Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken

Dovnload 296.11 Kb.

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken



Pagina2/7
Datum05.12.2018
Grootte296.11 Kb.

Dovnload 296.11 Kb.
1   2   3   4   5   6   7
voorzitter: Ik weet zeker dat u het hierbij moet laten.
De heer Heijnen (PvdA): Dan ga ik de rest in interrupties proberen te doen.
De voorzitter: Dat is aan u. Wij wachten af of het aantal interrupties op een gegeven ogenblik beperkt moet worden.
De heer Schouw (D66): Mevrouw de voorzitter. Allereerst wil ik namens mijn fractie een dankwoord uitspreken aan alle medewerkers van de Griffie, de Kamerambtenaren en het restaurant. Van het toilet tot het spreekgestoelte: everything is running very smoothly in deze organisatie en dat is toch ook een compliment waard, met alle drukte die er is.

Ik heb een opmerking over de werkwijze van de Kamer, waarover vorige sprekers ook spraken. Ik heb niet het idee dat wij met een verschuiving hier of daar tot iets kunnen komen. Sterker nog, ik heb het gevoel dat we echt wat fundamenteler moeten kijken naar de manier waarop we het doen, zonder te herhalen wat de parlementaire reflectie de afgelopen jaren heeft opgeleverd, want het systeem loopt een beetje vast. Europa is al genoemd. Dat wordt steeds belangrijker. Hoe gaan we dat in hemelsnaam accommoderen? Verder zijn er de dertigledendebatten en de hoorzittingen, die buitengewoon nuttig zijn gebleken, maar wel tijdrovend zijn.

Ik ben het helemaal eens met de heer Heijnen dat wetgeving gewoon te lang duurt. Dat zou echt prioritair moeten zijn. Dat geldt zowel voor de wetgeving van het kabinet als van de Kamer, de initiatiefwetsvoorstellen. Ik denk dat we daar echt wat fundamenteler naar moeten kijken. Is de Voorzitter dat met de fractie van D66 eens? Ik weet niet of het realistisch is, maar ik zou aan het eind van het jaar een doorkijkje willen krijgen hoe dat er in de toekomst uit gaat zien. Voordat je het weet, gaan we weer onderzoeken en dit en dat en dan wordt het weer op de lange baan geschoven. Dat vindt mijn fractie niet wenselijk bij deze wat meer fundamentele kijk op de werkwijze van de Kamer.

Mijn derde punt sluit helemaal aan op wat mevrouw Neppérus zei. Controle en wetgeving door de Tweede Kamer zijn heel belangrijk. Hoe kunnen we de positie van de Tweede Kamer in het verkeer met de regering nog verder versterken? Er is het idee van de heer Segers over het onder ede horen. Wil de Voorzitter dat idee serieus bekijken en de voors en tegens bespreken in het Presidium, zodat wij daarover een goed debat kunnen hebben? Wij denken dat dit een bijdrage kan zijn. Wij moeten uitkijken om dit nu ineens af te serveren of te omarmen. Laten we dat even zorgvuldig doen.

Als het gaat om het in kaart brengen van voors en tegens zou mijn fractie graag willen dat het Presidium ook kijkt naar het horen van kandidaatbewindslieden, zoals in het Europees Parlement gebeurt. Iedereen vindt dat een buitengewoon succesvolle formule.

Het hoeft niet altijd tijdrovend te zijn. Het kan de kwaliteit van bewindslieden versterken en het kan de Kamer disciplineren, doordat zij dan niet gaat "politieken" over kandidaat-bewindslieden, maar daarvoor heel goede hoorzittingen organiseert.

Mijn volgend punt bij de controle en wetgeving door de Tweede Kamer betreft het beter bemensen van het BOR en het Bureau Wetgeving. Dit sluit naadloos aan bij de opmerkingen van de vorige twee sprekers, die de argumentatie daarvoor eigenlijk al hebben gegeven. Ik vind dat het gewoon moet gebeuren, linksom of rechtsom. Wellicht dat er iets af kan bij Communicatie; daar moeten we eens even goed naar kijken. Het parlement staat namelijk een beetje met de handen op de rug als het door het Bureau Wetgeving geen amendementen kan laten maken. Het parlement staat een beetje met de handen op de rug als het aan de ene kant het BOR ontzettend belangrijk vindt, maar het BOR aan de andere kan te weinig structurele capaciteit heeft. Ik heb goed notie genomen van de discussie over de flexibele schil, maar door een flexibele schil verdampt ook kennis en ervaring, terwijl je die juist hartstikke nodig hebt bij het BOR. Graag hoor ik daarop een reactie van de Voorzitter.

Misschien is het vloeken in de kerk, maar ik doe het toch maar: ik houd een hartstochtelijk pleidooi voor een intelligente samenwerking met de Eerste Kamer op bedrijfsniveau. Dat kan samenwerking zijn op het gebied van ICT of communicatie of samenwerking door de Griffie. Ik heb het geluk mogen proeven om aan beide kanten te werken, maar er zijn echt "Chinese walls". Ik heb dat nooit begrepen. Waarom kunnen de Eerste en de Tweede Kamer niet één ICT- en communicatie-afdeling hebben? Ik begrijp het niet. Daar valt echt winst te halen. Graag hoor ik hierop een reactie.

Ik wil ook nog ingaan op de flexplekken. Het valt mij op dat er overal waar ik kom, flexplekken zijn, behalve in deze Kamer. Ik zag het zelfs afgelopen week nog, toen ik met mevrouw Van Toorenburg op werkbezoek was in het Verenigd Koninkrijk. Ik kan wel 26 bezwaren bedenken, maar daar gaat het niet om. Deze flexibiliteit scheelt in de kosten. Graag hoor ik hier reflecties op door het Presidium.

Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van de heer Heijnen over het elektronisch stemmen.


De heer Heijnen (PvdA): Ik ben het eens met het voorstel om te bekijken of synergie valt te realiseren door samenwerking met de Eerste Kamer. Is de heer Schouw ook bereid om te laten kijken naar samenwerking met diensten van ministeries? Wij proberen de ministeries centraal gebruik te laten maken van de bedrijfsvoering als dat kostenbesparend is. Nou heb ik weleens begrepen dat sommigen daartegen principiële bezwaren hebben omdat onze onafhankelijkheid daardoor in het geding zou komen. Ik zie dat niet als het daarbij gaat om salarisadministratie of bepaalde ICT-diensten. Zo is er nog veel meer te verzinnen. Bestaat daartegen bij D66 net zo min bezwaar als bij de Partij van de Arbeid?
De heer Schouw (D66): D66 heeft daartegen geen enkel bezwaar.

Ik weet niet of mijn volgende vraag een vervelende vraag is, maar ik stel hem toch. Ik heb met belangstelling gekeken naar het formatieoverzicht. Ik vraag mij af welke ratio er zit in de topstructuur van de organisatie en de inschaling daarvan. Hoeveel afdelingshoofden zijn er nou in deze organisatie? Mij bekruipt het gevoel dat wij wel heel veel management hebben, maar ik sta natuurlijk open voor alle reacties van de voorzitter om dat gevoel bij mij weer weg te krijgen.

Ik wil ook graag een helder antwoord op de vraag waarom ik, zoals elk Kamerlid, de Handelingen in gedrukte vorm in een envelop bezorgd krijg, ook al zeg ik tijdens de regeling maar één woord.

