Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken

Dovnload 296.11 Kb.

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken



Pagina4/7
Datum05.12.2018
Grootte296.11 Kb.

Dovnload 296.11 Kb.
1   2   3   4   5   6   7
Van Miltenburg: Ik denk dat we zeker zo snel mogelijk moeten beginnen met die discussie, omdat het ingewikkelde processen zijn, zoals ik eerder al aangaf. Ik heb net nog even geïnformeerd of inmiddels al duidelijk is dat onze berichten en onze vraag, die de minister heeft neergelegd, gaan vanaf 2016. Als het eerder is, moeten we er natuurlijk eerder op acteren. Hoe eerder we die discussie beginnen, hoe eerder we er maar alvast klaar voor zijn.

Voorzitter. Een groot aantal leden, onder wie mevrouw Neppérus, de heer Heijnen, de heer Schouw en mevrouw Van Toorenburg, heeft het gehad over de kerntaak van de Kamer: het controleren van de regering en het verstevigen van de positie van het controleren van de regering. Natuurlijk is dat het belangrijkste wat de Kamer doet. Dat is de reden van ons bestaan, zal ik maar zeggen. Velen van u hebben gevraagd of het BOR, het onderzoeksbureau van de Kamer, en het Bureau Wetgeving in dat kader moeten worden versterkt. Het BOR is de afgelopen jaren verstevigd. Er is een reorganisatie geweest, waarbij twee bureaus zijn samengevoegd. Dit is een van de resultaten van het zelfreflectieproces dat er is geweest.

De afgelopen jaren heeft het BOR de onderzoeksagenda van de Kamer gefaciliteerd. De drie onderzoeken per jaar die we de afgelopen jaren hebben gedaan, hebben we bijna geheel intern kunnen doen. De onderzoeksagenda wordt op dit moment geëvalueerd, waarbij de vraag centraal staat of we het op deze manier moeten blijven doen. Heeft dat voldoende toegevoegde waarde? Daarbij is het uiteraard, zo zeg ik tot de heer Heijnen, van belang dat de opvattingen en de meningen van de Kamerleden zelf daarin een belangrijke rol vervullen. Niet anderen moeten er iets van vinden. Het is een instrument van de Kamer en zij moet daar zelf ook een opvatting over hebben.

Het is interessant dat velen vaststellen dat het BOR niet groot genoeg is. De afdeling zelf heeft niet het gevoel dat ze niet alle vragen kan beantwoorden die ze krijgt. De behoefte van u om ze onderzoek te laten doen is blijkbaar groter dan het aantal concreet gestelde vragen. Op dit moment wordt bij het BOR dus niet gevoeld dat er mensen bij moeten komen.

Iets anders geldt voor de afdeling wetgeving, waar op dit moment vijf wetgevingsjuristen werken. Daar speelt iets anders. Macro gezien kunnen zij de vraag aan. Als je het over het hele jaar spreidt, zie je dat alle gestelde vragen door Bureau Wetgeving kunnen worden beantwoord. Alleen werken wij hier natuurlijk niet alle dagen van het jaar netjes van 9 tot 5 in een goed gereguleerde omgeving. Wij werken in pieken en dalen, omdat wij recesperiodes kennen en periodes waarin we geen reces hebben. In toenemende mate komen de Kamerleden soms zelfs nog op de dag van een wetsbehandeling met ingewikkelde verzoeken voor ingewikkelde amendementen. Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat ik een aantal keer een wetgevingsdebat heb moeten schorsen na de eerste termijn, omdat er lopende het debat nog zulke ingewikkelde amendementen binnenkwamen dat de bewindspersoon liet weten meer tijd nodig te hebben om ze goed te kunnen beoordelen. Het gaat dan namelijk niet zo maar om moties die wellicht worden aangenomen, maar om een wetstekst. Bureau Wetgeving wordt dus vaak last minute geconfronteerd met moeilijke dingen. Soms moet men dan tegen mensen die wel vooruit willen werken, zeggen dat het nu even niet kan. In recesperiodes is daarvoor wel heel veel ruimte. Als het de Kamer lukt om de druk op Bureau Wetgeving iets meer te verspreiden, kunnen we het met die mensen aan.
Ik heb de Kamer ook horen zeggen dat we minder moeten inhuren. We moeten kunnen meeademen met de vraag. Dat proberen we zo te organiseren, maar dat is wel ingewikkeld.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wij willen het Presidium dan toch vragen om in gesprek te gaan met Bureau Wetgeving. Wanneer wij een maand of twee van tevoren komen, krijgen we juist signalen dat het niet urgent is en dat het onder op de stapel komt. Dat snap ik ook, maar op het moment dat we het echt willen hebben, zijn we te laat. Dat is dus een klem.

