Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De paradox van de arbeidstevredenheid

Dovnload 392.95 Kb.

De paradox van de arbeidstevredenheid



Pagina1/8
Datum01.08.2017
Grootte392.95 Kb.

Dovnload 392.95 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8


DE PARADOX VAN DE ARBEIDSTEVREDENHEID



(www.foksuk.nl)


Matthijs Holstvoogd (299193)

Erasmus Universiteit Rotterdam

Faculteit der Sociale Wetenschappen

Opleiding Sociologie

Master: Arbeid, Organisatie en Management

Begeleidend docent


Dr. Peter Achterberg


Voorwoord
Voor mij ligt een afgeronde “Masterthesis”; op het voorwoord na. Aangezien dit onderzoek de paradox van de arbeidstevredenheid toetst, denk ik aan het paradoxale karakter van het voorwoord, welke eigenlijk altijd achteraf, als sluitstuk van het rapport wordt geschreven. Het voordeel hiervan is echter wel dat er met een relatief gevoel van voldoening aan gewerkt kan worden. Daarnaast kunnen eventuele bedankjes worden versterkt of afgezwakt, gebaseerd op de realiteit zoals deze heeft plaatsgevonden en niet gebaseerd op de geldende normen van het voorwoord waarbij zoveel mogelijk mensen zo hartelijk mogelijk bedankt dienen te worden. Als het voorwoord daadwerkelijk vooraf zou zijn geschreven diende nog te worden afgewacht wie, in welke mate behulpzaam zou zijn geweest.

Achteraf kan ik in ieder geval stellen dat het afronden van dit stuk langer heeft geduurd dan ik vooraf had gedacht en achteraf had gewenst. Hiervoor kan ik niemand anders dan mijzelf bedanken. Voor de daadwerkelijke afronding bedank ik iedereen die mij tot vervelens toe heeft gevraagd of het nu als eens af was en wanneer het “feesie” zou plaatsvinden. Peter Achterberg wil ik bedanken voor zijn geduld, opbouwende en humorvolle kritiek.


