Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648

Dovnload 148.96 Kb.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648



Datum01.08.2017
Grootte148.96 Kb.

Dovnload 148.96 Kb.




Antwoorden Historische contexten havo

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648


1.1 Waardoor brak er een opstand uit in de Nederlanden, 1515-1572?


Antwoorden pagina 7:
Opdracht 1

a Bij ‘21 De protestantse reformatie die de splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had’.

b Hierdoor splitste uiteindelijk de Lutherse (protestantse) kerk zich af van de katholieke kerk.

c Hervorming betekent dat je iets (hier: de katholieke kerk) wil veranderen, opnieuw wil vormen (her-vormen). Reformatie betekent hetzelfde (re-formeren). Luther wilde dus aanvankelijk de katholieke kerk niet verlaten, maar streefde naar interne veranderingen van die die kerk.


Opdracht 2

1 Luther was tegen de aflatenverkoop, waarmee gelovigen verlossing van hun zonden konden kopen.

2 Hij had kritiek op de hang naar luxe van de hoge geestelijkheid.

3 Hij veroordeelde het streven naar wereldlijke macht van de paus en van sommige bisschoppen.


Opdracht 3

a/b Johannes Hus (Bohemen, Tsjechië; 1369-1415). Hij studeerde letteren en filosofie, was rector magnificus (hoogleraar-directeur) van de universiteit van Praag en vanaf 1398 ook priester. Hus was een voorloper van de hervorming. Hij was een voorstander van het preken in de landstaal, hij was tegen de verkoop van kerkelijke ambten, tegen corruptie, tegen relieken en tegen de handel in aflaten.



Desiderius Erasmus (Rotterdam, 1466-1536) was priester, theoloog, schrijver en humanist. In 1487 werd hij monnik in een klooster bij Gouda. Erasmus was een voorstander van een zuiver kloosterleven. Hij was echter tegen onbenullige regeltjes die de vrijheid van mensen onnodig beperken. Hij zorgde voor een correcte Bijbelvertaling in het Grieks door uit te gaan van de oudste versies. Erasmus was tegen leerstellingen (dogma’s) en tegen onverdraagzaamheid.

Maarten Luther (Eisleben, Duitsland; 1483-1546) was monnik, theoloog en reformator. Hij nam de Griekse vertaling van Erasmus als uitgangspunt voor zijn Bijbelvertaling in het Duits. Volgens Luther kon alleen God zonden vergeven. De handel in aflaten keurde hij daarom sterk af. Zijn denkbeelden bouwden voort op die van Hus. Erasmus vond hij te slap in diens kritiek op de katholieke kerk.

Johannes Calvijn (Noyon, Frankrijk; 1509-1564) was een theoloog en reformator. Calvijn deelde in veel opzichten de opvattingen van Luther. Hij was echter een voorstander van de predestinatieleer; volgens deze leer is het lot van ieder mens door God voorbestemd.
Opdracht 4

1 Calvijn

2 de katholieke kerk

3 Luther
Opdracht 5

a 1 Volgens de leer van de katholieke kerk kan de mens door goede werken en aflaten vergeving van de zonden verkrijgen;

2 De verkoop van aflaten was een rijke inkomstenbron.

3 De opvattingen van Luther tastten het gezag van de paus aan.

b 1 Luther was ervan overtuigd dat alleen God de zonden kan vergeven en alleen volgens die opvatting wilde Luther leven en sterven.

2 Volgens Luther tastten de opvattingen van de paus de almacht van God aan.

c Beide beweegredenen gaan over de almacht van God.


Opdracht 6

De stelling is juist, omdat Luther op de Rijksdag van Worms de paus en de keizer van zijn opvattingen probeerde te overtuigen. In bron 1 staat dat de christenen moeten leren. Luther bedoelt hiermee dat ze hun verkeerde opvatting moeten veranderen. In bron 2 staat dat Luther bewijzen voor zijn leer in de Bijbel vond. Volgens Luther had de katholieke kerk de Bijbel dus verkeerd geïnterpreteerd.


Opdracht 7

a 1 Karel wilde het geloof van zijn voorouders niet verzaken.

2 Hij geloofde dat hij - volgens de leer van de katholieke kerk - verlossing kon krijgen van zijn zonden.

3 Hij wilde geen afsplitsingen van de kerk en daarmee verdeeldheid onder zijn onderdanen als een deel daarvan protestants zou worden. Bovendien konden protestanten hem weleens minder gehoorzaam zijn.

b 1 Zij waren overtuigd van de juistheid van de leer van Luther.

2 Zij wilden zich onafhankelijker van de keizer opstellen.

3 Zij wilden de kerkelijke bezittingen onteigenen om daar beter van worden of om hun gebied op een rechtvaardiger wijze te kunnen besturen.
Opdracht 8

a Gevolgen op de korte termijn: na de afsplitsing van de katholieke kerk raakte de protestantse kerk snel verdeeld.

Gevolgen op de lange termijn: er ontstonden nieuwe kerken: de calvinistische (gereformeerde) kerk, de lutherse kerk en de anglicaanse kerk.

b In de Nederlanden kreeg Calvijn meer aanhang dan Luther en bleef een deel van de bevolking katholiek. In Zweden waren de gevolgen van het optreden van Luther dus het grootst, want daar was (volgens de kaart) de hele bevolking luthers.


Antwoorden pagina 10:
Opdracht 1

a Bij ‘17 Het begin van staatsvorming en centralisatie’, omdat de drie raden centrale bestuursorganen waren met bevoegdheden voor geheel de Nederlanden.

b 1 Bij ’21 De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had’, omdat de Bloedplakkaten tegen de protestanten waren gericht.

2 Bij ’17 Het begin van staatsvorming en centralisatie’, omdat het wetten waren voor geheel de Nederlanden.


Opdracht 2

a Particularisme wil zeggen dat de steden en gewesten elk hun eigen privileges en bestuursmacht wilden behouden.

Centralisatie houdt in dat de vorst via zijn ambtenaren probeerde zijn rijk vanuit een centraal punt (de hoofdstad) te besturen met voor al zijn gebieden dezelfde wetten en rechtspraak.

b De Collaterale Raden en de Bloedplakkaten zijn voorbeelden van het streven naar centralisatie van de vorst (Karel V). De steden en gewesten zagen daardoor hun bevoegdheden afnemen en wilden vasthouden aan hun bestaande privileges (particularisme).