Wij krijgen altijd heel keurig het verzoek of iets mag worden overlegd met een ministerie. Wij zeggen dan natuurlijk altijd meteen ja. Ik vraag echter om te bekijken wanneer Bureau Wetgeving enige mogelijkheid ziet om een ministerie, waar heel wetgevingsjuristen zitten, in te schakelen en om daar dan een prioriteit van te maken. Dan is er misschien ook sprake van ontlasting.


Mevrouw Van Miltenburg: Mevrouw Van Toorenburg verzoekt ons om in overleg te treden. Het is wel een hardnekkig punt; het komt bij velen van u terug. Het is goed om eens op papier te zetten hoe de werkwijze is en waar de knelpunten wat betreft Bureau Wetgeving zitten.

Kamerleden hebben sowieso recht op ondersteuning, ook rechtstreeks, vanuit een ministerie bij het opstellen van een amendement. Wij hebben heel weinig zicht op hoe vaak Kamerleden van die mogelijkheid gebruikmaken, tenzij het rechtstreeks via Bureau Wetgeving gaat. Dus die mogelijkheid is er, maar het is een beetje moeilijk om te kwantificeren hoe vaak we daarvan gebruikmaken.



Mevrouw Van Toorenburg had het over "heel veel wetgevingsjuristen". Wetgevingsjurist is een ingewikkeld metier. In tegenstelling tot de suggestie van mevrouw Van Toorenburg, zijn er helemaal niet veel wetgevingsjuristen. Ook in reactie op degenen die vinden dat we het moeten uitbreiden, zeg ik dat het best ingewikkeld is om wetgevingsjuristen op te leiden. We doen dat ook zelf. We werken daaraan mee, maar het zijn kostbare mensen en iedereen wil hen hebben, want we doen veel aan wetgeving in dit land.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wij vragen Bureau Wetgeving altijd om geen dubbel werk te verrichten, al is het maar omdat het bureau het ons keurig meedeelt als ook andere leden met hetzelfde thema bezig zijn. Dan kun we misschien schakelen. Dat doet Bureau Wetgeving heel zorgvuldig, maar we kunnen ook zelf actie ondernemen. Wij merken wel dat de ministeries gemakkelijker en sneller werken, omdat ze vaak toch al met de betreffende wet bezig zijn. Vaak hebben ze de afweging al gemaakt en hebben ze bijvoorbeeld niet iets in een wet opgenomen dat morgen in een tekst klaarligt voor een amendement. Ik denk dat we veel sneller kunnen schakelen. Bij het ministerie van Veiligheid en Justitie en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zitten heel veel wetgevingsjuristen. Dat weet ik toevallig. Daar kunnen we toch wel heel veel halen.
Mevrouw Van Miltenburg: We kunnen daar veel halen. Kamerleden staan ook in hun recht als zij daarom vragen. Als zij het gevoel hebben dat de ondersteuning onvoldoende is, hoop ik dat zij dat aan mij doorgeven, want pas als ik concrete signalen heb, kan ik daarop acteren.
De heer Schouw (D66): Mijn hele fractie heeft mij bestookt met mailtjes ter voorbereiding van dit overleg. Het beeld van mijn fractie is dat de capaciteit van Bureau Wetgeving onvoldoende is. Ik wil graag dat de Voorzitter dit ter harte neemt en zegt dat zij daar serieus naar gaat kijken, dat zij daar in september op terugkomt bij de commissie voor de Werkwijze of het Presidium en dat dan wordt bekeken hoe we het kunnen oplossen.
