Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De waarheid van het syndroom van werner

Dovnload 0.53 Mb.

De waarheid van het syndroom van werner



Pagina2/14
Datum04.04.2017
Grootte0.53 Mb.

Dovnload 0.53 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

2.3 Jeugdherinneringen

Ik hou erg van dingen observeren en mijn moeder kon mij met de woorden ‘Niet doen, dat is gevaarlijk’ nergens van weerhouden. Met een vurig verlangen iets te willen zien, klauterde ik dan op de stenen muur. Ik heb ook nog een herinnering dat ik er een keertje vanaf ben gegleden en mijn hoofd licht verwond heb.

Als ik een scene uit een film met de acteur Kokichi Takada naspeelde, vonden ze mij leuk en ik was zo’n gek kind dat, als ik leuk werd gevonden, het opnieuw speelde. Bij mij in de buurt stond er een bioscoop die ‘Koganeza’ heette. Daar kon je als kind in die tijd voor 40 yen cent naar binnen. Je kon daar rustig genieten van een alledaagse jeugdfilm of een historisch filmdrama van de Japanse filmstudio Toei of Toho, twee voor de prijs van één. Voordat de televisie zijn intrede in de Japanse huiskamer deed, ben ik daar in mijn lagere schooltijd vaak heen geweest om een film te bekijken. In de pauze tussen de films kwam men rond met bier en snacks voor volwassenen en voor kinderen waren er ijsco’s, appelsap, citroenlimonade en popcorn te koop.

Het spelletje dat we in die tijd speelden was bijvoorbeeld zwaardvechten. Ik had dan een stuk stok waarmee ik deed alsof ik aan het zwaardvechten was. Of we deden alsof we een pistool hadden. Met je hand imiteerde je dan een pistool en dan riep je: ‘Pang Pang’. We speelden dat je werd neergeschoten en doodviel. Ook deden we ‘achtervolgertje’.

Ik speelde ook graag met blokken en fantaseerde dan dat ik allerlei dingen bouwde. Als het tegen de avond dan donker werd, liep ik met vriendjes door het dorp en klepperden we met de blokken tegen elkaar en riepen: ‘brandoefening’. Dat was voor iedereen grote pret.

Tijdens het regenseizoen aan het begin van de zomer gingen we op zoek naar kevers, cicaden, vlinders en zo. En met vollemaansnacht in de herfst, in september, stonden er op elke veranda van ieder huis rijstballen en zoet fruit uitgestald met een decoratie van Japans pampasgras en keken we naar de volle maan. Alleen dan werd er naar de kinderen toe een oogje dichtgeknepen bij het stelen van de offergiften (eigenlijk werden ze aan ons gegeven). Zo ging dat denk ik in die tijd. We gingen noten, groene mandarijntjes of snoepgoed van de veranda jatten. We namen beslist niet veel; je wist gewoon: één per persoon. Ik heb daar leuke herinneringen aan. Zo ging het geloof ik een beetje door tot 1958 en nog een poosje daarna.

Dat ik voor het eerst echt ziek werd, was toen ik een darmkronkel (volvulus) had. Ik herinner me dat het midden in de zomer was na het avondeten. Dat weet ik nog omdat er een klamboe boven mijn futon hing. Of de pijn links of rechts zat, weet ik niet meer maar ik kreeg plotseling verschrikkelijke steken in mijn buik en lag te kronkelen op mijn matras. Het was echt koliekpijn. Hoe vaak heb ik niet geroepen: ‘God, Boeddha, help me alsjeblieft.’ Ook toen de huisarts er was, lag ik te rollen in mijn bed van de pijn en bleef maar roepen om hulp. Zelfs de dokter schrok ervan maar ik wist dat hij mij weer helemaal beter zou maken. Mijn moeder verzorgde mij liefdevol. Terwijl ik op mijn rug op mijn futon lag, vroeg ze mij wat ik zou willen eten wanneer ik weer beter zou zijn: ‘Zeg maar Hiro waar je trek in hebt’. Ik zei: ‘In bananen’, iets wat wel heel luxueus was. Ondanks dat we het helemaal niet breed hadden, ging mijn moeder ze voor me halen. Bananen kostten toen wel 70 yen per twee, en dat was dan ook duur. Wat was ik mijn moeder dankbaar.

In die tijd was het heel gewoon dat er een venter langs de huizen kwam om zijn waar te verkopen in plaats van zelf boodschappen te gaan doen. ’s Ochtends vroeg hoorde je de stemmen van de verkopers met elkaar in competitie om de eerste te zijn. Je hoorde dan ‘Assarijinjimii …’ en vroeg je af wat dat was. Het was de stem van de koopman die was gekomen om Asari schelpen, Shijimi schelpen en Hamaguri schelpen te verkopen. Als je ‘Natto, nattoooo …’ hoorde, dan kwamen ze met natto, gefermenteerde bonen, aan de deur. Met een houten spateltje kreeg je er wat Japanse mosterd bij. Melk werd ook vroeg in de ochtend bezorgd. En dan had je ook nog de slijter.

