Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De grote oorlog 1914 1918

Dovnload 164.2 Kb.

De grote oorlog 1914 1918



Pagina3/3
Datum05.12.2018
Grootte164.2 Kb.

Dovnload 164.2 Kb.
1   2   3

Ik nam een broekspijp in elke hand en scheurde de broek in twee stukken. "Huit jours de cachot" riep de majoor en ik mocht gaan zonder broek. Ik ben dan toch niet gestraft geweest maar kreeg geen soldij gedurende 8 dagen.


113 - DE AANVAL OP DE POST IN MERKEM
De sector van Merkem was bijzonder slecht.
Op een nacht hadden de Duitsers de ganse sector aangevallen. Met de accordeon voorop waren ze aan het zingen. Ze waren allemaal dronken van schnaps te drinken.
Ik werd toen met een Limburger, Bonnen, als luisterpost helemaal vooraan gestuurd. We zaten in een put van 1 meter diep en een halve meter breed, juist groot genoeg om er met twee in te zitten. We zaten tot onze knieën in het water. Bonnen wilde gaan lopen maar ik zei hem dat de Duitsers hem dan zouden doodschieten en dat we beter in onze put bleven.

We hadden ons geweer en twee kratten granaten met 12 granaten in elke krat. We hoorden de Duitsers zingend naderen "Unser Vaterland muss grösser sein". Ze ploeterden door het water. Ik vroeg aan mijn maat de granaten aan te geven en begon te werpen. Toen werden van op onze post vuurpijlen geschoten. Wij wierpen de 24 granaten. Er lagen veel doden en gewonden in het water maar ook wij hadden die ene nacht 16 doden op twee posten waar de Duitsers doorgeraakt waren.

Dankzij de granaten die mijn maat Bonnen en ik gegooid hadden was onze post vrijgebleven. Wij zijn daarvoor nog gedecoreerd geweest en op de orders geweest ???

De luitenant had er een grote felicitatie voor gekregen en wij nog een slok cognac van de kapitein.


Zo werden we eens aangevallen 's morgens toen het begon te dagen. We zagen de Duitsers buiten hun lijn komen en met enkele mannen riepen we dat ze moesten komen. Het was al middag alvorens er een kwam. Het waren Oostenrijkers en die waren het beu bij de Duitsers.
117 - DRIE UREN STAPPEN OM TE MOGEN RUSTEN
Nadien werden we afgelost en mochten we op rust naar Westvleteren of Oostvleteren, zo juist weet ik het niet meer, maar het was drie uur ver gaan alvorens het kantonnement te bereiken. Dat was onmenselijk want we hadden zes dagen en nachten buiten gelegen in de kou onder het vuur van de vijand en dan moesten we 's nachts nog eens drie uur ver te voet gaan, met de soldatenzak die ongeveer 7,5 kilo woog. We zagen er niet uit.
Na enkele dagen rust moesten we terug naar Merkem. De derde divisie moest daar blijven want de Duitsers wilden doorbreken en er mocht geen meter terug afgestaan worden.
Zo kwamen we op onze post "Les Deux Lucarnes" genaamd ???.

De Duitsers hadden links van ons vooruitgang geboekt tot een kilometer achter ons front. Het was aan ons. We waren al twee posten kwijt. We werden toen gecommandeerd door een luitenant van de artillerie.


De Duitsers waren dicht genaderd en ze hadden reeds enkele keren naar mijn hoofd geschoten wanneer ik boven de loopgraaf uitkeek. Ik trok erop af met soldaat Leon Impens van Lokeren, een goede.
121 - DE DUITSERS HEEL DICHTBIJ
We waren nog maar tien meter van de loopgraaf in een obusput gesprongen of er vlogen plots kogels juist naast mijn helm. Ik zei tegen Leon "Oppassen jong, die zijn dichtbij". Ik stak mijn helm op een stok boven de put uit en er vloog onmiddellijk een kogel door. Terzelfdertijd kwam sergeant Mannen bij ons. Hij stak zijn hoofd boven en kreeg een kogel in het gezicht en was op slag dood. Brancardier Van der Gooten wou hem komen halen en kreeg een kogel in de schouder, een dum dum. Dat zijn kogels die stuk springen en een groot gat maken. Op dat ogenblik zie ik in een put voor mij het geweer van de Duitser en schiet er op.
Daarna moesten we de dode en de gewonde op de buik meetrekken tot achter de loopgraven en de luitenant inlichten dat de Duitsers dichtbij waren. Maar die zat in een goed beschermde schuilplaats en bleef daar zitten.