Opdracht 3

a Bron 1 is een tekening uit het boek ‘Martelaarsspiegel’. Je ziet hoe andersgelovigen gewurgd en verbrand worden. Ook worden er boeken verbrand.

b Protestanten volhardden hierdoor in hun geloof of werden juist afgeschrikt om hun geloof openlijk te tonen.

Gematigde katholieken vonden de harde vervolgingen waarschijnlijk te extreem.

Strenge katholieken waren het waarschijnlijk eens met dit harde optreden tegen de ‘ketters’.
Opdracht 4

a De grote bisdommen werden opgedeeld in kleinere.

b De nieuwe bisschoppen waren vaak met goedkeuring van de vorst aangesteld. Ze zullen de Bloedplakkaten trouw hebben uitgevoerd en konden hun kleinere bisdom bovendien beter controleren.
Opdracht 5

1 Karel V was zelf erg gelovig en meende dat de leer van de katholieke kerk de enige weg was naar verlossing van zonden.

2 Hij wilde in zijn gebieden geen ruzie tussen katholieke en protestantse onderdanen.
Opdracht 6

1 De instelling van de Collaterale Raden zal vooral de bestuurders hebben geïrriteerd die nu door de nieuw aangestelde ambtenaren in de Collaterale Raden verdrongen werden. Edelen verloren daardoor namelijk macht als bestuurders en rechters. Ook hadden ze minder kans op een bisschopszetel, omdat daarvoor alleen gestudeerde theologen werden benoemd.

2 Steden en de gewesten verloren een deel van hun zelfstandigheid en volgens de edelen en rijkere burgers was dat tegen de oude privileges. Zij verloren daardoor macht en invloed.

3 Protestanten zullen vooral tegen de vervolgingen geweest zijn en naar godsdienstvrijheid hebben gestreefd.


Opdracht 7

Bron 1 gaat over de instelling van de Bloedplakkaten en de aantallen slachtoffers.

Bron 2 gaat over het instellen van de drie Collaterale Raden, hun functie en hun samenstelling. Je leert hoe door het aanstellen van juridisch geschoolde burgers de adel werd teruggedrongen uit het bestuur.

Bron 3 Sonnius was een rechter die in Nijmegen onderzoek deed. In de brief maakt hij duidelijk dat zelfs hij het niet helemaal eens was met de harde straffen die in de Bloedplakkaten werden geëist.

Bron 4 is een deel van een Bloedplakkaat. Ook de geschriften van protestantse denkers waren verboden, moesten worden opgespoord en worden verbrand. (Vergelijk bron 1 uit dit deel van de historische context.)

Bron 5 is een deel uit de transactie van Augsburg waarbij de zeventien Nederlandse gewesten werden losgemaakt van het Duitse Keizerrijk.

1.2 Waardoor resulteerde de Opstand in het ontstaan van de Republiek, 1572-1588?
Antwoorden pagina 14:
Opdracht 1

1 Geldgebrek: Willem van Oranje had telkens slechts geld had voor een campagne van één zomer en kreeg weinig financiële steun uit de Nederlanden.

2 Steden openden hun poorten niet voor hem uit angst voor wraakacties van Alva.

3 Alva bleef hem met een goed geoefend leger achtervolgen, maar ging een echte veldslag uit de weg.


Opdracht 2

a Vooral in Holland en Zeeland.

b De veldtochten gingen vooral door het Maasgebied in Gelderland, Utrecht en Holland. Hier had de bevolking dus het meest te lijden.
Opdracht 3

1 De veldtochten van Alva gingen eerst naar het oosten en daarna via Utrecht naar het westen. Het was voor hem namelijk vrijwel onmogelijk om met zijn grote legers de rivieren over te steken en op die manier rechtstreeks naar Holland te trekken.

2 Daarna is er alleen een korte veldtocht naar het noordoosten. Daarbij worden de rivieren gemeden.

3 Alkmaar kon beschermd worden door gebieden rondom de stad onder water te zetten (inundaties).

4 Ook Leiden kon beschermd worden door gebieden rondom de stad onder water te zetten.
Opdracht 4

Steden die zich na lange belegeringen moesten overgeven, werden geplunderd. Er vonden enorme moordpartijen plaats. Deze vorm van terreur werd bewust toegepast: andere gebieden en steden gaven zich direct aan Alva over als hij met zijn leger naderde of gehoorzaamden hem.


Antwoorden pagina 16:
Opdracht 1

a Politiek: de katholieke burgers van Amsterdam waren in de meerderheid en wilden hun bestuurlijke macht behouden. Indien zij zich overgaven aan de geuzen zouden er calvinistische burgers in het stadsbestuur komen.

Economisch: partij kiezen voor de opstandelingen betekende dat er geen handel meer mogelijk was, omdat de Spanjaarden die handel probeerden tegen te gaan.

Religieus: de katholieke burgers vreesden dat ze hun kerken en rechten zouden verliezen als de calvinisten aan de macht zouden komen.

b Politiek: zij breiden daarmee hun gebied uit ten koste van de Spanjaarden.

Economisch: ze kregen een belangrijke handelsstad in handen.

Religieus: als de calvinisten in zo’n belangrijke stad het bestuur kunnen overnemen, dan kunnen ze er ook de calvinisten bevoordelen en bijvoorbeeld kerken opeisen en in gebruik nemen.

Strategisch: Amsterdam was het laatste Spaanse bolwerk in een door calvinisten beheerd gebied. De stad zou als uitvalsbasis kunnen dienen bij het heroveren van gebieden in Holland.

Psychologisch: de positie van de geuzen was nog zwak, daarom betekende elke stad die hun kant koos een aanmoediging om de strijd voort te zetten en om te hopen op de eindoverwinning.
Opdracht 2

a Zie kolom 1 in het schema.

b Zie kolom 2.

c Zie kolom 3.



Stap

Tekst

Juiste volgorde

Oranje gaat onderhandelen over een ‘satisfactie’ op basis van de Pacificatie van Gent met de belofte gewetensvrijheid en alle handelaren mogen handeldrijven.

B, D, F


B = 1

D = 2


F = 3

Onwillige steden, ook Amsterdam, worden in hun handel en nijverheid gestoord door geuzen die de omgeving onveilig maken. De handel komt zo stil te liggen.

C

C = 4

Er komt een Satisfactie voor Amsterdam tot stand.

A

A = 5

Er komt een commissaris om op de afspraken toe te zien, maar die laat de calvinisten hun gang gaan. De positie van de katholieken wordt tegen de bepalingen van de satisfactie in steeds verder verzwakt.

