Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De synthese tussen modernisme en vernaculaire bouwkunst

Dovnload 13.76 Kb.

De synthese tussen modernisme en vernaculaire bouwkunst



Datum14.09.2017
Grootte13.76 Kb.

Dovnload 13.76 Kb.

De synthese tussen modernisme en vernaculaire bouwkunst


Vernaculair = inheems, volks, autochtoon, bescheiden (verna=dienstmaagd). Sommige architecten streefden naar een synthese tussen de locale en inheemse architectuurtradities enerzijds en ‘universele’ moderne principes qua hygiëne, economie en constructie anderzijds.

Henri Maclaine Pont trachtte dergelijke synthese te maken. Zijn meest eigenaardige gebouw is het instituut voor technologie in Bandung. Hij woonde op Java en hield zich bezig met complexe houtconstructies. Hij vindt niet dat de Nederlanders ginds hun eigen architectuur moeten neerzetten (Java < Indonesië < Nederlands Indië) maar dat er moet gestreefd worden naar een moderne architectuur vanuit de lokale traditie. Wat hij in Bandung neerzette is zowat het pronkstuk van die ideologie. Hij voert moderne berekeningen uit op het gebouw zonder te breken met de typische Javaanse stijl.

Nationale architectuur versus internationaal modernisme


Het modernisme wil internationaal zijn, als er grote keukens in Duitsland ontworpen worden, dan moeten we die ook maar in België en Nederland invoeren, “wij moeten immers niets tekort komen vergeleken met de Duitsers!”. Naast het modernisme blijft er tevens een zeker conservatief regionalisme bestaan zoals Mauclair die we al eerder zagen. De spanning tussen modernisten en regionalisten wordt tot een hoogtepunt gebracht rond de jaren ’30. Op economisch vlak daarentegen wordt het modernisme zeker niet afgezworen bij de regionalisten, maar in de architectuur vinden ze dat die rationalisering, de modernisering, uit moet blijven.

Corbi en Gropius staan –uiteraard- aan modernistische kant. Camille Mauclair daarentegen is conservatief, hij is tegen de ‘germaans-bolsjevistische-kubistische stijl’ zoals hij ze noemt. (Mauclair is die kerel die zei dat een huis pas een ziel heeft als er mensen geboren en gestorven zijn). In sociaal-nationalistisch vertoog staat ‘het volk’ voor een solidaire organische eenheid die afstamming, zeden en territorium deelt. Het vreemde wordt gezien als bedreiging voor de eigenheid. Alfred Rosenborg zie slides (slechts héél kort aangehaald).



Paul Schultze-Naumburg stond ook aan nazi-zijde en aan de kant van het regionalisme. Hij wou de eigenheid van de architectuur in verband brengen met de nationale ideeën. Zie citaat.

Paul Schmitthenner doet iets gelijkaardigs. Hij behoort tot de ‘Stuttgarter Schule’. Het zadeldak vs. het platte dak was zowat de symboolstrijd tussen de modernisten en het nationalisme. Het modernisme wordt in Duitsland gezien als komend van buitenaf en daarom gevaarlijk terwijl men in Frankrijk zegt dat het uit Duitsland komt en daarom gevaarlijk is…

Zoomsessie: Wat is Vlaams? Wat is Vlaamse architectuur? Duitse Nazi’s en Italiaanse fascisten verklaarden hun eigen architectuur als superieur aan al de rest, vandaar die oppositie tegen ’t modernisme. Uit onze zoomsessie blijkt dat wij heel wat kennen van onze lokale architectuur maar dat wij helemaal niet geneigd zijn die als superieur te beschouwen.

Voor publiek gebouwen binnen het nationalisme wou men een spartaans classicisme gaan hanteren, groots en heroïek. Voor de woningbouw neigde men naar de ‘Heimatstil’ en het gebruik van zadeldaken. Voor woningen zou men dus gewoon voortbouwen op de typische Duitse architectuur van toen. Heel veel regimes uit de jaren ’20 en ’30 propageren die nationale architectuur, maar gebruiken daar vreemd genoeg allen het classicisme voor, simpelweg omdat die architectuur verwijst naar het eerste grote wereldrijk in onze traditie: het Romeinse Rijk. Ook verkavelingsplannen zijn zeer rationeel waarbij ook herhaling en massaproductie aan bod komt hoewel toch de zadeldaken aanwezig zijn en verwezen wordt naar nationale tradities.

