Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De nieuwe norm en12779 voor stofafzuigingsinstallaties Het toepassingsgebied van de norm

Dovnload 51.88 Kb.

De nieuwe norm en12779 voor stofafzuigingsinstallaties Het toepassingsgebied van de norm



Datum14.09.2017
Grootte51.88 Kb.

Dovnload 51.88 Kb.

De nieuwe norm EN12779 voor stofafzuigingsinstallaties




Het toepassingsgebied van de norm

De norm EN12779 is van toepassing op volgende onderdelen van een stofafzuigingsinstallatie :



  • Vaste installatie

  • Buizennetwerk

  • Hoofdcollector

  • Ventilator

  • Scheidingsinstallatie

  • Silo

  • Opvangbak

  • Luchtsnelheid ( captatiesnelheid / transportsnelheid)

  • Gerecycleerde lucht

Onderstaande onderdelen vallen buiten het toepassingsgebied van de norm :



  • Vaste stofafzuigingsinstallaties met een afzuigcapaciteit kleiner dan 6000m³/u.

  • Mobiele stofafzuigingsinstallaties met een afzuigcapaciteit kleiner dan 6000m³/u.

  • Alle buizen en stofafzuigingsonderdelen horende bij de houtbewerkings-machine,

  • Stofafzuigingsinstallaties voor andere niet-houtachtige materialen zoals plastiek, plastiek laminaat, metaal, glas of steen,

  • De gevaren verbonden aan het bewerken van behandeld hout (lak, plastiek, aluminium,…),

  • Het uithaalsysteem.

Definities

Binnen het kader van de norm wordt er een specifieke woordenschat gebruikt. Om geen misverstanden te creëren werden de specifieke benamingen aan een stofafzuigingsinstallatie dan ook uitgebreid gedefinieerd. Hieronder wor­den de belangrijkste definities weerhouden.


Stofafzuigingsinstallatie
Een installatie voor het verwijderen en afzuigen van houtafval bestaande uit een netwerk van leidingen, ventilatoren, filters, cyclonen en opslagruimte(s). Het doel van de installatie is het houtstof en de houtkrullen afkomstig van de houtbewerkingsmachines te transporteren, te scheiden en op te slaan. De stofzuiging gebeurt pneumatisch.

Vaste installatie
Elke stofafzuigingsinstallatie die op permanente wijze geïnstalleerd in een schrijnwerkerij geïnstalleerd wordt, wordt aanzien als een vaste installatie.

Al of niet mobiele stofafzuigingsinstallatie met een capaciteit van 6000 m³/h of meer worden aanzien als vaste installaties.


Houtstof en houtkrullen

Houtkrullen zijn houtpartikels die ontstaan uit het bewerken van hout. De grootte van deze houtpartikels zijn groter of gelijk aan 0,5 mm.


Houtstof zijn houtpartikels die ontstaan uit het bewerken van hout. De grootte van deze houtpartikels zijn kleiner dan 0,5 mm.
Buizennetwerk
Het netwerk van buizen dat de machines verbindt met de ventilatoren en de filters.
Hoofdcollector
De hoofdafzuigingsleiding waarop de al of niet flexibele leiding afkomstig van de machines op uitmonden.
Ventilator
Het onderdeel van een stofafzuigingsinstallatie dat er voor zorgt dat een voldoende luchtdebiet gehaald wordt om een goede afvoer van het houtstof en de houtkrullen te krijgen.

Scheidingsinstallatie

Een onderdeel van de stofafzuigingsinstallatie dat ervoor instaat dat het houtafval en het houtstof van elkaar gescheiden worden.


Filters en cyclonen zijn hiervan een voorbeeld.

Silo

Een vast uitrusting gebruikt als opslagruimte voor houtafval en houtstof.


Opvangbak
Een verplaatsbare uitrusting voor houtafval en houtstof met een inhoud van minder dan 0,5 m³.
Container
Een verplaatsbare uitrusting voor houtafval en houtstof met een inhoud groter dan 0,5 m³.

Luchtsnelheid

De gemiddelde snelheid van de lucht op een bepaald punt en met een be­paalde sectie.




Captatiesnelheid

De benodigde luchtsnelheid voor het aanzuigen van het houtafval en het houtstof naar en in de stofafzuigingsinstallatie.


