Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De grote oorlog 1914 1918

Dovnload 164.2 Kb.

De grote oorlog 1914 1918



Pagina2/3
Datum05.12.2018
Grootte164.2 Kb.

Dovnload 164.2 Kb.
1   2   3
55 - HET ONDER WATER ZETTEN VAN DE IJZER
Na het gevecht moesten we aan de spoorweg gaan liggen tussen Diksmuide en Nieuwpoort, sector Château de Vicione ????. De vierde Divisie had de Ijzer daar moeten verlaten want alles kwam er langzaam onder water te staan. Iemand had de sluizen van de Ijzer in Nieuwpoort opengezet.
De persoon die dat heeft gedaan staat nog altijd op de bankbiljetten van duizend frank waar nu het standbeeld van Albert I op staat.

Het was wel ons geluk want zoniet waren de Duitsers toch verder Frankrijk binnengetrokken en wij krijgsgevangen genomen. De lijn van de spoorweg was afgesloten met houten palen. Er was draad aangespannen opdat de dieren die op de weide liepen niet op de spoorlijn zouden lopen, maar achter elke paal lagen dode Duitsers.

Daar hebben de burgers ‘s nacht putten moeten maken om ze te begraven, allemaal onbekende soldaten. In zulke ogenblikken dankt men wel zijn engelbewaarder.
57 - DE DUITSERS IN HET WATER MET DE BELGEN
Het werd langzaam winter en we moesten in het water gaan post vatten, slecht gekleed, slecht eten, geen vuur om ons te verwarmen of te drogen. Wij mochten geen licht of vuur maken want de Duitsers schoten alles stuk.

We moesten met kleine boten door het water. Daar lagen de soldaten van de 8ste en 10de linie. Ik heb geholpen om ze uit het water te trekken tussen de Duitsers die verdronken waren in dezelfde loopgraaf.

Er waren Duitsers bij waarvan de ransel vol kinderkleedjes en schoenen staken die ze in België meegenomen hadden voor hun kinderen en dat allemaal op het slagveld.
In het stukgeschoten huis van de burgemeester van Ramskapelle bevond zich een Duitse majoor die niet wilde meekomen. Hij bleef daar nog liever verdrinken dan zich over te geven. Wij moesten hem vastbinden op een draagbed en naar onze post achter de spoorweg brengen. Daar hebben we hem twee dagen laten liggen. De Duitse vliegtuigen kwamen naar hem zoeken. Wanneer hij ze zag begon hij te roepen “Deutschland über alles”. Hij wou niet eten of drinken, ook niet spreken. Tenslotte zijn ze hem toch komen halen om hem te verzorgen.
57 - DE SECTOR VAN PERVIJZE
In die sector is soldaat Van de Plas met nog een paar mannen een Belgische mitrailleuse in het landgoed Château Vicion ??? gaan halen dat al door de Duitsers bezet was. Hij was één der eerst gedecoreerden van het Belgische leger en heeft ook de graad van Kaporaal aanvaard. Indien ik mij niet vergis, heeft Koning Albert I hem zelf de decoratie opgestoken.

Wij hebben deze sector twee keer bezet. Van daar moesten wij naar de sector van het dorp Pervijze. Ik denk dat het op de baan naar Lombardsijde was dat de voorpost zich bevond achter een hoop aarde en zakken gevuld met grond.

Ik was één van de eersten om er in te gaan zitten. De aflossing gebeurde altijd ‘s nachts en men staat of men zit er maar te bibberen van de kou en de schrik.

In een nieuwe sector kent men de Duitse posten niet. Bij dageraad moesten we ons verstoppen in een gat met wat stro. Plots zagen wij daar een niet ontplofte obus van 120 MI liggen. De mannen die we hadden afgelost hadden ons niets gezegd. Wij zijn er met angst bij gekropen met de gedachte dat, indien dat ding zou ontploffen, men ons nooit meer zou terugvinden.