Het lijkt mij een fantastische kostenbesparing om dit elektronisch te regelen. Mochten daarbij wetten in de weg staan, dan ben ik graag bereid om die wetten te veranderen.

Ik heb dit weleens in de commissie aan de orde gesteld, maar ik stel de vraag ook hier. Ik begrijp namelijk echt niet waarom BOR-notities niet openbaar zijn. Er zit een soort redenering achter dat de medewerkers hierdoor beschermd worden, maar ik ga ervan uit dat zij gewoon dingen schrijven waar ze achter staan. Mensen van het BOR doen hun stinkende best om notities te maken, maar wij moeten daar heel cryptisch uit citeren. Dit belemmert het parlementaire werk. Ik vind dit raar. Ik zou dit graag veranderd willen hebben.

Tot slot kunst in de Tweede Kamer. Ik weet dat de Voorzitter van deze Kamer daar een passie voor heeft. Zou het de boel niet opvrolijken als we, naast al die kinderen en mensen die kennis moeten nemen van ons parlementaire werk, wat meer goede, Nederlandse, talentvolle kunstenaars naar binnen halen?


Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Ook namens het CDA allereerst dank aan alle Kamerbewoners voor hun inzet in het afgelopen jaar. Dag in, dag uit maken zij ons het werk mogelijk, terwijl wij hen weleens het werk bijna onmogelijk maken. De Kamer wordt soms als hyperig beoordeeld en de mensen die ons het werk mogelijk maken, ondervinden dit direct aan den lijve. Misschien moeten we daar af en toe bij stilstaan. Grote dank dus aan hen.

Ik kijk even recht naar iemand die weet hoe ik op donderdagmiddag kan binnenzeilen met de vraag: wat gaan we volgende week allemaal doen? Ik wil namelijk het juiste in mijn tas hebben. Dan kijkt ze me met wanhoop aan en zegt ze: ik probeer nog wat logica te maken van alle debatten die op de agenda staan. Het is altijd weer een kunst dat zij en anderen daarin slagen.

Ik heb een aantal punten vandaag tijdens deze raming, allereerst de buitenlandse reizen. Wij spreken hier in de Kamer vaak over onszelf, bijvoorbeeld over de aanpassing van de APPA en de verhoging van de pensioenleeftijd. Ik meen echter dat er nog een punt is waar we heel kritisch naar moeten kijken, namelijk de buitenlandse reizen. Ik was enigszins verrast dat ik €123 per dag mocht krijgen voor mijn reis. Ik heb er overigens van genoten, zeker van het gezelschap van de heer Schouw. Wij krijgen al verblijfsvergoedingen wanneer we niet thuis kunnen eten, drinken en noem maar op en het is toch wel een beetje bijzonder dat we deze eigenlijk dubbel krijgen wanneer we naar het buitenland gaan. Er zit natuurlijk een logica in. Vroeger kreeg je na een reis enorme telefoonrekeningen gepresenteerd, die je natuurlijk wel ergens van moest betalen. Tegenwoordig zijn onze buitenlandse reizen, wederom dankzij onze medewerkers, zo goed georganiseerd dat we daarna nooit meer voor verrassingen staan. Misschien is die bijdrage dus niet meer nodig.

Ik heb zelf nog een ander zorgpunt hierbij, over een reis die wij wilden plannen naar de Verenigde Staten. Die kon niet doorgaan omdat wij eersteklas moesten vliegen, maar dat was te duur. Dat is natuurlijk een beetje vreemd. Wij hebben allemaal gezegd dat het ons niets kon schelen en dat wij wel gewoon economy class wilden vliegen. Het gaat ons om de inhoud. Er gaan prachtige vliegtuigen heen en weer en we zouden het zelf ook zo doen. Dan is er helemaal niets aan de hand. Het kon echter niet omdat dit verbonden was met allerlei ambtelijke rechten. Ik vind dit eigenlijk niet goed. Als wij echt kennis willen nemen van dingen die in de wereld gebeuren, mag het niet zo zijn dat wij daar niet naartoe kunnen, omdat wij te duur zijn in ons transport.

Dan het solliciteren. Wij weten helaas dat het leven van een Kamerlid en zelfs dat van een bewindspersoon in dit huis niet eindeloos lang duurt. Sommigen willen dit, maar anderen willen dit natuurlijk helemaal niet. Hoe dan ook, op enig moment staan wij weer in de arbeidsmarkt en zien wij dat er een grote afstand is. Moeten wij niet wat beter kijken naar de mogelijkheden om ons tijdens het parlementaire werk voor te bereiden op het leven na dit mooie vak? Ik heb begrepen dat er wel mogelijkheden zijn, zelfs in de huidige APPA-regeling, om al eerder gebruik te maken van bijvoorbeeld externe begeleiding en advisering en misschien zelfs scholing. Het komt echter niet echt van de grond. Wij vragen het Presidium om te bekijken hoe dit gestimuleerd kan worden.

Het is belangrijk dat mensen, als zij dit huis verlaten, direct aan de slag kunnen, mede omdat wij weten dat zij anders kostbaar zijn voor de samenleving.


De heer Heijnen (PvdA): Wij zijn het met het CDA eens over de achtergrond van deze opmerking: het beslag van Kamerleden op APPA, specifiek de wachtgeldregeling, moet zo kort mogelijk zijn. Ik herinner mij de debatten met minister Donner, toen ik ervoor pleitte dat wethouders die weten dat zij zullen stoppen, alvast om zich heen zouden kijken, met ondersteuning. Minister Donner was daar heel principieel in en ik heb mij door hem laten overtuigen. Hij zei: het is heel slecht om in een politieke functie al bezig te zijn met wat je daarna gaat doen, vooral vanwege de onafhankelijkheid die je in acht moet nemen. Hoe kijkt mevrouw Van Toorenburg daartegenaan?
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik zou de laatste zijn om te zeggen dat de heer Donner geen sublieme zienswijzen heeft op alle thema's. Ik snap dat het overtuigend is, maar ik denk dat het een het ander niet hoeft uit te sluiten. Ook in grote bedrijven hebben mensen functies die politiek gevoelig kunnen zijn. Het feit dat wij ons helemaal niet meer voorbereiden, is niet goed. Al ga je oefenen met het schrijven van een sollicitatiebrief die je nog nooit hebt geschreven. Daar hoeft buiten niemand iets van te merken. Ik denk dat het belangrijk is om na te gaan wat wel en niet kan. Ik zou het zonde vinden als wij hierin geen stap kunnen zetten, waarbij wij natuurlijk de verstandige opmerkingen van de heer Donner, die ons via de heer Heijnen bereiken, in ons achterhoofd houden.
De heer Heijnen (PvdA): Het is een serieus punt. Collega's van ons fronsen de wenkbrauwen en zetten er vraagtekens bij als bewindspersonen na hun ambtsperiode werkzaam raken in een sfeer die aansluit op hun voormalige portefeuille. Als wij daarover kritisch zijn en de wenkbrauwen fronsen, als de Europese Commissie daar regelingen voor heeft -- zij wil geen draaideurconstructies en als je iets anders gaat doen, moet je daarvoor gedurende een periode van twee jaar toestemming vragen aan het politieke orgaan -- moet je hier niet te lichtvaardig iets maken waardoor je de suggestie kan wekken dat je in je Kamerwerk bezig bent met je toekomst.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dat is terecht. Dit moet er absoluut bij betrokken worden. Tegelijkertijd slaan ex-bewindslieden -- ik heb onlangs een paar van hen gesproken -- de discussie in de Kamer wel met een beetje verbazing gade. Zij hebben een enorme kennis en kunnen iets betekenen voor Nederland, maar wij schieten hier allemaal in een kramp. Ik denk: zet die mensen aan het werk, zorg ervoor dat zij iets bijdragen aan de samenleving! Dat is toch de winst? Die mensen hebben een bagage waar je akelig van wordt. Wij zouden hiermee onverstandig omgaan als zij die bagage vervolgens niet kunnen gebruiken. Ik hoor het hen nog zeggen. Zij keken naar ons met enig medelijden. Dat heb ik mij wel aangetrokken.

