Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Joodse Raad

Dovnload 6.36 Kb.

De Joodse Raad



Datum28.10.2017
Grootte6.36 Kb.

Dovnload 6.36 Kb.

De Joodse Raad
Na de Februaristaking oordeelde rijkscommissaris Seyss-Inquart dat de Joden ‘geen deel uitmaakten van het Nederlandse volk.’ Om die reden werd, ook al klopte dat niet, werd de Joodse Raad ingesteld, een orgaan dat tussen de Joodse gemeenschap en de Duitse bezetter stond. Professor David Cohen, een letterkundige, en de politicus Abraham Asscher waren de twee voorzitters van deze raad. Het had de illusie van Joods zelfbestuur, maar in werkelijkheid was de Joodse Raad volledig overgeleverd aan de wensen van de bezetter. Toch gaf het de Joden nog enige troost te weten dat er een organisatie was waar ze met hun vragen en twijfels naar toe konden.
De Joden werden meer en meer gescheiden van de rest van Nederland. Ze geen openbare functies meer bekleden, ze moesten hun bezittingen inleveren, ze mochten openbare gebouwen niet meer betreden, rituele slachting werd verboden en vanaf 3 mei 1942 moesten ze de gele Jodenster dragen. Deze werd geleverd door de Joodse Raad.
Er vonden vanaf 1941 steeds meer razzia’s plaats zoals die in februari in Amsterdam. Joodse jongemannen werden opgepakt en naar werkkampen getransporteerd. Het was voor de Duitsers slechts een tussenstadium dat moest leiden naar de totale vernietiging van de Joden.
Vanaf 1 juli werden de Joden systematisch afgevoerd naar Westerbork, dat als doorgangspoort diende richting de vernietigingskampen van Oost-Europa. De Joodse Raad kreeg de gruwelijke taak te selecteren wie naar Westerbork afgevoerd zou worden en wie niet. Asscher en Cohen waren de mening toegedaan dat het beter was met de Duitsers samen te werken, in de hoop dat het uiteindelijk allemaal wel mee zou vallen. Tegenstand zou leiden tot represailles. Zij selecteerden welke Joden van nut waren en welke dat minder waren. De laatsten werden het eerste gedeporteerd. Degenen die vrijstelling kregen, waren veilig. Voorlopig.
Tot halverwege 1943 hadden de vrijgestelde Joden nog de hoop het allemaal te overleven. Maar de systematische deportatie bereikte toen haar hoogtepunt, tot vrijwel alle Joden uit Nederland weggevoerd waren. Op 29 september 1943 werden de ambtenaren van de Joodse Raad afgevoerd, waaronder Asscher en Cohen, waarna de Raad ophield te bestaan. Zij zouden de oorlog overleven.
In totaal werden 107.000 van de 140.000 Joden uit Nederland gedeporteerd naar de vernietigingskampen van Oost-Europa. Ongeveer 25.000 doken onder. 8000 van hen werden later nog opgepakt en weggevoerd. Van alle gedeporteerden zouden slechts 5200 de kampen overleven.
Na de oorlog kreeg de Joodse Raad zware en vernietigende kritiek. Asscher en Cohen zouden slaven van de Duitsers geweest zijn en hen helpen geholpen om hun eigen hachje te redden. De geschiedschrijvers Loe de Jong en Jacques Presser (beiden zelf Joods) hebben voor een belangrijk deel het beeld over de Joodse Raad beïnvloed. David Cohen zelf zou na de oorlog beweren niet te hebben geweten dat de gedeporteerde Joden vergast zouden worden. Hij en Asscher dachten door mee te werken de schade te kunnen beperken.
Wat kan de Joodse Raad kwalijk genomen worden? Het is niet waar dat Asscher en Cohen niets wisten van de plannen van de Duitsers de Joden te vernietigen. Op basis daarvan kun je concluderen dat ze willens en wetens de Joden hebben laten afvoeren. Maar wat kon de Joodse Raad wel doen? Tegenwerking zou leiden tot represailles, dat is waar. Door sommige vrijstelling te geven van deportatie, hoopten ze deze groep te kunnen redden. De anderen werden opgeofferd. Het was een kille rekensom, maar één die past in het systematische karakter van de Holocaust. Het was een ijdele hoop die Asscher en Cohen hadden, maar het was het enige dat ze konden doen.


Dovnload 6.36 Kb.