Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie

Dovnload 91.1 Kb.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie



Pagina1/3
Datum09.09.2018
Grootte91.1 Kb.

Dovnload 91.1 Kb.
  1   2   3



VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 12 december 2016 overleg gevoerd met de heer Van der Steur, minister van Veiligheid en Justitie, over:



  • het wetsvoorstel Wijziging van de Faillissementswet in verband met de versterking van de positie van de curator (Wet versterking positie curator) (34253).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie,


Ypma

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie,


Hessing-Puts

Voorzitter: Van Wijngaarden
Griffier: Tielens-Tripels

Aanwezig zijn drie leden der Kamer, te weten: Gesthuizen, Recourt en Van Wijngaarden,

en de heer Van der Steur, minister van Veiligheid en Justitie.

Aanvang 11.02 uur.

De voorzitter:
Van harte welkom bij dit wetgevingsoverleg. Ik heet de leden, de minister, de ambtenaren, de mensen op de publieke tribune en iedereen die dit overleg volgt via een internetverbinding van harte welkom. Dit is een wetgevingsoverleg, dus hiervoor gelden geen maximumtermijnen. Wij hebben drieënhalf uur ingepland en daarom hebben wij als richttijd maximaal vijf minuten. Maar goed, daarin zijn we flexibel. De bijdrage mag langer duren, want de richttijd is in potlood geschreven.

De heer Recourt (PvdA):


Voorzitter. Mijn fractie kan instemmen met het voorstel. Daarmee is mijn inbreng eigenlijk klaar, maar ik zal hem toch ietsje langer maken. Het is goed dat de fraude rond faillissementen bestreden wordt. Het is ook goed dat dit een onderdeel is van de veel bredere aanpak van de wijziging van het faillissementsrecht in Nederland. Dit is een relatief bescheiden onderdeel. Straks komen we op onderdelen die nog moeten volgen. Ook al is het bescheiden, dit kan wel bijdragen aan het beter bestrijden van faillissementsfraude. Wij weten namelijk allemaal dat de pakkans zeer gering is. Die moet omhoog.

Mijn eerste praktische vraag is hoe het zit met de capaciteitsinzet. Er komt, zo lees ik, geen extra capaciteit bij het OM en de FIOD voor de opsporing van faillissementsfraude. Weliswaar worden er afspraken gemaakt over de beschikbare capaciteit, maar dan binnen de totale bestaande capaciteit van OM en FIOD. Als deze wet en andere wetten waarmee faillissementsfraude moet worden aangepakt, echt gaan werken, neem ik aan dat dit ook betekent dat er meer signalen van fraude bij het OM en de FIOD terecht zullen komen en er dus meer capaciteit beschikbaar moet zijn. Is dat zo? Is die er dan ook? Gaat dat dan weer niet ten koste van capaciteit van de opsporing van andere misdrijven? Dat is namelijk meestal zo met capaciteit. Als je die ergens inzet, haal je die ergens anders weg. Zijn er gedachten over de manier waarop dit moet gebeuren?

In de schriftelijke ronde hebben we aandacht gevraagd voor de mogelijke strijdigheid met het nemo-teneturbeginsel. Niemand is gehouden om bewijs tegen zichzelf te leveren. Het voorliggende wetsvoorstel legt de gefailleerde de plicht op om de curator ook eigener beweging in te lichten over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de curator van belang zijn. Dat kan dus ook over fraude gaan die de gefailleerde zelf heeft gepleegd. Het antwoord van de minister komt erop neer dat deze plicht niet botst met het nemo-teneturbeginsel, want, zo stelt hij, dat beginsel komt pas in beeld na een eventuele aangifte die tot daadwerkelijke vervolging leidt. Pas daarna wordt door de rechter bekeken welke bewijsstukken hij toelaat. Dit kan formeel juist zijn, maar werkt dit in de praktijk ook wel zo? Gaat de gefailleerde echt eigener beweging de curator op de hoogte stellen van feiten die eventueel later in een strafproces tegen hem gebruikt kunnen worden? Als hij dat doet, is het nemo-teneturbeginsel overigens direct weer van toepassing. Betekent dit dan dat het meewerken aan de inlichtingenplicht jegens de curator de fraudeur kan helpen om zijn straf te ontlopen? Als je het niet tegen hem kunt houden op een later moment, zou dat de andere kant zijn. Daar krijg ik graag nog enige verheldering over.

