Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De relatie tussen Genderrollen, sociale cognities & onveilig seksueel gedrag

Dovnload 0.73 Mb.

De relatie tussen Genderrollen, sociale cognities & onveilig seksueel gedrag



Pagina1/9
Datum11.10.2017
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9




De relatie tussen Genderrollen, sociale cognities & onveilig seksueel gedrag

Een onderzoek naar de validering van genderolmeetinstrumenten bij sociale cognities en onveilig seksueel gedrag onder Nederlandse jongeren.
Auteur : Niki Dolstra

Begeleidende docenten : Dr. H. Boer

Dr. M.E. Pieterse


Opleiding : Psychologie

Faculteit : Gezondheidswetenschappen

Instantie : Universiteit Twente, te Enschede

Hengelo, augustus 2006



SAMENVATTING
Gegevens wijzen uit dat jaarlijks nog 100.000 adolescenten een SOA oplopen. Hieruit kan worden afgeleid dat seksuele voorlichting nog niet optimaal is. Mogelijk moet men zich richten op andere aspecten van seksueel gedrag om voorlichting meer effectief te laten zijn. Eerder onderzoek door Boer, Rom en Fernandez (2006) toont aan dat opvattingen over genderrollen een invloed hebben op sociale cognities en onveilig seksueel gedrag onder Afrikaanse jongeren. Dit onderzoek is één van de weinige onderzoeken die deze invloed van genderrollen heeft getracht aan te tonen in een Westers land. De geformuleerde probleemstelling van dit onderzoek luidde: ‘Wat is de relatie tussen genderrollen, sociale cognities en onveilig seksueel gedrag bij Nederlandse jongeren, en welk instrument meet deze invloed het beste?’.

In dit onderzoek werd verondersteld dat genderrollen, naast een directe invloed op gedrag, ook een indirecte invloed hebben op seksueel gedrag, namelijk via sociale variabelen en de intentie tot het hebben van veilig seksueel gedrag. Genderrollen verwijzen naar geaccepteerde traditionele gedragingen, die binnen een culturele en sociale context als typisch mannelijk of vrouwelijk worden gezien. In verband met de cultuurgebondenheid zijn in het onderzoek, naast de Latijns-Amerikaanse Machismo/ Marianismo-schaal (Boer et al., 2006), ook de Westerse Hypermasculinity- (HMI; Mosher & Sirkin, 1984) en Hyperfemininity-schaal (Murnen & Byrne, 1991) gebruikt om genderrollen te meten. Voor toetsing van de sociale variabelen zijn sociale cognities van de Protectie Motivatie Theorie (PMT; Rogers, 1975), Theory of Planned Behaviour (TPB; Ajzen, 1991), en de sociale normen volgens het Prototype/ Willingness Model (PWM; Gibbons, Gerrard, Blanton & Russell,1998a) gebruikt.

Resultaten, gevonden onder 118 middelbaar opgeleide scholieren tussen de 16 en 22 jaar, lieten geen directe en indirecte invloed van genderrollen op gedrag zien. Sociale cognities, met name attitude en kwetsbaarheid op de intentie tot het hebben van veilig vrijen, en de subjectieve norm en zelfeffectiviteit op het daadwerkelijke seksuele gedrag, lieten wel een significante invloed zien. Ook sociale normen volgens het PWM hadden een significante invloed op bereidheid tot onveilige seks. Hoewel de invloed van genderrollen op intentie en gedrag niet werd aangetoond, werden er wel degelijk relaties gevonden tussen genderrollen en de meeste cognities en normen volgens het PWM. De korte versie van de Machismo/ Marianismoschaal vond de meeste correlaties en lijkt, gezien het kleine aantal items en de goede schaalbetrouwbaarheid, het meest geschikt voor afname in de Nederlandse situatie. Eén item dient slechts achterwege gelaten te worden in de Nederlandse versie. Gezien de kleine steekproef is vervolgonderzoek noodzakelijk om de invloed van genderrollen uit te sluiten.

