Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De richtlijn dementie werd in 2009 geschreven door

Dovnload 159.16 Kb.

De richtlijn dementie werd in 2009 geschreven door



Pagina1/6
Datum08.06.2017
Grootte159.16 Kb.

Dovnload 159.16 Kb.
  1   2   3   4   5   6

powerpluswatermarkobject447073595


Richtlijn Dementie

Colofon

De richtlijn dementie werd in 2009 geschreven door:



  • R.T.C.M. Koopmans, specialist ouderengeneeskunde, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen

  • J.T. van der Steen, epidemioloog, VU medisch centrum, EMGO Instituut voor onderzoek naar gezondheid en zorg, Amsterdam

  • S.U. Zuidema, specialist ouderengeneeskunde, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen

  • J.S.M. Hobbelen, fysiotherapeut en bewegingswetenschapper Vitalis WoonZorggroep, Eindhoven.

Bijdrages werden geleverd door:



  • N. Lensink, specialist ouderengeneeskunde

  • H.Pasman. socioloog

  • L. Schoonhoven, verplegingswetenschapper

  • A. Spijker, gezinspedagoog

  • E. Vasse, gezondheidswetenschapper

  • M. Vernooij-Dassen, medisch socioloog

    • N. de Vries, fysiotherapeut en bewegingswetenschapper

Inleiding

Dementie is een verzamelnaam voor een klinisch syndroom dat wordt veroorzaakt door verschillende onderliggende hersenziekten, die allen worden gekenmerkt door combinaties van meervoudige stoornissen op het gebied van cognitie, stemming en gedrag. De criteria van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders IV Text Revision (DSM-IV-TR) worden het meest gebruikt. De diagnose dementie kan gesteld worden wanneer er sprake is van een geheugenstoornis en er één of meer van de volgende cognitieve stoornissen zijn: afasie (stoornis van de spraak en taal), apraxie (stoornis van het handelen), agnosie (stoornis in het herkennen van objecten) of een stoornis van uitvoerende functies. Voor de diagnose dementie volgens de DSM-IV-TR is het verder vereist dat de stoornissen:



  • een duidelijke beperking in het sociaal of beroepsmatig functioneren veroorzaken,

  • een significante beperking betekenen ten opzichte van het vroegere niveau, en

  • niet uitsluitend voorkomen tijdens het beloop van een delier.

Dementie komt voornamelijk voor bij mensen ouder dan 65 jaar. Wanneer dementie optreedt bij mensen jonger dan 65 jaar, spreken we over ‘early onset dementia’ (EOD) of ‘jonge mensen met dementie’.

Dementie is een progressieve ziekte waarvan het beloop, de ziekteduur en de prognose verschillen, afhankelijk van de oorzaak van de dementie. Het beloop van dementie wordt ingedeeld in drie stadia: milde, matige en ernstige dementie. De precieze definiëring van de stadia varieert, afhankelijk van de gebruikte methode.

Mensen met een dementie hebben een beperktere levensverwachting en hebben een twee tot vier maal grotere kans te overlijden op enig moment in hun leven dan mensen zonder dementie. Zelfs mensen met zogenaamde milde cognitieve stoornissen, waarvan het nog niet duidelijk is of deze zich zullen ontwikkelen tot een dementie, hebben een toegenomen sterftekans. Uit diverse studies blijkt dat de mediane overlevingsduur van mensen met dementie varieert van 3 tot 9 jaar. Leeftijd, geslacht, sociaal economische status, type dementie, ernst van de dementie, comorbiditeit en genetische kenmerken zijn alle van invloed op de overleving. De toegenomen sterfte van mensen met dementie blijft bestaan tot op hoge leeftijd, waarbij het geslacht minder van invloed lijkt te zijn, al vinden de meeste studies een hogere sterfte bij mannen. De cijfers variëren echter sterk per studie.