Mevrouw Van Miltenburg: Ik heb al eerder toegezegd dat ik een brief stuur over de werkwijze. Daaruit kunnen we destilleren waar het verschil van opvatting zit. Ik denk dat het goed is om ter voorbereiding van die brief aan alle fracties te vragen waar wat hun betreft de knelpunten zitten, zodat we dit op een goede manier in de brief tot uiting kunnen laten komen. Anders gaan we misschien langs elkaar praten. Dat zou niet goed zijn. Natuurlijk wordt die brief vervolgens geagendeerd in het daarvoor bedoelde gremium.
De heer Schouw (D66): Dan begrijp ik het niet. Als ikzelf of mijn medewerkers verzoeken indienen bij Bureau Wetgeving, krijgen we dezelfde reacties als waar mevrouw Van Toorenburg over sprak. Ik begrijp dat de baas van die afdeling zegt: nooit van gehoord.
Mevrouw Van Miltenburg: Nee.
De heer Schouw (D66): Het is zo'n brede klacht. De leiding van deze organisatie moet daar toch ook van doordrongen zijn. Er hoeven toch geen enquêteformulieren meer naar de fracties te worden gestuurd om te bekijken wat precies het probleem is, want het speelt al anderhalf jaar.
Mevrouw Van Miltenburg: Ik geef de Griffier het woord. Zij heeft de leiding over deze afdeling en het lijkt mij beter dat u rechtstreeks met haar hierover van gedachten wisselt.
Mevrouw Biesheuvel: De klachten en de zorgen zijn bekend, niet alleen bij het hoofd van deze dienst, maar ook bij mij. Dat heeft ertoe geleid dat we een jaar geleden voor drie jaar een extra wetgevingsjurist hebben aangetrokken. Die was moeilijk te vinden, maar we hebben er wel een gevonden. Gelet op de aard van de klachten en de zorgen -- ik heb er zelf ook naar gekeken -- is het mijn dringende advies om het aanbod van de verzoeken beter te plannen en om verzoeken eerder in te dienen, iets waarop de Voorzitter ook al wees.

Er is inderdaad een lijstje. Maar als er een uur voor de stemmingen, nog ingewikkelde amendementen bijkomen, dan is het alle hens aan dek om ervoor te zorgen dat er een goede stemmingslijst ligt. Het gebeurt herhaaldelijk dat er op vrijdag nog om half zes, kwart voor zes verzoeken voor amendementen worden ingediend voor een wetgevingsoverleg op maandag. Dat betekent voor de mensen een weekend doorwerken, met alle gevolgen van dien. 's Avonds amendementen indienen met het oog op wetsbehandeling de volgende morgen: het is meer regel dan uitzondering. Wij proberen het zo goed mogelijk te managen, maar mijn eerste stap zou toch zijn om een klemmend beroep op de leden te doen om zeker met ingewikkelde verzoeken eerder bij ons langs te komen.

Initiatiefvoorstellen vergen een lange voorbereidingstijd. Er staan afspraken in de Aanwijzingen voor de regelgeving over samenwerking met de ministeries. Ministeries zijn verplicht om bijstand te leveren. Wij doen dan ook zo nodig een beroep op de ministeries. De laatste mogelijkheid is externe ondersteuning. Daarvoor bestaat een potje. Het Presidium heeft onlangs besloten om die regeling met een jaar te verlengen, maar hiervan wordt door de leden heel weinig tot geen gebruik gemaakt. Misschien is dat ook wel een nuttige reminder!
Mevrouw Neppérus (VVD): Wetgeving en het controleren van de wetgever zijn kerntaken van de Kamer. Het is dan ook mijn verzoek om hieraan iets meer te doen. Ik heb overigens net als andere collega's ook aangegeven waar we volgens mij iets minder zouden kunnen doen.