Matthijs Holstvoogd, december 2008

INHOUDSOPGAVE Bladzijde



  1. Inleiding en vraagstelling 5

§ 1.1 de aanpassingsthese 5

§ 1.2 de paradox van de arbeidstevredenheid 7

§ 1.3 vraagstelling 9


  1. Arbeidstevredenheid en klagen 10

§ 2.1 arbeidstevredenheid 10

§ 2.2 klagen 11

§ 2.3 kenmerken van de arbeid 13

§ 2.4 arbeidsoriëntaties 14





  1. Andere factoren 17




  1. Hypothesen 20




  1. Operationalisering 22

§ 5.1 Onderzoeksopzet 22

§ 5.2 Arbeidstevredenheid 23

§ 5.3 Klagen 27

§ 5.4 Arbeidsoriëntaties 28

§ 5.5 Kenmerken van de arbeid 31

§ 5.6 Andere factoren 35

§ 5.7 Sociabiliteit 36

§ 5.8 Sense of competence 37

§ 5.9 Rol stress 38

§ 5.10 Interactie variabelen 38

§ 5.11 Overige variabelen 38

Bladzijde


  1. Onderzoeksresultaten 39

§ 6.1 De relatie tussen arbeidstevredenheid en klagen 39

§ 6.2 De totstandkoming van arbeidstevredenheid 40

§ 6.2.1 De kenmerken van de arbeid 40

§ 6.2.2 De arbeidsoriëntaties 41

§ 6.2.3 Overige factoren 43

§ 6.3 De totstandkoming van arbeidsoriëntaties 43

§ 6.4 De totstandkoming van klagen 45

§ 6.4.1 De kenmerken van de arbeid 45

§ 6.4.2 De kenmerken van de arbeidsoriëntaties 45

§ 6.4.3 Overige factoren 47

§ 6.5 Beantwoording van de hypothesen 48

§ 6.5.1 De relatie tussen de kenmerken van de arbeid en arbeidstevredenheid 48

§ 6.5.2 De relatie tussen de arbeidsoriëntaties en arbeidstevredenheid 49

§ 6.5.3 De relatie tussen andere factoren en arbeidstevredenheid 49

§ 6.5.4 De relatie tussen klagen en arbeidstevredenheid 49


  1. Conclusies 51

§ 7.1 De arbeidstevredenheid 51

§ 7.2 Klagen 52

§ 7.3 De arbeidsoriëntaties 53

§ 7.4 De relatie tussen arbeidstevredenheid en klagen 53




  1. Literatuurlijst 55




  1. Bijlagen 59


1. Inleiding

Onderzoek naar arbeidstevredenheid is sinds jaar en dag een populair onderwerp. Wie de media volgt kan zien dat met enige regelmaat is onderzocht hoe het staat met de tevredenheid van werknemers. Vaak is dit gerelateerd aan bedrijfstak, omvang van de organisatie of wordt bekeken hoe het gesteld is met de arbeidstevredenheid in diverse landen. Wat het merendeel van al deze onderzoeken gemeen heeft, is het hoge percentage werknemers dat aangeeft tevreden te zijn met de arbeid. In de wetenschap worden deze resultaten met enige scepsis bekeken. Er zijn vaak genoeg kritische verhalen over arbeidsomstandigheden en/of arbeidsverhoudingen te lezen en te horen. Hoe komen dan toch deze hoge percentages van tevredenheid tot stand? (Mok, 1994) De wetenschap onderscheidt een tweetal gedachten welke ten grondslag liggen aan de verklaring voor deze grote mate van genoemde tevredenheid, namelijk: de aanpassingsthese en de paradox van de arbeidstevredenheid.


§ 1.1 De aanpassingsthese

Binnen de bestaande literatuur wordt volop getwijfeld aan de betrouwbaarheid en de validiteit van de onderzoeken naar arbeidstevredenheid. De gedachte, dat de arbeidstevredenheid een resultaat is van een “aanpassingsfenomeen” komen we onder andere tegen bij De Sitter (1981). Dit aanpassingsfenomeen waar De Sitter over spreekt, wordt tevens door vele arbeidssociologen onderschreven (Benschop, 2002). De twijfel over de gemeten tevredenheid ontstaat doordat de werknemers hun wensen en behoeften neerwaarts bijstellen (aanpassen) als er een verslechtering binnen het werk optreedt. De Sitter (1995) stelt dat de verwachtingen die werknemers hebben ten aanzien van hun werk, ontleend worden aan de arbeidssituatie zelf. Om deze reden zou deze verwachting kunnen veranderen als de arbeidssituatie of de sociale omgeving verandert. Naar aanleiding hiervan stelt De Sitter dat de arbeidstevredenheid kan worden opgevat als de mate waarin de werknemer zich heeft aangepast aan de gegeven werkomstandigheden. (De Sitter, 1995). Arbeidstevredenheid kan worden opgevat als het verschil tussen de gewenste arbeidssituatie en de werkelijke arbeidssituatie. Aangezien de aanpassingsthese stelt dat deze gewenste arbeidssituatie zich aanpast afhankelijk van de omstandigheden, zegt arbeidstevredenheid, volgens de aanhangers van deze aanpassingsthese, maar bitter weinig over de daadwerkelijke kwaliteit van de arbeid.


Dit betekent dat de maatstaven waarmee arbeid wordt beoordeeld, los moeten staan van de maatstaven van de werknemers die deze arbeid verrichten. (De Witte en Van der Zwaan, 1998). De werknemer is zelf niet in staat de kwaliteit van de arbeid te bepalen omdat hij zich aanpast aan deze arbeid. Vanwege deze aanpassing is de gemeten tevredenheid ook hoog bij een lagere, door de onderzoeker veronderstelde, kwaliteit van de arbeid. Deze manier van kijken naar arbeidstevredenheid is nog steeds dominant zoals blijkt uit het werk van Braverman (1974) en meer recent: De Sitter (1995), De Witte en Van der Zwaan (1998) en Benschop (2002). Volgens vele onderzoekers lijkt vast te staan dat, los van deze aanpassingsthese, de kenmerken van de arbeid in grote mate de tevredenheid bepalen. (Quinn et al., 1971 ; Locke, 1976 ; Seashore & Taber, 1976 ; Vroom, 1964; Schouteten, 2001). Indien mensen volgens de onderzoeker kwalitatief laag werk verrichten, dan is er sprake van een aanpassing van de arbeidsoriëntaties aan deze arbeid.