Transportsnelheid
De luchtsnelheid die toelaat het houtafval en het houtstof af te voeren in een afzuigleiding.
Gerecycleerde lucht
Het luchtdebiet dat terug in de werkzone geblazen wordt.

Overzichtslijst van significante gevaren

In de norm werd ook een lijst van significante gevaren opgenomen die zouden kunnen aanleiding geven tot risico’s en mogelijks ongevallen (al of niet met materiële of lichamelijke schade). Het is niet de bedoeling om al deze gevaren uitgebreid te bespreken. Hieronder worden enkele van de belangrijkste geva­ren van een stofafzuigingsinstallatie opgesomd :



  • Gevaar voor snijwonden en afknellen,

  • Gevaar op het meenemen en meetrekken,

  • Gevaar voor wegvliegende onderdelen en elementen,

  • Gevaar voor evenwichtsverlies (struikelgevaar / valgevaar),

  • Gevaar op elektrisering en elektrocutie,

  • Gevaar voor statische elektriciteit,

  • Gevaar voor brandwonden,

  • Gevaar op mogelijke gehoorbeschadiging,

  • Gevaar voor inhalatie van schadelijk houtstof,

  • Brand- en explosiegevaar,

  • Gevaren ontstaan door het niet gebruiken van de persoonlijke bescher­mingsmiddelen of gebrekkige aandacht voor de ergonomische principes,

  • Gevaar door menselijke fout,

  • Gevaren door het wegvallen van de elektrische stroom,

  • Gevaren door het wegslingeren van machineonderdelen,

  • Gevaren door het slecht functioneren van de bedieningsinstallatie,

  • Gevaren ontstaan door de afwezigheid van beschermingstoestellen,

  • Gevaren ontstaan door de afwezigheid van veiligheidstoestellen,

  • Gevaren ontstaan door het ontbreken van veiligheids- en gezondheidssignalisatie,

  • Gevaren ontstaan door het ontbreken van informatie, instructies en verwittigingstoestellen,

  • Gevaren ontstaan door het ontbreken van scheidingstoestellen waarmee de energiebronnen kunnen afgesneden worden,

  • Gevaren ontstaan door het ontbreken een noodstop.

Bedieningsapparatuur

De bedieningsapparatuur van een stofafzuigingsinstallatie moet aan volgende vereisten voldoen:



  • het in gang zetten van de installatie,

  • het stoppen van de installatie,

  • een noodstop.

De noodstop moet voorzien worden op:



  • op het bedieningspaneel of nabij de bedieningsknoppen,

  • op maximum 50 m van alle elektrisch verbonden onderdelen van de stofafzuigingsinstallatie,

  • minstens één noodstop in elke ruimte waar een elektrisch onderdeel van de stofafzuigingsinstallatie zich bevindt.



Het inschakelen en opheffen van de noodstop mag geen gevolgen hebben voor de normale werking van de stofafzuigingsinstallatie en alle machines die hierop aangesloten zijn.
Het herinschakelen van de stofafzuigingsinstallatie na een stroomuitval mag slechts mogelijk zijn na een bewuste handeling. De installatie moet dus uit­gerust zijn met een minimumspanningsschakelaar.
Het inschakelen en opheffen van de minimumspanningsschakelaar mag geen gevolgen hebben voor de normale werking van de stofafzuigingsinstallatie en alle machines die hierop aangesloten zijn.

Beschermingsmaatregelen tegen de mechanische gevaren

De buizen moeten zo ontworpen en geplaatst zijn dat ze ten allen tijde volgende belastingen kunnen dragen:



  • hun eigen gewicht,

  • een gewicht van 150 kg/m³ mogelijks veroorzaakt door geblokkeerd of stilliggend houtafval,

  • een gewicht van 100 kg veroorzaakt door een persoon die het onderhoud doet,

  • voor de buizen binnen in het gebouw moet men ook rekening houden met eventuele trekkrachten van stellingen of andere arbeidsmiddelen die kunnen steunen op de buizen,

  • voor de buizen buiten moet men rekening houden met wind- en sneeuw­belasting.

Alle bewegende delen (roterende ventilatoren, ...) die aanleiding kunnen ge­ven tot ernstige verwondingen moeten beveiligd worden met vaste afscher­mingen.