Samen met de VVD — de VVD is daarin de initiatiefnemer — heb ik twee amendementen ingediend. Dat laat ik over aan de heer Van Wijngaarden, want ik neem aan dat hij die uitgebreid zal bespreken.

Ik kom op een aantal punten die niet direct betrekking hebben op deze wet. Fraude is namelijk niet de enige reden waarom de werknemer en de schuldeisers na het faillissement aan het kortste eind trekken. Samen met mijn collega Nijboer heb ik onlangs meerdere vragen gesteld over legale praktijken die ervoor kunnen zorgen dat het restant van de failliete boedel voor de schuldeisers klein is. De eerste vragen gingen over het feit dat grote partijen, vaak banken oftewel pandrechthouders, pandrechten als zekerheid voor versterkte kredieten op delen van de boedel hebben gevestigd en dat de banken daarmee een ongelooflijk sterke positie in het faillissement hebben. Door de jurisprudentie worden deze mogelijkheden voor de banken steeds groter. Daardoor komen andere schuldeisers juist zwakker te staan.

De tweede set vragen hebben wij naar aanleiding van de oratie van professor De Weijs gesteld. Hij stelde dat faillissementsrecht vaak wordt gebruikt ten koste van leveranciers en werknemers, terwijl het in eerste instantie juist bedoeld is ter bescherming van deze belanghebbenden. De Weijs duidt op de praktijk dat sommige aandeelhouders hun onderneming met zo veel mogelijk vreemd vermogen financieren en dat aandeelhouders soms zelf het vreemd vermogen aandragen en hiervoor het recht op onderpand of andere zekerheid bedingen. In dat geval lopen ze bij een faillissement zelf het minste risico en blijft een lege boedel voor de werknemers en andere schuldeisers achter.

Nogmaals: dit wetgevingsoverleg gaat daar formeel niet over. Ik wacht rustig af welke antwoorden er komen op mijn vragen, maar er is een stuk minder rust voor het oplossen van dit probleem. Ik denk dat we de belangen van leveranciers en met name werknemers bij fraude met enige urgentie moeten regelen. Hun positie moet worden versterkt. We hebben daarover ook gesproken toen het ging om de clawbackregeling. Toen is er gezegd dat de Stichting van de Arbeid met een voorstel moet komen. Hoe staat het daarmee? Is er een harde termijn te noemen wanneer deze belangen goed opgepakt worden? Wanneer kunnen we hierover wetgeving verwachten?

Meer urgentie hoef ik er niet aan te geven in deze termijn, maar ik vind het echt van groot belang dat er nog een paar stappen worden gezet bij het faillissementsrecht op dit punt. Ik eindig met een compliment aan dit kabinet voor het feit dat de Faillissementswet en vooral de fraudekant daarvan voortvarend zijn aangepakt, en dat was nodig ook.

Mevrouw Gesthuizen (SP):
Voorzitter. Als enig lid van de oppositie bij deze vergadering van vandaag zal ik de nodige kritische noten kraken. Ons algemene oordeel is dat het een goed wetsvoorstel is, dus we zullen zeker voorstemmen. Ik heb nog wel een aantal kritische vragen. Ik zal het niet redden met vijf minuten spreektijd, maar ik zal zo snel mogelijk spreken.

Op pagina 4 van de nota naar aanleiding van het verslag staat dat uit het CBS-onderzoek "Faillissementen: Oorzaken en schulden in 2010" blijkt dat van de onbetaald gebleven schuld van de in 2010 beëindigde faillissementen 33% toe te schrijven is aan zaken met een zekere of waarschijnlijke strafbare benadeling van schuldeisers. Dat is dus een derde.