Deze aanpassingsredenering lijkt logisch maar is empirisch reeds verworpen. In onderzoek door Achterberg, Jetten en Houtman wordt gesteld:” In de eerste plaats heeft de aard van het werk in alle gevallen een (meestal sterk) positief effect op de arbeidstevredenheid, zonder dat daarbij de arbeidsoriëntatie een modererende rol speelt. De arbeidstevredenheid zegt dus wel degelijk veel over de kwaliteit van het verrichte werk. In de tweede plaats, en al evenzeer in strijd met de aanpassingsthese, hebben wij geen enkele empirische ondersteuning kunnen vinden voor de veronderstelling dat aanpassing pas na verloop van tijd optreedt.” (Achterberg et al., 2002: 14)
Gezien deze verwerping zou men zich kunnen afvragen of er wellicht andere aspecten zijn die zouden kunnen leiden tot arbeidstevredenheid anders dan de arbeidssituatie zelf of de aanpassing hieraan. De aanpassingsthese gaat immers uit van een passieve werknemer die niet anders kan dan de arbeidsoriëntaties aanpassen. Er wordt voorbij gegaan aan de veronderstelling dat een werknemer juist die oriëntaties kan hebben die dominant in het werk aanwezig zijn. Ondanks dat bepaalde kenmerken van deze arbeid dan als “slecht” kunnen worden aangemerkt, kan deze persoon zeer tevreden zijn. Mijn grootste bezwaar tegen de aanpassingsthese ligt in het feit dat het de onderzoeker is die bepaalt wat goed en slecht is. De door de onderzoeker geachte slechte kenmerken van de arbeid resulteren in de veronderstelling dat de werknemer niet tevreden kan zijn. Om deze reden zal deze werknemer zich aldus hebben aangepast aan deze slechte kenmerken. Het is echter ook mogelijk dat een werknemer geen belang hecht aan een aantal specifieke kenmerken. Indien deze aspecten dan niet in een werkomgeving aanwezig zijn lijkt het te makkelijk om te veronderstellen dat de werknemer hier dan maar genoegen mee heeft genomen en zich heeft aangepast aan deze situatie. Het zou immers net zo goed kunnen zijn dat de werknemer juist een werkomgeving heeft gezocht waarbij deze kenmerken niet aanwezig zijn omdat er andere kenmerken aanwezig zijn waar hij wel belang aan hecht. In dat geval gaat de werknemer dus op zoek naar een werkomgeving die past bij de reeds aanwezige arbeidsoriëntaties. De arbeidsoriëntaties worden dan mede vormgegeven door niet-werk gerelateerde factoren.
§ 1.2 De paradox van de arbeidstevredenheid

Vele onderzoeken verwijzen naar de paradox van de arbeidstevredenheid zoals deze is omschreven door Mok (1994). Deze paradox wordt door Mok gesuggereerd aan de hand van de hoge percentages van werknemers die zeggen tevreden te zijn over het werk dat zij verrichten terwijl zij tegelijkertijd klachten zouden hebben over de inhoud van, en de omstandigheden waarin deze werkzaamheden plaatsvinden. Mok verwijst voor deze klachten naar de interviews van De Swaan (1972). Deze heeft naar aanleiding van gesprekken met een zestal arbeiders de conclusie getrokken dat, de in onderzoeken gemeten hoge mate van arbeidstevredenheid, niet zonder meer mag worden aangenomen. De Swaan stelt:”dat twee derde tot drie kwart en meer zegt vrede met hun werk te hebben….. dan blijft toch de kwellende vraag bestaan: als mensen tevreden zijn met omstandigheden die andere mensen als onverdraaglijk voorkomen, wat dan te denken van zulke “tevreden” mensen” (De Swaan, 1972: 128) Er lijkt hier echter eerder sprake te zijn van een normatieve stelling dan een empirische toetsing. Er wordt getwijfeld aan de uitkomsten van onderzoeken naar arbeidstevredenheid alleen omdat er klachten van medewerkers worden verondersteld. Deze veronderstelling is echter gestoeld op de conclusies die De Swaan trekt uit zijn interviews en hierbij worden niet specifiek de klachten van de geïnterviewden genoemd. De Swaan stelt: “voor het overige komt die arbeid de toeschouwer nog steeds ondragelijk voor, omdat de arbeidshandelingen eentonig en geestdodend zijn en omdat alle beslissingsmacht over arbeidsverhoudingen en bedrijfsbeheer aan hem onttrokken is.” (De Swaan, 1972: 129). De vraag die dan gesteld kan worden is of we inderdaad te maken hebben met klachten van werknemers die zeggen tevreden te zijn of met klachten van de toeschouwer, de onderzoeker, over de werksituatie in relatie tot de gemeten arbeidstevredenheid? Uit niets blijkt immers dat er klachten zijn over de werksituatie, laat staan dat deze klachten empirisch zijn onderzocht. De enige link die De Swaan legt naar klagen in zijn boek, is het feit dat ziekteverzuim met name ontstaat door griep en “griepen betekent in het Oostnederlands spraakgebruik ook “klagen.” (De Swaan, 1972: 136)