Tegen het eind van de middag kwam er een oud mannetje, blazend op zijn trompet, op zijn fiets aanzetten om tofu te verkopen. In dezelfde tijd dat ik geboren werd, hadden wij thuis een hond gekregen. Het was een labrador bastaard die luisterde naar de naam ‘Pes’. Die hond begon altijd te blaffen op het geluid van de trompet van de tofuverkoper. Bij de achterdeur kreeg ik twee snoepjes van het tofumannetje en als ik dan vervolgens naar mijn moeder ging, gaf zij mij een pan om tofu en frituurolie bij hem te kopen.

Wanneer je ‘Bamboe, Bamboestokken’ hoorde dan kwam de verkoper langs met zijn kar met bamboestangen voor het drogen van was- en beddengoed. Vanaf de herfst, de winter door tot aan de lente, klonk het ‘Zoete aardappelen, zoete aardappelen … lekkerder dan ooit ‘. Dat was de aardappelverkoper die met zijn karretje langs de deur kwam. In de zomer had je de goudvisverkoper met ‘Goudvissen, goudvissen …’. En de ‘furinverkoper’ met zijn windharpen, die zijn kar voorttrok terwijl een fris kling-kling geluid weerklonk. In de buurt zat een handelaar in ijs die, niet alleen in de zomer, maar het hele jaar door zaken deed. Daar kwam ik wel eens om ijs te kopen.

Met een strooien touw werd het ijs met een gewicht van 1 kanme (3,75 kg) kruislings vastgemaakt en omgehangen. Het was wel zwaar maar ik droeg het mee naar huis. We hadden thuis toen een houten koelkast die met ijs gekoeld werd. Mijn moeder maakte in de zomer schaafijs voor ons. Dat was zo lekker. Die smaak is mij altijd bijgebleven.

Als het geluid van een ontploffing, 'boem boem', te horen was, dan was het ‘explosiemannetje’ er en ging ik met 1 rijst (1,804 liter) en 20 yen er naartoe en liet ik gepofte rijst (arare) maken. Het pijpesteelmannetje, dat met een piepend geluid als van een stoomfluit verscheen, was degene die zorgde voor het reinigen van pijpen of het verwisselen van de kiseru (Japanse tabakspijp), waarbij de steel van bamboe was gemaakt.

De schoorsteenveger kwam de schoorsteen vegen en de ketellapper lapte de versleten plekken van de pan op. Tot ongeveer 1958 trok men zo rond door het dorp, zo’n beetje tot de vijfde, zesde klas van de basisschool. Toen deed de televisie zijn intrede in de Japanse huiskamers. Er brak een tijd van gemak aan.

Rondom ons huis lagen er aan de oost- en zuidkant, groente- en gerstakkers. Aan de noordkant stond het huis van een speelkameraadje en aan de westkant liep de weg. Onze poort was er één als van een samoerai huis met dakpannen erop. Links stond een zwarte pijnboom die deels over de dakpannen hing. De ingang van ons huis lag op het westen en bestond uit een schuifdeur.

De vloer in de hal (genkan) was van beton met allemaal kleine steentjes erin en had een oppervlakte van twee tatami. Achterin de hal lag in het midden een vierkante stapsteen waar je je schoenen, geta slippers of zori sandalen uittrok. Vanaf daar ging je naar binnen, naar het hoger gelegen deel van het huis. Links stond er een kast voor schoenen. Ik hield erg van deze hal en maakte hem regelmatig schoon op zondag. Ik gooide er dan water overheen en schrobde de vloer met een schrobber. Dat vond ik helemaal niet vervelend maar deed het juist met veel plezier.

Wanneer je dan vanaf de genkan het hoger gelegen deel van het huis betrad, kwam je op een houten vloer met een grootte van ongeveer twee tatami. De centrale gang helemaal links kwam op de keuken uit. Oh, ik heb toch zo’n mooie herinnering aan deze hal dat ik net als een kikker mijn beide handen en voeten om de pilaar in de hal sloeg , en roekeloos naar het plafond klom.

Links van de genkan aan de noordkant hadden we een kamer van 4,5 tatami matten en een toilet (in die tijd een poepdoos), en rechts aan de zuidkant een kamer in Westerse stijl van 8 tatami matten.