E

E = 6

De terugkerende geuzen nemen belangrijke posities in de schutterijen in. Zo hebben de katholieken geen gewapende steun meer. Hun positie werd nog zwakker

J, G

J = 7

G = 8


De katholieke magistraten worden gedwongen op te stappen. Ze worden vervangen door calvinistische bestuurders: de Alteratie. Amsterdam is dan een calvinistische stad.

H, I

H = 9

I = 10


d De bron is van de hand van een katholieke priester (Bron I) die beschrijft hoe de positie van de katholieken en de magistraat steeds verder wordt aangetast. Uiteindelijk moet hij uit de stad vluchten. De ondertoon is er een van verdriet om de verloren gegane positie. Hij zet daarbij de calvinisten negatief neer, maar of hij hun handelen overdrijft en extra negatief maakt is niet duidelijk. Haal je er de historische feiten uit dan is de bron waarschijnlijk wel betrouwbaar.
Opdracht 3

a Op bron 1 zie je hoe de geuzen de stad binnenkomen. Dit zal zijn na de satisfactie (bron E) en op bron 2 worden katholieken de stad uitgezet (bron I)

b Eigen antwoord. Voorbeelden van goede bijschriften:

Bron 1: Na het bekendmaken van de satisfactie in Amsterdam komen geuzen Amsterdam binnen.

Bron 2: Nadat de calvinisten de macht in Amsterdam hebben overgenomen, worden katholieken (priesters) gedwongen Amsterdam te verlaten.
Antwoorden pagina 18:
Opdracht 1

a De tekst onder het wapen van bron 1 betekent: ‘Ik zal handhaven.’

b ‘Je maintiendrai Nassau’ (´Ik zal Nassau handhaven´).

c Door het woord ‘Nassau’ weg te laten, wordt de spreuk algemeen zodat die ook op de Nederlanden betrekking kan hebben. Als er Nassau zou staan, zou dat betekenen dat de opstandelingen voor Willem van Nassau persoonlijk vechten en niet voor de vrijheid van de Nederlanden. Nassau is de naam van de thuislanden van de familie van Oranje-Nassau; daarvoor zouden de opstandelingen niet vechten.


Opdracht 2

a Willem van Oranje is altijd gehoorzaam geweest aan Filips II.

b Hij kwam in opstand tegen de plaatsvervangers van Filips II in de Nederlanden: tegen Alva en de ambtenaren die de opdrachten van de landsheer niet juist uitvoerden en veel te streng optraden.

c Alva was de landvoogd die de Nederlanden met harde hand onderdrukte. Tegen die politiek keerde Willem van Oranje zich.


Opdracht 3

a De landvoogd Alva, kardinaal Granvelle, die gezagsgetrouw de bevelen van Filips II uitvoerde, en De Guise, de leider van de katholieken in Frankrijk.

b Alva wordt door een duivel slechte adviezen ingeblazen. Alva en Granvelle eten een kind (onschuldige mensen) op. De boer en de handelaar jammeren en slaan de handen in elkaar. Alva draagt een harnas en is dus gekleed als veldheer, hij heeft geldzakken in de hand.

c De mannen op de grond hebben geen hoofd meer: het zijn de hoge edelen Egmond en Horne, die in 1568 op bevel van Alva zijn onthoofd.


Opdracht 4

a Filips II legt uit waarom hij Willem van Oranje in de ban doet. Om zijn besluit te rechtvaardigen, beschuldigt hij Willem en schildert hem af als ontrouw, als een brenger van rampen en als een onruststoker.

b Het conflict ging over het verschil van mening over bestuurlijke (politiek) zaken en geloofszaken (religie).

c Politiek/bestuurlijk: ‘gebruik makend van de autoriteit die we over hem hebben krachtens de eed van trouw en als soeverein van deze erflanden’ en ‘verrader, en een vijand van ons en van onze landen’.

Godsdienstig: ‘de algemene pest voor de Christenheid’.
Opdracht 5

a In bron 4 gaat over het verschil van mening over bestuurlijke (politiek) zaken.

b In dit betoog moet aan de orde komen:

- In de Nederlanden zijn een deel van de mensen protestants.

- Dat wordt door de katholieke vorst Filips II niet geaccepteerd.

- Filips II laat de andersgelovigen (protestanten) vervolgen en doden.

- Hij beperkt op die manier de geloofsvrijheid van zijn onderdanen.

- Willem van Oranje vindt dat ieder mens zijn eigen geloof mag kiezen.


Opdracht 6

1 - A, 2 - C, 3 - D, 4 - E, 5 - B


Opdracht 7

Tekst 8: Plakkaat of Acte van Verlatinghe (1581)

Tekst 9: Unie van Utrecht (1579)

Tekst 5: Filips II doet Willen van Oranje in de ban (1580)

Tekst 1: Calvijn over de taak van de vorst of regering (1536)

Tekst 2: Smeekschrift (1566)

Tekst 7: Willem van Oranje, Rede oudejaarsdag (1564)

Tekst 6: Pacificatie van Gent (1576)

Tekst 10: Willem van Oranje, Justificatie (1568)

Tekst 4: Filips II over de taak van de vorst (1555)

Tekst 3: Willem van Oranje, Apologie (1580)
Opdracht 8

1581 - Plakkaat of Acte van Verlatinghe

1579 - Unie van Utrecht

1580 - Filips II doet Willen van Oranje in de ban

1536 - Calvijn over de taak van de vorst of regering

1566 - Smeekschrift

1564 - Willem van Oranje, Rede oudejaarsdag

1576 - Pacificatie van Gent

1568 - Willem van Oranje, Justificatie

1555 - Filips II over de taak van de vorst

1580 - Willem van Oranje, Apologie
Antwoorden pagina 23:
Opdracht 1

1 De opstandige gewesten boden de soevereiniteit aan Elisabeth I aan. Zij nam die niet aan, maar stuurde wel haar vertrouweling Leicester naar de Nederlanden.

2 De Engelsen steunden de opstandelingen met geld en troepen.

3 Filips II zag Engeland vanwege het Anglicaanse geloof als een vijand.

4 De Engelsen kaapten Spaanse schepen.
Opdracht 2

1 Als Spanje Engeland veroverde, zouden de Nederlanden een bondgenoot minder hebben en de opstandelingen zouden daardoor over minder geld en troepen beschikken.