Slechts 14% van de mensen met dementie komt in de laatste fase van dementie. In deze fase zijn de patiënten volledig cognitief beperkt, volledig ADL-afhankelijk, volledig incontinent en immobiel en de spraak is vaak verschraald tot slechts enkele woorden. Vrouwen met de ziekte van Alzheimer hebben een grotere kans om de dementie tot de laatste fase te overleven dan bijvoorbeeld mannen met een vasculaire dementie. De meeste mensen met een dementie overlijden aan een (aspiratie) pneumonie of een cardiovasculaire oorzaak. Met name in Nederland, waar liberaler omgegaan wordt met het niet instellen van kunstmatige vocht- of voedseltoediening, overlijden mensen met dementie ook vaak als gevolg van dehydratie of cachexie.



Epidemiologie


Er wordt geschat dat wereldwijd 24,3 miljoen lijden aan een dementie, waarbij elk jaar bij 4,6 miljoen mensen de diagnose gesteld wordt. Het aantal mensen met dementie verdubbelt elke 20 jaar, waarbij naar schatting in 2040 in de gehele wereld 80,1 miljoen mensen dementie zullen hebben. De meeste mensen met dementie (ongeveer 60%) leven in ontwikkelingslanden.

De Gezondheidsraad schatte in 2002 de prevalentie van dementie in Nederland op ongeveer 180.000 personen, waarbij wordt verwacht dat in 2050 400.000 mensen zullen lijden aan dementie. Per jaar wordt in Nederland bij 20.000 personen de diagnose dementie gesteld.

Geschat wordt dat EOD bij 0.02% van de 30-59 jarige mensen voorkomt en bij 0.3% van de 60-69 jarigen. In Nederland gaat het naar schatting om 10.000-15.000 personen. Hoewel dementie op jonge leeftijd zeldzaam is, wordt gesuggereerd dat bij 6-10% van alle mensen met de ziekte van Alzheimer (veel voorkomende vorm van dementie) de klachten voor het 65e levensjaar zijn begonnen. Dementie komt echter voornamelijk voor op hogere leeftijd. Het aantal personen met dementie neemt sterk toe met de leeftijd en er is geen duidelijk verschil in leeftijdspecifieke prevalentie tussen mannen en vrouwen. In 1990 stierven er in Nederland ongeveer 1000 mensen aan dementie, in 2005 is dit aantal opgelopen tot meer dan 7000.

Etiologie


De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer (AD) welke naar schatting bij 50-60% van de patiënten voorkomt. Vasculaire dementie (VaD) komt bij 10-15% voor, Lewy-body dementie bij 10%, een combinatie van de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie komt ook bij ongeveer 15% voor. De restgroep wordt gevormd door zeldzamere vormen van dementie zoals de frontotemporale dementie (FTD), dementie bij de ziekte van Parkinson, de ziekte van Creutzfeldt-Jacob (CJD) etc. De prevalentie van het type dementie hangt ook af van de leeftijd waarop de dementie ontstaat. Zo hebben mensen waarbij de dementie voor het 65-ste levensjaar is ontstaan, relatief vaker een frontotemporale dementie.

De etiologie en daarbij behorende pathofysiologie verschilt per type dementie. Hoewel de precieze etiologie van AD niet bekend is, is de dominante hypothese voor het ontstaan van AD op dit moment de amlyloïdcascade hypothese, die stelt dat neerslagen van beta-amyloïd (Aβ) in senile plaques buiten de cellen de belangrijkste schadelijke prikkels vormen. Verder spelen ook vasculaire afwijkingen, welke vaak voorkomen bij AD, een belangrijke rol, omdat het Aβ via een vasculaire route wordt geëlimineerd en het falen van deze eliminatie leidt tot de formatie van amyloidosis en plaques in de bloedvaten.



Vasculaire dementie is een verzamelbegrip voor veel onderliggende subtypen zoals corticale en subcorticale VaD en de ziekte van Binswanger. De etiologie van VaD is multifactorieel waarbij allerlei vasculaire risicofactoren zoals hypertensie, een CVA, witte stof afwijkingen en zelfs genetische factoren een rol spelen.

  1   2   3   4   5   6

  • Epidemiologie
  • Etiologie

  • Dovnload 159.16 Kb.