Luitenant Stordeur die geen schrik had, met een adjudant, een goede, en nog enkele mannen, gingen er op los, bajonet op het geweer, maar de Duitsers in die put vertrokken niet. De adjudant duwde de bajonet door de vest van één van hen. Ze moesten de handen in de lucht steken. Er zat een Duitse majoor aan het eten met zijn ordonans. Ik had een stuk van de hand van de ordonans geschoten.

Het was een Belg van Oostende. Hij had onze sergeant gedood en de brancardier, een priester, verwond.

De Duitse officier was een slechte kerel. Ik sneed de epaulet van zijn schouder als aandenken. Al die stukken die ik kon verzamelen hebben de mannen van achter het front gestolen in de ziekenboeg van Passendale. Ik heb er nooit iets van terug gekregen.

Deze mannen zijn na de oorlog gaan pronken bij hun familie. Toen ik in 1919 in België terug bij mijn familie kwam had ik niets om te tonen, maar voor hen was alleen belangrijk dat ik nog leefde. De "embusqués" mochten het gestolen goed hebben maar het mooiste van al was dat zij de grote invaliditeit kregen. Voor ons - kleine soldaten - was er niets meer over want de kas was leeg. Dat was dan de blijk van erkentelijkheid.
125 - DE HONDENETERS
Het stond nooit stil aan het front. Steeds weer wilden de Duitsers er door en moesten wij ze terugduwen.

Ik had een jachthond die mee op post ging. Niet ver van de keuken was een kamp opgetrokken geweest met Afrikanen. Die hadden al de honden opgegeten en het vel hing te drogen op de draad. Ze waren daar om munitie te lossen, een gevaarlijk werk. Ik heb daar nog aan meegeholpen in het dorp Woesten.


Langzaam duwde het front vooruit en wij moesten richting Moorslede. Daar hadden de Fransen veel Duitse posten veroverd. Wij moesten in hun plaats de sector bezetten. Ik heb daar veel Franse soldaten zien liggen - doodgemaaid.
127 - HET GROTE OFFENSIEF
Tegen de avond kwamen we in dat platgeschoten dorp aan en we moesten er de ganse nacht blijven om op orders te wachten. Rond 4 uur in de ochtend moesten we vooruit. Het was nog donker want we waren al in de maand oktober 1918.

We kwamen aan in drie vers gegraven loopgraven. Ik zat in de eerste lijn. Maar een half uur later moest er een ander peleton in en wij in de derde lijn. Links en rechts werden we beschoten. De jongens die te veel schrik hadden, begonnen zichzelf te verwonden. Officieren noch soldaten waren gerust, er mocht geen woord gesproken worden.

Plots, om 4.55 uur begonnen de kanonnen te vuren op de Duitse lijn. De commandant zette zich op de loopgraaf klaar om de stormloop te bevelen en om exact 5.00 uur moesten wij vooruit, bajonet op het geweer.

Slechts 100 meter verder stond de prikkeldraad die door de Duitsers geplaatst was. Die was meer dan 100 meter breed en we moesten erdoor.

De Duitsers begonnen ons te beschieten met kanonnen en machinegeweren. Hier heb ik de grootste moordpartij van de ganse oorlog meegemaakt. Nochtans heb ik er veel meegemaakt, maar dit was niet te beschrijven. Ze mogen nu op televisie tonen wat ze willen of in kranten erover schrijven, maar dit benadert geenszins hetgeen daar gebeurde.

Op dat ogenblik waren er geen fotografen vooraan aan het front, misschien 5 kilometer daar vandaan wel.

