Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De grote Zaligheid – Deel 1 Andrew Gray

Dovnload 121.13 Kb.

De grote Zaligheid – Deel 1 Andrew Gray



Pagina1/4
Datum14.10.2017
Grootte121.13 Kb.

Dovnload 121.13 Kb.
  1   2   3   4

De grote Zaligheid – Deel 1

Andrew Gray


“Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? Dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben.”


Hebreen 2:3
Jaargang 7 nummer 8 – juni 2005
Eerder uitgegeven preken van jaargang 7
1. De Wijnstok en de ranken! Andrew Murray

2. Grote blijdschap! George C. Hutton

3. Wat zal het getuigenis over u zijn? John Flavel

4. De liefde van Christus Octavius Winslow

5. Het lijden van Christus Horatius Bonar

6. De bloedvloeiende vrouw H.F. Kohlbrugge

7. Hebt u de Geest ontvangen? C.H. Spurgeon
Toelichting foto omslag: Op de foto spreekt voor zich. Met deze titel, ‘De grote Zaligheid’, willen we ons graag aansluiten bij Psalm 18:2, “De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek”.

Bronvermelding

Oorspronkelijke titel: Two sermons concerning the great salvation

Uit: The works of the reverend and pious Mr. Andrew Gray, late minister of the gospel in Glasgow

Uitgegeven door: John Robertson senior, for Alexander Weir, Bookseller in Daifley, Glasgow - 1762


De preek is vertaald onder verantwoordelijkheid van Stichting De Tabernakel
De originele preek is te vinden op onze website: http://www.tabernakel.nl
Vormgeving en druk: Drukkerij AMV, Lunteren

Voorwoord

Levensschets van de Schotse predikant Andrew Gray (1633-1656)