Dit alles is ver verwijderd van de moderne levensstijl die in complexen als de Weissenhofsiedlung gepropageerd wordt. De meeste woningen zijn er rijwoningen, alles is wit,… In Nazipropaganda wordt dit vertoont als Arabisch dorp: “Dit is vreemd, dit is niet Duits, dit komt van ergens anders, Arabië enzo”. Effectief, ergens zit er inspiratie in de mediteraanse architectuur (zeker wat de witte kleur betreft) maar gelijktijdig is het idee dat het een Arabische levensstijl zou propageren best belachelijk.

In de USSR gebeurt iets gelijkaardigs in de jaren ’30. De Sovjetunie ligt mee aan de bakermat van het modernisme (met het Russisch constructivisme) maar ook in de Sovjetunie wordt dit modernisme geleidelijk aan afgewezen. Onder Lenin kreeg het constructivisme alle steun en in 1930 wordt iemand als Ernst May nog naar de USSR gehaald om nieuwe steden te bouwen. Er loopt echter vanalles mis onder Lenin en er ontstaat een tegenreactie tegen architectuur uit het buitenland. “Die architecten begrijpen niet wat wij nodig hebben, wij moeten een ander soort bouwkunst naar voor schuiven”.

Ook Arkadii Mordvinov stelt dat het om een vreemde ideologie gaat: nergens wil men het modernisme omarmen als ‘dit is van ons’. Volgens hem zijn de constructivisten fout omdat ze te radicaal zijn, te nieuw, het gewone volk heeft moeite om het te appreciëren ookal doen ze vaak hun best om de Russen dit te doen appreciëren. Daarop volgt ook hier een terugkeer naar het classicisme, een herkenbare vormentaal. Het argument hier is dat het volk geen nood heeft aan al die radicale ideeën: we moeten principes van een synthese van kennis en kunst gebruiken om iets te scheppen dat herkenbaar en vertrouwd aanvoelt voor het volk. Het moet nationaal van vorm zijn, en socialistisch qua inhoud. Ook in de schilderkunst en architectuur in brede zin krijgen we dergelijke stromingen: het socialistisch realisme. Ook dit gaat uit van ‘nationaal van vorm, socialistisch van inhoud’.

Van “de gemeenschap” naar populaire massacultuur


!Incomplete nota’s!

A&P Smithson geven kritiek op het grid dat gevraagd werd voor CIAM door zelf een grid te maken met daar gewoon hun eigen ding in: interactie en gemeenschapsvorming met de straat. Dat hoeven voor hen geen traditionele straten te zijn, er moeten gewoon gemeenschapsvormende projecten zijn! In hun onuitgevoerd ontwerp ‘Golden Lane’ brengen ze dit tot uiting: Golden Lane was een plek in Londen die had afgezien onder bombardementen tijdens WOII. Ze willen er loskomen van het stratenplan zoals het er eerder was door ‘lanes in the air’ te gebruiken: brede gaanderijen in de lucht. Die collage maken ze met beelden van Marilyn Monroe als schaalventje, op die manier verwijzen ze niet naar abstracte ideaalbeelden van ‘het collectief’ en ‘het volk’, neen, ze verwijzen naar reële situaties van het straatbeeld en dat brengen ze binnen in de moderne architectuur. Dit zijn de jaren ’50, gelijktijdig begint de consumptiecultuur te ontstaan en komt er een bewondering voor al wat uit de VS komt (vandaar ook Marilyn Monroe). Men stelt zich de vraag: “we hebben hippe kleren, glanzende auto’s en hiphopcultuur: waar is de fancy architectuur?!”. In This Is Tomorrow staan ze heel dicht tegen het dagelijkse leven, veel dichter bij bijvoorbeeld Corbi’s La ville radieuse. We zien dat de consumptieproducten getoond worden als belangrijke elementen van een popcultuur die toekomstgericht is. In 1956 doen ze ook mee aan House of the Future. Ook hier zit een soort verwijzing naar science-fiction, het maakt allemaal deel uit van de massacultuur.