2 Doordat de Engelse kaapvaart tegen Spaanse schepen zou stoppen, zou er meer geld zijn voor het Spaanse leger.

3 De Engelsen en Turken konden niet meer samenspannen, zodat Spanje minder troepen en schepen nodig had in het Middellandse-zeegebied. Die schepen en troepen konden dan in de Nederlanden worden ingezet.


Opdracht 3

a 1 Vanuit Spanje met een sterke vloot direct Engeland aanvallen.

2 Het succesrijke Spaanse leger van Farnese overzetten van de Nederlanden naar Engeland, om Engeland te veroveren.

b Door eerst een sterke vloot te bouwen. Met deze vloot werd het leger van Farnese opgehaald.

c De vloot er in de eerste plaats voor te zorgen dat het leger van Farnese veilig naar Engeland werd overgezet. Een zeeslag kwam op de tweede plaats

d Hij gaat ervan uit dat het Spaanse leger wordt overgezet, dat de Engelse vloot wordt verslagen en dat er veel buit te verdelen zal zijn.


Opdracht 4

a Door goed te laten zien hoe klein de Engelse schepen zijn in verhouding tot de grote schepen van de Spaanse Armada.

b De schilder kent de afloop van de zeeslag. Hij wil laten zien dat de overwinnaars, de Engelsen, een bijna onmogelijke prestatie leverden.
Opdracht 5

Doordat Spanje zijn troepen inzette tegen Engeland, kregen de opstandelingen tijd om zich te herstellen en hun posities verbeteren. De Spanjaarden raakten door het verlies van een groot deel van hun vloot door hun middelen heen.

1.3 Waardoor ontstond in de Republiek de Gouden Eeuw, 1588-1648?
Antwoorden pagina 27:
Opdracht 1

a De koloniën waren van de VOC, die daarvoor het monopolierecht van de Staten-Generaal had gekregen. Ze waren dus geen bezit van een land (de Republiek), maar van een bedrijf (de VOC).

b De Staten-Generaal kon alleen aan onderdanen van de Republiek een monopolie geven; over Spanjaarden en Engelsen had Staten-Generaal niets te zeggen.

c Als Spanjaarden of Engelsen, of mensen uit de Republiek buiten de VOC om op Indië gingen handeldrijven, kon Staten-Generaal het monopolie alleen met geweld afdwingen. Voorbeelden hiervan:

1 de strafexpeditie van Coen op de Banda-eilanden;

2 Ambon werd door de VOC veroverd om Spaanse handelaren uit de Indische handelsgebieden te verjagen.


Opdracht 2

Goa was een belangrijke Portugese versterkte handelsnederzetting (factorij). Vanuit Goa werd de handel van de Portugezen in Azië georganiseerd. Diezelfde rol kreeg Batavia voor de handel van de VOC in het gebied. In Batavia kwam een versterkte stad. In Batavia kwamen de meeste schepen van de VOC aan en verzamelden schepen zich voor de terugtocht naar de Republiek.


Opdracht 3

a De stadsmuur met bastions (uitspringende verdedigingswerken) en grachten.

b De schepen aan de kade, die door het grote bastion wordt beschermd. Over de rivier kunnen producten naar het binnenland worden vervoerd.

c Militair: je ziet de stadsmuur met bastions. Batavia wordt aangevallen.

Handel: je ziet een rivier waarover producten naar het binnenland kunnen worden vervoerd.
Opdracht 4

a 1 De sultan zal de stichting van Batavia hebben ervaren als een inbreuk op zijn soevereine rechten.

2 Hij zal graag de stad willen bezitten om vandaaruit handel te drijven.

b Er werd vrede gesloten tussen de VOC en de sultan. In onze tijd zou er vrede gesloten zou worden tussen landen. In die tijd had de VOC echter soevereine rechten in Azië.


Opdracht 5

a De Nederlanders zagen Coen als een held en als belangrijke veroveraar voor de VOC (Republiek) die daardoor aan de basis stond van een koloniaal rijk.

b De naam herinnert aan de slag bij Waterloo tegen Napoleon, waarbij de latere koning Willem II een belangrijke rol zou hebben gespeeld

c De Nederlanders eerden er hun nationale helden mee.


Antwoorden pagina 29:
Opdracht 1

a


Gomaristen

Arminianen

- contraremonstrant

- Gomarus

- predestinatie

- precies



- remonstrant

- Arminius

- meer vrije wil van de mens

- rekkelijk


b


Maurits

Oldenbarnevelt

1 Maurits wilde als opperbevelhebber van het leger meer geld voor het landleger en meer militaire acties, maar dan wel door hem bepaald.

2 Hij was tegen de beëindiging van de oorlog en tegen het bestand.

3 Hij wilde een sterker centraal gezag.

4 En daarbij meer macht voor hemzelf.



1 Oldenbarnevelt wilde minder uitgeven aan het landleger en meer aan de vloot om op die manier de Hollandse handel te beschermen.
2 Hij was eerder voorstander van vrede of een bestand, omdat dat de handel zou bevorderen.

3 Hij was voor een grote beslissingsmacht van de gewestelijke staten en van de Staten-Generaal.

4 Hij dacht dat Maurits streefde naar soevereiniteit.

c Van Oldenbarnevelt koos voor de rekkelijken, Maurits voor de preciezen.

d Van Oldenbarnevelt is om politiek redenen onthoofd, want hij werd beschuldigd van een samenzwering tegen Maurits en tegen de Republiek. Door de Scherpe Resolutie werd namelijk de positie van Maurits als opperbevelhebber aangetast.
Opdracht 2

a De beschrijving van de gebeurtenis is precies. Dat kan erop wijzen dat Visscher bij de executie aanwezig was, maar het is geen bewijs. De stelling is dus onjuist.

b De titel van de prent is ‘Justitie aen Jan van Oldenbarnevelt geschiet’. Vrij vertaald staat er ‘Het vonnis wordt uitgevoerd’. Dit is neutraal geformuleerd. Het woord ‘Justitie’ geeft niet aan of Claes Jansz Visscher het eens was met de onthoofding. De stelling is dus onjuist.
Antwoorden pagina 30:
Opdracht 1

a Particularisme is het streven van steden en (Staten van de) gewesten naar het behoud van de privileges, dat wil zeggen van een eigen bestuursmacht en rechtspraak.

b De Unie van Utrecht gaf een voorkeurspositie aan de calvinisten (de gereformeerden), maar liet de gewesten de vrijheid om aan andere geloofsgroepen een zekere geloofsvrijheid te gunnen. Zeeland en Holland bleven calvinistisch.

c Volgens de Unie van Utrecht mocht elk gewest de godsdienstige zaken zelf regelen. Er waren daardoor verschillen in verdraagzaamheid van stad tot stad en van gewest tot gewest.