Wetten kun je maken. Ik heb in mijn jonge jaren een heleboel amendementen geschreven; ze worden op ministeries dus wel degelijk ook geschreven. Het is echt een van de kerntaken, ook om af en toe te kunnen helpen meekijken. Ik doe dus een dringend beroep op het Presidium om hiernaar met een welwillend oog te kijken, want de VVD en andere fracties vinden het echt een kerntaak. En dat besef proef ik onvoldoende in de antwoorden.


Mevrouw Van Miltenburg: Dat spijt mij zeer!

Er komt dus een uitgebreide brief waarin ingegaan zal worden op de gevoelde klachten. Die brief is geen eindstation, want die zal geagendeerd worden in het daarvoor bedoelde gremium. Daar zal er vervolgens over worden doorgepraat.

Als u het gevoel hebt dat Bureau Wetgeving u niet voldoende kan ondersteunen en als u het gevoel hebt dat u onvoldoende gebruik kunt maken van de diensten van dit bureau, dan trek ik mij dat als Voorzitter zeer aan.
Mevrouw Neppérus (VVD): Wanneer kunnen we deze brief ongeveer verwachten?
Mevrouw Van Miltenburg: September.

Voorzitter. Een van de opmerkelijke voorstellen vandaag was het voorstel van de ChristenUnie om verhoren door de Kamer onder ede mogelijk te maken. Ik heb met belangstelling de discussie hierover gevolgd. Ik denk dat mevrouw Van Toorenburg in die discussie terecht opmerkte dat het nog maar een jaar of drie geleden is dat de nieuwe Wet op de parlementaire enquête is behandeld door de commissie Binnenlandse Zaken. Destijds is er uitgebreid gediscussieerd over het horen onder ede als apart instrument.


Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Zes jaar geleden!
Mevrouw Van Miltenburg: Inderdaad, zes jaar geleden. De tijd gaat soms sneller dan je denkt.

Ik heb veel verschillende standpunten gehoord, maar ik voelde toch vooral de behoefte om die discussie opnieuw te voeren, zij het misschien niet zo uitgebreid als destijds. Ik zeg hierbij toe dat ik deze discussie zal agenderen in de commissie Binnenlandse Zaken. Eerlijk gezegd dacht ik aanvankelijk aan de Commissie voor de Werkwijze, maar de Griffier heeft mij geadviseerd dat ik mij ervoor moet inspannen dat het wordt geagendeerd in de commissie Binnenlandse Zaken, omdat het een wet betreft die onder Binnenlandse Zaken valt. De commissie-De Wit heeft overigens ook een aantal aanbevelingen gedaan die raken aan de Wet op de parlementaire enquête. Daar kan deze discussie volgens mij bij betrokken worden.

De heer Segers (ChristenUnie): Zou mevrouw Van Miltenburg de procedure voor ons kunnen schetsen? Wat is verloop daarvan, wat wordt voorbereid, wat wordt voorgelegd, wanneer spreken wij erover en wanneer kunnen we er daadwerkelijk een besluit over nemen?
Mevrouw Van Miltenburg: Ik vraag de Griffier hierop een antwoord te geven.
Mevrouw Biesheuvel-Vermeijden: Ik stel voor om dit deel van het stenogram door te zenden naar de commissie voor Binnenlandse Zaken met het verzoek om dat te betrekken bij haar verdere werkzaamheden rond de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie-De Wit.
De heer Segers (ChristenUnie): Sorry, ging de laatste zin over het parlementair onderzoek dat door de Eerste Kamer is uitgevoerd?
Mevrouw Biesheuvel-Vermeijden: We hebben een parlementaire enquêtecommissie gehad: de commissie-De Wit. In het rapport van deze commissie staat een aantal aanbevelingen, onder andere over de Wet op de parlementaire enquête. Daarin worden verbeteringen genoemd en ook enkele aanverwante zaken die daarmee te maken hebben. Als de commissie voor Binnenlandse Zaken zich hiermee bezighoudt, is dat bij uitstek de gelegenheid om ook het voorstel van de heer Segers daarbij te betrekken, om vervolgens met een afgerond voorstel naar het Presidium te komen.
De voorzitter: Ik kan daar nog aan toevoegen dat de parlementaire enquêtecommissie-De Wit inderdaad een aantal voorstellen op dat terrein heeft gedaan.