Elke soldaat in eerste lijn had een spade, een bijl of een schaar om de prikkeldraad door te slaan.

We waren om 5.00 vertrokken uit de loopgraaf en om 11 uur waren enkele jongens en ikzelf 100 meter verder op de weg van Roeselare naar Kortrijk. We konden geen 5 meter ver zien van de rook van de kanonnen.

We stonden bij het dorp St. Eloois-Winkel. Er woonden nog burgers vlak voor de beschieting. We zagen er Duitsers met paarden die de kanonnen voorttrokken om stukken te gaan halen maar wij verplichtten hen voort langs onze kant te gaan.
We waren daar met zes, zeven man en een geheel Duits artillerie regiment gaf zich over, ze wisten niet beter.
Maar aan de prikkeldraad is de helft van onze mannen gebleven. Ze hingen er aan als wasgoed. Onze kapitein Castelein ?? is daar ook gebleven voor het vaderland.
133 - ONZE SOLDATEN LIGGEN DAAR GINDER IN DE MODDER VAN WEST-VLAANDEREN
We dachten allen "na dit offensief gaan we naar huis" maar de meesten zijn ginder in de modder gesneuveld. Daarom staat daar nu het standbeeld van de Onbekende Soldaat. Onder het standbeeld ligt een onbekende gesneuvelde soldaat, één van de duizende jonge, frisse boerenjongens en werkmensen die stierven in deze oorlog. Zonen van rijkelui waren er niet. Er liggen ginder in West-Vlaanderen zo veel jongens waarvan de familie niet weet waar ze hun zoon moeten gaan bewenen.

Die jongens hebben het recht om beweend te worden en niet veracht zoals de landverraders doen. Ze stoken oorlog voor hun portefeuille en geven niets voor degenen die er hun leven moeten voor geven.


Nu terug naar de baan Roeselare-Kortrijk. Er stond een café dat vol dronken Duitsers zat. In de tuin stonden grote flessen schnaps. We stuurden ze naar onze lijn en ze moesten meehelpen de gewonden dragen : we staken het geweer door een doek en met twee mannen moesten ze de gewonden meedragen. Daar hebben we veel geluk gehad. De Duitsers hadden ons kunnen doodschieten want ze waren met veel meer dan wij.
Daar heb ik een gans uur alleen gestaan alvorens er nog soldaten bij kwamen. Ik kroop in de put van een obus die juist was geschoten en zag er een jongen van ons regiment inzitten met de twee benen af en hij leefde nog.
135 - DE GROTE AANVAL
Het moeilijkste was eten en drinken te vinden. Wij hadden geen vertrouwen in de Duitsers uit angst voor vergiftiging. Mijn eten was op en toch moesten we vooruit want van achter het front kwam er toch geen hulp. De Duitsers zaten overal met de mitrailleurs.

We gingen in lijn, elke meter een man, rechtop. Wanneer de beschieting begon kropen we op onze buik verder. Ik sprong over een gracht en er kwam één van de Duitsers uitgekropen die ons van achter wilde beschieten. Onze officier wou niet dat we hem doodden.


137 - 139 - DE GEVAARLIJKE MOLEN VAN KORTEMARK
We waren tot bij de Molen van Kortemark gekomen waar nog Duitsers in zaten. Daar hebben we veel jongens verloren.

Ik lag er met mijn hoofd achter mijn zak en de kogels vlogen zo maar voor mij in de grond. In mijn eetzak staken er ook.

Men moest God danken want daar had ik wel 100 kogels in mijn hoofd kunnen krijgen.
Toch week de vijand langzaam achteruit. Met het vallen van de avond kwamen we achter een baan die naar een hoeve leidde. We zouden er de nacht doorbrengen. Elkeen moest een beschutte plaats zoeken. Ik ging aan de officieren zeggen dat ik in de hoeve naar eten ging zoeken en zien of er geen Duitsers waren.

