Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De raad van de europese gemeenschappen

Dovnload 0.75 Mb.

De raad van de europese gemeenschappen



Pagina6/10
Datum17.02.2018
Grootte0.75 Mb.

Dovnload 0.75 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Artikel 18

1. De Lid-Staten en de Commissie bevorderen onderzoek en wetenschappelijk werk dat met het oog op de in artikel 2 genoemde doelstellingen en de in artikel 11 bedoelde verplichting nodig is. Ten behoeve van een goede coördinatie van het onderzoek dat in de Lid-Staten en op communautair niveau wordt verricht, wisselen zij gegevens uit.

2. Zij besteden daarbij bijzondere aandacht aan het wetenschappelijk werk dat nodig is om uitvoering te geven aan de artikelen 4 en 10 en stimuleren het onderzoek in grensoverschrijdend samenwerkingsverband tussen de Lid-Staten.

Wijziging van de bijlagen

Artikel 19

Wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen I, II, III, V en VI van deze richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen, worden op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Raad vastgesteld. Wijzigingen die nodig zijn om bijlage IV van deze richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen, worden op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen door de Raad vastgesteld.


Comité

Artikel 20

De Commissie wordt bijgestaan door een comité.



Artikel 21

1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG (6) van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

2. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Aanvullende bepalingen

Artikel 22

Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de Lid-Staten:

a) na te gaan of herintroductie van de inheemse soorten van bijlage IV wenselijk is, wanneer die kan bijdragen tot de instandhouding van die soorten, op voorwaarde dat een onderzoek, waarbij ook rekening wordt gehouden met de ter zake in andere Lid-Staten of elders opgedane ervaring, heeft uitgewezen dat die herintroductie een doeltreffende bijdrage is tot het herstel van een gunstige staat van instandhouding voor die soorten en eerst na passende raadpleging van de belanghebbenden plaatsvindt;

b) erop toe te zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een soort die op hun grondgebied niet inheems is, zodanig aan voorschriften wordt gebonden dat daardoor geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of aan de inheemse wilde flora en fauna, en een dergelijke introductie te verbieden indien zij zulks nodig achten.

De resultaten van de verrichte evaluaties worden ter informatie aan het comité gezonden;

c) zich in te zetten voor bevolkingseducatie en algemene voorlichting aangaande de noodzaak wilde dier- en plantesoorten te beschermen en hun habitats alsmede de natuurlijke habitats in stand te houden.



Slotbepalingen

Artikel 23

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. Wanneer de Lid-Staten die bepalingen aannemen, wordt daarin of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

3. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.



Artikel 24

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.



BIJLAGE I

TYPEN NATUURLIJKE HABITATS VAN COMMUNAUTAIR BELANG VOOR DE INSTANDHOUDING WAARVAN AANWIJZING VAN SPECIALE BESCHERMINGSZONES VEREIST IS
Interpretatie

Aanwijzigingen voor de interpretatie van habitattypes vindt men in de „Interpretation Manual of European Union Habitats” zoals goedgekeurd door het Comité opgericht volgens art. 20 (Habitat Comité) en gepubliceerd door de Europese Commissie (7).

De code komtovereen metde code van NATURA 2000

Het „*” teken duidt een prioritair habitattype aan.


1. KUSTHABITATS EN HALOFYTENVEGETATIES

11. Mariene wateren en getijdengebieden

1110 Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken

1120 * Posidonia-velden (Posidonion oceanicae)

1130 Estuaria

1140 Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten

1150 * Kustlagunen

1160 Grote, ondiepe kreken en baaien

1170 Riffen

1180 Onderzeese structuren, ontstaan door het opborrelen van gassen

12. Kliffen en keienstranden

1210 Eenjarige vloedmerkvegetatie

1220 Meerjarige vegetatie van keienstranden

1230 Klifvegetatie van de Atlantische kust en de Oostzeekust

1240 Klifvegetatie van de Middellandse-Zeekust met endemische Limonium spp.

1250 Klifvegetatie van het Macaronesisch gebied



13. Atlantische en continentale kwelders en schorren

1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia

spp. en andere zoutminnende soorten

1320 Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

1330 Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

1340 * Zoutmoerassen in het binnenland



14. Mediterrane en thermo-atlantische kwelders en schorren

1410 Mediterrane schorren (Juncetalia maritimi)

1420 Mediterrane en thermo-atlantische zoutminnende struikvegetaties

(Sarcocornetea fruticosi)