De heer Segers nog één keer?


De heer Segers (ChristenUnie): Dit was een kleine verduidelijkende vraag, dus wat mij betreft telt die niet mee.

Mijn vraag is toch of het Presidium niet zelf in staat is om te bekijken of er een wetswijziging nodig is en hoe een ontwerpregeling eruit zou moeten zien. Kortom, er zou wat meer voorwerk moeten worden gedaan, omdat we anders toch weer uitgebreid gaan discussiëren over de voors en tegens. Als op tafel ligt hoe zo'n ontwerp eruit zou kunnen zien, en er dus een verkenning wordt gedaan naar zoiets als een parlementaire ondervraging, zouden wij daarmee meer geholpen zijn dan als het in een commissie komt en het een beetje op de lange baan wordt geschoven.


Mevrouw Van Miltenburg: Ik wil dan toch verwijzen naar het verloop van het debat hier. Ik heb veel mensen hierover iets horen zeggen en ik heb daaruit vooral kunnen destilleren dat de meerderheid vindt dat opnieuw naar de voors en tegens moet worden gekeken. Ik denk ook dat het daar moet plaatshebben, dus niet in het Presidium maar onder die leden en onder die fracties die daarover al dan niet een opvatting hebben. Vandaar dat ik het op deze manier wil terugleggen waar het hoort. Het is uiteindelijk politieke besluitvorming of de Kamer dat wel of niet wil. Ik heb velen horen zeggen er nog eens naar te willen kijken, maar ook voors en tegens te zien. Volgens mij is dat het begin van een debat dat de Kamer moet voeren.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Niet ter voorbereiding van dit debat over de Raming, maar daarvoor al, zijn wij in de stukken gedoken. Daaruit blijkt duidelijk dat indertijd zowel de Partij van de Arbeid, als het CDA, als nog een paar andere partijen dit wilden. Wel bleek dat er echt een stevige wet onder moet liggen omdat je mensen nooit kunt verplichten zomaar onder ede te worden gehoord. Wij zijn al een hele stap verder en komen met een initiatiefwet. In gedachten is deze initiatiefwet al klaar, maar de juristen waren er nog niet helemaal aan toe. Wellicht kunnen we kijken naar een onderbouwing voor de initiatiefwet die er uiteindelijk zal komen; dat is misschien wel de snelste weg.
De heer Heijnen (PvdA): Mevrouw Van Toorenburg heeft gelijk dat er al eerder in het parlement is gepleit voor wat ik kortheidshalve mini-enquêtes noem: hoorzittingen onder ede. De heer Segers brengt dit vandaag naar voren en het krijgt ten opzichte van andere voorstellen relatief veel weerklank. De vraag is nu wie dit oppakt. Het Presidium kan verwijzen naar de commissie voor Binnenlandse Zaken, maar daar zit echt een procedurele voorzitter, mevrouw Berndsen, en er is een griffie. Ik heb het gevoel dat het voor het grijpen ligt dat het Presidium dit oppakt en het zodanig organiseert dat de commissie voor Binnenlandse Zaken daarmee aan de slag kan. Dat is eigenlijk het verzoek namens de commissie aan het Presidium.
Mevrouw Van Miltenburg: Ik denk dat we er dan een coproductie van moeten maken.
Het is mij namelijk nog niet geheel duidelijk geworden wat precies de scope moet zijn. Wie moeten we horen en hoe? Daar gaat het om. Dan zie ik het maar als een scriptie. Mijn dochter zit op de middelbare school; zij moet er een maken. De Kamer moet de probleemstelling maken. Dan willen wij wel het werk doen dat daarachter zit. De Kamer moet duidelijk aangeven voor wie, wanneer en onder welke omstandigheden het moet gelden. De Kamer moet dus duidelijk het kader aangeven, alsook datgene wat zij onderzocht wil hebben. Dan kunnen wij dat uitwerken. Als wij echter alle mitsen en maren en mogelijkheden moeten aangeven, als wij ook de probleemstelling moeten gaan maken, dan vind ik dat te politiek. Ik denk niet dat dat moet. Als we het in zo'n coproductie kunnen afspreken, dan kan ook het Presidium daar wel werk in verzetten. Maar nogmaals: de Kamer moet de probleemstelling duidelijk neerzetten. Ik denk dat dat in commissieverband moet. Er moet dan een speciaal commissietje daarvoor worden ingesteld.
De voorzitter: Ik zie dat de heer Segers nog even nadenkt. Misschien kunnen we anders na de eerste termijn een schorsing inlassen. Dan kunt u allen erover nadenken. Dat is, denk ik, wat praktischer. We schorsen even na de beantwoording in eerste termijn. Dan kan eenieder even zijn of haar gedachten opmaken.