‘s Nachts heb ik daar met onze Luitenant Tijion ????en nog twee andere jongens prikkeldraad gespannen in het water voor de Duitse lijn. We gingen hiervoor met een kleine boot in het water. Het was hard werk : wij hadden in de boot 4 houten palen. De ene moest de paal recht houden met een zak er op, de luitenant sloeg er met een ander stuk hout op en dan moesten we er met twee man de prikkeldraad rond bevestigen. Wij deden dit opdat de vijand ons in het donker niet zou overvallen met boten.

Er lag een Duitse majoor doodgeschoten tegen de rand in de gracht met zijn paard .


63 - DE WINTER 1915
Tussen de twee gevechtslijnen was het gevaarlijke niemandsland waar we 's nachts soms op verkenning moesten.
De winter van 1915 begon en er moest gewerkt en geschoten worden. De loopgraven werden gemaakt om er de winter in door te brengen. Wie niet sterk was en op zoek ging naar eten en stro was meestal verloren. Sommigen verwondden zich of vielen ziek en wij zagen ze nooit meer terug aan het front.
65 - MIJN MAAT VLUCHT NAAR FRANKRIJK
Ik was daar met een maat uit St. Genesius Rhode op zoek naar eten in het dorp Pervijze. We maakten beide een put om in te zitten. Ik bracht stro mee maar hij bleef maar zoeken in het huis van een boer die haver kwam halen voor zijn paard. Mijn maat had niet gezegd dat de boer onder de haverkist had gezocht. Bij dageraad vond ik hem niet. Hij had de zak geld die de boer eronder had verstopt, meegenomen en was in burgerkledij naar Frankrijk gevlucht zoals vele burgers.
Ik zat daar weer alleen in de put. Na een tijdje moesten we terug van plaats veranderen maar alvorens naar een andere sector te gaan, kregen we enkele dagen rust. Het front zat vast en rust was welkom.
67 - OP ZOEK NAAR ETEN
Op een avond sprak ik af met soldaat de Stobeleer. We gingen samen naar eten zoeken en trokken de velden door. Dit was gevaarlijk want de Duitsers schoten achter het front alles stuk.

We kwamen aan in het dorp Lampernisse waar reeds veel mensen gevlucht waren. Door de deur van een bakkerij zagen we nog wat licht. Er kwam iemand open doen. Het was er ook een café. Die mens deed ons achter de tafel gaan liggen om te rusten en wilde nog brood bakken. Na middernacht kwam hij ons wakker maken en we kregen eten en bier. Het was al twee maanden geleden dat wij nog een glas bier gedronken hadden en dat smaakte. We kregen elk nog twee broden mee en moesten niets betalen want geld hadden we sowieso niet. Dan terug naar de oever van de Ijzer.


Toen we daar aankwamen had de commandant ons toch gezien en moesten we bij hem komen om uitleg te verschaffen. Maar toen hij het brood had geroken moesten we geen uitleg meer geven. Wij verdeelden ons brood en hij heeft zijn stuk brood zoals de andere soldaten als een razende opgegeten.


De commandant zag mij graag. Wanneer er iets op te knappen was moest ik erbij. Wanneer er niet te veel geschoten werd, trok ik soms op zoek om iets te vinden alhoewel het gevaarlijk was er alleen op uit te trekken want ingeval je ergens gewond raakte, was er niemand om te helpen.
Zo kwam ik in een boerderij waar alles was donker was. Ik zocht wat rond in een hok dat wat van de hoeve verwijderd stond. Daar vond ik een ketel gekookte aardappelen voor de varkens. Ik trok met de ketel naar de loopgraaf en het duurde niet lang voor de ganse ketel leeggeten was.

De companie noemde mij Poltje. Ik was niet groot, maar er zat wat achter. Ik ben nooit tijdens mijn soldatendienst gestraft geweest, tenzij omwille van onvrijwillige zaken. Daar ben ik altijd fier op geweest.