1430 Zout- en stikstofminnende struikvegetaties (Pegano-Salsoletea)

15. Inlandse zout- en gipssteppen

1510 * Mediterrane zoutsteppen (Limonietalia)

1520 * Iberische gipsvegetaties (Gypsophiletalia)

1530 * Pannonische zoutsteppen en zoutmoerassen

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 14

(1)


A2

16. Archipels, kusten en oprijzingsgebieden van de boreale Oostzee

1610 Esker-eilanden van de Oostzee met hun zandstrand-, keienstrand-,

rotsvegetaties en de sublittorale vegetaties

1620 Eilandjes van de boreale Oostzee

1630 * Kustweiden van de boreale Oostzee

1640 Zandstranden met meerjarige vegetatie van de boreale Oostzee

1650 Smalle baaien van de boreale Oostzee

2. ZEEKUST- EN LANDDUINEN



21. Kustduinen van de Atlantische Oceaan, de Noordzee en de Oostzee

2110 Embryonale wandelende duinen

2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria („witte

duinen”)


2130 * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie („grijze duinen”)

2140 * Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum

2150 * Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)

2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides

2170 Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae)

2180 Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied

2190 Vochtige duinvalleien

21A0 Machairs (* in Ierland)



22. Kustduinen van de Middellandse Zeekust

2210 Vastgelegde kustduinen van Crucianellion maritimae

2220 Duinen met Euphorbia terracina

2230 Duingrasland van Malcolmietalia

2240 Duingrasland van Brachypodietalia en eenjarige planten

2250 * Littorale jeneverbesbosjes (Juniperus spp.)

2260 Sclerofiele duinvegetatie van het Cisto-Lavenduletalia

2270 * Duinbossen met Pinus pinea en/of Pinus pinaster



23. Oude, ontkalkte landduinen

2310 Psammofiele heide met Calluna en Genista

2320 Psammofiele heide met Calluna en Empetrum nigrum

2330 Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen

2340 * Pannonische binnenlandse duinen

3. ZOETWATERHABITATS



31. Stilstaande wateren

3110 Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten

(Littorelletalia uniflorae)

3120 Mineraalarme oligotrofe wateren van de zandvlakten in het westelijke

Middellandse-Zeegebied met Isoetes-soorten

3130 Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot

het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea

3140 Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp.

vegetaties

3150 Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion

of Hydrocharition

3160 Dystrofe natuurlijke poelen en meren

3170 * Niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied

3180 * Turloughs

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 15

A2

3190 Gipskarstmeren

31A0 * Lotusvelden in warmwaterbronnen in Transsylvanië



32. Stromende wateren — delen van waterlopen met een natuurlijke

of halfnatuurlijke dynamiek (kleine, middelgrote en grote

beddingen) waarvan de waterkwaliteit niet significant aangetast is

3210 Natuurlijke rivieren van Fennoscandinavië

3220 Alpiene rivieren met oevervegetatie van kruidachtige planten

3230 Alpiene rivieren met houtige oevervegetatie met Myricaria germanica

3240 Alpiene rivieren met houtige oevervegetatie met Salix elaeagnos

3250 Continu stromende mediterrane rivieren met Glaucium flavum

3260 Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het

Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion

3270 Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodion



rubri p.p. en Bidention p.p.