Opdracht 2

a In Oost-Europa (vooral in Polen, Litouwen en Oekraïne) en Spanje en Portugal werden joden vervolgd. In Spanje en Portugal waren joden bovendien niet meer gewenst.

b Religieuze redenen: in de Republiek en zeker in Amsterdam was godsdiensttolerantie.

Economische redenen: ze hoopten in de welvarende Republiek, en dan vooral in Amsterdam, een stad die was uitgegroeid tot de belangrijkste haven, snel weer een goed bestaan op te kunnen bouwen.


Opdracht 3

a De joden kwamen uit verschillende landen en elke groep handhaafde hier de eigen taal en gebruiken. Daar pasten ook aparte synagogen bij.

b Amsterdam steunde op die manier de komst van de Hoogduitse joden naar de stad. Waarschijnlijk zag het stadsbestuur daar economische voordelen in.

c De Sefardische joden waren blijkbaar rijk genoeg om zelf een synagoge te bekostigen. Asjkenazische joden waren meestal armer.

d Het stadsbestuur zag in de katholieken nog altijd de voormalige vijand en discrimineerde daarom de katholieken meer dan de joden. De joden waren er bovendien niet op uit om mensen te bekeren tot hun godsdienst.
Opdracht 4

a Frankrijk was een absolute monarchie: hier gold het Droit Divin en had de koning absolute macht.

In de noordelijke Nederlanden was de Staten Generaal feitelijk de hoogste macht en in elk gewest de Staten van dat gewest. Het was een republiek met een veelhoofdig bestuur.

b In Frankrijk eiste de katholieke Lodewijk XIV dat alle onderdanen katholiek moesten zijn. In de Republiek had het calvinisme (gereformeerde) een voorkeurspositie en werden andere geloofsgroepen gedoogd.

c Hugenoten waren Franse calvinisten. Zij moesten onder Lodewijk XIV kiezen: zich bekeren tot het katholicisme of vertrekken. Velen vertrokken.

d De Spaanse katholieke koningen hadden in 1492 (toen zij de moslims uit het zuiden van hun rijk hadden verdreven) bepaald dat joden zich moesten bekeren of moesten vertrekken. Hetzelfde gold voor de hugenoten in Frankrijk.

e 1 In Republiek waren calvinisten aan de macht.

2 Men stond tolerant ten opzicht van andere geloven.

3 Er heerste welvaart.

f Door de opheffing van het Edict van Nantes vertrokken veel hugenoten uit Frankrijk. Dit was een verlies voor de Franse economie. Veel Hugenoten waren goede handelaars en vaklui, en vaak waren ze vermogend. Toen er door hun vertrek handel en nijverheid wegviel, waren er ook minder belastinginkomsten. Frankrijk kond daardoor geen staand (vast) leger houden. Dit belemmerde de verdere expansie van Frankrijk.



Duitsland 1871-1945
2.1 Wat betekende de vorming van het Duitse keizerrijk voor het machtsevenwicht tussen de Europese grootmachten, 1871-1918?
Antwoorden pagina 34:
Opdracht 1

a Bismarck vond het belangrijker om interne samenhang in Duitsland te versterken en een krachtige Duitse economie op te bouwen.

b Individuele Duitse handelaren en Duitse handelsondernemingen hadden gebieden in Afrika verworven en vroegen om steun van de Duitse overheid. Bismarck moest ingrijpen om de belangen van landgenoten veilig te stellen.

c Bismarck bedoelde dat hij voor de komende jaren al zijn aandacht moest richten op de opbouw van een krachtig Duitsland. Het wegwerken van de onderlinge regionale verschillen en het versterken van de Duitse economie vond hij belangrijker dan het bezit van gebieden in Afrika.

2.2 Welke factoren leidden tot de ondergang van de Republiek van Weimar, 1919-1933?
Antwoorden pagina 38:
Opdracht 1

a De juiste volgorde is: D – B – A – C.

b Links = D; rechts: A, B en C.
Opdracht 2

a De houding van rechterlijke macht was welwillend en coulant ten opzichte van de rechtse groeperingen die uit waren op de val van de Republiek van Weimar. De rechterlijke macht was dus niet erg loyaal aan de wettige regering van dat moment.

b Hieruit blijkt dat ook het leger de regering van de Republiek van Weimar niet welgezind was. De militairen waren vooral loyaal aan elkaar en minder aan de regering.

c Tegen politieke groeperingen aan de uiterste linkerzijde trad men keihard op: veel communisten werden zonder vorm van proces vermoord en de daders gingen vaak vrijuit. Politieke groeperingen aan de uiterste rechterzijde konden daarentegen betrekkelijk ongestoord hun gang gaan en als het tot vervolging kwam, dan waren de straffen licht.


Antwoorden pagina 40:
Opdracht 1

a Gelet op de persoonlijke achtergrond kon Marinus van der Lubbe nooit zonder hulp de brand hebben gesticht: hij was slechtziend, arm, onbekend met de situatie in het Rijksdaggebouw, had geen ervaring met het stichten van branden en kon niet beschikken over grote hoeveelheden brandbaar materiaal. Achter de schermen moeten anderen (bijvoorbeeld leden van de SA) voorbereidende werk hebben gedaan. Van der Lubbe diende alleen als zondebok.

b Volgens Hitler had Marinus van der Lubbe hulp van de Duitse communisten gekregen.
Opdracht 2

a De NSDAP nam aan verkiezingen deel en veel Duitsers stemden op deze partij. Hitler werd door de andere partijen gevraagd om zitting te nemen in de regering. Vervolgens maakte de rijkspresident het mogelijk om via noodverordeningen te regeren. Hitler bleef dus steeds binnen de in Duitsland geldende regels.

b Tot 27 februari 1933 was er weinig aan de hand. Maar de maatregelen tegen de KPD (vanwege hun - vermeende - betrokkenheid bij de Rijksdagbrand mochten de gekozen leden hun zetel niet bekleden) waren ongegrond en daarom illegaal. Door deze ‘truc’ wist de NSDAP de meerderheid in de Rijksdag te krijgen.

2.3 Welke gevolgen had het nationaalsocialisme voor Duitsland en Europa, 1933-1945?


Antwoorden pagina 44:
Opdracht 1

a 1 Hierdoor veranderde de federatieve staat in een gecentraliseerde eenheidsstaat.