71 - DIKSMUIDE
Men begon langzaam vast te zitten achter de Ijzer. Het werd een loopgravenoorlog.

De sectoren waren verdeeld en de derde divisie had zijn deel te verdedigen. De divisies stuurden hun regimenten, ieder om beurt, naar de gevechtslijn.


De derde divisie werd geleid door Luitenant-Generaal Jacques de Diksmude. Hij was Majoor toen de slag om Diksmuide begon maar door zijn gedrag en moed heeft hij de graad en titel gekregen. Een echte Belg, maar wij, de soldaten kregen niets – merci.
Velen van ons moesten veel hoesten wegens bronchitis. Onze divisie bevond zich meestal rond Diksmuide. Rond Nieuwpoort bevonden zich de Fransen en rond Ieper de Engelsen. Dat waren de punten die door de vijand het meest beschoten werden om langs daar door te breken naar Duinkerken, een Franse oorlogshaven.
Koning Albert had gezegd geen duim grond meer te lossen want het vaderland was niet groot meer.
Zo kwamen we in de dorpen Alveringem en Fortem voor de eerste maal om wat te rusten en om onze kleren te laten drogen in de zon. Wij moesten ons klaar houden om hulp te bieden als de Duitsers wilden doorbreken.

Het is ook daar dat ik een foto heb laten maken met een vriend Vaas uit de Limburg met de broek uit het magazijn van Diksmuide.


In mijn companie van het 11de linie regiment was de klas van 1913 met 82 man vertrokken in Hasselt en daar waren wij nog slechts met 15. Die foto heb ik nog (foto in bijlage).
Toen de oorlog begon in Luik waren er vier klassen in eerste lijn 1913 – 1912 – 1911 – 1910, de klassen van 9 – 8 – 7 – 6 waren van het 31ste regiment, het tweede van het 11de linie. Velen van onze divisie hebben de oorlog dus niet overleefd.
Toen ik vertrok woog ik 65 kilo en ginder woog ik er nog 42. De officieren en onderofficieren waren niet beter af want velen zijn op het slagveld gebleven. Dat was het resultaat van de gruwelijke oorlog.
En zo hebben we die vier jaar oorlog gevoerd voor het plezier van de gelddieven en verraders, zodat zij de moordtuigen konden maken en verkopen. Wij mochten als kanonnenvlees dienen.

Na de tweede wereldoorlog bestuurden sommige van deze heren ons land. Zij strijken het duur verdiende geld van de werkmensen op.


75 - LE BOYAN DE LA MORT - DE DODENGANG
Daarna moesten we alweer naar Diksmuide, naar de gevaarlijke sector van de Dodengang. Het was één der gevaarlijkste plaatsen van de Belgische sector en het Belgische front. Dat was daar geen kinderspel. De Dodengang had zijn naam niet gestolen. Wanneer je daar levend uitkwam, mocht je de lieve Heer danken. Wij hadden toen Commandant Tieleman van de kanten van Tienen, geloof ik, een brave vent. Onze Commandant Lequeux was Majoor benoemd.
Die loopgracht bevindt zich links van Diksmuide naar Nieuwpoort.

Indien ik mij niet vergis heb ik die sector driemaal bezet. Gedurende één nacht heb ik de voorpost bezet over de Ijzer. Als postoverste met 6 man, trekken ze je 's nachts over de Ijzer op een vlot gemaakt met tonnen. Men bevond zich dan op slechts 10 meter van de Duitse posten. Wanneer ze iets hoorden gooiden ze 2 granaten en men lag in de Ijzer.


Om drie uur 's morgens begonnen de Duitsers de Ijzer en onze verdediging te beschieten met kanonnen, mitrailleuses en landbommen.