SUMMARY
Every year an estimated hundred thousand adolescents are infected with an STD. Thus, sexual education is still not very effective. Maybe there are other aspects which determine the sexual behaviour of an individual. An possible aspect was shown in a previous research (Boer, Rom & Fernández-Arata, 2006). This study has revealed the influence of gender roles on social cognitions and unsafe sexual behaviour among African adolescents. This research is one of the first studies which attempt to prove the influence of gender roles in Western society. The formulated definition of the problem in this study was the following: What is the relation between gender roles, social cognitions and unsafe sexual behaviour and which instrument is best for measuring the influence of gender roles concerning unsafe sexual behaviour among Dutch adolescents.

The assumption in this study was that gender roles influence behaviour not only directly, but also indirectly through social variables and the intention to have safe sex. Gender roles can be described as accepted traditional behaviour, that is seen as typically male or female, according to cultural and social context. Because of the cultural factor, three different instruments from different cultures have been used. Besides the Hispanic Macho/ Marianismo scale, also the Western Hypermasculinity Inventory (HMI; Mosher & Sirkin, 1984) and the Hyper feminine scale (Murnen & Byrne, 1991) have been included. In this study a combination of social cognitions from the Protection Motivation Theory (PMT; Rogers, 1975) and the Theory of Planned Behaviour (TPB; Ajzen, 1991), and social norms of the Prototype/ Willingness Model (PWM; Gibbons, Gerrard, Blanton & Russell,1998a) has been used for measuring the social variables.

Results among 118 Dutch intermediate education students between 16 and 22 years old, have not shown an (in)direct influence of gender roles on the intention or the actual sexual behaviour. Social cognitions, attitudes and vulnerability on intention and subjective norms and self efficacy on sexual behaviour, have revealed a significance influence. Also the social norms of the PWM have a significant role in the willingness to have unsafe sex. Although the influence of gender roles has not been proven, correlations between gender roles and most of the social cognitions have been found. The short form of the Machismo/ Marianismo scale revealed the most correlations and seems to be the most effective scale to use in the Dutch situation, also because of the few items en the good scale reliability. Only one item has to be removed from the scale. Because of the small sample, further research has to be done to preclude the influence of gender roles on (the intention to have) safe sex.

VOORWOORD
In juni 2005 ben ik mij gaan oriënteren op het scala aan interessante onderwerpen voor een masterthese binnen het thema Veiligheid & Gezondheid, in het kader van mijn afstuderen voor de studie Toegepaste Psychologie aan de Universiteit Twente te Enschede.

Gezien mijn vooropleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening, en mijn ervaring in de Jeugdhulpverlening, had het interne onderzoek naar genderrollen en onveilig seksueel gedrag bij jongeren mijn grootste interesse. Mijn vreugde was dan ook groot toen duidelijk werd dat ik de opdracht mocht vervullen. In samenwerking met Dr. Boer heb ik gekeken naar de mogelijkheden op dit gebied en besloten om mij te gaan verdiepen in het begrip genderrollen. De relatie is tussen genderrollen, sociale cognities en onveilig seksueel gedrag, en hoe de invloed van genderrollen het beste gemeten kan worden, werd onderzocht. Dit alles is toegespitst op de Nederlandse context. Deze masterthese is het uiteindelijke resultaat van dit onderzoek, welke ik met zeer veel genoegdoening en plezier tot stand heb gebracht.


Het verwezenlijken van deze masterthese heb ik te danken aan veel mensen in mijn omgeving. Als eerste gaat mijn dank uit naar mijn afstudeerbegeleiders Dr. H. Boer en
Dr. M.E. Pieterse van de faculteit Gezondheidswetenschappen. Zij hebben mij vrij gelaten in de invulling van het onderzoek. Tegelijkertijd hebben zij waar nodig opbouwende en leerzame kritieken gegeven, wat de kwaliteit van het onderzoek zeer ten goede heeft gedaan.

Grote dank gaat ook uit naar de heer H. Overkamp, die ervoor heeft gezorgd dat de intieme vragenlijst op een serieuze manier kon worden afgenomen bij de doelgroep. Helaas mag hij het eindresultaat niet meemaken.