2 De onafhankelijkheid van de politie werd beëindigd.

3 De politieke oppositie verdween uit het openbare leven.

4 De grondwet had geen waarde meer.

5 De politieke oppositie kon efficiënter worden opgespoord.

6 De rechterlijke macht was niet langer onafhankelijk.

b 1 Hitler kreeg greep op alle deelstaten.

2 De politiek werd een verlengstuk van de NSDAP.

3 Politieke tegenstanders konden niet langer andere mensen beïnvloeden en het gezag van Hitler ondermijnen.

4 Niemand kon zich meer beroepen op rechten die tijdens een ander politiek systeem (dat Hitler onwelgevallig was) waren verleend.

5 Mogelijke haarden van verzet konden in een vroeg stadium worden opgespoord en worden geëlimineerd.

6 Hitler kreeg greep op de rechterlijke macht.
Opdracht 2

a Bij maatregel 3.

b Bron 4 is een secundaire bron.

c Dit is een betrouwbare bron: het is een weergave van verifieerbare feiten.

d Bron 3 is een primaire bron.

e Deze bron is niet representatief, want het is slechts één foto van één concentratiekamp. Je kunt daardoor niet weten of de situatie in alle concentratiekampen zo was.


Antwoorden pagina 46:
Opdracht 1

a Ook Hitler en veel van zijn geestverwanten waren frontsoldaten geweest. Zij hadden bovendien veel ontzag voor alles wat met het leger en met het militaire bedrijf te maken had.

b Hindenburg was tijdens de Eerste Wereldoorlog een van de opperbevelhebbers van het Duitse leger. Hij kwam dus op voor zijn toenmalige soldaten.
Opdracht 2

Eigen antwoord. Het ligt het meest voor de hand om het eens te zijn met de bewering. Twee voorbeelden die dit ondersteunen:

1 Het initiatief voor een boycot van joodse winkels (1933) ging niet uit van de Hitler. Hij kon weinig anders doen dat het initiatief ondersteunen.

2 De Neurenberger (rassen)wetten werden in grote haast opgesteld (1935). Hitler koos hierbij voor de minst strenge variant. Kortom: aanvankelijk liep het met de Jodenvervolging zo’n vaart niet, en gingen sommige Duitsers hierin zelfs verder dan Hitler.


Antwoorden pagina 49:
Opdracht 1

a Bij beide begrippen gaan over gebiedsuitbreiding.

b Bij Heim ins Reich gaat het om gebieden waar Duitsers wonen of die vroeger bij Duitsland hoorden. Dat geldt niet voor de gebieden waar het bij Lebensraum om gaat.

c Met zelfbeschikkingsrecht van een volk bedoelen we dat elk volk recht heeft op een eigen staat. In de ideale situatie wonen alle leden van een volk in één staat. Bij de zoektocht naar Lebensraum werden juist de leden van andere volkeren onderworpen.


Opdracht 2

De aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland was een binnenlandse (Oostenrijkse) aangelegenheid die bovendien door het Oostenrijkse volk werd gesteund.

De Tsjechen die in het Sudetengebied woonden en de Tsjechische regering hadden niet om aansluiting bij Duitsland gevraagd. Zij waren daar zelfs fel op tegen. Bij de vorming van Tsjecho-Slowakije (1918) speelden Groot-Brittannië en Frankrijk een hoofdrol: zij voelden zich daarom verantwoordelijk voor dit land.
Opdracht 3

a In Duitsland werd in september 1938 de Conferentie van München als een overwinning gevierd, omdat:

1 Hitler een grote politieke en diplomatieke overwinning had behaald;

2 een grote groep ‘etnische Duitsers’ weer Heim ins Reich was gebracht. In Groot-Brittannië werd in september 1938 de Conferentie van München als een overwinning gevierd, omdat door dit akkoord de ‘garantie’ was verkregen (de verklaring was immers met handtekeningen bekrachtigd) dat de vrede in Europa was veiliggesteld.

b Vooral in Frankrijk en in Groot-Brittannië werd vanaf 1940 de Conferentie van München als een schandvlek beschouwd.

c Frankrijk en Groot-Brittannië waren de hoofdverantwoordelijken voor het Verdrag van Versailles (1919), waar besloten werd om in Centraal- en Oost-Europa een heleboel nieuwe onafhankelijke staten te stichten. Bij die gelegenheid hadden Frankrijk en Groot-Brittannië zich min of meer garant gesteld voor het voortbestaan van deze staten als democratische en onafhankelijke landen. In 1940 was niet alleen duidelijk geworden dat zij gefaald hadden in het nakomen van deze toezegging, maar was ook gebleken dat met het opofferen van Tsjecho-Slowakije de vrede in Europa niet gewaarborgd werd.


Koude Oorlog 1945-1991

3.1 Waardoor raakte Europa verdeeld in twee ideologische blokken en waardoor groeide de spanning tussen deze blokken, 1945-1955?


Antwoorden pagina 53:
Opdracht 1

a Zij zullen hebben benadrukt dat de kracht en het effect van de atoombom in de praktijk moest worden getest om de juistheid van de theoretische berekeningen te kunnen vaststellen.

b Zij zullen hebben benadrukt dat de oorlog tegen Japan zo snel mogelijk beëindigd moest worden, met zo weinig mogelijk verlies van Amerikaanse soldaten en Amerikaans militair materieel.

c Zij zullen hebben benadrukt dat de oorlog tegen Japan beëindigd moest worden vóórdat de Sovjet-Unie een bijdrage aan de overwinning kon leveren. Er moest namelijk worden voorkomen dat de Sovjet-Unie aan de vredesbesprekingen zou mogen deelnemen, omdat de SU en dan territoriale eisen kon stellen.


Opdracht 2

Bij de Realpolitiker. Truman liet zich bij de besluitvorming alleen leiden door de vraag hoe de oorlog zo snel mogelijk beëindigd kon worden. Er was geen ruimte voor het bespreken van de morele aspecten van de inzet van de atoombom of om af te wegen of dit wapen wel paste bij het langetermijnbeleid van de Amerikaanse buitenlandse politiek.


Antwoorden pagina 55:
Opdracht 1

De geslaagde Russische atoomproef. Tot dat moment hadden de Amerikanen namelijk het monopolie op de atoombom, zodat alleen zij dit als politiek drukmiddel of militair wapen konden inzetten. Dit politieke en militaire voordeel viel nu weg. Bovendien kon Sovjet-Unie de atoombom gaan gebruiken tegen Amerikaanse doelen.