Het korte leven en de zeer korte ambtsperiode van Andrew Gray zijn in verschillende opzichten bijzonder te noemen. Hij was de jongste predikant ooit in de kerk van Schotland en heeft slechts een kleine tweeëneenhalf jaar als predikant gearbeid. Gedurende die tijd heeft hij een diepe en blijvende indruk achtergelaten. Zijn opgetekende preken werden na zijn dood uitgegeven. In godvrezende gezinnen gingen deze over van vader op zoon als een zeldzame schat. Ook in persoonlijk opzicht was Andrew Gray een opmerkelijk mens.
Zijn vader was Sir William Gray uit Pittendrum in Aberdeenshire, een bekwaam en succesvol man. Deze verwierf grote rijkdom in de handel en was verantwoordelijk voor een aanzienlijke verbetering van de internationale handelsbetrekkingen in die tijd. Sir William trouwde met Egidia, de zuster van Sir John Smith uit King’s Cramond, burgemeester van Edinburgh.
Andrew Gray werd geboren in augustus 1633. Hij was de vierde zoon en het elfde kind in het gezin van 21 kinderen van Sir William Gray en Egidia Smyth.). In zijn jeugd was hij levendig en speels. Eén van zijn neven beschreef hem tegenover de geschiedkundige Wodrow zelfs als ‘speelziek’, omdat hij alleen maar om pleziertjes en verzetjes leek te geven. Echter, door één gebeurtenis werd zijn leven plotseling ingrijpend veranderd.
Toen hij op een dag een wandeling maakte tussen Leith en Edinburgh, zag hij een zeer arme man, een bedelaar gekleed in een blauwe kiel, de weg aflopen een korenveld in. Andrew keek toe hoe de man neerknielde achter een grote steen en hoorde hem vervolgens ernstig bidden en oprecht zijn zonden belijden, op zeer indringende en geëmotioneerde wijze. Dit maakte diepe indruk op de jongen. ‘Hier heb je een allerellendigst schepsel, in zeer gebrekkige omstandigheden, voor wie het leven weinig meer dan een last is. En dan ik, die leef in overvloed en nooit enig gebrek of tekort heb gekend. Maar ik ben God, Die mij alle zaken vrijelijk geschonken heeft, nooit op die wijze erkentelijk geweest als deze arme sloeber, die nog geen tiende heeft van wat ik heb om God dankbaar voor te zijn!’ Dit eenvoudige voorval was het begin van een ander leven voor hem. Naar verluidt drukte het zeer zwaar op hem. Een oudere predikant die regelmatig omging met deze ‘speelzieke’ jongen, verwonderde zich over de grote verandering die zich in zo korte tijd voltrok in dit jonge leven.
Andrew Gray werd al op zeer jonge leeftijd toegelaten tot de universiteit van St. Andrews. Daar onderscheidde hij zich als een geniale student, ook in de Theologie. In 1651, nog geen 18 jaar oud, behaalde hij zijn graad. Ook tijdens zijn vervolgstudie Godgeleerdheid viel hij op door zijn bijzondere gaven en na slechts twee jaar studie werd hij in 1653 door de kerkenraad van Hamilton toegelaten tot het ambt van predikant.
Vanaf het eerste moment dat hij begon te prediken, werden zijn toehoorders getroffen door zijn vurige gedrevenheid en zijn bijzonder overtuigende manier van spreken. Ook in persoonlijke gesprekken met hem waardeerde men zijn ‘aangename ernst’. Iedereen had het gevoel dat deze jongeman door de Heere bijzonder gezalfd was. In het boek ‘Scots Worthies’ (‘Schotse geloofshelden’ – vert.) wordt hij beschreven als een tweede Simson, in wie Gods Geest al op zeer jonge leeftijd werkzaam was. Zijn bekendheid nam snel toe. Ook de gemeente van de Buitenste Hoge Kerk in Glasgow (onderdeel van de Schotse Presbyteriaanse kerk – vert.) hoorde van hem en nodigde hem uit om te komen preken. Al snel daarna, op 5 september 1653, werd hij door deze gemeente beroepen als predikant en op 3 november 1653 vond de bevestiging plaats.
Hij beschaamde de verwachtingen niet die men van deze veelbelovende jongeman als predikant had. Ook niet bij zijn vrienden en Gods volk. Hij was een vurig en helder stralend licht; door zijn prediking werden mensen wakker geschud, overtuigd en vermaand. En zijn jeugdige verschijning, in combinatie met zijn diepe ernst en grote, nooit aflatende oprechtheid, maakte zeer veel indruk. Het leek alsof God de kerk deze ‘jonge jongen’ had opgericht ter berisping van de gemakkelijke en achteloze houding van de gevestigde orde. Een oudere predikant, ds. Hutcheson uit Kilkellan, noemde hem ‘een vonkje van de hemel’. Nooit hoorde hij iemand met zoveel gezag spreken.
Hij was een begenadigd predikant. Niet alleen bezat hij de gave van het woord, maar ook wist hij met zijn preken een zeer brede groep mensen aan te spreken, variërend van hooggeleerde tot de meest eenvoudige mensen. Zijn altijd zeer warme en verrukte gelaatsuitdrukking raakte de harten van veel mensen. Maar ook zijn ernstige en indringende waarschuwingen voor Gods toorn raakten het geweten van veel mensen. Vaak zozeer, dat hun haren letterlijk te berge rezen. Hij was begenadigd in zijn kennis van diepe heilsgeheimen en tevens in zijn vermogen deze begrijpelijk voor te stellen aan minder bedeelden.
Toch maakte dit alles hem niet tot een wereldmijdend mens. Hij was juist vriendelijk en gezellig in de omgang en een beminnelijke vriend. Ook was hij een goede huisvader en een sociaal betrokken burger. Hij stond altijd klaar om de armen te helpen. Hij kreeg veel steun van zijn vrouw, een dochter van de predikant Robert Baillie uit Jerviswood, met wie hij op jonge leeftijd trouwde. Zij kregen twee kinderen, een zoontje William en een dochtertje Ruth, dat niet meer dan een paar maanden oud was toen haar vader overleed.
Volgens een van zijn tijdgenoten had hij een ‘vreemde’ stem, een eigenaardige manier van spreken die hij nooit eerder bij iemand gehoord had. Van anderen horen we dat zijn stem erg zwak was en dat hij zo zachtjes sprak, dat mensen de kerk uitliepen omdat zij hem niet konden verstaan. Om onder andere deze reden was ook niet iedereen het eens met zijn aanstelling, waaronder zijn schoonvader. Deze tekortkoming behoorde echter al spoedig tot het verleden. Naar verluidt was de aanleiding tot deze verandering een samenkomst in Kilkellan, waar hij assisteerde bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Daar had zich zo’n grote menigte verzameld om hem te horen preken, dat hij wel gedwongen was veel luider te spreken dan hij gewend was. En sinds dat moment had hij nooit meer problemen met zijn verstaanbaarheid, onder welke omstandigheden ook.
Tijdens avondmaalsdiensten werd hij vaak als het ware boven zichzelf uitgetild. Tijdens een zo’n dienst werd hij bijgestaan door ds. William Guthrie uit Fenwick en een aantal andere ambtsbroeders, want het was een zeer grote samenkomst. In de Buitenste Kerk had zich zo’n grote menigte verzameld, dat niemand meer bij de deur kon komen. Door deze grote mensenmassa raakten verschillende mensen onwel of vielen flauw en moesten naar buiten gedragen worden. Een van de mensen die gekomen waren om ds. Andrew Gray te horen, was wegens ruimtegebrek genoodzaakt naar de Binnenste Kerk te gaan, waar ds. James Durham de dienst leidde. Hier was het vrij rustig, totdat een groot aantal mensen binnenstroomde voor wie geen plaats meer was in de Buitenste Kerk van ds. Gray.
Temidden van al deze commotie ging Andrew Gray rustig en op allerernstigste wijze door met zijn dienst. Hij preekte over de welbekende tekst uit Matth. 22:4-5: “Alle dingen zijn gereed: kom tot de bruiloft. Maar zij zulks niet achtende ...”. Het was duidelijk dat hij door de Heere zelf werd gedragen en aangegord. Gods Geest was voelbaar aanwezig en werkzaam. De dienst was tot stichting van velen en menigeen bekeerde zich die dag. Een aantal van zijn avondmaalspreken is bewaard gebleven. Sommige toehoorders schreven de preek voor anderen op, zodat ‘zij die thuis bleven in de buit konden delen’.
Midden in zijn belangrijke taak en op het hoogtepunt van zijn populariteit werd hij geveld door een ziekte die zijn schoonvader omschreef als ‘een scharlaken koorts’ (mogelijk roodvonk – vert.). Korte tijd later stierf hij in Glasgow op 8 februari 1656, op 22 jarige leeftijd. Hij had slechts twee jaar en vier maanden als predikant mogen arbeiden. Maar de God van Johannes de Doper (de belangrijkste van alle profeten, die zelf maar zes maanden in het openbaar heeft gepredikt) heeft door middel van deze jonge dienstknecht in korte tijd veel grote werken willen doen.
Ds. Brown uit Glasgow hoorde Andrew Gray wel eens verzuchten: ‘Ach, wanneer zal de éénentwintig jaar van mijn minderjarigheid eindelijk voorbij zijn en zullen we deel krijgen aan onze weergaloze erfenis!’ Deze woorden waren overdrachtelijk bedoeld, maar het is wel frappant dat zijn wens bijna letterlijk is uitgekomen. Hij stierf in het jaar nadat hij meerderjarig was geworden. En toen mocht hij, zoals hij het zelf beschreef, ‘ophouden met bidden en beginnen met zijn eeuwige werk: Hem prijzen zonder ophouden’.
De uitgevers van zijn preken, ds. Trail en ds. Stirling, beschrijven de levendige en zoete herinnering die zijn naam bij velen opriep, vooral bij hen die hem persoonlijk hadden horen preken. Over de vurige pleidooien en uitweidingen in zijn preken zeggen zij het volgende: ’Zijn ziel zag zo verlangend uit naar de hemel en was zo vol van de liefde van Christus, vooral tegen het eind van zijn korte leven, dat hij zich nauwelijks kon inhouden of zijn gevoelens bedwingen wanneer hij over deze zaken sprak. Inmiddels begrijpen we dat dit vaak het gevolg was van de sterke invloed van Gods Geest. Deze wakkerde een groot vuur in hem aan, als een lichtend baken, dat slechts korte tijd mocht schijnen in Zijn kerk’.
Verschillende predikanten in die tijd geloofden dat de Heere met deze jonge predikant ‘een kind had geplaatst in het midden van Zijn wedijverende discipelen’.