Hoe zit het met de samenwerking tussen de curator, de rechter-commissaris, de FIOD en het OM? Volgens de minister worden er in steeds meer arrondissementen fraudespreekuren gehouden onder leiding van een rc. Ook curatoren, fraudeofficieren van justitie en medewerkers van de recherche, de FIOD en de Belastingdienst nemen hieraan deel. Curatoren worden daarmee in de gelegenheid gesteld om, als er een fraudevermoeden bestaat, te beoordelen welke aanpak het effectiefst is.

Ik las dat deze fraudespreekuren maar moeizaam tot stand komen. In Den Haag was het spreekuur succesvol, maar in andere regio's gaat het wat minder soepel. Hoe ziet de minister dat? Er is niet altijd overeenstemming over wanneer welke informatie met de curator gedeeld mag worden. Dat lijkt mij wel een essentieel punt om te verhelderen en op te lossen.

Fraudeofficieren volgen elkaar in rap tempo op, zonder inwerkperiode. In Midden-Nederland waren er ten minste vier verschillende officieren in vier jaar tijd. Ik hoor graag of de minister dit herkent en wat hij daaraan gaat doen.

Wij horen ook dat de FIOD vaak lang niets van zich laat horen in individuele zaken en maanden of jaren later laat weten dat de zaak niet meer opgepakt zal worden, terwijl de curator het meeste vooronderzoek al heeft gedaan. Hoe kan dat? De curator kiest er dan uiteindelijk eerder voor om een faillissement af te wikkelen. Die signalen krijgen wij echt. Er kan niet altijd zo lang gewacht worden als belangen van werknemers en schuldeisers op het spel staan. Hoe weten schuldeisers in de tussentijd waar zij aan toe zijn?

Ook van forensische accountants horen we dat het soms jaren duurt voordat een zaak door de FIOD voor de rechter wordt gebracht. Zij hebben dan zelf in opdracht van de curator al onderzoek gedaan, maar voordat hun dossier door de FIOD wordt opgepakt, zijn ze maanden tot jaren verder.

Op basis van het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) in 2005 is geschat dat de pakkans rond 2% ligt. Hoe hoog is dat percentage na twee jaar? Uit een onderzoek van de politie uit 2015 blijkt dat veel meldingen en aangiften van curatoren nog steeds geen vervolg krijgen in de vorm van een opsporingsonderzoek. Slechts een klein deel van de fraudegevallen wordt gemeld. Van alle meldingen leidt maar een klein deel tot vervolging van de fraudeur. Degene die vervolgd wordt, is helaas vaak de katvanger en niet de feitelijk leidinggevende. Graag een reactie.

Enigszins beschroomd vraag ik of het de minister bekend is dat een katvanger, een echtgenoot van een faillissementsfraudeur, is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Als we uiteindelijk iemand voor het gerecht krijgen en weten te pakken voor een heel aantal strafbare feiten, kan ik mij voorstellen dat het heel lastig is om aan gedupeerden uit te moeten leggen dat zo iemand na een betrekkelijk kort traject helemaal klaar is met alle schulden uit het verleden. Dat wringt. Ik wil niet dat de minister op de stoel van de rechter gaat zitten, maar we moeten die uitspraken voor kennisgeving aannemen en vervolgens bedenken of we willen dat het recht op deze manier zijn werking heeft. Volgens mij is dat niet de bedoeling. Ik hoor hierop graag een reactie van de minister. In het algemeen gesproken is dit een goede ontwikkeling.