3280 Continu stromende mediterrane rivieren behorend tot het Paspalo-



Agrostidion metrivierbossen met Salix spp. en Populus alba

3290 Mediterrane rivieren met periodiek stromend water behorend tot het



Paspalo-Agrostidion

4. HEIDE- EN STRUIKVEGETATIES VAN DE GEMATIGDE KLIMAATZONE



4010 Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

4020 * Gematigde Zuid-Atlantische vochtige heide met Erica ciliaris en



Erica tetralix

4030 Droge Europese heide

4040 * Littorale Atlantische droge heide met Erica vagans

4050 * De endemische heide van Macaronesische gebied

4060 Alpiene en boreale heide

4070 * Duinbossen met Pinus mugo en/of Rhododendron hirsutum (Mugo-



Rhododendretum hirsuti)

4080 Struikvegetaties van subarctische Salix spp.

4090 Endemische heide met Genista anglica in hetmont ane Middellandse-

Zeegebied

40A0 * Subcontinentale peri-Pannonische struikvegetatie

5. THERMOFIEL STRUIKGEWAS (MATORRALS)



51. Submediterraan en gematigd struikgewas

5110 Stabiele xero-thermofiele formaties met Buxus sempervirens op rotshellingen

(Berberidion p.p.)

5120 Bergformaties van Cytisus purgans

5130 Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland

5140 * Formaties van Cistus palhinhae op maritieme heide



52. Mediterrane matorrals met boomlaag

5210 Boomvormige matorrals met Juniperus spp.

5220 * Boomvormige matorrals met Zyziphus

5230 * Boomvormige matorrals met Laurus nobilis



53. Thermo-mediterrane en halfsteppe-struikvegetaties

5310 „Laurus nobilis”-kreupelbos

5320 Lage wolfsmelkvegetaties nabij kliffen

5330 Thermo-mediterrane en halfwoestijn-struikvegetaties



54. Phrygana-vegetaties

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 16

A2

5410 West-mediterrane phrygana's van kliftoppen (Astragalo-Plantaginetum



subulatae)

5420 Phrygana's van Sarcopoterium spinosum

5430 Endemische phrygana's van het Euphorbio-Verbascion

6. NATUURLIJKE EN HALFNATUURLIJKE GRASLANDEN



61. Natuurlijke graslanden

6110 * Kalkminnend of basifiel grasland op rotsbodem behorend tot het



Alysso-Sedion albi

6120 * Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

6130 Grasland op zinkhoudende bodem behorend tot het Violetalia calaminariae

6140 Silicicool grasland met Festuca eskia in de Pyreneeën

6150 Boreo-alpien silicicool grasland

6160 Oro-Iberisch grasland met Festuca indigesta

6170 Alpien en subalpien kalkminnend grasland

6180 Mesofiele Macaronesische graslanden

6190 Pannonisch grasland op rotsbodem (Stipo-Festucetalia pallentis)

62. Halfnatuurlijke droge graslanden met struikopslag

6210 Droge half-natuurlijke graslanden en struikvormende-facies op kalkhoudende

bodems (Festuco-Brometalia) (* gebieden waar

opmerkelijke orchideeën groeien)

6220 * Halfsteppen met grassen en eenjarige planten (Thero-Brachypodietea)

6230 * Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden

(en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)

6240 * Sub-Pannonisch steppengrasland

6250 * Pannonische steppengraslanden op loess

6260 * Pannonische steppengraslanden op zand

6270 * Soortenrijke, laaggelegen, droge tot mesofiele Fennoscandinavische

graslanden

6280 * Noordse Alvar en vlakke pre-Cambrische kalkplateau's

62A0 Oostelijke submediterrane droge graslanden (Scorzoneratalia villosae)

62B0 * Cypriotisch grasland op serpentijngesteente

63. Sclerofiele bossen met beweiding (Dehesa's)

6310 Dehesa's metwint ergroene Quercus ssp.



64. Halfnatuurlijke vochtige graslanden met hoge kruiden

6410 Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem

(Molinion caeruleae)

6420 Mediterraan vochtig grasland met hoge kruiden van het Molinio-Holoschoenion

6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de

montane en alpiene zones

6440 Periodiek overstroomd alluviaal grasland van Cnidion venosae

6450 Alluviale Noord-boreale graslanden

6460 Venige graslanden van Troodos

65. Mesofiele graslanden

6510 Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)