Wanneer op bepaalde plaatsen deze beschermingen regelmatig moeten weg­genomen worden voor bvb. onderhoud, reiniging, aanpassing, het afregelen e.d. dan mag gebruik gemaakt worden van een beweegbare afscherming met vergrendeling.
Indien de stoptijd van de in beweging zijnde onderdelen groter is dan 10 s moeten de beweegbare schermen voorzien zijn van schakelaars die pas ontgrendelen nadat de bewegende delen tot stilstand zijn gekomen.

Beschermingsmaatregelen tegen de niet-mechanische gevaren

Brand en explosie


Algemeen
Daar het hout binnen een bepaalde specifieke concentratie nl. 12 gr. houtstof per 1 m³ lucht een explosief mengsel vormt zullen hiervoor specifieke preven­tiemaatregelen moeten genomen worden.
De stofafzuigingsinstallatie moet zodanig ontworpen zijn dat er nergens in de installatie een ontstekingsbron aanwezig is die aanleiding kan geven tot het ontstaan van een brand of kan aanleiding geven tot een explosie.
De stofafzuigingsinstallatie moet voldoen aan volgende eisen:

  • voor zover het bouwtechnisch gezien mogelijk is moeten de filter, de ventilator en de silo(s) buiten het gebouw geplaatst worden,

  • houtopstapeling is enkel toegelaten in de daarvoor voorziene ruimtes m.a.w. de transportsnelheid van de afzuiglucht moet voldoende groot zijn zodat zich geen houtopstapeling kan voordoen in de leidingen,

  • er mag een enkel ontstekingsbron aanwezig zijn, indien het technisch gezien niet anders kan moeten bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen worden,

  • er moeten aangepaste preventiemaatregelen genomen worden om de schade ten gevolge van een brand of een explosie te elimineren of te minimaliseren,

  • de brandbestrijdingsuitrusting moeten volgens de regels van de kunst (zie verder) in de installatie zelf voorzien worden,

  • alle delen van de installatie moeten goed bereikbaar zijn op het vlak van brandbestrijding,

  • de installatie moet voorzien zijn van ontlastingselementen die begeven in geval van een explosie.

Indien de stofafzuigingsinstallatie ook gebruikt wordt voor het afzuigen van ander stof dan puur houtstof (bvb. MDF-platen, aluminium,...) dan moet er hier ook aangepaste preventiemaatregelen genomen worden.

De opstelling van de filter, de ventilator en de silo.
De filter, de ventilator en de silo van de stofafzuigingsinstallatie moeten, in functie van de bouwtechnische mogelijkheden, buiten het gebouw opgesteld worden (zeker buiten de normale werkzones) of in speciaal hiervoor ontwor­pen gebouwen.


In de vroegere versie van de norm mocht op deze algemene regel een uit­zondering gemaakt worden m.a.w. de stofafzuigingsinstallatie mocht in het gebouw geplaatst worden, indien aan volgende bouwkundige eisen voldaan wordt:

  • de ventilator die zorgt voor de aanzuiging van het stof moet aan de kant van de gezuiverde lucht geplaatst worden (onderdruksysteem),

  • het maximale debiet moet kleiner zijn dan 6000 m³/h,

  • de stofafzuigingsinstallatie moet aan de buitenkant voorzien zijn van een brandwerende isolatie (Rf = 30 min),

  • de opvangbakken hebben een maximale inhoud van 500 l.
    Onderaan bevinden zich:

      • opvangzakken die gemakkelijk kunnen verwijderd worden zonder dat er overmatig veel stof wordt verspreid,

      • een transportsysteem dat zorgt voor de afvoer van het houtafval naar een buiten opgestelde opslagsilo,

      • compacteerinstallatie, voor het maken van houtblokken, met een aangepaste capaciteit zodat op geen enkel moment een risico bestaat dat de opvangbakken zullen overlopen,

    • een automatisch blussysteem ter hoogte van de filters. Het blussysteem moet aangesloten zijn op het waterdistributienet,

    • een meettoestel voor het meten van de differentiële druk (in – uit) ter hoogte van de filter.

Preventiemaatregelen tegen de opstapeling van houtafval in leidingen en scheidingstoestellen.


De transportsnelheid van de lucht in alle onderdelen van het netwerk moet zo gedimensioneerd zijn dat het neerslaan van houtafval en/of –stof vermeden wordt.
De minimale transportsnelheid van de lucht moet minimaal 20 m/s over een periode van 1 uur en voor droog houtafval.
Alle onderdelen van het netwerk moet zo uitgevoerd zijn dat het onderhoud op relatief eenvoudige wijze kan gebeuren en dat het houtstof i.c. –afval zich hier ook niet gaat aanhechten..