Dat waren ketels van zo een 100 kilo gevuld met van alles en wanneer zo een ding ontplofte op een vijftal meters van waar je je bevond en er kwamen er veel, dan moest je goed opletten en roepen tegen de mannen : "opgepast links en rechts". Dat duurde zo tot 11 uur in de voormiddag. De oever van de Ijzer was wel 2 meters verlaagd, en ik was zeker ook 20 cm kleiner geworden van de schrik.


Stel u voor : een bombardement van 8 uren aan één stuk, met honderden stuks van verschillende maten, wat voor een gedonder dat is. Veel soldaten werden neergeveld.
De vijand had daar onze rangen nogal uitgedund en we moesten naar de sector van Stuivekenskerke en Oud Stuivekenskerke.
Naar die voorposten moest men door het water. We moesten een bussel hout in het water werpen om er door te geraken want voor die sector waren er geen laarzen of schoenen. Daar kreeg ik een kogel in mijn hals van een Duitser die achter een boom verscholen zat. Al mijn haar was afgebrand. Het ging toen heel slecht met het Belgische leger. Onze commandant Tielemans zei altijd dat men ons zou komen aflossen maar er kwam niemand.
In die sector waren we met vier man in een kleine schuilplaats. Je mocht je niet laten zien of horen of de Duitsers schoten alles stuk. Een van onze mannen was toch naar buiten gekropen om te plassen, maar op hetzelfde ogenblik begonnen de Duitsers onze post te beschieten. De arme man viel op mijn rug en de drie andere waren gewond. Onze man moest niet meer plassen.
83 - SECTOR CHATEAU DE VICION ?? VOOR HET EERST IN HET GAS
Daarna trokken we naar de sector van de Château de Vicion???.

De grote wacht bevond zich op de spoorweg van Diksmuide naar Nieuwpoort en de voorposten in het water. We moesten erheen op bruggetjes gemaakt door de Genie van het leger. Ik denk dat het in de zomer van 1916 was. Het was nogal een rustige sector. Daar hebben we voor de eerste keer in het gas gezeten.

We hadden al iets gekregen om voor de mond te houden. Het gras in de omgeving was er verbrand tot tegen Veurne over 3 kilometer en dat gif bleef in de longen zitten.

Sommige jongens hadden zich in putten van obussen gewassen waar het gas in zat en werden gans verbrand.

Op een nacht kwamen we er toe en op de post die we moesten betrekken waren juist zes jongens doodgeschoten. De stukken lichaam lagen er nog in. Dan ben je er niet graag bij.
Er was nog zo een gevaarlijke post in die sector. Het was vroeger een café In 't Snoeksen ???. In het midden van het water bevonden zich nog wat stenen die boven water staken en daar moesten wij ons bij dag achter verstoppen.
85 - WAT LEVEN ACHTER HET FRONT
We moesten steeds meer achteruit. Het leven leek normaal geworden : de boeren werkten op het veld, de cafés en de winkels deden goede zaken met de "mannen van achteruit". Ze waren in dienst van het leger maar verkochten de helft van datgene waar de soldaten van eerste lijn recht op hadden. Daarmee konden ze dan de "grote Jan" uithangen bij de meisjes. Wanneer wij uit de loopgraven kwamen, deden ze de deur dicht, we kregen nog geen glas bier. "Ze zitten vol luizen" zeiden die mannen tegen de burgers en daarmee waren zij de baas. Wij hadden geen geld en zij wel.

Zij hadden ons vlees en onze koffie verkocht om te drinken.


Zo duurde de oorlog voort in het voordeel van de "embusqués" (de mannen van achter het front). Wanneer die mannen, na de oorlog, terug kwamen waren zogezegd zij het die alles gedaan hadden en wij niets.

De zogezegde grote invaliden hadden de Ijzer niet eens gezien.