Voorzitter. Ik ga in op de Tweede Kamer als controleur. Het is belangrijk dat wij onze taak zo goed mogelijk kunnen uitvoeren. Een van de belangrijke middelen daartoe is Parlis. Ik ben een beetje digilectisch, al zit ik hier stoer met mijn iPad; dat is gewoon omdat mijn uitgeschreven tekst op mijn bureau ligt en ik niet iedereen in paniek hiernaartoe wilde laten rennen. Als ik in Parlis intik wat ik zoek, komt er nooit iets uit. Via allerlei omwegen moet ik het nog een keer intikken en dan zie ik ineens van alles. Als ik dan nog een naam erbij tik, komen er amendementen uit. Er zit geen structuur in waarmee ik kan werken. Omdat ik mij er terdege van bewust ben dat ik de graadmeter niet ben, ben ik bij een paar jonge knullen in onze fractie te rade gegaan. Wat schetst mijn verbazing? Zij worstelen met hetzelfde. Dan hebben wij een serieus probleem, want als ik het niet snap, dan snap ik het, maar als zij het niet snappen, dan snap ik het niet. Ik begreep dat er een soort gebruikersanalyse zou komen -- al zie ik daarvoor nergens middelen gereserveerd -- zodat er serieus werk wordt gemaakt van de toegankelijkheid van Parlis. Dat geldt niet alleen voor ons. Wij zouden willen dat het systeem ook voor derden toegankelijk is, zodat ook anderen er goed in kunnen zoeken. Ik breek een lans voor de verbetering van Parlis, een beetje voor onszelf, maar zeker ook voor derden die een betere toegang tot het systeem moeten krijgen.

Andere leden hebben al het een en ander gezegd over de onderzoeksfunctie van de Kamer. Ook wij maken ons daarover zorgen. Adri Duivesteijn heeft er tijdens een parlementair onderzoek al eens een noodkreet over geslaakt en ik denk dat die noodkreet nog steeds geldt.
We zien nu ook weer allerlei onderzoeken en we zien wat het BOR allemaal moet doen. Ik vraag me echt of het BOR dat nog wel aankan. Het is heel belangrijk dat we als Kamer een stevige onderzoeksfunctie hebben. Dat is natuurlijk onze corebusiness. Ik denk dat we echt moeten kijken of dat op deze wijze nog wel fatsoenlijk gaat.

Ik maak ten slotte nog een opmerking over de reserves. Ik begrijp dat er een discussie wordt gevoerd over reserves die de fracties bij de Kamer hebben. Die reserves zijn er, omdat er wat geld gereserveerd was voor wellicht barre tijdens of anderszins. Nu is er een discussie over de vraag wat we met dat geld zouden moeten doen. Ik hoor daarop graag een zienswijze van onze voorzitter. Ik begrijp namelijk niet helemaal wat er aan de hand is. Wordt het geld dan misschien anderszins ingezet? Het is geld van de fracties, dus ik zou graag willen dat het daar ook voor besteed wordt. Kan de voorzitter aangeven hoe dit precies zit?


De heer Van Raak (SP): Voorzitter. Onze week begint met het vragenuurtje. Ik vind dat niet leuk. Dat gevoel delen heel veel mensen met mij. Dat vragenuurtje is toch een beetje de etalage van onze Tweede Kamer. Er zijn allemaal ontzettend goed bedoelende Kamerleden, onder wie ikzelf, die allemaal ontzettend goed bedoelde vragen stellen aan goed bedoelende bewindspersonen, maar de mensen die kijken kennen de helft van de tijd die Kamerleden niet. Zij kennen vaak niet eens de bewindspersonen. Voorts zijn de onderwerpen meestal reuze ingewikkeld en helemaal niet geschikt voor het vragenuurtje. Het vragenuurtje is dus een slechte etalage. Dan kun je er beter geen hebben. Of een goede! Dat is dus de eerste kwestie die ik wil aansnijden: het vragenuurtje.

De tweede kwestie is dat wij weinig mogelijkheden hebben om de actualiteit te bespreken. We kunnen natuurlijk een dertigledendebat aanvragen. Dat komt dan op de lijst. Vervolgens zijn we alweer een paar maanden verder en moet er bijvoorbeeld weer een brief komen. Je kunt ook proberen om de bespreking van een actueel onderwerp in een algemeen overleg te laten plaatsvinden, dus is een van de commissies. Meestal lukt dat wel. In sommige commissies lukt dat niet eens, en dan komt het onderwerp vervolgens ook weer op een lijst.

Het idee van actualiteit is nu juist dat je het meteen bespreekt, en niet een week of twee weken later. Dan is het immers niet meer actueel. Het idee van actualiteit is dat je het meteen bespreekt. Ik heb eens nagedacht. We hebben twee problemen. Zouden we daar niet één oplossing voor kunnen bedenken? Het ene probleem is dat het vragenuurtje niet leuk is en het andere probleem is dat we nauwelijks mogelijkheden hebben om de actualiteit te bespreken. Toen dacht ik: kunnen we dan niet de actualiteit bespreken in het vragenuurtje, en dan niet met vak-Kamerleden en vakministers over vakonderwerpen -- dat gebeurt nu vaak -- maar met de mensen die iedereen kent? Laat de minister-president, toch de baas van het hele spul, en de fractievoorzitters, toch de gezichten van de Kamer, met elkaar een actualiteitenuurtje hebben. Daarin kunnen alle fracties desgewenst de actualiteit bespreken met de minister-president. Weet de minister-president dan alles? Als het goed is, wel. Om hem de gelegenheid te geven om zich een beetje voor te bereiden, kunnen we afspreken dat de fracties op maandag even laten weten welke onderwerpen er aan de orde zullen komen. Het is ook mogelijk dat heel veel fracties over hetzelfde onderwerp willen spreken, omdat er iets heel belangrijks aan de hand is.

Volgens mij hebben we dan én een vragenuurtje dat leuk is, namelijk met de fractievoorzitters, die iedereen kent, met de minister-president, die iedereen kent, over de actualiteit, waar iedereen dan mee bezig is. En de fracties in de Tweede Kamer hoeven dan ook niet meer procedureel te rommelen, maar kunnen gewoon een actuele discussie voeren. Dat was mijn idee voor vandaag.