In het politieonderzoek 2015 wordt er ook voor gepleit om curatoren altijd een terugkoppeling te geven op hun meldingen. In hoeverre gebeurt dat nu door FIOD en OM? De minister geeft op pagina 20 van de nota naar aanleiding van het verslag aan, in te zijn gegaan op onze vragen over de capaciteit bij het OM en de FIOD, maar dat lees ik eerlijk gezegd nergens terug. Wat dat betreft hoor ik ook graag zijn visie op de capaciteit bij de Belastingdienst, ook gezien het massale vertrek van veel medewerkers daar. Er staat wel in de nota dat er sinds 2012 een Centraal Meldpunt Faillissementsfraude bij de FIOD is en dat men daar actief om aandacht vraagt bij kwetsbare branches. Dat is natuurlijk heel erg goed. Binnen het Openbaar Ministerie zijn fraudeofficieren aangesteld, maar dat is nog geen antwoord op de vraag of er voldoende capaciteit is. Hoe komt het dat de FIOD zo lang wacht met het oppakken van meldingen en dossiers van curatoren? Ons is bij de behandeling van wetsvoorstel 33994, de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, beloofd dat er bij de FIOD in 2015 in ieder geval 100.000 manuren beschikbaar zouden zijn voor faillissementsfraude. Ik vraag de minister of dat gelukt is. Is het voldoende gebleken om zaken snel en effectief op te pakken? Welke invloed heeft dat op de doorlooptijden gehad? Over het OM zei de minister toen het volgende. In het kader van de aanpak horizontale fraude is in de veiligheidsagenda bepaald dat het aantal strafzaken inzake horizontale fraude dat door de regionale eenheden zou worden aangepakt, in de komende jaren met 50% zal stijgen tot 2.300 in 2018. In het inrichtingsplan van de nationale politie is rekening gehouden met beschikbare capaciteit voor de aanpak van financieel-economische criminaliteit. In vergelijking met de situatie van enkele jaren geleden betreft dit een grote uitbreiding. Ik vraag de minister dan ook hoe het hiermee staat. Hoe zit het met het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst?

Over de financiering van de curatoren zegt de minister op pagina 12 van de nota naar aanleiding van het verslag dat de wet efficiëntievoordelen voor de curator meebrengt door verbetering van zijn of haar informatiepositie. Bovendien had hij of zij al een fraudesignalerende rol. Voor die gevallen waarin de boedel ontoereikend blijkt, maar door de curator aangetoond wordt dat er wel concreet zicht is op voldoende verhaalsmogelijkheden, bestaat een garantieregeling. Maar, zo zegt de minister, mochten er naar aanleiding van het wetsvoorstel knelpunten voor curatoren ontstaan, dan is hij bereid hierover met INSOLAD (Vereniging voor Insolventierecht Advocaten) in overleg te treden. Ik vind eigenlijk dat dit voorafgaand aan dit wetsvoorstel al had moeten gebeuren, of in ieder geval voorafgaand aan de invoering van deze wet, zodat de uitkomsten tegelijkertijd met de invoering kunnen worden meegenomen. Ik overweeg op dit punt een motie in te dienen.

We horen dat nog steeds curatoren ofwel te weinig middelen hebben om door te pakken, ofwel dat het toezicht op het ministerie op deze regeling onvoldoende geregeld is. Curatoren die veel declareren zonder dat er voldoende zicht is op verhaalsmogelijkheden, zijn er namelijk ook. Misschien kan de minister aangeven hoe hij dit ziet. Hoe werkt dat nu precies? Kan de minister aangeven hoe vaak de laatste jaren bijvoorbeeld bij curatoren is ingegrepen vanuit het ministerie? Wat gebeurt er met meldingen van bijvoorbeeld advocaten van gefailleerden die stellen dat een curator onterecht declareert? Worden dergelijke meldingen ook onderzocht? Het zal niet altijd waar zijn — dat weet ik — maar als het wel zo is, moet er direct worden ingegrepen door het ministerie als toezichthouder.

Klopt het dat het toezicht op de naleving van de garantieregeling eerst bij de rechters-commissarissen lag? Waarom is dat weggehaald en ondergebracht bij de Dienst Justis? Wij hebben klachten uit de praktijk dat er curatoren zijn die maar blijven declareren. Hoe vindt het toezicht hierop precies plaats door de Dienst Justis? Het lijkt mij niet dat dat moet worden afgeraffeld. Van forensisch accountants horen we dat curatoren aan de andere kant terughoudend zijn met het inwinnen van advies en dus met onderzoek naar faillissementsfraude. Curatoren moeten voor de garantstelling onderbouwen dat er verhaalsmogelijkheden zijn om een onderzoek door forensisch accountants vergoed te krijgen. Of die mogelijkheden er zijn, weet je echter pas ná een dergelijk onderzoek. Kan hier soepeler mee worden omgegaan? De verhaalsmogelijkheden zouden er bijvoorbeeld al kunnen zijn als er sprake is van een redelijk vermoeden.