Wij moesten nachten van 13 uur doorbrengen in de regen, de sneeuw, de bombardementen, met honger en slecht gekleed, zonder vuur, nooit een vriendelijk woord. Wij waren toch ook mensen, jonge mensen, die aan het verwilderen waren.
Indien ik mij niet vergis was het in de winter van 1916-1917 dat ze ons eens cognac gaven, een feest voor 30 à 40 man, maar in de fles was koffie in plaats van cognac. En dan maar vloeken en hoesten want velen onder ons hadden bronchitis. Maar we kloegen niet want het was oorlog.

Ik was eens in een pak stro gekropen als een ziek dier omdat ik een soort griep opgelopen had. Twee makkers kwamen dicht bij mij liggen om mij te verwarmen. De dokter kwam en gaf mij een briefje. Het was een rexist die in Dilbeek woonde na de oorlog.


Ik schrijf dikwijls "wij" omdat men aan het front heel weinig alleen was.
Ik denk dat het in 1916 was dat wij rust kregen in De Panne. We hadden ons zo veel mogelijk gewassen en drie weken soldij getrokken (13 BF voor 3 weken in de loopgraven). Wij dachten allen een pintje te gaan drinken maar alles leek gesloten. Voor de deur van de cafés een bericht met "geen bier meer" of "het vat is af", maar de mannen van achter het front zaten wel binnen.
89 - GEEN BIER VOOR DE MANNEN VAN DE LOOPGRAVEN
Maar in Hotel Ter???? in De Panne (het bestaat nog geloof ik) waren jagers te voet toch binnen geraakt en wij er achterna. Al die "schone" officieren waren rap weg en de baas gaf ons te drinken en vroeg vriendelijk zijn boel niet stuk te slaan.

Zulke avonturen schrijven ze niet in de kranten of dit komt niet op televisie omdat de journalisten juist die gaan interviewen die nooit het front hebben gezien. Maar bij de soldaten van de Ijzer komen ze niet.


Tijdens de rustperiode in De Panne ben ik met een makker uit Moorslede de oogst gaan afdoen bij den Hensten, boer van Honschoten ??? voor 20 BF daags van 3.00 uur 's morgens tot 21.00 - 22.00 uur 's avonds (hard werken). We moesten mekaar rechttrekken 's morgens maar we hadden veel over om enkele frankskes te verdienen.

We hadden ook zin om eens iets anders te eten dan altijd dezelfde legerkost.

Terug aan het front moesten we de grond van de loopgraven in zakken scheppen waarachter we ons verdedigden, sliepen en zelfs in woonden. De zakken werden gevuld met alles wat we opgroeven, zelfs hoofden, benen en armen, alles moest de zak in.

Aangezien het reeds zo lang geleden is, is de volgorde van alle beschreven gebeurtenissen misschien niet steeds juist.


93 - DE AANEENGEVROREN SCHOENEN
Het was in de winter van 1916 dat het zo hard vroor. We moesten altijd met alles aan liggen of slapen, in verlaten huizen of stallen die stuk geschoten waren. Wanneer we moesten vertrekken waren onze schoenen aaneen gevroren en moesten we ze eerst uittrekken en van mekaar kappen met de spade.
95 - MET BRONCHITIS IN HET VARKENSHOK
Ik had een bronchitis opgelopen en moest gedurende 3 weken in een varkenshok slapen in Steenkerke.

Mannen uit de loopgraven, met hun vriendjes de luizen, mochten niet in het ziekenhuis. De gewonden wel want die kon men toch niet laten liggen op stro.

Na die periode had ik toch nog wat geluk en mocht ik met verlof naar Parijs gaan in een instelling die gehouden werd door Belgen die in Frankrijk woonden.

De jongens die geen familie hadden mochten daar voor enkele dagen in ziekenverlof.


Het was gelegen op de Boulevard St. Germain dicht bij de kerk St. Germain, in een groot restaurant. Dan was men er graag bij maar aangezien ik geen cent had kon ik niets kopen.
97 - BULSKAMP
Het was al 1917 en we kregen veel andere officieren. Onze kapitein was Kastelein en de officier van het peleton was Stordeur??? die in 1915 nog bij mij geslapen had wanneer hij voor het eerst aan het front gekomen was.