Tot slot wil ik mijn (schoon)familie, vriend, vrienden en vriendinnen bedanken voor hun steun en belangstelling, maar ook voor hun begrip tijdens de soms stressvolle momenten. Dankzij hen heb ik het gered om binnen mijn gestelde tijdslimiet de opdracht te voltooien.

Niki Dolstra Hengelo, 19 augustus 2006



INHOUDSOPGAVE

pp.
SAMENVATTING 2
SUMMARY 3
VOORWOORD 4
INHOUDSOPGAVE 5
1. INLEIDING EN ONDERZOEKSOPZET 7

1.1 Onveilig seksueel gedrag in Nederland 8

1.2 Onderzoeksopzet 9

1.2.1 Relevantie en doelstelling 9

1.2.2 Probleemstelling 10
2. RISCOFACTOREN ONVEILIG SEKSUEEL GEDRAG,

GENDERROLLEN EN SOCIALE COGNITIES 12

2.1 Risicofactoren jongeren en onveilig seksueel gedrag 12

2.2 Genderrollen 13

2.2.1 Definitie genderrollen 13

2.2.2 Meetinstrumenten: Machismo/ Marianismoschaal,

Hypermasculinityschaal & Hyperfemininityschaal 15

2.3 Sociale cognitie modellen 18

2.3.1 Protectie Motivatie Theorie 19

2.3.2 Theory of Planned Behaviour 19

2.4 Prototype/ willingness 20

2.4.1 Definities prototype, similaraty, attraction & willingness 20

2.4.2 Meetinstrument: Prototype Willingness Model 21

2.5 De relatie tussen gender, genderrollen, sociale cognities

en onveilig seksueel gedrag 22
3. METHODEN VAN ONDERZOEK 25

3.1 Respondenten 25

3.2 Vragenlijst 25

3.3 Procedure 31

3.4 Statistische verwerking
4. RESULTATEN 32

4.1 Respondenten 32

4.2 Genderrollen 34

4.3 Sociale cognities met betrekking tot veilig seksueel gedrag 41

4.4 Prototype/ Willingness Model 41

4.5 Relatie genderrollen, sociale cognities,

prototype/ willingness, en onveilig seksueel gedrag 43

4.5.1 Correlaties genderrollen, sociale cognities,

prototype/ willingness, en onveilig seksueel gedrag 44

4.5.2 Regressieanalyses intentie tot veilig seksueel gedrag 47

4.5.3 Regressieanalyses seksueel gedrag 50
5. CONCLUSIE EN DISCUSSIE 55

5.1 Definitie gender en genderrollen 55

5.2 De beste wijze van het meten van genderrollen

in de Nederlandse situatie 56

5.3 De relatie tussen genderrollen en sociale cognities

bij Nederlandse jongeren 57

5.4 De relatie tussen genderrollen en seksueel gedrag

onder Nederlandse jongeren 58

5.5 Beperkingen onderzoek 59

5.6 Ter afsluiting 61
REFERENTIES 62
BIJLAGE: DE VRAGENLIJST 69

1. INLEIDING EN ONDERZOEKSOPZET
“On ne naît pas femme, on le devient”

(“Men is niet geboren als vrouw, men wordt het”)
In de hedendaagse Westerse maatschappij wordt veel nadruk gelegd op het onderscheid man-vrouw. Bovenstaand citaat van de Franse filosofe en schrijfster Simone de Beauvoir (1908-1986) kan het socialisatieproces dat dit onderscheid maakt, niet beter verwoorden. Het man-vrouw onderscheid wordt namelijk niet alleen gemaakt op basis van biologische verschillen, maar ook op basis van normatieve waarden.