Langzaam naderde ik de hoeve, bajonet op het geweer, loerend en luisterend. Langs achter kwam er toch wat licht door een venster en ik hoorde Vlaams spreken. Ik klopte met het geweer op de deur en vroeg aan de bewoners of er nog Duitsers waren. “Achter de spoorweg Roeselare- Menen” zeiden ze. Ik dreigde ze dood te schieten indien het niet juist was. Het rook er naar vers brood dat ze gebakken hadden toen de Duitsers de hoeve verlaten hadden. Ik kreeg een brood en stuurde er de officieren heen. Die mensen maakten voor ons wat koffie van gebrand graan alhoewel zij ook niets meer hadden. De Duitsers hadden alles meegenomen.


141 - DE SCHIETPARTIJ AAN DE SPOORWEG
Na die nacht gingen we vooruit richting Lendelede. Ik zocht met nog twee makkers rond een huis waar de Duitsers ons hadden beschoten. Ik duwde de bajonet door het stro en er kwam een jongen van onder gekropen. Hij weende omdat hij dacht dat wij hem gingen doodschieten. Hij was in burgerkledij maar was wel een Duitse soldaat. Hij sprak nochtans Vlaams van ginder en wees waar de Duitsers achter de spoorweg zaten.
Wij naderden langzaam maar wanneer ze ons zagen begon de beschieting. We hebben een ganse dag moeten wachten om erbij te geraken. Ze hadden met mitrailleurs een stuk uit de treinsporen geschoten van 1,50 meter. Er lagen honderden kogels bij. Dat was omdat ze achter de oever zaten en wij konden ze niet treffen.
In de verte zagen we het dorp Lendelede dat niet beschoten was. Er was een klein vliegplein dat aan de Leie paalde. De Duitsers hadden de spoorweg verlaten omdat ze misschien geen kogels meer hadden. We hoorden ook geen kanonnen.

De Duitsers vluchtten achteruit.... en de onzen kwamen niet. Die mensen dachten dat het beter was achter te blijven en niet te dichtbij het front, want nu de oorlog bijna gedaan was lieten ze zich liever niet meer dood schieten.

Nochtans zijn er toen bij ons in eerste lijn nog veel jonge soldaten gesneuveld om de "hoge heren" te bevrijden.

143 - DE PASTOOR VAN LENDELEDE


Alvorens wij Lendelede binnengingen, kwam de pastoor ons tegemoet gelopen met een hele hoop kinderen bij hem.

Zij zoenden ons en weenden van geluk omdat ze eindelijk verlost waren van de Duitsers die hen wijsgemaakt hadden dat wij alles afbrandden. Die mensen waren onvoorstelbaar tevreden. Maar intussentijd waren de Duitse vliegtuigen nog eens boven ons komen vliegen.

De pastoor wees ons twee cafés dichtbij het vliegplein aan waar de Duitsers met Vlaamse meisjes feestten. Wij gingen er op af maar de deur was gesloten. We klopten op de deur met ons geweer en een vrouw opende. Wij vroegen naar de meisjes maar ze zei dat er geen waren. Wij geloofden haar niet en zeiden dat we ze dood zouden schieten.

Toen ze dat hoorden kwamen er al drie zenuwachtig en wenend uit hun schuilplaats gekropen met de armen in de lucht.


Alvorens we vertrokken, hadden we overeengekomen dat van al degenen die met de vijand hadden meegedaan, we het haar zouden afknippen.
Het was de eerste keer dat we vrouwen zagen die met de vijand hadden meegedaan en hun eigen volk hadden verraden. De ene soldaat moest ze vasthouden, de andere sneed het haar af met een schaar die niet sneed. Ze huilden nogal en de bazin wou ons alles geven wat we wilden. Omdat zij met Duitsers leefden, hadden zij alles. Wij wilden echter niets.
147 - GEVECHT AAN DE LEIE
We naderden de oever van de Leie. Het was al namiddag en ik moest het 9de linie regiment opzoeken om in verbinding te blijven en trok het vliegplein over. Ik maakte een put om wat te rusten en te eten wat we meegekregen hadden. Van daaruit kon ik

goed zien in de richting Ingelmunster, maar achter mij stonden enkele huizen en ik dacht er iets te zien bewegen. Ik ging er naartoe en zocht alles af tot ik aan de kelderdeur kwam. Daar hadden zich burgers verstopt.