De heer Schouw (D66): Mijn fractie is altijd voor frisse ideeën. Elk fris idee is welkom. Ik zit echter even met de vraag of dat dan geen toneelstukje wordt. De minister-president weet inderdaad ook niet alles. En dat is maar goed ook. Maar ja, als dat dan van tevoren weer moet worden aangeleverd, wordt het dan niet een toneelstuk voor nette heren en dames op dinsdag, in plaats van de toch weelderige dynamiek die we nu hebben?
De heer Van Raak (SP): Die laatste zie ik niet! Het gaat om een actualiteit. De fractievoorzitters kunnen een actualiteit bespreken met de minister-president. Het zal overigens waarschijnlijk gaan over dingen die een grote actualiteitswaarde hebben. Het lijkt me belangrijk dat de minister-president daar ook van op de hoogte is. Hij coördineert immers het hele beleid. Het lijkt me juist niet dat het een toneelstuk wordt. Ik merk op dat politiek tot op zekere zin ook theater is. Dat zal de heer Schouw met mij eens zijn. Het gaat er echter juist om dat je de actualiteit bespreekt op het moment dat het ertoe doet, als aftrap, als etalage van de week, op het hoogste niveau dat we hebben: de minister-president en de fractievoorzitters.
De heer Schouw (D66): Ik probeer het me even voor te stellen. Hoeveel onderwerpen zouden er dan in dat uur kunnen worden besproken? Ik neem namelijk aan dat het een uur blijft.
De heer Van Raak (SP): Het kan wat mij betreft ook langer. De idee is ook een beetje dat je daarmee wat dertigledendebatten kunt wegnemen. De idee is ook een beetje dat je daarmee een aantal schriftelijke vragen en verzoeken om debatten kunt wegnemen. Hoeveel onderwerpen dat dan zijn? Ik geloof dat we op dit moment elf fractievoorzitters hebben, dus kunnen het elf onderwerpen zijn. Ik kan me ook heel goed voorstellen dat als er een grote actualiteit is, een aantal fracties over hetzelfde onderwerp spreekt. Het vragenuurtje kan dan zeker langer duren. Het lijkt me echter alleen maar tijdwinst als dit leidt tot minder aanvragen voor dertigledendebatten.
De heer Heijnen (PvdA): De bijdrage van de heer Van Raak, alsook die van andere collega's, onderstreept mijn punt dat de Kamer heel snel naar de zelfevaluatie of zelfreflectie moet kijken. Daarbij moeten we dit soort voorstellen op hun merites beoordelen. Op het eerste gezicht spreekt dit voorstel me minder aan dan andere, omdat de minister-president in Nederland niet de rol heeft van baas van de ministers. Volgens ons staatsrecht is hij coördinerend bewindspersoon en zijn de ministers verantwoordelijk. Dat maakt het buitengewoon ingewikkeld om de minister-president ter verantwoording te roepen, iets wat de SP graag doet, net zoals wij overigens, voor het vergassen van ganzen op Schiphol tot en met de eurocrisis. Dat zou ik niet willen. Ik ben het wel met de heer Van Raak eens dat wij moeten kijken naar onze dinsdagmiddag. Voelt de heer Van Raak ervoor om de regeling van werkzaamheden in een zaal te doen plaatsvinden in plaats van in de plenaire zaal?
De heer Van Raak (SP): Volgens mij is dat dan helemaal niet meer nodig. Ik vind het wel een interessante kwestie. Het vragenuurtje wordt zo technisch omdat de vak-Kamerleden, de woordvoerders, met de vakministers spreken. Ik wil de minister-president juist uitnodigen om het op hoofdlijnen te houden. De fractievoorzitters zullen waarschijnlijk veel meer geneigd zijn om wat minder in detail te treden, iets waartoe wij vaak geneigd zijn, en om op een natuurlijke wijze wat meer over de hoofdlijnen van de actualiteit te spreken. Dat kan natuurlijk heel goed met de minister-president. Als er een heel gedetailleerde en ingewikkelde kwestie is waarvan de minister-president denkt "wat moet ik hier nu mee?", geef ik hem natuurlijk altijd de mogelijkheid en de vrijheid om een minister mee te nemen. Dat lijkt mij geen enkel probleem.

Voorzitter. Ik kom te spreken over de schoonmakers. Een tijdje is het in Nederland de mode geweest om alles uit te besteden. Van de PvdA-fractie heb ik begrepen dat zij in ieder geval van die mode af wil. "De lagere loonschalen invullen" noemen ze dat altijd zo mooi. De heer Heijnen had het er ook al over: laten we zelf het goede voorbeeld geven en de schoonmakers gewoon weer eigen dienst nemen. Ik wil daartoe wel een voorstel doen; misschien wil de heer Heijnen dat steunen. Daarbij stel ik de vraag of er nog meer uitbestedingen in het vat zitten. Volgens mij is dat niet zo, maar ik vraag het Presidium wel hoe het nu zit met de Repro.

Ik ben het zeer eens met iedereen die het had over het Bureau Wetgeving en het BOR. Daaraan moet wel veel prioriteit worden gegeven. Daar kan best nog wel in worden geïnvesteerd. Er zijn daarvoor nog wel wat plekken, bijvoorbeeld bij Communicatie. Als Kamerleden kunnen we best zelf onze voorlichting en communicatie doen.

Als het gaat om bezuinigingen heb ik natuurlijk altijd nog de Roemernorm in de aanbieding. De Roemernorm houdt in dat je niet meer dan 10% van je totale personeelsbudget uitgeeft aan externen. Ik hoorde bij elke ministerie altijd dat dit niet kon. Ik hoorde bij elke gemeente altijd dat het niet kon. Ik hoorde bij elke provincie altijd dat het niet kon. Ondertussen kan het allemaal gewoon wel en ik denk dat het in de Kamer ook kan. De Kamer is een bijzondere organisatie, maar dat zijn de ministeries, de gemeenten en de provincies ook. Heeft het Presidium in ieder geval het voornemen om op termijn ook te voldoen aan de Roemernorm? Dit betekent feitelijk een bezuiniging. Het kost dus niet meer geld, maar minder geld als je zelf mensen opleidt en in dienst neemt. Dat is allemaal een stuk goedkoper, want externen verdienen soms een maandloon per dag.

In de toekomst moeten we bezuinigen. Dat moeten we altijd doen op onze medewerkers.

Ik vind dat wij als politici dan ook een duit in het zakje moeten doen. Het Presidium kan dat niet organiseren, maar de Tweede Kamer zou dat wel kunnen organiseren. Als wij in de toekomst beloven dat wij bezuinigen, moeten we ook bezuinigen op de vergoedingen van politici zelf. Dat is wat ingewikkelder. Dan moet er een wetswijziging komen. Maar als Tweede Kamer zijn wij medewetgever, dus dat kan. Ik wil graag, meer nog van de Kamerleden dan van het Presidium, horen of zij het ermee eens zijn dat we, als we in de toekomst moeten blijven bezuinigen op de Tweede Kamer, ook zullen moeten bezuinigen op onszelf. Ook hierbij kunnen wij het goede voorbeeld geven.

We voeren discussies over wat Amerika, Engeland en andere landen allemaal uitspoken in de computers van onze burgers. In die zin zijn Kamerleden en medewerkers van de Tweede Kamer ook gewone burgers. Is er enig zicht op of de Amerikanen, de Engelsen, de Israëliërs of anderen ook rondsnuffelen in onze telefoons en onze computers?
De heer Van Klaveren (PVV): Voorzitter. Ik begin met een compliment aan het Presidium, dat het bestuur van de Tweede Kamer als organisatie voor zijn rekening neemt. Wellicht realiseert niet iedereen die de Tweede Kamer af en toe op het journaal voorbij ziet komen, wat een enorme organisatie erachter schuilgaat. Dagelijks zorgen de vele bodes, medewerkers van de Facilitaire Dienst, beveiligers, IT'ers, schoonmakers, griffiers en vele anderen dat dit huis van de democratie goed kan functioneren. Zonder de uitstekende diensten van al deze medewerkers, die elke dag opnieuw op professionele en politiek neutrale wijze invulling geven aan hun taak, zou het hier een zooitje worden. De medewerkers van de Tweede Kamer verdienen dan ook een groot compliment.