Verschillende termen worden gebruikt om het onderscheid tussen mannen en vrouwen te kunnen maken. Deze termen hebben echter niet dezelfde betekenis. Er is namelijk een wezenlijk onderscheid tussen de begrippen ‘sekse’ en ‘gender’. De sekse of het geslacht van een individu verwijst naar het biologische man-vrouw onderscheid. Dit is een relatief eenduidige en feitelijke omschrijving. Gender is een psychosociaal onderscheid en verwijst naar de maatschappelijk geaccepteerde persoonlijkheidskenmerken, activiteiten, interesses en gedrag van een individu van een bepaald geslacht. Hoewel het begrip ‘gender’ op meerdere manieren gedefinieerd kan worden, sluit de definiëring die onder andere het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hanteren, het beste op dit onderzoek aan: “Gender, de sociaal en cultureel bepaalde aspecten van de sekse. Dit houdt de verwijzing in naar de sociale en culturele verschillen en relaties tussen mannen en vrouwen, welke aangeleerd zijn en die aan verandering onderhevig zijn. ‘Gender’ is historisch, sociaal en cultureel geconstrueerd. Via cultuuruitingen als taal, kennis, waarden, normen, gewoonten, symbolen, helden en rituelen onderscheidt zich in een gemeenschap het mannelijke van het vrouwelijke en het vrouwelijke van het mannelijke” (Ministerie van Sociale Zaken, 2003 ).

De mate waarin het individu zich met traditionele activiteiten, interessen en gedragingen verbonden voelt, kan verschillen en wordt de genderidentiteit genoemd. Genderrollen kunnen worden aangeduid als het daadwerkelijke, observeerbare gedrag dat volgens maatschappelijke normen mannelijk of vrouwelijk wordt genoemd, en is interessant ter verdieping, vooral met betrekking tot sociale cognities en gezondheidsgedrag. Gochman (1997) definieert gezondheidsgedrag als ‘openlijke gedragspatronen, acties en gewoonten die in verband staan met gezondheidsbehoud, herstellen van de gezondheid en gezondheidsverbetering’.

1.1 Onveilig seksueel gedrag in Nederland
Een tal van onderzoeken naar genderrollen zijn verricht (Beere, 1990), en resultaten wijzen uit dat genderrollen een grote rol spelen bij veel gezondheidsgedragingen. Er is onder andere een relatie gevonden tussen culturele variabelen, genderrollen en seksueel overdraagbare aandoening (SOA’s) (Boer & Mashamba, 2006). Voorbeelden van SOA’s zijn Human Immunodeficiency Virus (HIV)/ Acquired Immune Deficiency Syndrome (AIDS), chlamydia (een bacterie die zich in de slijmvliezen van de geslachtsdelen nestelt), en gonorroe (een bacterie die infecties aan de geslachtsdelen veroorzaakt).

Naar schatting lopen jaarlijks 110.000 mensen in Nederland een SOA op (GGD Zeeland, 2003). Jongeren vormen een meerderheid van deze groep. De Graaf, Meijer, Poelman en Vanwesenbeeck (2005) vonden dat de gemiddelde leeftijd waarop jongeren voor het eerst geslachtsgemeenschap hebben 16.6 jaar is. Volgens de Graaf et al. (2005) heeft dertig procent van de voortgezet onderwijs leerlingen ervaring met geslachtsgemeenschap; 79% gebruikt hierbij een condoom.

Er zijn een aantal duidelijke groepsverschillen gevonden in het onderzoek van de Graaf et al. (2005). De verschillende groepen waren gebaseerd op basis van geslacht, leeftijd, opleiding, etniciteit, religie en seksuele geaardheid. Ten eerste werd gevonden dat meisjes op zeventienjarige leeftijd meer ervaring met verschillende vormen van seksueel gedrag hebben dan jongens. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat meisjes over het algemeen vaker een oudere partner hebben. Meisjes gebruiken ook, zij het in kleine mate, meer bescherming dan jongens bij seksueel gedrag. In een relatie was de mate van bescherming tussen jongens en meisjes echter gelijk. Met betrekking tot leeftijd neemt beschermingsgedrag volgens De Graaf et al. (2005) toe naarmate jongeren ouder worden.

Ook het opleidingsniveau leek van invloed op seksueel gedrag. Lager opgeleiden (de hoogst afgeronde opleiding is de basisschool, MAVO/ VMBO of MBO) lijken meer seks georiënteerd en hebben meer de behoefte om de seksuele wereld te verkennen. In de leeftijd van twaalf tot zeventien hebben zij dan ook meer ervaring dan hoger opgeleiden (jongeren die HAVO, VWO, HBO of universiteit volgen of afgerond hebben) op het gebied van alle vormen van seks. Hoewel laag en hoog opgeleiden hun zelfeffectiviteit om bescherming te gebruiken even hoog inschatten, gebruiken laag opgeleiden minder consequent bescherming.