Ze zeiden dat de Duitsers over de Leie waren maar ik was nog niet buiten of de Duitsers begonnen te schieten met kleine kanonnen van in een klooster dat niet ver van de Leie stond. Ik heb toen Duitsers en mannen op de koer gezien. Misschien was dat om de Duitsers te beschermen.
Tegen de avond ging ik op zoek naar de compagnie van het 9de linie regiment maar vond niemand. Ik moest bij de luitenant blijven met zijn ordonnans tegen een klein huisje en ons daar ingraven. Er was nog een oude man in zijn huisje gebleven die niet weg wilde.

Hij had een geit en een dik konijn dat hij ons vroeg te doden om te eten maar de Duitsers waren dichtbij en hadden met gasbussen geschoten.

Men kon niet lang met het masker aan blijven.

Ik had overdag al wat rapen gegeten van de dorst maar die waren waarschijnlijk ook besmet geweest met gas want ik ben er ‘s nachts heel ziek van geworden. Gelukkig kwamen de Engelsen ons aflossen of ik lag zeker nog in de modder aan de Leie.


153 - 155 - NAAR HET ZIEKENHUIS
We zijn dan toch tot het dorp St-Eloois-Winkel geraakt waar ze mij gevonden hebben en naar Passendale gevoerd. Er waren daar veel zieken en gewonden. We kwamen terecht in een tent van de Engelse luchtmacht. België had niets en moest oorlog voeren in plaats van de kleine andere landen. Neen, de heren van België wilden groot zijn maar het was de kleine burgerjongen die moest vechten en zich laten doodschieten. En erger nog, er waren geen dokters of verpleegsters, en geen plaats om de zieken, gewonden of doden onder te brengen.
Omdat er geen verzorging was en geen voorzorgen genomen waren, lagen de zieken en gewonden overal.

Ik was toch nog van Passendale naar Geens ?? geraakt. Ze hadden een deel van de zieken en gewonden weggevoerd naar Calais, maar daar lagen ze wel twee dik in het station.


Met een karretje getrokken door twee paarden kwam men enkele mannen weghalen. Ik kon nog gaan en mocht mee. Ze vroegen mij of ik griep had en ik mocht vanachter op dat karretje zitten. Zo kwam ik in Geens?? terecht. Daar lagen honderden zieken met griep, een slechte ziekte die meer op leek op cholera. Wij lagen daar in houten barakken en de doden werden de ene na de andere buiten gedragen.

Ik lag tussen een rijkswachter en een kanonnier, een jongen uit Luik die vroeg aan de dienstdoende van de kamer een brief te schrijven aan zijn ouders. De dag nadien was hij dood.

De rijkswachter die ook niet veel meer bewoog, had nog een brood in zijn broodzak steken waarvan ik gegeten heb.
Er was juist een soldaat van Itterbeek begraven die ik goed kende, Emiel Choliers. Hij was bij de lansiers te paard.
Na twaalf dagen mocht ik er weg en naar Parijs om ginder verder verzorgd te worden. Ik kwam daar in een soort herenhuis terecht waar zeven à acht man waren.
Ik moest waarschijnlijk nog te ziek geweest zijn volgens hen want ze stuurden mij verder naar Valnoir ?? een gekkenhuis. Er was voor de jongens van de eerste gevechtslijn nergens plaats.

Het waren telkens die jongens die moesten plaats zoeken en dat na vier jaar oorlog.

Er waren veel zieken en gewonden maar dat hadden ze toch kunnen voorzien vóór de grote aanval begon.

Maar ja, het is altijd zo : nu na vijftig jaar dat de grote oorlog 14 -18 voorbij is, nu geven ze wat te zien en te horen maar dat is ook maar uit gegevens genomen want tijdens de grote veldslagen of gevechten kwamen geen fotografen.