Vooronderzoek door de accountants helpt de FIOD erg bij het eigen onderzoek naar faillissementsfraude, wat ook weer een besparing oplevert op dat vlak. Ook op dat punt zijn er klachten vanuit het veld. Men zegt dat de FIOD soms weer helemaal opnieuw begint en onvoldoende achting heeft voor de onderzoeksfeiten die er al liggen. Graag een reactie op dat punt van de minister. Hoe wordt voorkomen dat er dubbel werk wordt gedaan? Vanuit verschillende hoeken horen wij dat het wenselijk zou zijn als de garantstellingsregeling voor curatoren ook op een andere manier zou worden versoepeld. De regeling zou niet alleen open moeten staan voor onder andere de actio pauliana, maar ook voor andere acties waaruit activa voor de boedel kunnen worden verkregen, met name voor acties uit onrechtmatige daad jegens derden die bij de onrechtmatige behandeling van faillissementsschuldeisers zijn betrokken. Ook op dit punt overweeg ik een motie. Hoe denkt de minister hierover?

Vanuit de vakbond wordt bepleit dat zelfs de werkzaamheden van de curator die niet gericht zijn op boedelmaximalisatie, maar het algemeen belang dienen, zoals de bestrijding van faillissementsfraude, uit publieke middelen gefinancierd zouden moeten worden. Dan blijft natuurlijk staan dat het toezicht daarop goed geregeld moet worden, maar de vakbond heeft in mijn ogen wel een punt. Uit onderzoek van het WODC is gebleken dat de taakstelling van curatoren zich slecht verhoudt tot een actieve rol in de opsporing of bestrijding van faillissementsfraude of andere schade toebrengende handelingen. Graag een reactie op dit punt.

Ik ga langzaam richting het einde van mijn betoog. Ik kom op de financiering. De Raad voor de rechtspraak heeft gezegd dat de toezichthoudende rol van de rechter-commissaris structureel een claim van €320.000 per jaar zal opleveren. Er hebben inmiddels prijsonderhandelingen plaatsgevonden met de Raad voor de rechtspraak voor de periode 2016-2019. Zijn deze kosten, dus de intensivering van het toezicht door de rechters-commissarissen, daarin meegenomen? Als de raad straks mogelijk aangeeft dat de kosten hoger zijn, kan hij dan tussendoor gecompenseerd worden, bijvoorbeeld om wachttijden en plankzaken te voorkomen? Wat houdt het in als de minister zegt dat de raad een hogere kostenpost te allen tijde onder de aandacht van het ministerie moet brengen? We horen vaak genoeg dat rechters-commissarissen nu al te weinig tijd voor het toezicht hebben. Ik heb gelezen dat dit in 2015 gemiddeld maar anderhalf uur per zaak was voor een rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant, als de betrokkene niet op vakantie gaat. Graag een reactie. Hoeveel rechters zijn er voor hoeveel faillissementszaken en wat betekent dit voor de gemiddelde tijdsbesteding en dossierkast? Kan dit mogelijk onderzocht worden? Rechters hebben niet alleen met faillissementen te maken, maar houden ook toezicht op bewindsvoerders bij surseance van betaling en bij schuldsanering. Bij een hoge werkdruk is de kans groter dat een curator onterecht zijn zin krijgt of dat disfunctioneren niet wordt opgemerkt. Ik maak mij daar grote zorgen over. Overigens leeft dit ook onder een deel van de curatoren. Zij zien dit gebeuren in hun eigen vakgebied.