6520 Hooiland in gebergte

6530 * Fennoscandinavische bosgraslanden

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 17

A2

7. VENEN

71. Hoogveen

7110 * Actief hoogveen

7120 Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is

7130 Bedekkingsveen (* voor actief veen)

7140 Overgangs-en trilveen

7150 Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion

7160 Mineraalrijke bronnen en bronnen van laagvenen in Fennoscandinavië

72. Laagveen

7210 * Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het



Caricion davallianae

7220 * Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

7230 Alkalisch laagveen

7240 * Alpiene pionierformaties van het Caricion bicoloris-atrofuscae



73. Boreale venen

7310 * Aapa-veen

7320 * Palsa-veen

8. ROTSACHTIGE HABITATS EN GROTTEN



81. Puinhellingen

8110 Kiezelhoudende puinhellingen van de montane tot de sneeuwzone

(Androsacetalia alpinae en Galeopsietalia ladani)

8120 Kalkhoudende puinhellingen en kalkhoudende leistenen van de

montane tot de alpine zone (Thlapsietea rotundifolii)

8130 Thermofiele puinhellingen van hetwest elijke Middellandse-Zeegebied

8140 Puinhellingen van hetoost elijke Middellandse-Zeegebied

8150 Midden-Europese kiezelpuinhellingen van hooggelegen gebieden

8160 * Midden-Europese kalkpuinhellingen van hetheuvelgebied tot het

montaan gebied



82. Chasmofytische vegetatie van rotshellingen

8210 Kalkhoudende rotshellingen met rotsvegetaties

8220 Kiezelhoudende rotshellingen met rotsvegetaties

8230 Kiezelhoudende rotsen met pionierformaties van het Sedo-Scleranthion

of van het Sedo albi-Veronicion dillenii

8240 * Naakte, kalkhoudende rotsbodem



83. Overige rotsachtige habitats

8310 Niet voor publiek opengestelde grotten

8320 Lavavlakten en natuurlijke uitgravingen

8330 Geheel of gedeeltelijk onder het zeeoppervlak gelegen grotten

8340 Permanente gletsjers

9. BOSSEN

Natuurlijke en nagenoeg natuurlijke bossen van inheemse soorten. Het betreft

bossen met hoog opstaande bomen, met inbegrip van struiklaag, en een typische

ondergroei, die aan de volgende criteria beantwoorden: zij zijn zeldzaam of

restanten en/of zij vormen het leefgebied van soorten van communautair belang



90. Bossen van het Europese boreaal gebied

9010 * Westelijke taiga

9020 * Oude natuurlijke loofbossen van het hemi-boreale deel van Fennoscandinavië,

rijk aan epifyten (Quercus, Tilia, Acer, Fraxinus, Ulmus)

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 18

A2

9030 * Natuurlijke bossen van de eerste fasen in de successie op geologisch

omhoogrijzende kustgebieden

9040 Noordse subalpiene/subarctische bossen met Betula pubescens ssp.

Czerepanovii

9050 Fennoscandinavische bossen met Picea abies metsoort enrijke kruidlaag

9060 Naaldbossen op of in nabijheid van fluvio-glaciale eskers

9070 Fennoscandinavische bosweiden

9080 * Moerasbossen van loofbomen in Fennoscandinavië

91. Bossen van het Europese gematigd gebied

9110 Beukenbossen van hett ype Luzulo-Fagetum

9120 Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus

in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion)

9130 Beukenbossen van hett ype Asperulo-Fagetum

9140 Midden-Europese subalpiene beukenbossen met Acer spp. en Rumex



arifolius

9150 Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorend tot het



Cephalanthero-Fagion

9160 Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen

behorend tot het Carpinion betuli

9170 Eiken-haagbeukenbossen behorend tot het Galio-Carpinetum

9180 * Hellingbossen of ravijnbossen behorend tot het Tilio-Acerion

9190 Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur

91A0 Oude eikenbossen van de Britse eilanden met Ilex- en Blechnum spp.

91B0 Warmteminnende essenbossen met Fraxinus angustifolia

91C0 * De Caledonische bossen

91D0 * Veenbossen

91E0 * Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior

(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

91F0 Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus

minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote

rivieren (Ulmenion minoris)

91G0 * Pannonische bossen met Quercus petraea en Carpinus betulus

91H0 * Pannonische bossen met Quercus pubescens

91I0 * Euro-Siberische steppebossen met Quercus spp.