De "hoge heren" kwamen uitleg geven over de grote oorlog in het nieuws, maar de soldaten die het hadden beleefd, daar durfden ze geen uitleg aan vragen. Ze moesten het lijden en de waarheid niet weten. Ze moesten de mensen dom houden om terug een andere oorlog voor te bereiden en we hebben hem gehad in 40 - 45.
159 - IN HET ZOTHUIS VAN VALOIR
En zo kwam ik in Valoir?? terecht. Er waren er velen die « gek » waren en ik deed ook alsof. Valoir ligt in de richting van de Somme.

Er was een Engels kamp waar men jonge Engelsen klaarstoomde om naar de loopgraven te gaan. Zij rookten goede sigaretten. Ik maar bedelen en ik kreeg er dan ook. Ik had altijd honger maar er was niet veel te eten. Ik heb daar kilo's beukennootjes gegeten. Het was het notenseizoen in oktober en november. Dat heeft mij helpen genezen.


Ik bevond mij daar in de volle natuur. Een boer had mij de weg gewezen naar het bos. Ik moest een stok meedoen want er waren everzwijnen en die zaten ginder ook noten te rapen.

Ik heb er ook nog wat confituur gekregen van de Engelsen.


Maar de 11de november, wanneer de wapenstilstand werd afgekondigd en er niet meer geschoten werd aan het front, waren daar geen « gekken » meer, maar allemaal « karottentrekkers ».

161 - IN DE BOIS DE BOULOGNE


Van daaruit ben ik naar de Bois de Boulogne gestuurd om uit te rusten. De oorlog was gedaan. De mannen van « achter het front » trokken naar huis en wij moesten ginder blijven, want de "embusqués" moesten toch de eersten zijn om te vertellen dat zij de oorlog gewonnen hadden.
Tijdens mijn ziekteverlof zocht ik toch iets te verdienen want ik had geen cent op zak. Ik mocht samen met een andere jongen in een vliegtuigfabriek gaan werken. Wij moesten er niet te veel doen.
Ik was er een dame uit Luik tegengekomen die daar was als vluchtelinge en moest met haar met een karretje rondrijden in de fabriek om de stukken van de werkmannen op te halen en naar een plaats te voeren waar niemand in mocht behalve die dame.

Ik kreeg 11 of 13 frank per dag en heb er 14 dagen gewerkt. Het was al lang geleden dat ik nog zo een som geld had verdiend.


Het maakte mij zeer gelukkig dat ik niet meer ganse dagen en nachten moest buiten staan en dat ik mocht teruggaan naar mijn familie in Dilbeek zonder al te veel gebreken. Ik was er graag gezien door iedereen en ik moet in het bijzonder mijn ganse familie danken die mij in mijn verdere leven veel geholpen heeft. Ik had genoeg moed, maar de grote kracht ontbrak soms.

Ik heb God dikwijls bedankt dat ik zo uit de moordende oorlog was gekomen.


163 - GARE DU NORD IN PARIJS
Men bracht mij naar de Gare du Nord in Parijs om terug naar België te reizen. Ik had er tijd om wat rond te kijken en zag een paar mooie schoenen in een winkel. De prijs weet ik niet meer maar ik zei aan de verkoopsters (het waren allemaal dames, de mannen waren ofwel gewond of gedood aan het front) dat ik maar 14 frank bezat en ik kreeg de schoenen. Zo had ik toch iets om mee naar België te nemen want daar was ook niets te krijgen.
165 - TERUG NAAR BELGIE
Eerst met de trein naar Adinkerke en van daar naar Leisele om al mijn zaken op te halen om het soldatenleven te herbeginnen. Al hetgene dat ik tijdens de oorlog bewaard had om aan mijn familie te tonen en te geven als aandenken, hadden de mannen van "achteruit" gestolen.
Wanneer ik terug het nodige had om mijn regiment te vervoegen dat reeds in Duitsland was, besloot ik om toch eens naar huis te gaan. Ik zocht een auto of trein naar België.
167 - TE VOET NAAR KORTEMARK
Ik vernam dat er in Kortemark treinen naar Brussel reden. Ik ging er 's nachts te voet heen en kwam er 's morgens na 3 uur stappen aan.
Er stonden daar treinen te dampen en ik dacht dat die toch ergens naartoe reden. Ik kroop in een wagen vol goederen en viel er vlug in slaap.