Bovendien zijn verschillen gevonden binnen etnische groepen. Marokkaanse en Turkse jongens haddeen meer verschillende partners gehad dan Nederlandse jongeren. Een mogelijke verklaring hiervoor is het gegeven dat Marokkaanse en Turkse jongeren vaker betaalde seks hebben gehad dan Nederlandse jongeren (respectievelijk 22 en 15%). Bij de meisjes is dit echter omgekeerd: Nederlandse meisjes hebben meer ervaring dan Turkse meisjes. Marokkaanse en Turkse jongeren scoren het laagst op ingeschatte zelfeffectiviteit tot het gebruiken van bescherming. Bij het daadwerkelijke gebruik van bescherming wordt bij jongens van verschillende afkomt geen verschil gevonden. Bij de meisjes werd echter wel een verschil gevonden; Antilliaanse en in mindere mate Surinaamse meisjes zijn de grootste risicogroep voor het oplopen van een SOA.

Er zijn ook verschillen op het gebied van religie gevonden. In de leeftijd van twaalf tot zeventien jaar kan geconcludeerd worden dat Islamitische jongens de meeste ervaring hebben met seks. In de leeftijdsgroep achttien tot vierentwintig wordt het verschil tussen verschillende religieuze groepen meer zichtbaar. Christelijke jongeren hebben op die leeftijd minder ervaring dan niet-gelovige jongeren. Wanneer Christelijke jongeren echter eenmaal aan seks beginnen, gebruiken ze hierbij veel minder vaak bescherming dan niet-gelovige jongeren. Islamitische meisjes hebben evenals Christelijke jongeren in de leeftijdscategorie achttien tot vierentwintig jaar ook relatief weinig seksuele ervaring.

Tenslotte kwam uit het onderzoek naar voren dat homoseksuele jongens meer alternatieve vormen van seks hebben dan heteroseksuele jongeren, en zij gebruiken hierbij minder bescherming (de Graaf et al., 2005).
1.2 Onderzoeksopzet


      1. Relevantie en doelstelling

Hoewel bij aanvang van het onderzoek werd vermoed dat er een relatie bestaat tussen genderrollen, sociale cognities en onveilig seksueel gedrag, was hier nog weinig over bekend. Het is bekend dat adolescenten een grote risicogroep zijn met betrekking tot risico’s van onveilig seksueel gedrag. Een mogelijke verklaring hiervoor zou de openbaring van het onderscheid van mannen en vrouwen kunnen zijn. Uit onderzoek (Douvan en Adelson, 1966) is gebleken dat adolescentie de periode is waarin het onderscheid man-vrouw het meest zichtbaar wordt. Douvan en Adelson (1966) zeggen dat in deze periode twee verschillende ‘culturen’ ontstaan. Jongens en meisjes hebben dan andere waarden, houdingen en relaties. Jongens hebben volgens Douvan en Adelson (1966) meer utilitair-individualistische attitudes en stoer-agressieve houdingen. Daarnaast vertonen jongens afwijzing van vrouwelijke waarden van verbondenheid en een afkeer voor het tonen van emoties. Een dergelijke houding is conform met hoe de mannelijke geslachtsrol in de literatuur wordt omschreven (Douvan & Adelson, 1966).

Aangezien het normatieve onderscheid man-vrouw een grote rol speelt in de maatschappij, beïnvloedt dit onderscheid waarschijnlijk ook de blootstelling en perceptie van seksuele risico’s. Wanneer hier meer bekend over zou zijn, kan het preventie, waaronder de seksuele voorlichting aan adolescenten, gunstig beïnvloeden. Maar hoe kan men de invloed van genderrollen op sociale cognities en onveilig seksueel gedrag meten?