Onder onderdelen wordt verstaan de buizen, de aftakkingen, bochten, verbin­dingsstukken, afsluitkleppen, brandkleppen, e.d.
Indien er een technische noodzaak is om in het netwerk ergens een rooster te plaatsen dan moet hij zo ontworpen zijn dat de stofdeeltjes zich niet kunnen hechten aan het rooster. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen zullen vernau­wingen of verstoppingen ter hoogte van het rooster niet uit te sluiten zijn. Om bijkomende risico’s afkomstig van deze opstapeling uit te sluiten moet de constructeur volgende elementen voorzien:

  • ofwel een klein venstertje waardoor een visuele controle mogelijk wordt,

  • een drukmeter die een eventuele drukval meet.

De scheidingsinrichtingen / -toestellen moeten zo ontworpen zijn dat er zich binnenin de toestellen niet meer dan 200 l per 1000 m³/h kan opstapelen. De filterinrichting is voorzien van een verplaatsbare ventilator die het stof op de filtermouwen kan wegblazen. Het systeem treedt in werking van zodra de laag houtstof een dikte heeft bereikt van 15 mm.

Preventiemaatregelen tegen de het ontstaan van ontstekingsbronnen.


Er mag een enkele ontstekingsbron aanwezig zijn, indien het technisch gezien niet anders kan moeten bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen worden.
Het is aan te bevelen alle stofafzuigingsinstallatie uit te rusten met een vonk­detector en een automatisch blussysteem.

Indien er in de installatie een meta­len elementen toegepast worden die over elkaar wrijven of met elkaar contact maken en aldus een risico vormen om vonken te veroorzaken moeten op de contact delen voorzien worden van een vonkwerende laag bv. koper of een gelijkaardig materiaal.
Voorbeelden van dergelijke punten zijn te vinden ter hoogte van de ventilato­ren.

Alle metalen onderdelen van de stofafzuigingsinstallatie moeten geaard wor­den. De materialen waaruit de filtermouwen bestaan moeten eveneens elek­trisch geleidend zijn. Samenstellende onderdelen zoals buizen e.d. moeten eveneens goed elektrisch geleidend zijn. Er mag geen enkel potentiaalver­schil gemeten worden tussen twee met elkaar verbonden delen.



De flexibele buizen moeten zo uitgevoerd zijn dat zij eveneens een elektrische lading kunnen naar de aarde afleiden. De flexibele verbinding tussen de ma­chine en het buizennetwerk mag maximum 50 cm lang zijn. De enige uitzon­dering die op deze regel mag gemaakt worden is voor bewegende machines zoals bvb. werkstations waar een langere flexibele verbinding naar het starre buizennetwerk noodzakelijk zal zijn.
De elektrische uitrusting die zich binnenin de stofafzuigingsinstallatie bevindt en blootstaat aan hoge concentraties houtstof / lucht moeten voldoen aan de eisen opgenomen in de norm EN1127-1 voor stofexplosiegevaarlijke ruimten.
Binnen dit kader moeten volgende zone-indelingen gehanteerd worden:

zone 20 voor het gedeelte dat gevuld is met een lucht/houtstof-mengsel van de scheidingsinstallatie, het transportsysteem tussen het scheidingstoestel en de silo alsook de silo zelf.

zone 21 voor het gedeelte dat gevuld is met een lucht/houtstof-mengsel

zone 22 voor het gedeelte dat gevuld is met gefiltreerde lucht.

Schadebeperkende maatregelen in geval van brand en explosie.
De stofafzuigingsinstallatie moet voorzien worden van drukontlastingselemen­ten die een schokgolf volgend op een explosie op een veilige manier naar bui­tentoe kunnen afleiden. De plaats waar deze drukontlastingselementen inge­plant worden is afhankelijk zal verschillen van schrijnwerkerij tot schrijnwerke­rij. Belangrijk is evenwel rekening te houden met de eventuele uitwerpzone. De uitwerpzone mag nergens geheel of gedeeltelijk een werkzone overlap­pen.
Er moeten beveiligingen voorzien worden zoals afsluitkleppen, bochten met een zwakke wand, sluizen e.d. zodat de schokgolf zich niet in het buizennet­werk kan verspreiden.