Ik werd wakker in Mechelen waar de trein stopte. Van daar te voet naar Brussel zonder eten of drinken. Ik bleef maar doorstappen langs de grote steenweg. Aan de mensen die ik zag vermoedde ik dat het zondag was want van dag of uur wist ik eigenlijk niets. Zo kwam ik aan in Brussel. Ik wou wel wat rusten en een tram nemen om dichter bij huis te komen maar ze reden niet want het was staking. Ik was verplicht te voet te gaan langs de steenweg op Ninove en kwam in Dilbeek aan rond 15.00 of 16.00 uur na een nacht en een dag zonder eten of drinken, maar ik had geen honger of dorst.


169 - DE TOCHT NAAR HUIS
Toen ik aan het café "De vetten os" kwam begon het door te dringen dat ik in Dilbeek was en er kwam iets van binnen dat mij begon te ontroeren. Ik begon te wenen want van veel deugd was er geen sprake meer. We waren te veel aan de miserie gewoon geraakt.
171 - DE THUISKOMST
Het was Gielen Trullemans die mij moet herkend hebben en die mijn familie verwittigd heeft. Hij kwam mij met mijn broer Dominiek tegemoet gelopen. Omdat de mannen die niet op het veld van eer waren gebleven reeds naar huis waren gekomen, dachten ze dat ik ook gesneuveld was. Het was niet te beschrijven : gans het dorp was te been omdat nog een verloren zoon teruggekomen was uit die verschrikkelijke hel. Alvorens het huis binnen te gaan, moest ik wat gaan rusten op de kant. In zulke ogenblikken zou men zijn geheugen verliezen. Nooit had ik gedacht de Kalenberg in Dilbeek waar ik zo van hield, terug te zien.
Mijn ouders herkenden mij niet meer want ik zag zo zwart en grauw als een Arabier en zij waren erg vermagerd.
Na twee dagen thuis ben ik de terugtocht naar Leisele begonnen : langs de steenweg op Gent met autostop. Een legerauto nam mij mee naar Gent, van daaruit naar Brugge en zo naar Nieuwpoort en Veurne, dan te voet naar Leisele.

Daar stond alles gereed om naar het kamp van Beverlo te rijden.

Toen ik daar aankwam moest ik naar de dokter die mij 6 maanden rust voorschreef in de dennenbossen. In plaats van naar huis te gaan en van het leger verlost te worden, moest ik echter op de treinen letten die de Duitsers daar achter gelaten hadden. Er zat van alle materiaal in.
173 - ZES MAANDEN ZIEKENRUST IN DE DENNENBOSSEN
Ik had mijn karabijn van voor de oorlog meegebracht om er eekhoorns te schieten voor een pels voor mijn zus Melanie. Ik had er al acht en moest er 12 hebben, maar men mag die dieren niet doden. Een opziener betrapte mij en ik moest ermee ophouden of ik vloog de bak in.
Een soldaat van Lokeren, Iimpens??? genaamd, die van onze compagnie was, zat op het kantoor van Luitenant Renders die van Hasselt afkomstig was.

Ze vroegen mij of ik daar wat wou helpen en dat deed ik gaarne als tijdverdrijf. Daar ik in ziekteverlof was in de bossen, mocht ik niet naar het regiment in Duitsland waar ik nochtans ook graag eens zou kennis gemaakt hebben met de vijand. Ik draag nog steeds de lasten van het gas dat zij gebruikten tijdens de oorlog.