Hij wist toen helemaal niet hoe het er aan toe ging aan het front. De kapitein had hem gezegd over mij als oude loopgravenrat :" neem die bij u, da's ne goeie".

Ik was dikwijls op patrouille met Stordeur, maar wanneer wij achter het front waren, was hij niet slecht voor mij. Overal waar hij sliep mocht ik ook een plaats hebben hetgeen goed was voor mij want dan moest ik niet meer in varkenshokken kruipen. Het was daar dat men luizen kreeg.
We waren eens in Bulskamp gecantonneerd en Stordeur had zijn soldij getrokken. Op een zondagnamiddag kwam hij mij halen om met hem een pint te gaan drinken in een nogal mooi café waar niet veel soldaten kwamen maar meestal onderofficieren. Hij vroeg daar twee glazen Engels bier, goed en duur. Wij bleven maar zitten en pintjes drinken tot zijn soldij op was. "Nu gaan we slapen" zei hij "want morgen moeten wij naar een slechte sector en daar moet men geen geld hebben".
Ik heb daar ook wat in de keuken van de officieren geholpen die zich bevond bij een kleermaakster Germaine, brave mensen. De kok was met verlof naar Argenteuil boven Parijs bij zijn ouders. Dat waren vluchtelingen van Ieper. Ik ben er ook eens met hem in verlof geweest.

De keuken van mijn bataljon was dicht bij het front en daar waren de mensen goed voor ons. Zij zagen en wisten wat een lijdensweg wij daar hadden.


In Bulskamp heb ik ook geslapen op zolder boven een café van de familie Maartens. Ik mocht in het bed van één van de zonen slapen. Daar waren, indien ik mij niet vergis, vier zonen soldaat. Wanneer je dat voor hebt in één familie is het niet om te lachen.

101 - MET VERLOF IN CHARMERANDE ??


Ik ben ook met Maurice F??? in verlof geweest naar P???? Charmerande ??? Daar was één van zijn zussen heen gevlucht. Het was een mooie, vruchtbare streek met veel druiven en zeer weinig bevolkt. Er waren 40 huizen, evenveel jachthonden en veel bos. De burgemeester deed er alles. We kregen elk een geweer en wel 10 honden om mee op jacht te gaan en moesten gedurende 3 uur door het bos stappen alvorens aan een huis te komen om te rusten en te eten. Daar was de jachtwachter van het domein van de parochie. In een straatje verder heb ik nog een foto laten maken als aandenken.
Maar mooie liedjes duren niet lang. Daarna moest ik terug naar de vuile loopgraven en de luizen waar ik constant moest oppassen dat ik niet kapot geschoten werd door de vijand. Wanneer men eenmaal het leven achter het front had geproefd dan ging men niet graag meer terug naar de onzekerheid en de dood.
103 - ZAKKEN VULLEN
De ene nacht namen de Duitsers een post in, daags nadien namen wij een post in. Hetgeen overdag kapot geschoten was moest 's nachts hersteld worden onder een regen van obussen. Daarvoor moesten we met twee 100 zakken met aarde vullen en was er geen, dan moest je er maar zien te vinden. De doden die in het water terecht gekomen waren moesten er ook in.

Zo moest je maar blijven voortdoen tot je niet meer kon of afgeschoten werd. Tachtig soldaten op honderd liggen in Frankrijk begraven omdat ze te lang aan het front moesten blijven.


Ik heb het lang kunnen uithouden omdat ik al mijn soldij besteedde aan voeding. Wanneer ik uit de loopgraven kwam ging ik mij eerst wassen en dan maar eten als er was. Al mijn ondergoed uit en naar de beek om te wassen en wanneer nog iets overbleef van mijn soldij ging ik bij de boer een liter melk kopen en een stuk chocolade die ik in mijn eetkom stak. Ik maakte een put om vuur in te maken en hield de gamel erboven zodat ik chocolademelk had.