Haskell stelt zich in de jaren ’50 de vraag wat er nu eigenlijk allemaal wel niet gebouwd wordt in de VS (afgezien van die paar percentjes van de bouwproductie door mensen als Wright en co.). Hij pleit om een openheid in architectuur. We moeten een nieuwe vormentaal bedenken die de kloof tussen hoge en lage cultuur dicht.

Ook Robert Venturi en Scott Brown denken daarover na. We zoomen even in op Learning from Las Vegas. Ze geven enkele studenten de opdracht naar ginds te trekken en de ruimtelijke logica te analyseren. Je bent er op stap met de auto, en de casino’s trachten bestuurders met gigantische billboards op de casinoparkings te lokken. De conclusie is dat het ruimtelijk systeem gebaseerd is op autobestuurders. Van daaruit gaat men nadenken over de betekenis van de architectuur: de reden dat het modernisme niet aanslaat is omdat het geen betekenis heeft. Ze spreken over een ‘decorated shed’: iets heel simpel en onnozel met vooraan een groot scherm dat als nepgevel symboliek geeft en genoeg is om te zeggen ‘dit is een bank’. Anderzijds is er de ‘duck’: de vorm van het gebouw toont de inhoud ervan: ‘hier kan je eendenborst eten’. Dit doen ze ook voor de Levittowns, hele wijken ontworpen als sleutel-op-de-deur woningen. Hun idee is heel modern maar de vormentaal verwijst naar de traditionele architectuur van het platteland met de kleine ramen en zadeldaken. Ook in de Levittown-architectuur gaat men op zoek naar de oorzaak van de vraag ernaar: conclusie, ze herkennen er betekenissen in, en met die betekenissen verborgen in de architectuur gaat men communiceren met hun buren en familie en dergelijke. Mensen willen met hun huis iets uitstralen over wie ze zijn, ze hebben behoefte aan iets om zich mee te associëren. Levithouses zijn ook vrij anoniem maar de inkleding maakt dat men er zich heel goed voelt. “Architecten bouwen voor de Mens maar hebben misprijzen voor de mensen, en daar gaan ze de fout in”.


Het genie van het vernaculaire versus het steriele modernisme


Amos Rapoport is ook heel invloedrijk met dank aan zijn boek House, form and culture, enigszins tegen het socialisme gericht. Huizen gebouwd door verschillende culturen in gelijkaardige omstandigheden zullen toch heel verschillend zijn, de vorm van het huis wordt dus veel meer bepaald door cultuur dan door materiële determinatie van materialen en natuur. Hij bestudeert voorbeelden als aardecultuur in The Pueblo in het kader van vernaculaire traditie.

Radicaal populisme: van inspraak tot zelfbouw


In plaats van dat de architecten beslissingen nemen voor mensen moeten we de mensen er zelf bij betrekken. Het idee dat architecten het beste weten hoe mensen moeten wonen wordt sterk bekritiseerd. Het bouwen maakt een groot deel uit van de cultuur en behoort niet enkel tot een kleine groep personen. Hoe moet de architect zich dan verhouden tot gebruikers/bewoners/opdrachtgevers? Een antwoord is dat er meer gezocht moet worden naar manieren om de mensen meer te betrekken tot de architecten.

Giancarlo De Carlo was daar een groot verdediger van. “Architectuur is levensnoodzakelijk, maar zolang architecten zo onverschillig blijven voor de realiteit als nu, is het een gevaarlijke zaak hun die architectuur toe te vertrouwen.” Architectuur moet de shift maken niet meer in dienst van machthebbers maar in dienst van de mensen. Zoomsessie: Architectuur moet meer aan de kant van de mensen staan dan aan de kant van de macht. Zoomzoomzoom!

“Architecture that fails”, omdat de manier waarop de mensen daar moeten wonen niet aansluit bij hun verwachtingspatroon en hun levenswijze. John Habraken bedacht zo het idee van de ‘double scale’: megastructuren door de experten ingevuld met woningen door de mensen zelf. Hij spreekt over dragers en inbouwers.

  • Nationale architectuur versus internationaal modernisme
  • Van “de gemeenschap” naar populaire massacultuur
  • Het genie van het vernaculaire versus het steriele modernisme
  • Radicaal populisme: van inspraak tot zelfbouw

  • Dovnload 13.76 Kb.