Binnen genderrolonderzoeken bestaan een aantal lijnen. In Westerse culturen is men tot de conclusie gekomen dat de begrippen ‘masculiniteit’ en ‘feminiteit’ los van elkaar bestaan (Beere, 1990). Er bestaat echter ook een andere opvatting, namelijk dat masculiniteit en feminiteit complementaire aspecten zijn. Binnen deze opvatting vormen ze uiteinden binnen één construct. In onder andere Latijns-Amerikaanse landen zijn op basis van deze opvatting meetinstrumenten ontwikkeld om onderzoek te kunnen doen naar de vraag wat de invloed is van genderrollen op sociale cognities en gezondheidsgedragingen, in het bijzonder onveilig seksueel gedrag. Een bekend voorbeeld hiervan is de Machismo/ Marianismo-schaal (Boer et al., 2006). In de Nederlandse context was bij aanvang van het onderzoek echter nog niet bekend hoe genderrollen het beste gemeten kunnen worden. De validiteit van de Machismo/ Marianismo-schaal in de Nederlandse maatschappij was dan ook onduidelijk.


1.2.2 Probleemstelling
Het onderzoek heeft zich gericht op het identificeren van genderrollen en hun invloed op gezondheidsgedragingen binnen de Nederlandse context, specifiek gericht op onveilig seksueel gedrag. Op grond van de bevindingen werden gestandaardiseerde ‘Westerse’ meetinstrumenten afgezet tegen de Machismo/ Marianismo-schaal. De meetinstrumenten werden getoetst onder adolescenten met als doel vast te kunnen stellen of genderrollen generaliseerbaar en universeel zijn.
Op basis van bovenstaande werd onderstaande probleemstelling geformuleerd:
Wat is de relatie tussen genderrollen, sociale cognities en onveilig seksueel gedrag; en op welke wijze kan de invloed van genderrollen het beste gemeten worden onder Nederlandse jongeren betreffende onveilig seksueel gedrag’
Deze probleemstelling werd beantwoord door middel van de volgende deelvragen:

  1. Wat houden de begrippen ‘gender’ en ‘genderrollen’ daadwerkelijk in?

  2. Hoe kunnen genderrollen het beste worden gemeten in de Nederlandse context?

  3. Is er een relatie tussen genderrollen en sociale cognities in de Nederlandse context?

  4. Is er een de relatie tussen genderrollen en seksueel gedrag van Nederlandse jongeren?


2. RISICOFACTOREN ONVEILIG SEKSUEEL GEDRAG, GENDERROLLEN EN

SOCIALE COGNITIES
Om tot een goede afbakening van het onderzoek en een eenduidige definiering van de verschillende begrippen te komen, wordt in dit hoofdstuk de aanleiding van het onderzoek (2.1) nader uitgelegd en volgt een uiteenzetting van de concepten genderrollen (2.2), sociale cognities (2.3) en prototype/ willingness (2.4). Tenslotte wordt beschreven wat bekend is over de relaties tussen genderrollen, sociale cognities en onveilig seksueel gedrag (2.5).
2.1. Risicofactoren bij jongeren en onveilig seksueel gedrag
Bakker (2005) noemt een aantal risicofactoren van jongeren die mogelijk een rol spelen bij onveilig seksueel gedrag. Ten eerste is er nog steeds onvoldoende kennis over de consequenties van onveilig vrijen. Ten tweede is de negatieve houding ten opzichte van condooms nauwelijks veranderd in de afgelopen tien jaar. Adolescenten ervaren nog steeds nadelen van condoomgebruik, zoals de onderbreking van het vrijen, minder voelen en schaamte bij het aanschaffen. Als derde risicofactor noemt Bakker (2005) afname van de risicoperceptie en bereidheid tot seksuele gedragsverandering, mogelijk door de toegenomen behandelmethoden van HIV-infecties (Bakker, 2005). Andere onderzoeken (Meyer-Bahlburg et al., 1985; Soefer et al., 1985) noemen als vierde risicofactor de steeds vroegere hormonale en lichamelijke veranderingen, waardoor een grotere belangstelling voor seks onder jongeren ontstaat. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn onder andere betere voeding en gezondheidszorg, maar ook sociale invloeden. Deze ontwikkelingen maken een eerder begin met seksuele experimenten en relaties mogelijk. Het is niet duidelijk of deze daling de komende jaren door zal zetten, of dat er sprake is van een zeker biologisch minimum. Onderzoek in de derde wereld toont aan dat een veel jongere seksuele startleeftijd biologisch en sociaal mogelijk is (Cleland & Ferry, 1995).