91J0 * Bossen van de Britse eilanden met Taxus baccata

91K0 Illyrische beukenbossen (Aremonio-Fagion)

91L0 Illyrische eiken-haagbeukenbossen (Erythronio-carpinion)

91M0 Pannonisch-Balkanese bossen metmoseik en wintereik

91N0 * Pannonische kreupelbos op landduinen (Junipero-Populetum albae)

91P0 Poolse variantvan hetzilversparren-lariksbos (Abietetum polonicum)

91Q0 West-Karpatische kalkminnende grovedennenbossen

91R0 Dinarische grovedennenbossen op dolomietbodem (Genisto januensis-

Pinetum)

91T0 Midden-Europese korstmos-grovedennenbossen

91U0 Sarmatic steppe pine forest Sarmatisch steppe-dennenbos

91V0 Dacian Beech forests (Symphyto-Fagion) Dacische beukenbossen

(Symphyto-Fagion)

92. Mediterrane winterkale bossen

9210 * Beukenbossen in de Apennijnen met Taxus en Ilex

9220 * Beukenbossen in de Apennijnen met Abies alba en beukenbossen

met Abies nebrodensis

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 19

A2

9230 De Galicisch-Portugese eikenbossen met Quercus robur en Quercus

pyrenaica

9240 Iberische bossen met Quercus faginea en Quercus canariensis

9250 Bossen met Quercus trojana

9260 Bossen met Castanea sativa

9270 Griekse beukenbossen met Abies borisii-regis

9280 Bossen met Quercus frainetto

9290 Cipressenbossen (Acero-Cupression)

92A0 Galerijbossen met Salix alba en Populus alba

92B0 Oeverformaties langs mediterrane waterlopen met periodiek stromend

water, met Rhododendron ponticum, Salix en andere

92C0 Bossen van Platanus orientalis en Liquidambar orientalis (Platanion

orientalis)

92D0 Zuidelijke galerijbossen en stroombegeleidende struikvegetaties

(Nerio-Tamaricetea en Securinegion tinctoriae)

93. Mediterrane sclerofiele bossen

9310 Egeïsche bossen met Quercus brachyphylla

9320 Bossen met Olea en Ceratonia

9330 Bossen met Quercus suber

9340 Bossen met Quercus ilex en Quercus rotundifolia

9350 Bossen met Quercus macrolepis

9360 * Laurierbossen op de Macaronesische eilanden (Laurus, Ocotea)

9370 * Palmbossen met Phoenix

9380 Bossen met Ilex aquifolium

9390 * Struikgewas en lage bosvegetatie met Quercus alnifolia

93A0 Bosland met Quercus infectoria (Anagyro foetidae-Quercetum infectoriae)

94. Naaldbossen van de gematigde bergen

9410 Zuurminnende bossen met Picea van hetmont ane en alpiene gebied

(Vaccinio-Picetea)

9420 Alpiene bossen met Larix decidua en/of Pinus cembra

9430 Montane en subalpiene bossen met Pinus uncinata (* op gips- of kalkhoudend

substraat)



95. Naaldbossen van de Mediterrane en Macaronesische bergen

9510 * Bossen van de zuidelijke Apennijnen met Abies alba

9520 Bossen met Abies pinsapo

9530 * (Sub)-mediterrane dennenbossen met endemische zwarte den

9540 Mediterrane dennenbossen van het type endemische mesogeïsche den

9550 Canarische endemische dennebossen

9560 * Endemische bossen met Juniperus spp.

9570 * Bossen met Tetraclinis articulata

9580 * Mediterrane bossen met Taxus baccata

9590 * Bossen met Cedrus brevifolia (Cedrosetum brevifoliae)

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 20

A2



BIJLAGE II

DIEREN- EN PLANTENSOORTEN VAN COMMUNAUTAIR BELANG

VOOR DE INSTANDHOUDING WAARVAN AANWIJZING VAN

SPECIALE BESCHERMINGSZONES VEREIST IS

Interpretatie

(a) Bijlage II is complementair aan Bijlage I voor de realisatie van een coherent

netwerk van speciale beschermingsgebieden

(b) De soorten die in deze bijlage voorkomen, worden aangeduid door:

— de naam van de soortof van de ondersoortof

— door de verzamelnaam van de soorten die behoren tot een hoger taxon

of tot een aangegeven deel van dit taxon. De afkorting „spp.” achter de

naam van een familie of een genus dient ter aanduiding van alle soorten

van deze familie of van ditgenus.