Er zijn verschillende punten die ik namens de PVV naar voren wil brengen. Bij de raming die we vandaag behandelen, kijken we naar de begroting voor volgend jaar. Iedereen moet de broekriem aanhalen, dus ook de Tweede Kamer. In de nota naar aanleiding van het verslag lezen we dat niet goed kan worden aangegeven hoe de inhuur van externen voor 2013 en 2014 zich zal ontwikkelen. Ik zeg dit ook in aanvulling op wat collega Van Raak zojuist zei. Graag hoort de PVV of globaal wordt verwacht dat die 10%-norm wel gehaald zal worden. Zo niet, gaat het Presidium daar dan nog specifiek actie op ondernemen?

Ik kom op het onderwerp planning en agenda. Om debatten op een goede wijze te kunnen voorbereiden, is het noodzakelijk dat de agenda tijdig verschijnt. Wanneer de agenda voor volgende week pas op vrijdagmiddag wordt rondgestuurd, kan het soms erg lastig worden. Is het mogelijk om de planning een stuk minder vaak te veranderen en wat langer van tevoren door te sturen.
De heer Van Raak (SP): Dat ligt aan ons.
De heer Van Klaveren (PVV): Er is sprake van drukte, ook vanwege de hoeveelheid dertigledendebatten. De mogelijkheid bestaat om de maandagen te gebruiken. Zo kan de agendadruk worden verminderd en kan een en ander meer worden gespreid over de week. Graag wil ik een reactie daarop.

In de loop der jaren kan het niemand ontgaan zijn dat er nog steeds geen Nederlandse vlag hangt in het Nederlandse parlement. Dat mag met recht een treurige situatie worden genoemd. In bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Duitsland prijkt heel pontificaal de vlag als uitdrukking van het land en waar het land voor staat, maar niet ons parlement, in ieder geval niet in de plenaire zaal. Daar hangt geen Nederlandse vlag, maar ligt absurd genoeg wel een koran op de tafel van de Voorzitter. Dat boek vormt het fundament van de antisemitische, homofobe, vrouwonvriendelijke en gewelddadige ideologie die wij kennen als islam. De boodschap van geweld en onderwerping staat haaks op onze vrijheid en democratie. Het vormt er zelfs een gevaar voor. Zo'n boek hoort wat ons betreft dan ook nooit op een plek te staan in het hart van onze democratie. De PVV zegt dan ook: koran eruit, Nederlandse vlag erin. Gaat het Presidium de koran verwijderen uit de plenaire zaal? Mocht dat niet het geval zijn, dan overweeg ik een motie op dit punt.

Ik heb een vraag over de toegankelijkheid van de Tweede Kamer. Eerder dit jaar, op 13 maart, was tijdens het AO over opvang en terugkeer veel ophef over illegalen die zonder identiteitsbewijs op de publieke tribune zouden hebben gezeten. Klopt het dat eerder dit jaar mensen zonder officieel erkend, geldig legitimatiebewijs op de publieke tribune van een commissiezaal van de Tweede Kamer hebben gezeten? Als dit het geval is, zou ik graag vernemen wat er inmiddels is veranderd om te voorkomen dat iets dergelijks opnieuw kan gebeuren. Het zou namelijk vreemd zijn als mensen die überhaupt niet in Nederland mogen zijn, wel rustig en ongestoord het hart van onze democratie binnenwandelen, terwijl andere mensen netjes hun paspoort, ID-kaart of rijbewijs moeten tonen.
Voorzitter. Mijn laatste punt is "Europarlementariërs in de plenaire zaal". Op slinkse wijze is het huis van Thorbecke verbouwd. Er is een veel te zware verdieping bovenop gezet. Met het huis van Thorbecke bedoelen we uiteraard de manier waarop Nederland staatkundig is ingericht. Deze veel te zware verdieping, waar tegenwoordig helaas bijna alles wordt bepaald, is natuurlijk de EU.

Nederland is het grootste deel van zijn soevereiniteit aan de EU kwijtgeraakt. De PVV is de enige partij die uit de EU wil stappen, zodat Nederland weer een soeverein land kan zijn met zelfbeschikkingsrecht. In dat kader blijven wij ook aangeven dat die verschrikkelijke EU-vlag zo spoedig mogelijk van het dak van ons parlement zou moeten worden verwijderd. De eurofiele partijen hebben ons stukje bij beetje onder vreemde heerschappij gebracht. In plaats van ons te verzetten tegen deze overheersing, nodigen wij allerlei Europarlementariërs uit om in de Tweede Kamer te komen spreken. Wat ons betreft is dat te gek voor woorden. De fractie van de PVV wil dan ook dat daaraan een einde wordt gemaakt. Europarlementariërs zouden niet langer in de plenaire zaal van de Tweede Kamer mogen komen spreken.

Wanneer we een hoorzitting organiseren met het thema "hoe stappen we zo snel mogelijk uit de EU", dan kan ik me voorstellen dat we een aantal Europarlementariërs in een commissiezaal aan de tand voelen, maar de plenaire zaal van de Tweede Kamer behoort de Nederlandse volksvertegenwoordigers toe, die gekozen zijn bij de Tweede Kamerverkiezingen. Dit staat wat de PVV betreft natuurlijk wel los van mensen die succesvol een voldoende breed gesteund burgerinitiatief hebben gelanceerd. Die blijven natuurlijk welkom om hun ideeën toe te lichten. De PVV hoort ten slotte graag van het Presidium in hoeverre het de visie van de PVV deelt op het idee dat Europarlementariërs niet langer spreken in onze plenaire zaal.
De heer Schouw (D66): Steunt de heer Van Klaveren het idee van mijn fractie om het Presidium te vragen de voor- en nadelen in kaart te brengen van het horen van kandidaat-bewindslieden?
De heer Van Klaveren (PVV): Dat is afhankelijk van de uitwerking van het voorstel, want wij staan niet principieel negatief tegenover dit idee. Het is echt afhankelijk van de vraag hoe het wordt ingevuld. Wat ik zojuist hoorde, klonk interessant, maar ik neem aan dat het later onderbouwd zal worden.
De heer Segers (ChristenUnie): Voorzitter. Het is met enige bescheidenheid dat ik vandaag als nieuwbakken Kamerlid in mijn eerste jaar spreek over de Raming van de Kamer. Ik voel me in ieder geval niet of nauwelijks bevoegd om me nu al in detail uit te laten over de mores van dit huis. Die bescheidenheid is ook ingegeven door het besef dat wij met z'n allen staan op de schouders van heel veel mensen die ons in bijna 200 jaar voorgingen, een feit waarbij de Staten-Generaal volgend jaar feestelijk hoopt stil te staan. Een andere reden voor enige bescheidenheid is het besef dat wat wij doen als 150 leden ook institutioneel gedragen wordt door al die medewerkers van de Kamer zelf en al die fractiemedewerkers. Deze mensen zetten zich dag in dag uit met hart en ziel in voor de publieke zaak en juist die bezieling maakt dit ook zo'n bijzondere plaats om te werken.