Het werkt ook de andere kant op. In 80% van de zaken is sprake van een lege boedel. De curator heeft dan weinig middelen om onderzoek te doen en compenseert dat door meer te declareren in zaken waar nog wel veel te halen is. Hoe zit het met de deskundigheid en de kennis van de rechters-commissarissen? Volgens hoogleraar burgerlijk recht Kortmann hanteren de rechtbanken een roulatiesysteem waarbij na vijf jaar faillissementskamer wordt gerouleerd naar bijvoorbeeld de kamer civiel. Daardoor verdwijnt opgebouwde kennis. Hoe zit dat? Hoe wordt gezorgd voor continuïteit in de faillissementskamer wat betreft de expertise? Ook volgens een rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam blijft de kennis achter bij de uitgebreide expertise van curatoren. Deze rechter-commissaris wil dat rechters dezelfde opleiding insolventierecht krijgen als curatoren ten behoeve van hun startbewijs. Graag een reactie op dit punt.

Helemaal tot slot het volgende. Een curator wees mij erop dat, om te voorkomen dat criminele activiteiten worden ontdekt, steeds meer fraudeurs ervoor kiezen om de rechtspersoon na het leegtrekken zelf te ontbinden op grond van artikel 2.19, lid 1, onder a, Burgerlijk Wetboek. Volgens het Expertisecentrum Handhaving en Intelligence van de Belastingdienst gebeurt dit steeds meer. In gevallen waarin deze bv's zichzelf niet ontbinden en evenmin een faillissementsaanvraag wordt gedaan omdat de schuldeisers daar toch niets van verwachten, wordt de rechtspersoon op grond van datzelfde artikel ontbonden door de KvK. Deze turboliquidatie is een zorgelijke ontwikkeling. Dit zal in het geval van onopgemerkte fraude niet alleen schade toebrengen aan de maatschappij, maar ook aan de slachtoffers van zo'n ontbinding. Er is geen enkel toezicht door een curator of een rechter-commissaris. Zet de uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 2015 niet de deur open naar turboliquidatie als sluiproute voor de faillissementsfraudeur en wat zegt dit over de plicht van curatoren om onderzoek te doen naar faillissementsfraude en benadeling van schuldeisers? In hoeverre voorkomt deze wet dat turboliquidatie leidt tot een benadeling van samenleving en schuldeisers en dus ook tot het niet kunnen onderzoeken of aanpakken van faillissementsfraude?



Voorzitter: Recourt

De heer Van Wijngaarden (VVD):


Voorzitter. Het onderwerp waarover wij het vandaag hebben, is op het eerste gezicht niet het spannendste of meest sexy onderwerp, maar is daarom niet minder belangrijk. Onder de oppervlakte gaat het om zeer grote, wezenlijke zaken. Het gaat om rechtvaardigheid en het voorkomen van straffeloosheid. We hebben kunnen lezen dat er 3.000 vermoedens van fraude per jaar zijn. In bijdragen van anderen hebben wij dit ook kunnen horen. Dit geeft al aan dat het voor heel veel mensen wel degelijk een spannend onderwerp is. Een faillissement als zodanig is al heel pijnlijk voor alle betrokkenen. De ondernemer ziet de ambitieuze droom die hij wilde verwezenlijken, in duigen vallen. Ook voor de werknemers en niet in de laatste plaats voor de schuldeisers is het zeer pijnlijk. Als er dan achteraf ook nog wordt geconstateerd dat er sprake was van fraude, dan wordt het gevoel van rechtvaardigheid nog meer aangetast. Daarom is het goed dat met dit wetsvoorstel de curator meer in positie wordt gebracht om een completer dossier te kunnen aanleveren waarmee een officier van justitie bij het OM makkelijker tot een succesvolle vervolging kan komen. We weten allemaal dat officieren van justitie net mensen zijn. Zij kijken hoeveel werk het kost om een zaak rond te krijgen en succesvol berecht te krijgen. In de taxatie van onze fractie gaat de kans op succes met dit wetsvoorstel omhoog. We steunen het wetsvoorstel dan ook. Ik sluit mij aan bij de complimenten van de heer Recourt dat het goed is dat Nederland hiermee een beetje meer voorop lijkt te gaan lopen bij de modernisering van het faillissementsrecht. Dit is een nieuwe stap in dat proces. We zijn bezig om het faillissementsrecht stap voor stap te moderniseren. Dit is een bepaald niet onbelangrijke stap in dat proces.