(c) Symbolen

Een sterretje (*) voor de naam geeft aan dat dit een prioritaire soort is.

De meeste soorten in deze bijlage vermeld, komen in bijlage IV voor.

Indien een in deze bijlage vermelde soortniet in bijlage IV of V voorkomt,

staat achter de naam van die soort het teken (o). Indien een in deze bijlage

vermelde soortnietin bijlage IV voorkomtmaar wel in bijlage V, dan staat

achter de naam van die soort het teken (V).

a) DIEREN

GEWERVELDE DIEREN

ZOOGDIEREN

INSECTIVORA

Talpidae

Galemys pyrenaicus

CHIROPTERA

Rhinolophidae

Rhinolophus blasii

Rhinolophus euryale

Rhinolophus ferrumequinum

Rhinolophus hipposideros

Rhinolophus mehelyi

Vespertilionidae



Barbastella barbastellus

Miniopterus schreibersi

Myotis bechsteini

Myotis blythii

Myotis capaccinii

Myotis dasycneme

Myotis emarginatus

Myotis myotis

Pteropodidae



Rousettus aegiptiacus

RODENTIA


Sciuridae

* Marmota marmota latirostris

* Pteromys volans (Sciuropterus russicus)

Spermophilus citellus (Citellus citellus)

* Spermophilus suslicus (Citellus suslicus)

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 21

A2

Castoridae

Castor fiber (met uitzondering van de Estse, de Letse, de Litouwse, de

Finse en de Zweedse populaties)

Microtidae

Microtus cabrerae

* Microtus oeconomus arenicola

* Microtus oeconomus mehelyi

Microtus tatricus

Zapodidae



Sicista subtilis

CARNIVORA

Canidae

* Alopex lagopus



* Canis lupus (met uitzondering van de Estse populatie; Griekse populaties:

enkel bezuiden de 39e breedtegraad; Spaanse populaties: enkel die bezuiden

de Duero; met uitzondering van de Letse, de Litouwse en de Finse populaties).

Ursidae


* Ursus arctos (met uitzondering van de Estse, de Finse en de Zweedse

populaties)

Mustelidae

* Gulo gulo (o)



Lutra lutra

Mustela eversmannii

* Mustela lutreola

Felidae

Lynx lynx (met uitzondering van de Estse, de Letse en de Finse populaties)

* Lynx pardinus

Phocidae

Halichoerus grypus (V)

* Monachus monachus



Phoca hispida bottnica (o)

* Phoca hispida saimensis



Phoca vitulina (V)

ARTIODACTYLA

Cervidae

* Cervus elaphus corsicanus



Rangifer tarandus fennicus (o)

Bovidae


* Bison bonasus

Capra aegagrus (natuurlijke populaties)

* Capra pyrenaica pyrenaica



Ovis gmelini musimon (Ovis ammon musimon) (natuurlijke populaties —

Corsica en Sardinië)



Ovis orientalis ophion

* Rupicapra pyrenaica ornata (Rupicapra rupicapra ornata)



Rupicapra rupicapra balcanica

* Rupicapra rupicapra tatrica

CETACEA

Phocoena phocoena

Tursiops truncatus

1992L0043 — NL — 01.05.2004 — 004.001 — 22

A2

REPTIELEN

CHELONIA (TESTUDINES)

Testudinidae

Testudo hermanni

Testudo graeca

Testudo marginata

Cheloniidae

* Caretta caretta

* Chelonia mydas

Emydidae

Emys orbicularis

Mauremys caspica

Mauremys leprosa

SAURIA


Lacertidae

Lacerta bonnali (Lacerta monticola)

Lacerta monticola

Lacerta schreiberi

Gallotia galloti insulanagae

* Gallotia simonyi



Podarcis lilfordi

Podarcis pityusensis

Scincidae



Chalcides simonyi (Chalcides occidentalis)

Gekkonidae


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • Wijziging van de bijlagen
  • Comité
  • Aanvullende bepalingen
  • Slotbepalingen
  • Artikel 24

  • Dovnload 0.75 Mb.