De voorzitter van het Presidium gaat nu verder.


Mevrouw Van Miltenburg: Dit was een bijzonder voorstel, dat ik gelijk aan het begin van de beantwoording wilde meenemen.

Veel leden hebben opmerkingen gemaakt over de zelfreflectie en de consequenties van die zelfreflectie. De heer Heijnen en anderen hebben aangegeven dat die niet zozeer extern als wel intern moet worden geëvalueerd. Heeft de zelfreflectie ons gebracht wat wij als Kamer ervan verwachtten? Het is een goede zaak als we dat ook intern doen. De externe evaluatie in de Staat van de Kamer gaat vooral over die ene uitkomst van de zelfreflectie, namelijk het instrument "de Staat van de Tweede Kamer" zelf. Ik ben nog steeds van mening dat het goed is om die na vijf jaar, als we die vijf keer hebben opgesteld, door externen te laten bekijken. Brengt dat document wat we ervan hadden verwacht? Met dat document zou namelijk in grote lijnen in kaart worden gebracht wat de ontwikkelingen in de Kamer zijn. In zijn algemeenheid denk ik echter dat de Kamer altijd op zichzelf moet reflecteren, niet alleen in het kader van "de zelfreflectie", en dat de Kamerleden een belangrijke rol hebben in de interne evaluatie.

Ik kom op een specifiek probleem dat veel leden vandaag aan de orde hebben gesteld, namelijk de dertigledendebatten. Ik vind het opmerkelijk dat dit als zo'n groot probleem is neergezet. Het is ook aan de orde geweest in de schriftelijke voorbereiding. Ik stel vast dat het aantal dertigledendebatten stabiel rond de twintig ligt. Elke week komen er een aantal bij, maar gaan er ook weer een aantal vanaf. Dit laatste heeft te maken met het ook door veel woordvoerders genoemde feit dat het vaak ook mogelijk is om sneller, in commissieverband, over iets te spreken en dat een indiener dan zegt: ik zie ervan af om er nog plenair over te spreken, omdat we het al in commissieverband hebben opgelost.