105 - WULPEN - DE ENGELSEN VALLEN AAN


Op een dag vond ik enkele Duitse kogels in mijn rugzak. De vijand had een aanval uitgevoerd. Ik lag op mijn buik met de ransel boven het hoofd. Zo waren de kogels in de ransel blijven steken.
In april 1917 deden wij de sector Pervijze, denk ik, en de Engelsen gingen aanvallen.

Op enkele dagen tijd hadden ze in de velden bij Wulpen een heel dorp opgericht en in elk huisje zat een dik kanon. Ze begonnen de Duitse lijnen te beschieten gedurende 8 dagen en nachten. Men kon elkaar niet verstaan van het gebulder.


Op een avond kregen wij de opdracht gans vooruit te trekken want de Engelsen gingen aanvallen. Een gans bataljon Engelsen trok vooruit maar weinigen van hen zijn teruggekeerd.
Het was in die sector dat ik eens te meer geluk gehad heb. Ik moest aflossen in de keuken van de officieren. De compagnie was nieuwe loopgraven aan het maken en ik moest wachten tot de officieren kwamen eten maar niemand kwam. Ik stond buiten te kijken.

De Duitsers hadden de Engelse kanonnen gevonden en schoten alles stuk wat nog recht stond. Het hele dorp Wulpen was leeggelopen. De bewoners waren in de velden gevlucht.

Een bakkersvrouw vroeg mij of ik durfde meegaan met haar naar de bakkerij. Ze haalde er een zak vanonder de oven en vluchtte weg. Het was een hele zak geld en ik stond daar dan. Nadien kwam ik langzaam terug naar de keuken maar opeens sloeg een obus in. Ik was tegen een stenen hok gaan staan maar toen ik terug bijkwam lag ik 20 meter verder in de gracht. Ik had enkele kneuzingen opgelopen en ging niet meer terug.

Ik had er wat van alles verzameld : sigaretten, dozen melk, zeep maar anderen hebben mij alles terug ontstolen.


109 - MERKEM
Ik ging terug op zoek naar mijn compagnie. Na enkele dagen moesten wij en de ganse 3de divisie naar Merkem, dichter tegen Ieper. De Fransen en Belgen hadden de Duitsers daar teruggedreven maar de Duitsers wilden het verloren terrein terug innemen. Wij mochten geen meter toegeven. Het was een slechte sector. De grond was er wel tien keer omgedraaid door de kanonbeschietingen.

We moesten met de ganse compagnie aan een zeel geleid worden om de weg te vinden en indien je de koord durfde lossen, was je verloren want je verdronk in de putten met water.

We moesten schuilen in de Duitse betonnen schuilplaatsen die veroverd waren. Deze "abris" waren bijzonder goed en sterk gemaakt. De vijand zat nog in één van dergelijke "abris" en we moesten ze eruit halen.

Een luitenant moest er 's nachts met enkele mannen op uit maar de Duitsers kwamen niet uit de schuilplaats. Er werden dan brandende vuurpijlen geschoten in de gaten van waar ze ons beschoten. Dan ging de deur wel open en een Duitse officier en 20 manschappen kwamen er uit.

Wanneer we ze bij de commandant brachten zei deze "Jaag er een deel van terug want ze komen ons eten opeten".
Toen was er veel beweging aan het front aan de Noordzee van Nieuwpoort tot aan de Franse grens.
We waren allen zenuwachtig. Ik moest naar de inspectie voor een broek die ik had aangevraagd om in verlof te gaan. Ik had van luitenant Stordeur een broek gekregen die niet paste. Toen het mijn beurt was zei de majoor "montrez moi ça".

1   2   3


Dovnload 164.2 Kb.