Hoe lang ik daar gebleven ben weet ik niet meer maar uiteindelijk ben ik dan toch terug naar Hasselt mogen gaan om vaarwel te zeggen aan die zes lange jaren als soldaat.
Later is luitenant Renders kolonel van het 11de linie regiment geworden, een brave man. Ik heb er nog brieven van bewaard.
175 - HET VERLATEN VAN DE KAZERNE IN HASSELT
Het afscheid van de kazerne was zeer ontroerend : de officieren, onderofficieren en soldaten die bij het leger bleven weenden als kinderen. We hadden te veel samen geleden en er waren zo veel herinneringen.
Wij dachten dat het nooit zou veranderen en toch kwam er dat afscheid en de kans om een ander leven te beginnen waar ik God toch zo dikwijls voor bedankt heb.
U mag mij geloven : het doet heel raar wanneer men het burgerpak aantrekt en een ander leven moet beginnen. Men is die verplichtingen en bevelen zo gewoon dat men niet goed weet wat te beginnen.
177 - HET BEGIN VAN EEN ANDER LEVEN
Thuis deden ze alles om mij tevreden te stellen maar ik kont slecht wennen. Ik vond de moed niet om maar iets aan te pakken. Ik was 26 jaar geworden en stond daar als verloren in het leven. Ik werd wel geholpen door mijn familie maar ik droomde meer als wat anders en ik wou mijn ouders en familie niet uitbuiten. Mijn familie deed alles wat zij kon maar het was dat niet dat mij van binnen pijn deed.
179 - GEEN ERKENTELIJKHEID VOOR ONS
Men stuurt je als soldaat naar huis en je staart daar dan, de jonge jaren verloren en de gezondheid kapot. Je kan maar beginnen wat op de kosten van je familie te leven als je er nog hebt. Van sommigen was de familie uitgemoord door de Duitsers.
De mannen van « achter het front» die ons eten verkocht hadden om bij de vrouwen te zitten en de mooie heren die met de vijand hadden gedaan, die kregen een pensioen en wij een blikken medaille. Had mijn moeder het toegelaten, ik had al de medailles in het vuur geworpen. Het vaderland dat wij lief hadden en moedig verdedigd hadden lieten we nadien besturen door sommigen die zich tjdens de oorlog verrijkt hadden of met de vijand meegedaan hadden.
157 - EEN WEINIG "RECLAME"
Men zou moeten uitleggen in de scholen aan de jongeren wat zo een oorlog aan doden en verminkten veroorzaakt en de verraders voor de rest van hun leven in kampen doen aardappelen planten, dan hadden ze toch nog zo hun kost kunnen verdienen.

Maar nee, ze kregen de grootste invaliditeit en de beste plaatsen, kijk maar naar de oorlog van 40 - 45. De verraders hebben zich verrijkt. Ze hebben honderden jongens doen weghalen naar de Duitse kampen waarvan velen nooit meer van teruggekeerd zijn. Sommigen besturen nu ons stuk grondgebied. Het is niet meer nodig dat men nog België of vaderland schrijft. De verraders mogen toch de vlag in stukken scheuren of in brand steken. Wij Belgen hebben recht op niets.


183 - DE VERRADERS VAN HET LAND
Mensen die hun land niet beminnen horen in de gevangenis.
Nu ga ik maar ophouden. Als brave vaderlander die niet op de kosten van zijn medemensen heeft willen leven, en die met zijn wankele gezondheid nog jaren gewerkt heeft en belastingen betaald zodat sommigen in het buitenland de grote Jan kunnen uithangen. Kijk maar wat Congo ons gekost heeft. Dat heeft Spaak niet betaald uit zijn zak.
183 - MIJN OORLOGSMETER
Ik weet niet juist of ik in mijn schrijven gesproken heb van mijn oorlogsmeter of soldatenmeter. Dat waren vrouwen die het leven van de jongens aan het front wat verzachtten door wat nieuws te schrijven of iets te sturen, zoals handschoenen die ze zelf maakten of warme kousen voor de winter.

Het was luitenant Désiré Stordeur die ze mij heeft bezorgd. Haar naam was Aline Obij van Monpellier ?? maar ik heb later vernomen van de Luitenant dat ze bezweken is aan de Spaanse griep in 1918-1919.


Deze herinneringen heb ik zelf in 1964 - 1965 geschreven op de leeftijd van 72 jaar.

LOMBAERTS Paulus



geboren op 14 januari 1893 te Dilbeek


1   2   3


Dovnload 164.2 Kb.