Het uitroepen van de Volksrepubliek China was weliswaar een overwinning van het communisme, maar het leven van de doorsnee Amerikaan werd er niet onveiliger door.
Opdracht 2

a ‘Kruistocht’ verwijst naar de strijd van de christenen tegen de moslims in de Tijd van steden en staten. In de ogen van overtuigde christenen was dit een strijd voor een goede zaak geweest. Aanhangers van McCarthy vonden de strijd tegen het communisme eveneens een goede zaak. Voorstanders gebruikten dus de term ‘kruistocht’.

b Tegenstanders gebruikten de term ‘heksenjacht’. Bij de heksenjachten (met een hoogtepunt in de zestiende en zeventiende eeuw) werden vooral kwetsbare mensen op dubieuze gronden van hekserij beschuldigd. Tijdens het verhoor werden door martelingen bekentenissen afgedwongen. Een onschuldige verdachte had weinig kans om vrijgesproken te worden tijdens het proces. Tijdens de verhoren van McCarthy was dit eveneens het geval.
Opdracht 3

De bewering is juist. McCarthy dankte zijn populariteit voor een deel aan de pers, omdat hij journalisten materiaal gaf voor het schrijven van onthullende verhalen over bekende Amerikanen. De journalisten hoefden daar zelf weinig moeite voor te doen. In 1954 werkte dat niet meer en haalden diezelfde journalisten met enkele onthullingen de positie van McCarthy zelf onderuit.

3.3 Waardoor liep de Koude Oorlog op kritiek momenten niet uit op een directe militaire confrontatie tussen beide grootmachten, 1955-1963?
Antwoorden pagina 59:
Opdracht 1

a 1 ‘Ook de drie kranten die tijdens de Tweede Wereldoorlog als illegaal blad ontstonden, deden hieraan mee: Het Parool (een krant met een sociaaldemocratische signatuur die vooral in Amsterdam en omstreken verschijnt), Trouw (een dagblad dat toen nog vooral de protestants-christelijke doelgroep had) en De Waarheid (een krant die de communistische boodschap uitdroeg).’

2 ‘De plaatselijke bestuurders van de politieke partijen PvdA, KVP, ARP, CHU en VVD en van de vakverenigingen NVV, KAB en CNV riepen hun leden op om op maandagavond allemaal naar de Dam te komen.’

b Sociaaldemocraten en communisten baseerden hun opvattingen op de leer van Karl Marx, maar interpreteerden die dermate verschillend dat de tegenstellingen tussen de twee stromingen onoverbrugbaar groot waren geworden: zij zagen de ander als verrader. Vandaar dat in de sociaaldemocratische krant Het Parool de kritiek op juist de CPN fel was.


Opdracht 2

a 1 Aan de oproep van besturen van politieke partijen en vakbonden om naar de Dam te komen, werd door veertigduizend mensen gehoor gegeven.

2 Op 8 november werd massaal gehoor gegeven aan de oproep om drie minuten stilte in acht te nemen.

b Op 4 en 5 november 1956 richtten grote groepen jongeren – ondanks de aanwezigheid van de politie – vernielingen aan en kwam het tot straatgevechten. Op 4 november had dit alles nog een spontaan karakter, maar op 5 november was er van opzet sprake. Deze gebeurtenissen tonen de onjuistheid van de bewering aan.


Opdracht 3

a De CPN had in de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol gespeeld in het verzet tegen de Duitse bezetters. Hierdoor was in die tijd het prestige van de communisten groot.

b Eigen antwoord van de leerling. Het ligt het meest voor de hand om het eens te zijn met de bewering. Na 1946 nam de aanhang van de CPN af. Aan de vooravond van de Hongaarse Opstand behaalde de CPN slechts 4,7 procent van de stemmen. Bij de daaropvolgende verkiezingen was dit percentage gehalveerd. In 1959 zat de CPN op iets minder dan het vooroorlogse peil (respectievelijk 2,4 % en ongeveer 3 %).
Antwoorden pagina 61:
Opdracht 1

De juiste chronologische volgorde is: B - E - D - F - C – A.


Opdracht 2

a De Koude Oorlog is de periode van 1945-1989 die begon met het verslaan van Nazi-Duitsland en eindigde met de val van het communisme. Tijdens de Koude Oorlog kwam twee landenblokken tegenover elkaar te staan: het democratische en kapitalistische blok van de landen in het westen onder leiding van de VS, en het communistische blok in het oosten onder leiding van de Sovjet-Unie. Kenmerken van deze periode waren: achterdocht, angst voor elkaar, politieke en militaire spanningen en een wapenwedloop.

b Generaal Clay was de Amerikaanse bevelhebber van de bezettingsmacht in West-Berlijn na de Tweede Wereldoorlog. Hij organiseerde de luchtbrug naar West-Berlijn in 1948-1949. Kennedy presenteerde hem dus aan de toehoorders als een voorbeeld van Amerikaanse standvastigheid tegen de Sovjet-Unie.

c Kennedy bedoelde de momenten waarop de Sovjet-Unie of Oost-Duitsland een agressieve houding aannamen. Dit gebeurde:

1 door de Blokkade van Berlijn in 1948;

2 door de bouw van de Berlijnse Muur in 1961.


Opdracht 3

a Koude Oorlog. De spanningen tussen Oost en West blijken uit:

1 er is sprake van crisis;

2 de noodzaak van de aanwezigheid van een standvastige generaal Clay.

b De blokvorming blijkt uit:

1 ‘democracy and freedom and progress’ (dit suggereert dat het andere blok dit niet heeft);

2 ‘the world of freedom’ (dit geeft dezelfde betekenis);

3 ‘the free world and the Communist world’ (dit formuleert het nog duidelijker).

c De bijeenkomst en de toespraak zijn natuurlijk een en al propaganda.

d De containmentpolitiek, het indammen van het communisme, wordt:

1 gesymboliseerd met de komst van Kennedy en Clay;

2 aangegeven met de woorden dat Berlijn een belegerde stad is, die echter niet opgeeft en haar vitaliteit behoudt.