18 jaar geleden, voordat ik Kamerlid werd, begon ik mijn werkzame leven aan hetzelfde Binnenhof als beleidsmedewerker. Ik vond het bijzonder om te zien dat verschillende medewerkers van toen, zowel van de Kamer als van de fracties, hier nog steeds werken. Dat is wat je noemt niet aflatende dienstbaarheid en betrokkenheid! Ook al die medewerkers wil ik graag bedanken voor hun bewonderenswaardige inzet. Juist omdat veel werk achter de schermen plaatsvindt, is het goed om het ook een keer voor de schermen te noemen.

De vorige Kamervoorzitter heeft het initiatief genomen tot een parlementaire zelfreflectie. Dat was op zichzelf een nuttige exercitie, maar tot wezenlijk meer tevredenheid over de gang van zaken in debatten of over de vergaderorde heeft het volgens mij niet geleid. Het enige verschil is, voor zover ik het kan nagaan, dat spoeddebatten nu dertigledendebatten heten. Het lijkt mij nu niet de tijd om een nieuwe zelfreflectie te starten. Volgens mij volstaat het om kennis te nemen van de destijds gemaakte rapporten, maar wel wil ik een punt in het midden leggen.

Elke vergaderorde in een parlement bestaat bij de gratie van het feit dat meerderheden rekening houden met minderheden, maar ook omgekeerd: dat minderheden rekening houden met meerderheden. Het werkt dus beide kanten op. Beide posities kun je op een goede manier gebruiken, maar ook misbruiken. De heer Heijnen had het er al over. De meerderheid kan de minderheid belemmeren zaken te agenderen die belangrijk zijn om te bespreken, maar een minderheid kan ook op een minder gelukkige manier gebruikmaken van rechten die aan minderheden zijn gegeven. Dit dilemma tackel je niet met procedures en nieuwe regels voor de vergaderorde. Het is veel meer een kwestie van parlementaire cultuur. Dat gezegd hebbend wil mijn fractie wel opmerken dat de dertigledendebatten matig functioneren.

Ik denk dat enige zelfreflectie op dit punt wel op zijn plaats is.
De heer Heijnen (PvdA): Ere wie ere toekomt: de vorige voorzitter komt veel eer toe, maar het was Jan Schinkelshoek van het CDA die de parlementaire zelfreflectie in gang heeft gezet en wij allemaal hebben daaraan welwillend meegewerkt.

Ik hoor de heer Segers toch een paar relativerende opmerkingen maken bij het punt dat we daar opnieuw als Kamer als geheel naar moeten kijken. Heb ik dat verkeerd verstaan? De heer Segers probeerde dat in te perken tot alleen dertigledendebatten. Mijn voorstel is om de Kamer alle aanbevelingen tegen het licht te laten houden, evenals het functioneren van de Kamer in wat ruimere zin.


De heer Segers (ChristenUnie): Ik ben het met de heer Heijnen eens als dat betekent dat nog eens heel goed naar de aanbevelingen van toen gekeken moet worden en dat we dat moeten leggen naast het functioneren nu. Maar ik ben geen voorstander van nieuwe zelfreflectie en ik wil dus niet die hele brede exercitie overdoen. In die zin ben ik het dus eens met de heer Heijnen.

Ik wil wel een noviteit voorstellen. Mevrouw Neppérus en de heer Schouw hebben daaraan al gerefereerd. Er doen zich soms kwesties voor die snel tot de roep om een parlementair onderzoek of een parlementaire enquête leiden. Dat kan zijn vanwege de grote commotie, de maatschappelijke relevantie of de hoge bedragen die met een kwestie gemoeid zijn. Recent was dat het geval rond het drama dat Fyra heet, maar te denken valt ook aan de nationalisatie van de banken. Het proces van een parlementair onderzoek of een parlementaire enquête is echter omslachtig, tijdrovend en ook traag. Op het moment dat de enquêtecommissie met haar rapport komt en daarover gedebatteerd moet worden, zijn veel Kamerleden, en ook de samenleving, alweer met heel andere onderwerpen bezig. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het rapport dat de commissie-De Wit heeft opgeleverd. Het was toen zelfs heel moeilijk om een tijdstip te vinden om daarover op een fatsoenlijke manier te kunnen debatteren. Een ander instrument, aan de andere kant van het spectrum, is de hoorzitting. Die kan slechts ten dele daarvoor in de plaats komen, omdat de mogelijkheid om mensen onder ede te horen ontbreekt. Een hoorzitting is daarom een nogal vluchtig en ook vrijblijvend middel. Ik wil de Kamer voorstellen om in deze ruimte, tussen de hoorzitting en de enquête in, het instrument van de parlementaire ondervraging te introduceren, overeenkomstig de Britse "hearing". Hierbij kunnen op korte termijn betrokkenen onder ede worden ondervraagd. In Groot-Brittannië werd bijvoorbeeld snel en adequaat gereageerd op het afluisterschandaal van News of the World. Het parlement kon het ijzer smeden toen het heet was.



Het is daarbij nog maar de vraag of er strikt genomen een wijziging van de Wet op de parlementaire enquête moet komen. Ik heb deze wet doorgenomen en ik twijfel daarover. In ieder geval is bezinning nodig op de wenselijkheid van deze mogelijkheid en op de vraag op welke wijze de bevoegdheden uit de wet, die we dus al hebben, op een veel kortere termijn gebruikt kunnen worden dan tot nu toe. Ik wil met een praktische noot afsluiten: de mooie zaal die altijd klaarstaat voor parlementair onderzoek en parlementaire enquêtes, kan op deze manier ook vaker en beter worden benut.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wij staan op zich heel sympathiek tegenover dit voorstel, maar het is wel belangrijk om even terug te kijken naar de behandeling van de Wet op de parlementaire enquête, waarbij dit uitermate intensief is besproken. Dat is ook terug te vinden in het verslag. Daarbij is ook de vraag gesteld of we onze instrumenten wel serieus genoeg nemen. Als wij iets echt belangrijk vinden, moeten we dat dan niet in een enquête gieten? Wij twijfelden daar ook over. Als we alleen maar een hoorzitting willen met een verhoor onder ede, wat overigens heel sympathiek klinkt, vinden we het dan wel echt belangrijk genoeg? Dat is een notie die juist helemaal is uitgediscussieerd bij de behandeling de vorige keer. Hoe kijkt de heer Segers daar nu naar?
De heer Segers (ChristenUnie): Ik vond wat de heer Schouw hierover zei wijs. Hij stelde voor om dit op een rustiger moment eens rustig te onderzoeken. Dat lijkt me allereerst de opdracht aan het Presidium. Ik zat bij de discussie rond de Fyra wel aan te hikken tegen het idee dat we dan een heel zwaar instrument gaan inzetten. We weten daarvan dat het misschien wel twee jaar duurt voordat we een rapport hebben en we in een debat daarop kunnen terugblikken en kunnen leren van de lessen die zijn getrokken. Een parlementaire ondervraging is dan een adequater en sneller instrument. Je onderstreept de ernst omdat je mensen onder ede kunt verhoren. Die mogelijkheid hebben we dus, maar we zetten haar sneller en in sommige gevallen effectiever in dan een enquête. De enquête wordt dus niet terzijde geschoven, maar we zoeken naar een invulling van het gat tussen de vrijblijvende hoorzitting en de zware enquête.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Maar dan moeten we sneller een politiek oordeel hebben over de vraag of we het wel of niet doen. De heer Segers zegt dat we er rustig naar moeten kijken. Laten we realistisch zijn: dat hebben we uitgebreid gedaan in het verslag. Ook wij hebben er heftig aan meegedaan. Uiteindelijk is mede door anderen gezegd: we gaan het niet doen. Laten we de parlementaire verhandeling er dus weer even bij pakken en dan zeggen of we het wel of niet gaan doen. Bovendien denk ik wel dat de parlementaire enquête over de Fyra, zo die er komt, veel korter zou moeten zijn dan twee jaar.
De heer Segers (ChristenUnie): Ik kom op het andere voorbeeld, van de commissie-De Wit. Dit is een ongelofelijk belangrijk onderwerp, dat veel tijd kostte. Het was lastig om aandacht en tijd te vinden om daarover op een fatsoenlijke manier een debat te organiseren. Dat levert in ieder geval bij onze fractie een onbevredigend gevoel op. Een parlementaire ondervraging zou een sneller antwoord zijn geweest op de crisis destijds. Mevrouw Van Toorenburg zegt: alle argumenten liggen op tafel, dus we kunnen er nu over beslissen. Ik ben er geen tegenstander van om nu daarover te beslissen. Als andere fracties meer tijd nodig hebben, is dat echter ook prima. Ik sta er flexibel in. Wij denken dat het voor de Kamer een heel nuttig, goed en aanvullend instrument zou kunnen zijn om aan waarheidsvinding te doen en op een heel goede manier te reageren op de crisis waarmee wij te maken hebben.
De voorzitter: De heer Segers gaat verder.
De heer Segers (ChristenUnie): Ik wilde zeggen dat ik benieuwd was naar de reactie van niet alleen het Presidium maar ook de collega-woordvoerders. Dat spreekt voor zich. Verschillende van hen hebben zich er al over geuit.