De verklaring voor de paradox wordt volgens Mok gevonden in methodische en inhoudelijke elementen. Er zijn methodische problemen met de manier waarop de arbeidstevredenheid wordt gemeten. Hieronder verstaat hij het probleem dat mensen de onderzoeker kunnen vertellen dat zij tevreden zijn, terwijl dit niet het geval is. Ten tweede vinden deze onderzoeken vaak binnen de organisatie plaats en onder werktijd, hetgeen niet een geschikte omgeving is aldus Mok. Een laatste methodisch argument dat genoemd wordt is dat de termen waarin de vragen zijn gesteld, niet de termen zijn waarin een “niet-wetenschappelijk geschoolde” denkt. Mok heeft ook inhoudelijke bezwaren tegen onderzoeken naar arbeidstevredenheid. Hij geeft aan dat de betekenisgeving aan de vragen door de respondent verschillend kan zijn. Daarnaast speelt het feit dat deze geen alternatief heeft voor het werk dat wordt verricht; zodat het uitspreken van tevredenheid de meest logische antwoordvorm is (Mok, 1994). Tot op heden is het echter gebleven bij een logische redenering. Er is geen empirisch onderzoek verricht om te bezien in welke mate er sprake is van klagen en wat de relatie hiervan is ten opzichte van arbeidstevredenheid. Nog frappanter is dat zowel Mok maar ook anderen als De Sitter, Van der Parre (1996) en Schouteten (2001) ondanks hun geloof in de paradox, doorgaan met onderzoek naar arbeidstevredenheid.
De paradox van de arbeidstevredenheid wordt regelmatig aangehaald in de literatuur als een wetenschappelijk feit. Tot op heden is het echter bij een normatieve en daardoor discutabele stelling gebleven. In navolging van ander onderzoek zou men zich immers ook kunnen afvragen waarom werknemers die tevreden zijn over hun werk hierover geen klachten zouden kunnen hebben? (Achterberg et al, 2002). Al met al lijkt de relatie tussen arbeidstevredenheid en klagen op dit moment niet zondermeer te kunnen worden aangenomen en zonder deze relatie kan er ook geen sprake zijn van een paradox. Laatstgenoemde relatie zal empirisch getoetst dienen te worden.

§ 1.3 Vraagstelling

Gegeven de voorgaande tegenstrijdige handelingen en de onzekerheid over het al dan niet bestaan van de paradox van de arbeidstevredenheid is de centrale vraagstelling van dit onderzoek: “Bestaat de paradox van de arbeidstevredenheid en zo ja, hoe kan deze worden verklaard?” Met andere woorden: wat is de relatie tussen tevredenheid en klagen?


Zowel de aanpassingsthese als de paradox van de arbeidstevredenheid komt regelmatig voor in diverse publicaties. Daar de aanpassingsthese reeds empirisch is verworpen en de paradox van de arbeidstevredenheid nog niet empirisch getoetst is, is het verwonderlijk dat zo vaak naar deze verschijnselen wordt verwezen. Dit onderzoek zal zich dan ook richten op de vraag of er überhaupt een relatie bestaat tussen arbeidstevredenheid en klagen. Tevens zal er getracht worden de gevonden relaties, of het ontbreken hiervan, uit te leggen aan de hand van arbeidsoriëntaties en andere factoren die van invloed zouden kunnen zijn op de totstandkoming van arbeidstevredenheid. Hiertoe zal in het volgende hoofdstuk eerst worden uiteengezet wat arbeidstevredenheid is en hoe deze tot stand komt. In de tweede paragraaf zal het concept klagen worden besproken, gevolgd door de kenmerken van de arbeid in paragraaf 2.3. In de vierde en laatste paragraaf wordt aandacht besteed aan de arbeidsoriëntaties.

Het derde hoofdstuk beschrijft andere factoren die hun invloed kunnen hebben op de totstandkoming van arbeidstevredenheid. In het vierde hoofdstuk wordt vervolgens de gevormde theorie samengevat en geconceptualiseerd.



  1   2   3   4   5   6   7   8

  • Master: Arbeid, Organisatie en Management Begeleidend docent Dr. Peter Achterberg Voorwoord
  • INHOUDSOPGAVE Bladzijde Inleiding en vraagstelling
  • Andere factoren 17 Hypothesen 20 Operationalisering
  • Bladzijde Onderzoeksresultaten
  • Literatuurlijst 55 Bijlagen 59 1. Inleiding

  • Dovnload 392.95 Kb.