De verspreiding van een brand moet voorkomen worden door een brandklep te voorzien op de leidingen die de gerecycleerde lucht terug in de schrijnwer­kerij sturen. Er moeten tevens thermometers in de installatie ingebouwd wor­den die bij een temperatuur hoger dan 70°C de installatie automatisch stilleg­gen.



Het buizennetwerk moet beveiligd worden met automatische en aan de op­bouw van de stofafzuigingsinstallatie aangepaste brandkleppen. Het aantal brandkleppen wordt bepaald door het aantal brandmuren dat het netwerk kruist.

Voorzieningen voor brandbestrijding.


De stofafzuigingsinstallatie moet uitgerust worden met open sprinklers die be­veiligd zijn tegen bevriezing. Tevens moet aan de buitenkant van de installatie een droge voedingsleiding aanwezig zijn voor de aansluiting van de brandweer.
De vaste silo’s groter dan 25 m³ moeten bovenaan uitgerust worden met een toegangsdeur van minimum 1m² groot en onderaan met een toegangsdeur van minimum 1,6 m² groot (bij voorkeur 1,2 m breed en 2,0 m hoog).
De toegangsplatformen, gelegen op een hoogte groter of gelijk aan 2 meter, en die toegang geven tot deze deuren moeten uitgerust worden met leuningen.

Droge blusinstallatie voor een filtersysteem.


Droge blusinstallatie voor een silo.

Specifieke eisen voor silo’s.


Voor de silo’s zijn er diverse eisen opgenomen. Onderstaande tekening geeft de belangrijkste vereisten weer :

1. Wandopening in het dakgedeelte

2. Wandopening in het wandgedeelte

3. Maximale vulhoogte

4. Hoogte wandopening

5. Toegangsdeur

Detail van de silo-opening langs de wand


Specifieke eisen i.v.m. lawaai.
Het lawaainiveau dat door de stofafzuigingsinstallatie geproduceerd wordt moet voldoen aan de eisen gesteld in de milieuvergunning of aan regionale milieuwetgeving inzake lawaai.
Belangrijk is dat de meting gebeurt op één meter van het lawaaiproducerende element.

Specifieke eisen rond de uitstoot van restproducten.


Geen enkele installatie is ideaal. Er zal nog altijd een uitstoot blijven bestaan van restproducten.
Houtafval en -stof.
De hoeveel uitgestoten houtafval en –stof hangt af van:

  • het ontwerp en het rendement van de opvangelementen voorzien in, op en rond de houtbewerkingsmachines, met name het verschil de hoe­veelheid geproduceerd stof en de hoeveelheid opgezogen houtstof,

  • de hoeveelheid lekken in en de filtercapaciteit van de scheidingstoestellen.

De residuele hoeveelheid houtstof in de lucht moet kleiner zijn dan 0,2 mg / Nm³ en mag zeker de 0,3 mg / Nm³ overschrijden. Indien dit niveau over­schreden wordt moet er een alarminstallatie in werking treden en moet de recycleerde lucht naar de buitenlucht afgevoerd worden.


Dampen.
Indien er in het productieproces materialen gebruikt worden die door het verwerken ervan (schadelijke) dampen gaan ontwikkelen dan zullen zij ook aangezogen worden door de stofafzuigingsinstallatie maar niet gefiltreerd worden en aldus mogelijks terugkeren in de gerecycleerde gefiltreerde lucht.


De dimensionering van de installatie

Het ontwerp


Het geheel van de installatie zijnde de leidingen, de ventilator(en), de filter(s) en de silo(s) moeten berekend worden op basis van:

  • de gegevens verstrekt door de gebruiker van de installatie. Hij moet een overzicht geven van welke machines gelijktijdig zullen gebruikt worden en hun inplanting in de schrijnwerkerij,

  • de gegevens afkomstig van de fabrikanten van de machines.

Meettoestel


Op de hoofdafzuigleidingen moeten er meettoestellen geplaatst worden die bvb. de druk (i.c. onderdruk) meet.
De meting van het luchtdebiet
Ter hoogte van elke machine moet er een voorziening (bv. een luik) aanwezig zijn van waaruit luchtdebietmetingen kunnen verricht worden.

  • Houtstof en houtkrullen
  • Scheidingsinstallatie
  • Luchtsnelheid

  • Dovnload 51.88 Kb.