Ik ga naar een ander punt. De Kamer heeft een traditie met betrekking tot onder meer eerlijk voedsel en eerlijke koffie. Onlangs is bekend geworden dat er een Fairphone, een eerlijke smartphone, in productie komt. De eerste eerlijke smartphone bevat duurzaam gewonnen mineralen uit de Democratische Republiek Congo. Deze telefoons worden gemaakt in een fabriek en de werknemers daarvan ontvangen dankzij een daartoe speciaal opgericht fonds een fatsoenlijk loon. Ziet de Kamer mogelijkheden om bij de aanschaf van eigen telefoons in te tekenen op dit initiatief van de Fairphones?

De Kamer is nog bezig met de bezuinigingen van het kabinet-Rutte I, maar we moeten ermee rekenen dat er weer nieuwe bezuinigingen aankomen. Dit dwingt tot bezinning over vragen als: waar kan het met minder en waar kan het slimmer? Het besef is er echter dat de democratie niet kan worden afgeknepen. Daarom ben ik er blij mee dat de huidige coalitie heeft afgezien van het wat ons betreft onzalige plan om het aantal Kamerleden terug te brengen tot 100. Hopelijk leidt dit er ook toe dat er uiteindelijk ook niet wordt bezuinigd op de provinciale en de lokale democratie.

Ik heb tot slot nog vier korte punten. Mijn eerste punt betreft het volgende. Ik heb mij op dit debat voorbereid door de stukken te lezen op mijn iPad. Dat is een goede innovatie. Het is mooi dat Kamerstukken beschikbaar zijn. Ik sluit me aan bij de vragen van mevrouw Van Toorenburg. Ze zei dat de beschikbaarheid ervan nog wel wat beter kan. Ik heb twijfels bij sommige wat meer aanbod- dan vraaggestuurde innovaties. Zo vraag ik me af of er echt vraag is naar de mogelijkheid van videoconferencing.

Mijn volgende punt is dat ik me aansluit bij de vragen van in ieder geval de SP-fractie over de schoonmaakdiensten. Getuigt het niet van goed werkgeverschap om die mensen zelf in dienst te nemen? Wij steunen het voorstel daartoe van de SP-fractie.

Ik kom op het een-na-laatste punt. Moties worden op de stemmingslijst altijd genoemd en daarbij wordt het onderwerp even kort aangegeven. Bij amendementen is dat niet het geval. Wij vragen om dat wel te doen, om bij amendementen wel even heel kort de inhoud ervan op te nemen.

Mijn laatste punt betreft Prinsjesdag en de embargoregeling. Nu sluiten de algemene politieke beschouwingen niet direct aan op Prinsjesdag. Ze komen in de week erna. De embargoregeling heeft hiermee te maken. De minister-president wil die niet opnieuw instellen. Overigens was het toenmalige oppositielid Mark Rutte erg voor die regeling. Het punt, het issue waar het om gaat, is het lekken van de stukken. Het is van belang om te melden dat die lekken vaak bij het kabinet zaten. Vorige keer zette het kabinet zelf vroegtijdig de hele begroting online. Daar leggen we ons nu maar bij neer. Is de Voorzitter bereid om met het kabinet te praten en daarbij in ieder geval aan te geven dat het vroegtijdig lekken van allerlei plannen een ondergraving vormt van deze regeling? Ik kan me voorstellen dat er dit jaar niet veel leuks te lekken is, maar toch moeten we wat dit betreft wel de vinger aan de pols houden. Als het nu weer gebeurt, dan moeten we de discussie over de embargoregeling opnieuw oppakken.
De heer Van Raak (SP): Ik ben het daarmee wel eens, vooral omdat ik zie dat goed nieuws, als dat er al is, tijdens het hele reces breed wordt uitgemeten. Alle communicatiemedewerkers van de ministeries draaien immers op volle toeren om het goede nieuws op gunstige tijden te presenteren. Al het slechte nieuws, en dat zal heel veel zijn, wordt vervolgens op donderdagavond of vrijdagnacht gepresenteerd. Ik ben het helemaal met de heer Segers eens: het lek zit aan de overkant!

Is de heer Segers het met mij eens dat wij tegen de minister-president moeten zeggen dat het prima is dat hij het onder de pet wil houden, maar dat wij iedere keer als er gelekt wordt vanuit de ministeries hem zullen vragen om dat te komen uitleggen in de Tweede Kamer? Principieel is principieel.


De heer Segers (ChristenUnie): Ik wil in ieder geval de Voorzitter vragen om dat op te nemen met de minister-president. Dit jaar zou de testcase moeten zijn. Laten wij maar kijken wat er gelekt wordt. Als deze zomer het positieve nieuws zeer uitgebreid wordt gebracht en de droeve berichten op een achternamiddag worden gepresenteerd, moeten wij de embargoregeling goed onder de loep nemen.
De heer Heijnen (PvdA): Met alle respect, met deze discussie over lekken en embargo's lijkt het alsof wij het over de vorige oorlog hebben. Volgens mij staan wij voor veel fundamentelere vragen bij het begrotingsproces. Ik zou willen dat het Presidium daar eens over nadenkt. Het afgelopen jaar zijn er twee of drie begrotingen gemaakt: die van het Lenteakkoord, die van de regering en die van het aanvullend begrotingsakkoord in oktober. Mede onder invloed van afspraken tussen de landen binnen de eurozone zien wij een beweging die erop gericht is om veel eerder te kijken hoe de vlag er het volgend jaar bij hangt. Ik zou willen dat het Presidium samen met het kabinet tegen die achtergrond bekijkt of onze werkwijze niet moet worden aangepast. Ik hecht aan Prinsjesdag, ik hecht aan het koffertje in het parlement, maar misschien worden de belangrijkste beslissingen al veel eerder genomen en moeten wij zoeken naar een mogelijkheid om eerder met de regering in overleg te treden over de keuzes die zij heeft gemaakt.
De heer Segers (ChristenUnie): Ik heb de indruk dat dit een van de punten is waaraan de heer Heijnen nog niet was toegekomen in zijn bijdrage.