Zijn hooggeachte ambtsbroeder ds. James Durham geloofde ook dat de Heere een bijzondere bedoeling met Andrew Gray had en hem daartoe op bijzondere wijze had toegerust. Hij voelde dan ook geen enkele afgunst voor de populariteit van deze jonge ambtsbroeder, die veel grotere menigten trok dan hijzelf. Hij verheugde zich slechts dat Christus en Zijn Koninkrijk aan zoveel mensen gepredikt mocht worden. Het was hem, zoals hij ook tegen Andrew Gray zei, genoeg zelf weinig of niets te zijn, als Christus maar alles in allen was. Deze predikant bekende dat tijdens de prediking van Andrew Gray ook bij hem de haren meerdere malen te berge waren gerezen. En hij verklaarde ernstig, dat het hem toescheen dat de Heere een doelbewust plan met zijn jeugdige ambtsbroeder had, namelijk om een schooljongen naar Zijn kerk te sturen als berisping voor de daar heersende luie onverschilligheid. Opdat ouderen met schaamte vervuld zouden worden, en jongeren met vrees.


Uit: The Christian Treaury, 1873 – A youthful ministry of the olden time, a sketch of Andrew Gray of Glasgow.

  1   2   3   4

  • Bronvermelding
  • Voorwoord

  • Dovnload 121.13 Kb.