Dat wil echter niet zeggen dat er geen zorgen meer zijn. De eerste zorg betreft de kwaliteit van curatoren. Ik denk niet dat de kwaliteit van curatoren niet goed is. Die is volgens mij uitstekend. In een eerder wetgevingsoverleg werd dat over het algemeen ook gezegd. Dat wil echter niet zeggen dat de kwaliteit niet verder omhoog kan. Juist met de nieuwe bevoegdheden voor curatoren moeten we ook kritisch bekijken op welke punten de kwaliteit verder omhoog moet.

Mij trof een verhaal van iemand die in zijn naaste omgeving een faillissement heeft meegemaakt. Het ging om iemand die failliet gegaan was met een betrekkelijk kleine eenmanszaak ergens in het oosten van het land. Op een gegeven moment kwam er een curator. Die keek zo'n beetje rond en stak nog net niet zijn vinger in de lucht, maar taxeerde de boedel vervolgens op een bepaald bedrag terwijl er bij de gefailleerde toch een heel ander beeld van de waarde van de boedel bestond. Wat de waarde ook was, de betreffende persoon had in ieder geval ontzettend het gevoel dat de curator niet goed wist waar hij mee bezig was en niet op een zorgvuldige manier werkte. Dit is natuurlijk maar één geval. De minister kent dit geval verder niet en ik vraag hem dus ook niet om op deze casus in te gaan.

Ik vraag de minister wel hoe hij aankijkt tegen het punt dat curatoren een zwaardere positie krijgen met dit wetsvoorstel. Hoe gaan we curatoren vragen om op een zwaardere wijze rekenschap te geven van de zwaardere positie en bevoegdheden die zij straks krijgen als dit wetsvoorstel de Eerste Kamer gepasseerd is? Ik weet dat er periodiek overleg is met INSOLAD (Vereniging voor Insolventierecht Advocaten). Ik vraag de minister hoe in dat overleg de kwaliteit van curatoren en de manier waarop zij omgaan met al hun nieuwe bevoegdheden en hun sterkere positie in het kader van de modernisering van het faillissementsrecht, hun beslag krijgen.

Het tweede punt is dat de kosten van een fraudeonderzoek voor rekening van de schuldeisers zijn. Zij kunnen daar hun belang bij hebben, maar ook daarvan moeten we bekijken hoe het in de praktijk gaat uitpakken. Vandaar dat we dat onder de aandacht hebben gebracht in ons amendement op stuk nr. 9 over de evaluatie. Dat is meteen een mooi bruggetje. We horen vandaag dat er bij de hier aanwezige partijen wel steun is voor het wetsvoorstel, maar dat er nog een aantal zorgpunten zijn. Ik denk dat de evaluatie, die we nu op vier jaar hebben gezet, daarvoor moet worden benut. Ze moet niet een soort pro-forma-exercitie worden. We moeten echt bekijken hoe deze modernisering, waarmee we een beetje voorop gaan lopen, uitpakt en welke verbetermogelijkheden er straks nog zijn. Wat dat betreft ronden we het proces straks niet af, maar kunnen we met de evaluatie de eventuele schoonheidsfouten er nog uit halen.

Het derde punt betreft de positie van accountants. Wij hebben vanuit de praktijk begrepen dat het toch voorkomt dat dossiers worden ondergebracht bij accountants en dat zij worden gebruikt als een soort vluchtroute voor mogelijke fraudeurs. Dat kan niet de bedoeling zijn. Vandaar dat wij het amendement op stuk nr. 10 hebben ingediend, waarin wij nog eens hebben geëxpliciteerd dat ook accountants zaken bij de curator moeten aanleveren als er sprake is van een fraudeonderzoek.


  1   2   3

  • Voorzitter: Van Wijngaarden Griffier: Tielens-Tripels
  • Voorzitter: Recourt

  • Dovnload 91.1 Kb.