Ik onderstreep dat dit een heel serieuze kwestie is. De Raad van State heeft dat op een heel indringende manier in een notitie naar voren gebracht. Het Europese semester zet onze aanloop naar de begroting op zijn kop. In het voorjaar vallen immers al cruciale beslissingen. Ik weet niet of het Presidium daarover moet spreken. Het is ook iets tussen kabinet en Kamer. Het is een heel serieuze zaak. Wij staan nog maar aan het begin van de nieuwe ontwikkelingen. Die moeten zich nog uitkristalliseren. Dat neemt niet weg dat het kabinet niet alleen leuke plannetjes moet lekken en wij het nakijken hebben. Er zitten heel veel dagen tussen het presenteren van de begroting en het debatteren daarover.


De heer Van Klaveren (PVV): Ik ben heel erg benieuwd of de fractie van de ChristenUnie het voorstel van de PVV deelt om de Koran te verwijderen van de tafel van de Voorzitter in de plenaire zaal.
De heer Segers (ChristenUnie): Ik heb daaraan nog geen diepe gedachten gewijd. Ik heb dat boek eerlijk gezegd nog nooit zien staan. Ik ga er eens rustig over nadenken.
Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil stilstaan bij twee punten. Dat betreft allereerst het feit dat wij hier lid zijn van het hoogste orgaan van onze parlementaire democratie. Wat is daarvoor nodig en welk goed voorbeeld zou de Tweede Kamer moeten geven?

Wij zijn dus het hoogste orgaan binnen onze parlementaire democratie. Wij vertegenwoordigen de burger.

Ik vind dat de burger daar wel een paar eisen aan mag stellen. Ik vind dat de geïnteresseerde burger goed moet kunnen volgen wat we hier doen, hoe we debatten organiseren, welke vragen we stellen en hoe we reageren op plannen van het kabinet. Ik vind dat de digitale infrastructuur daarvoor onder de maat is. Ik krijg zo vaak de opmerking -- andere collega's zullen dat vast herkennen -- dat mensen iets lezen in de krant over kabinetsplannen en dan willen weten wat wij gaan doen. Wanneer kunnen Kamerleden vragen stellen? Hoe werkt dat? Mensen willen, kort gezegd, het debat volgen over een onderwerp dat hen aangaat. Maar hoe kom je daar achter als je naar tweedekamer.nl gaat? Ik vind dat er prioriteit moet worden gegeven aan het kijken met de ogen van mensen die belangrijke ontwikkelingen willen volgen, maar niet precies weten hoe we dat hier intern hebben georganiseerd met commissies, Parlis en stukken. Zij weten niet wat er wanneer en hoe behandeld wordt. Er moet gekeken worden naar de toegankelijkheid van het Kamerwerk met de ogen van mensen die gewoon willen weten wanneer er over een plan wordt gesproken en wat hun partij gaat zeggen, mensen die willen meekijken naar wat hun volksvertegenwoordiger doet om te beoordelen of ze daar tevreden over zijn. De burger heeft daar recht op. Hij heeft zijn stem gegeven aan een van de Kamerleden hier. De burger moet kunnen bekijken of hij tevreden is met de manier waarop een Kamerlid met zijn stem omgaat.

Daar hoort ook bij dat je niet tegen burgers moet willen zeggen: beste mijnheer of mevrouw, ik hoor dat u zorgen hebt over de uitvoering van een bepaalde regeling en dat er geldt wordt uitgegeven aan iets wat u onzinnig vindt, maar ik kom er echt niet aan toe om het uit zoeken. Als hoogste orgaan in de parlementaire democratie hebben wij namelijk per Kamerlid minder ondersteuning dan een supermarktmedewerker. De kern van ons werk is het controleren van de regering. Daar is geld voor nodig. We zitten hier met z'n allen op een budget van nog geen 24 miljoen voor de ondersteuning van onze fracties een begroting te controleren die 260 miljard bedraagt. We weten allemaal, en dat blijkt ook uit onderzoek waarin Kamerleden dat anoniem hebben mogen zeggen, dat we te weinig ondersteuning hebben en dat we te weinig toekomen aan het uitzoeken en stellen van fundamentele vragen waarmee we bijvoorbeeld domme ICT-projecten of domme tunnels kunnen tegenhouden. Een mooi voorbeeld waaruit blijkt dat we soms wel succes hebben, is dat we niet de Olympische Spelen in 2028 gaan organiseren. Laten we dankbaar zijn dat die enorme kostenpost ons bespaard is gebleven. Dat is echter te danken geweest aan de vasthoudendheid van het parlement en de inzet van medewerkers. Dat kunnen we op andere projecten ook doen en daar kunnen we mogelijk behoorlijk wat kosten mee besparen die nu gemaakt dreigen te worden of die in regelingen zitten waarover burgers zeggen dat het niet goed gaat. Wij moeten hen echter antwoorden dat wij te weinig tijd hebben om het uit te zoeken en te weinig tijd hebben om daar kritische vragen over te stellen. En dat is zonde.



Mijn pleidooi, en dat schijnt een beetje taboe te zijn, is om als Kamer te gaan staan voor een goede ondersteuning van onze fracties. Ik zou heel graag zien dat onze Voorzitter daar een uitgesproken opvatting over heeft. Die vraag leg ik bij deze dan ook neer bij het Presidium. In vergelijking met andere landen wordt het Nederlandse parlement slecht ondersteund. Dat heeft gevolgen voor de kwaliteit van het werk dat we kunnen leveren namens de burgers die ons gekozen hebben. Ik haalde zojuist al even onderzoek aan waarin 70% van de Kamerleden anoniem heeft gezegd het daarmee eens te zijn en dat het budget omhoog moet. Maar als je het Kamerleden in de openbaarheid vraagt, zeggen zij dingen als "ik vind dat er meer geld voor ondersteuning moet worden uitgetrokken, maar laat mij erbuiten" of "ik ga er niet voor pleiten, want dan gaat mijn kop eraf". Daar zijn we bij de Partij voor de Dieren niet zo bang voor. Ik vind het jammer dat de heer Elias van de VVD er vandaag niet is. Hij heeft namelijk het lef gehad om in de publiciteit te zeggen dat de manier waarop de Kamer wordt ondersteund concreet betekent dat hij met anderhalve man en een paardenkop het volledige ministerie van OCW moet controleren. Ik geloof dat hij is teruggefloten door de VVD-fractie. Ik zou graag zien dat meer Kamerleden zich vrij voelen om gewoon toe te geven dat we wel erg slecht ondersteund worden voor het werk dat we namens het volk moeten doen.
1   2   3   4   5   6   7

  • Schouw
  • Van Raak
  • Segers

  • Dovnload 296.11 Kb.