Een veel groter en veel moeilijker oplosbaar probleem is het aantal meerderheidsdebatten. Op het langetermijnschema is te zien dat we tegen de twintig meerderheidsdebatten in portefeuille hebben. Die worden vaak, net als dertigledendebatten, aangevraagd naar aanleiding van een actualiteit. Bij de aanvraag wordt bijna altijd gevraagd om een meerderheidsdebat. In veel gevallen leidt die aanvraag tot een dertigledendebat, maar in heel veel gevallen ook niet. Die meerderheidsdebatten worden naar aanleiding van actualiteiten aangevraagd, maar vervolgens stelt de Kamer allerlei voorwaarden wat betreft de planning van het debat. Zo moeten er allerlei stukken beschikbaar zijn voordat het debat wordt ingepland. Op die manier krijgen we een enorme lijst van meerderheidsdebatten in portefeuille. De leden kunnen het allemaal zien als ze het langetermijnschema bekijken of zelfs uitprinten. Ik probeer al die debatten in te plannen.

Ik kom hiermee op een algemene notie. Daarbij neem ik gelijk ook het punt van de SP-fractie mee over het vragenuur. Ik deel de mening van velen dat we in de plenaire zaal niet altijd de actueelste debatten voeren. Daarover maak ik me zorgen. De stelling dat we in dit huis nooit over actualiteiten praten, kan echter helemaal niet uitgesproken worden. Er zijn bijvoorbeeld heel veel spoed-AO's, veel meer dan ooit. Er worden vaak heel snel dingen in commissieverband wél besproken.

Er wordt hier in huis veel over actuele zaken gesproken, maar in de plenaire zaal kan dat onvoldoende. Dat komt voor een deel door het feit dat de Kamer wel een debat aanvraagt naar aanleiding van een actualiteit, maar vervolgens zelf zegt dat zij er pas over een halfjaar verder over wil spreken. Soms is er dan sprake van een nieuwe actualiteit omdat de brief waarop de Kamer zat te wachten nieuws op zichzelf is. Dan vang je mooi twee vliegen in één klap, maar dat is niet altijd het geval. Bij het plannen van de debatten probeer ik oog te hebben voor de actualiteit, maar als ik dat doe, bijvoorbeeld bij een dertigledendebat, gaat dat altijd ten koste van een ander debat. Dat moet dan nog langer wachten in de planning. Het is bijna een duivels dilemma.


De heer Van Raak (SP): Is het geen oplossing voor de Voorzitter als de fractievoorzitters meteen aan het begin van de week de actualiteit bespreken met de minister-president of met een andere minister? Natuurlijk kan er dan altijd nog een reden zijn waarom verder debat nodig is, maar vaak zal dat niet het geval zijn.
Mevrouw Van Miltenburg: Ik vind het knap hoe de heer Van Raak hiervan weer een nieuw voorstel weet te maken. Ik denk dat dit meegenomen moet worden in de zelfreflectie van de Kamer. Ik zie dan wel of het tot een voorstel aan de Kamer leidt.

De heer Schouw doet een voorstel voor het houden van kennismakingsgesprekken met beoogde bewindspersonen. Nu al wordt aan alle commissies een kennismakings-AO met nieuwe bewindspersonen aangeboden. Dat gebeurt na de beëdiging maar de heer Schouw wil expliciet dat dit voor de beëdiging gebeurt. Als daaraan in de Kamer inderdaad breed behoefte bestaat, zie ik graag een voorstel tegemoet via de commissie voor de Werkwijze. Ik wijs er wel op dat de Kamer zich moet realiseren dat de formatieperiode daarmee automatisch langer wordt; hoeveel langer kan ik natuurlijk niet beoordelen. Nogmaals, als de Kamer dit wenst, kan dit geaccommodeerd worden. Ik heb geen procedurele reden om hier niet voor te zijn, maar een meerderheid van de Kamer moet dit natuurlijk wel wensen.


De heer
1   2   3   4   5   6   7

  • Van Miltenburg : Nee. De heer Schouw
  • Neppérus
  • Van Toorenburg
  • Van Miltenburg
  • Segers

  • Dovnload 296.11 Kb.