e Terwijl er na de bouw van de muur juist sprake is van spanning kwam er door de toespraak, met daarin referenties aan de vrijheid en standvastigheid, feitelijk ook weer détente (ontspanning). Kennedy noemde namelijk nergens het gebruik van geweld, het inzetten van militairen of het afbreken van de Muur. Dat zou de spanning juist vergroot hebben.
Opdracht 4

a Omdat Kennedy bekend en populair was, en de leider van het vrije Westen. De angstige West-Berlijners wilden bovendien weten hoe hij zou reageren op de communistische dreiging. Zou hij standvastigheid tonen?

b Oost-Berlijners konden, door de Berlijnse Muur, niet naar het westen reizen om daar Kennedy te horen spreken.

c Vooral mensen uit het westen zullen het aantal hebben overschat, omdat door hun enthousiasme en de positieve boodschap van Kennedy een stemming van opluchting was ontstaan. Dat maakte ook de berichtgeving optimistisch over het aantal aanwezigen.

d In de Oost-Duitse pers en televisie zal het aantal aanwezigen juist klein zijn gehouden en zal de aanwezigheid van Kennedy als een agressieve daad zijn afgeschilderd.
3.4 Waardoor namen de spanning tussen Oost en West af, 1963-1991?
Antwoorden pagina 65:
Opdracht 1

a In de Sovjet-Unie is het aantal kernkoppen tussen 1960 en 1970 met de factor 10 toegenomen. De toename van de tactische kernwapens was het sterkst. Hierover werd in SALT I niets geregeld.

b Economisch motief: de uitbreiding en het in stand houden van het kernwapenarsenaal kostte enorm veel geld.

Politiek motief: in de Verenigde Staten was op dat moment veel weerstand tegen de oorlog in Vietnam; de Amerikaanse regering moest daarom rekening houden met de publieke opinie in eigen land.

c Argumenten vóór het ondertekenen van SALT I:

1 De Amerikaanse raketten zijn veel nauwkeuriger dan die van de Sovjet-Unie.

2 Er worden alleen afspraken gemaakt over het aantal ICBM’s en SLBM’s.

3 Dit akkoord gaat alleen om het bevriezen van het aantal, niet om een reductie van het aantal.

4 Er wordt niets geregeld over het aantal bommenwerpers, en hierin ligt de VS ver voor op de Sovjet-Unie.

5 Dit akkoord houdt geen rekening met de kernwapens van Groot-Brittannië en Frankrijk, en dat zijn onze bondgenoten.


Opdracht 2

Met het SALT I-akkoord erkenden de Verenigde Staten de Sovjet-Unie als een gelijkwaardige kernmogendheid.


Opdracht 3

a Behrendt heeft weinig vertrouwen in het SALT-II-akkoord. Nog voordat het verdrag is ondertekend, zijn beide landen bezig met het ontwikkelen en plaatsen van nieuwe raketten die geschikt zijn voor het transport van kernwapens.

b Dit type raket is in Nederland bekend als de kruisraket. Hierover ontstond in Nederland in de jaren 1979-1983 grote beroering. Tegen de voorgenomen plaatsing van kruisraketten in Nederland was een grote demonstratie in Amsterdam (Museumplein, 1981) en in Den Haag (Malieveld, 1983).
Opdracht 4

a De essentie van bron 3 in enkele zinnen.

1 De VS hadden tot midden jaren zeventig een grote voorsprong; daarna bezat de SU deze.

2 De VS bezaten meer SLBM’s en de SU had (vanaf 1975) meer ICBM’s.

3 De VS hadden gedurende de gehele periode veel meer bommenwerpers voor het vervoer van kernkoppen dan de SU.

4 De SU vergrootte na 1970 haar voorsprong op het gebied van tactische kernwapens: de VS verminderden dit aantal al na 1965, terwijl in de SU dit pas na 1985 deed.

5 De sterkste afname (van zowel strategische als tactische kernwapens) vond pas vanaf 1990 plaats.

b Op de kolommen van de ICBM’s en SLBM’s.

c Het SALT-I-akkoord is geen succes geworden. Na 1975 bleef het aantal kernkoppen namelijk toenemen (in de Sovjet-Unie overigens meer dan in de VS).
Antwoorden pagina 67:
Opdracht 1

Stap 1 -


Stap 2 Vlootwet 1923. In 1923 kwam de regering met plannen om de vloot te moderniseren. Dit was nodig om de Nederlandse belangen in Nederlands-Indië tegen het opkomende Japan te kunnen beschermen. De kosten bedroegen ongeveer 300 miljoen gulden. Linkse partijen vonden de nieuwe Vlootwet onnodig en veel te duur. Zij vonden het onbegrijpelijk dat in een tijd waarin de overheid sterk bezuinigde (ook op de sociale zekerheid) zo veel extra geld aan defensie werd besteed. De socialistische partij, de SDAP, en de socialistische vakbond, het NVV, organiseerden een volkspetitionnement. Er werden ruim 1,1 miljoen handtekeningen tegen de Vlootwet verzameld. Bij de stemming in de Tweede Kamer waren 49 stemmen voor en 50 stemmen tegen (waaronder die van tien leden van een regeringspartij, de RKSP). Hiermee was de Vlootwet verworpen.

Gebroken geweertje. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg de pacifistische beweging veel aanhang. Het leger en de vloot werden door vooral leden van de socialistische beweging als een dure hobby van het grootkapitaal gezien. De antimilitaristen kozen voor een gebroken geweertje (in de vorm van een speldje) als symbool voor de overbodigheid van wapens. Voor hen speelden zowel idealistische als financiële motieven een rol.

Stap 3 -


Stap 4 Overeenkomsten:

1 de motieven zijn hetzelfde (zowel idealisme als de hoge kosten);

2 de aanhangers komen vooral uit de politiek-linkse hoek en kerkelijke organisaties;

3 zij bedienden zich van hetzelfde instrument, namelijk een handtekeningenactie.



Verschil: in de jaren twintig en dertig hadden de tegenstanders politiek succes, in de jaren tachtig niet.
Opdracht 2

De Nederlandse regering was gebonden aan internationale afspraken, in dit geval binnen de NAVO. Toen er in eigen land verzet kwam tegen deze afspraken, moest de regering zich in allerlei bochten wringen. Zij kon moeilijk anders dan het NAVO-besluit accepteren, maar kon het verzet in eigen land niet negeren De Nederlandse regering moest kortom zowel de NAVO als de publieke opinie in eigen land tevreden stellen. Bovendien moesten de politieke partijen in de regering rekening houden met de eerstvolgende verkiezingen.






  • Koude Oorlog 1945-1991

  • Dovnload 148.96 Kb.