Mogelijk vormen naast sociale cognities, ook culturele factoren zoals genderongelijkheid, een rol bij onveilig seksueel gedrag. Genderimbalance is een ongelijke machtrelatie tussen mannen en vrouwen die ontstaat door bestaande genderrollen. Onder andere de kans op onveilig seksueel gedrag wordt hierdoor vergroot. Boer en Mashamba (2006) hebben deze hypothese al gesuggereerd in hun onderzoek naar condoomgebruik onder Zuid-Afrikaanse jongeren waar de prevalentie van HIV onder jongeren tussen 15 en 19 jaar 15.6% is (Shisana, 2002). Boer en Mashamba (2006) hebben geprobeerd het condoomgebruik middels twee sociale cognitiemodellen (zie paragraaf 2.4.2) te voorspellen. Resultaten tonen aan dat sociale cognities het gebruik van condooms significant kunnen voorspellen. Bij vrouwen spelen andere sociale cognities een rol dan bij mannen. Hoewel bij zowel mannen als vrouwen attitude een belangrijke invloed heeft, is bij mannen ook de subjectieve norm van belang. Zelfeffectiviteit heeft een negatieve invloed bij mannen, bij vrouwen is deze sociale cognitie echter een positieve rol op intentie (Boer & Mashamba, 2006).

Kocken, van Dorst en Schaalma (2005) hebben aangetoond dat deze cultureel bepaalde sociale cognities ook van invloed zijn binnen de Nederlandse context. Zij vinden dat Antilliaanse migranten in Nederland een risicogroep zijn voor ongewenste zwangerschappen, SOA’s en HIV. Risicofactoren als het hebben van meerdere seksuele partners, het gegeven dat vrouwen seksueel en financieel afhankelijk zijn van mannen en de hierdoor sterke barrière om tot een gelijkwaardige communicatie te komen over veilige seks, en machismo attituden, hangen samen met condoomgebruik (Kocken et al., 2005).

  1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • De relatie tussen Genderrollen, sociale cognities onveilig seksueel gedrag
  • Instantie
  • INHOUDSOPGAVE pp. SAMENVATTING 2 SUMMARY 3 VOORWOORD 4 INHOUDSOPGAVE 5 1. INLEIDING EN ONDERZOEKSOPZET 7
  • 2. RISCOFACTOREN ONVEILIG SEKSUEEL GEDRAG, GENDERROLLEN EN SOCIALE COGNITIES 12 2.1 Risicofactoren jongeren en onveilig seksueel gedrag 12
  • 2.3 Sociale cognitie modellen 18 2.3.1 Protectie Motivatie Theorie 19 2.3.2 Theory of Planned Behaviour 19 2.4 Prototype/ willingness 20
  • 2.5 De relatie tussen gender, genderrollen, sociale cognities en onveilig seksueel gedrag 22 3. METHODEN VAN ONDERZOEK 25 3.1 Respondenten 25
  • 4.2 Genderrollen 34 4.3 Sociale cognities met betrekking tot veilig seksueel gedrag 41 4.4 Prototype/ Willingness Model 41
  • 5. CONCLUSIE EN DISCUSSIE 55 5.1 Definitie gender en genderrollen 55 5.2 De beste wijze van het meten van genderrollen
  • 5.4 De relatie tussen genderrollen en seksueel gedrag onder Nederlandse jongeren 58 5.5 Beperkingen onderzoek 59 5.6 Ter afsluiting 61
  • 1.1 Onveilig seksueel gedrag in Nederland
  • 2. RISICOFACTOREN ONVEILIG SEKSUEEL GEDRAG, GENDERROLLEN EN
  • 2.1. Risicofactoren bij jongeren en onveilig seksueel gedrag

  • Dovnload 0.73 Mb.