg eenzaam gevoeld.

In 1867 en 1868 moest hij een oogoperatie ondergaan in Berlijn. Daniël von der Heydt vergezelde hem op deze weg. Het heeft me altijd weer getroffen hoe zeer men toen in alles met elkaar meeleefde en probeerde elkaar in de meest letterlijke zin te helpen en te steunen. Wat dat aangaat, kan men in onze materialistische tijd, daar nog heel wat van leren. Men denkt klaar te zijn, als iemand geldelijk maar verzorgd is, maar liefde en vriendschap betekent veel meer dan dat.

Op 7 juni 1871 werd het 25- jarig jubileum van de gemeente te Elberfeld gevierd Daniël von der Heydt hield een lange rede, waarin alles gememoreerd werd. Kohlbrugge kreeg een prachtige Bijbel in zuiver goud gebonden. Zeker, Kohlbrugge had Bijbels genoeg. In zijn studeerkamer lag altijd een Parijse polyglotte opgeslagen, zodat hij wel zeven ver­talingen tegelijk kon raadplegen. Maar ook dit is kenmer­kend voor de liefde en de achting, die de Elberfeldse ge­meente voor hem had.
In 1871 heeft Kohlbrugge voor het laatst gepredikt in ons land. Hij was toen in Amsterdam op verzoek van Dr. Kuy­per, waar hij logeerde en voor wie hij een avonddienst waarnam. Hij preekte in de Zuiderkerk, vlak tegenover de kerk der Lutherse gemeente, die hem 41 jaar geleden had uitgestoten. Hoewel de dienst eerst om 5.30 uur begon kon er om 4 uur al niemand meer in, en zo preekte Kohlbrugge wel voor 3000 mensen over Psalm 68 : 20 en 21.

Hij schreef aan zijn kinderen in Wenen een week later: „En zo stond ik dan voor het eerst in mijn leven op de Amsterdamse gereformeerde kansel. Aandoening kwam er niet bij mij op, wel een sterk gevoel van liefde. Ik overzag de schare voor mij en rechts en links met een vriendelijke blik, het was mij niets vreemd, maar ik gevoelde mij dadelijk als onder de mijnen. En toen ik in de Zuiderkerk van de preekstoel ging zei ik: Heere, mag ik hetgeen Gij heden aan mij voor Uw arm volk gedaan hebt, aannemen als een onderpand, dat ik zo ook eens uitkomsten bij U zal vinden tegen de dood.”


In 1873 stierf zijn geliefde dochter Anna en in juli 1874 zijn ouderling Daniël von der Heydt.

Steeds eenzamer werd het om Kohlbrugge heen. Om zijn ogen te sparen mocht hij maar weinig studeren en lezen. Meestal lag hij geheel uit­geput op zijn rustbank.

Op 29 november 1874 preekte hij voor het laatst over Psalm 28 : 6 en 7: Geloofd zij de Heere, want Hij heeft de stem mijner smerkingen gehoord. De Hee­re is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.

Voor het laatst mocht Kohlbrugge getuigen van Zijn ge­trouwe Heiland. „Hoe ben ik dan geholpen? Wel, juist door de verzekering, dat Hij komen zal, daardoor ben ik gehol­pen, met de verzekering, dat Hij niet wegblijven zal, dat Hij doen zal, zoals Hij gezegd heeft, dat Hij woord en trouwe houdt, dat Hij Zijn verbond nooit en nimmer ver­geten kan, ook niet de gezworen eed, dat dus alles zeker en vast staat, niet in het zichtbare, maar in de Verbondsborg, in de Heere Jezus Christus, en dat het in Hem is, dat de Heere gezegd heeft: Waarlijk zegenende zal ik u zegenen, dat wil dus zeggen: Gij zult geen vervloeking zien, bevend kind, gij zult niet in het gericht komen.”


Ds. J. Künzi, zijn hulpprediker en opvolger vertelde over zijn laatste dagen het volgende: „Na de laatste predicatie doopte hij nog enige kinderen en de volgende dag over­hoorde hij op de kindercatechisatie de jongens de catechismus. Dinsdags kwam hij nog op de meisjescatechisatie, maar dat was al teveel voor hem. Zijn laatste huisbezoek gold een stervende, maar daarna stortte hij in. Op zijn ziekbed, dat zijn sterfbed zou worden, hoorde Künzli hem uitroepen: „De eenvoudige Heidelberger. Houdt daaraan vast, kinderen. Gij kunt uit uzelf niet een enige waarheid verstaan, maar het is alles vervat in het ene woord van de catechismus, zoals ik het u geleerd heb.”

Bij aanvechtingen riep hij eens: „Ach ja, ach ja, wat is toch de mens, een dor geraamte. Wat is het toch, wat de mens wil, wat de mens denkt, wat de mens tot stand brengt.”

Bij het overdenken van Psalm 130 riep hij uit: „Uit de diepten roep ik tot U. Ach God, grote Ontfermer, ontferm U mijner.”

„Verschrikkelijke twijfel, geen oorzaak, geen oorzaak, moei­lijk vast te houden.”

En toen de Heere hem met Zijn Woord had vertroost riep hij uit: „De Zoon Gods is het, Die mij verlost en gekocht heeft. Ik heb niets te zeggen.”

Zijn laatste woorden waren: „Hoe zoet is mij het sterven” en: „Dit weet ik, dat ik in Gods hand gegrift ben.”

En ten­slotte: „Een grote dag van feestvreugde en van juichen.”

In de armen van Ds. Künzli is hij naar diens woorden op 5 maart 1875 heengegaan en wel „zo vredig, zacht en rustig, als men niet vrediger, niet rustiger, niet zachter inslapen kan.”


Op zondag 7 maart preekte Ds. Künzli in Elberfeld over Hebreeën 13 : 7 en 8: Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwig­heid.”

Op de avond van deze zondag preekte Dr. A. Zalm uit Halle over Handelingen 8:2 „En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus tezamen ten grave, en maakten grote rouw over hem.”

Op dinsdag 9 maart werd Kohlbrugge op het kerkhof van zijn gemeente begraven. Bij de aankomst van de lijkstoet zong men Psalm 116. Daarna hield Ds. Künzll een toe­spraak, waarna men het vers zong, dat Kohlbrugge in zijn laatste dagen tot steun en troost was geweest:

Zo heb ik dan de Rots bereikt

waarop ‘t gelove rusten moet!

Een Rots, die voor geen stormen wijkt,

een Rots, waarop de wilde vloed -

al was ‘t het heir der hellemachten –

terug moet deinzen, zonder krachten,

biedt m’ in zijn spleten veilig zijn.

Mijn hart, verban uw bang benauwen!

Op deze Rots kunt gij vertrouwen;

hier zult gij eeuwig zeker zijn.
Na een toespraak van Ds. Wolfensberger van Zollikon in Zwitserland werd de kist met het stoffelijk omhulsel van de geliefde leraar in het graf neergelaten. De leerlingen van Kohlbrugge, die het predikambt bekleedden, wierpen een handvol aarde in het graf, waarbij ieder een tekst zeide. Daarna werd naar de wil van de ontslapene gezongen de acht verzen van het:

Christus is mij het leven,

en ‘t sterven mij gewin.

Hem heb ik mij gegeven:

met vrede ga ik in.
Nadat Ds. Huber van Hiittlingen het gebed uitgesproken had, zong men tenslotte Psalm 89 : 1, waarop na de apos­tolische zegen de gemeente het kerkhof verliet. Gelukkig mogen we instemmen met het woord van Dr. Zalm, dat wel de profeten stenen, maar hun woorden blijven.

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12


Dovnload 460.74 Kb.