Direct als je de centrale gang inkwam, had je aan je rechterhand (de zuidkant) een kamer van 8 matten met een alkoof en een kamer van 6 matten (de kamer waarin ik geboren ben) die waren van elkaar gescheiden met een fusuma, een papieren schuifdeur. Als je de schuifdeur opende had je dus een kamer van 14 matten. Aan de zuidkant van de kamers zat een shōji deur naar de veranda. Op de veranda stond een opstapje van natuursteen en er zaten luiken voor de ramen. Het behoorde tot mijn dagelijkse taak om deze ’s avonds naar beneden te trekken en ’s ochtend weer omhoog te doen.

Vanaf de veranda had je een panoramisch gezicht op de bloembedden in de tuin, die helemaal achterin aan de zuidkant lag en vol bomen en struiken stond. In de keuken aan de noordkant had je een gootsteen en de houten koelkast. Later kregen we een aanrecht en een elektrische koelkast. Het water uit de put werd met een motortje naar het aanrecht gepompt.

Onder de vloer onder de tafel zat er een ondergrondse schuilkelder met een oppervlakte van anderhalve tatami. Daar achter, aan de oostzijde, was een kamer van 6 matten met een kotatsu, een laag tafeltje met een verwarmingselement. In de kamer van oma stond een boeddhistisch altaar (butsudan) dat op het oosten was gericht.

Aan de oostzijde kon je via een glazen schuifdeur naar binnen en buiten. Daar stond een tuinbankje. In die tijd viel er ’s winters altijd wel zo’n 30 centimeter sneeuw. Ik bouwde dan met vriendjes een iglo van sneeuw. Ik was ook een stoute snotaap die vanaf het bankje een tekening in de sneeuw plaste.

Als ik thuiskwam uit school nestelde ik me rond de kotatsu. Het was zo fijn om even in slaap te doezelen dat ik me daar dan volledig aan overgaf. Samen met de kat…

Als je via de keukendeur aan de westzijde naar buiten ging, kwam je bij een badkamer, een washok en een waterput die met de hand bediend werd.

Onder de dakrand stond een fornuis dat op brandhout gestookt werd. Hierop kookten we rijst in een ketel. Ik herinner me dat ik vaak samen met mijn broertjes en zusjes de aangekoekte rijst uit de ketel heb weggehaald. Dan gilden we: ‘Yeh, Yeh'. Dat was het lekkerst wat er bestond.

Je kon rondom het huis lopen en kon lekker ravotten. We speelden verstoppertje, krijgertje of riddertje.

Rondom het huis stonden er allerlei bomen op de juiste plekken. Op het oosten een walnotenboom, een kakiboom op het zuiden, op het westen een granaatappelboom, op het zuidwesten een oleaster (wilde olijfboom), een vijgenboom op het noordoosten, voor de kamer van 6 tatami in het oosten een druivenrank en aan de westkant een granaatappelboom. We hadden allerlei fruit.

Er stonden ook Japanse kersenbomen (sakura), pruimenbomen (een witte en een roze pruim) en een olijfboom (osmanthus fragrans). Zo konden we het hele jaar door volop genieten van de natuur in onze tuin.

Mijn moeder was dol op het aanleggen van bloemperkjes. Ze zaaide dahlia’s, anjers, zonnebloemen, cosmea, rozen, celosia (pluimhanekam) en liet ze tot bloei komen. Ik herinner me dat ze ook van kleine, paarse viooltjes hield. De sakura bloeide elk jaar en we genoten van de prachtige bloemen. Wanneer de bomen nieuwe knoppen kregen, kreeg je ook rupsen en dan werden wij erop uitgestuurd om de rupsen te vangen. Dat was vreselijk. Maar ik herinner me dat we ze, met mij aan kop, altijd wel wisten uit te roeien.

Er waren in die tijd weinig huizen met twee verdiepingen waardoor je de stoomfluit van de eerste stoomtrein op het station van Nakano perfect kon horen, ook al was dat op een afstand van wel 3 kilometer.

Op een winterdag

Het geluid van de stoomfluit

Doet je ontwaken

Of je indertijd met de Chuo-lijn naar Kofu ging of met de Minobu-lijn naar het platteland, met de Tokaido-lijn naar Shizuoka of op een meerdaags zomerschoolkamp naar het platteland, meestal maakte je gebruik van de stoomlocomotief van het type C62. Ik weet nog dat ik altijd snel het raam dichtdeed als de trein een tunnel in reed om de rook te vermijden. De rook had de geur van steenkool en die staat, met enige nostalgie, nog altijd in mijn geheugen gegrift.

Ik ging naar de Momozo Daisan lagere school in het Nakano-district (De huidige Ouka lagere school samengevoegd met de Oka basisschool). De eerste jaren ging ik in mijn eentje met de bus naar school. Ik was zo blij met mijn busabonnement dat ik het keer op keer aan de conducteur liet zien. Die zei dan: ‘Zo is het wel goed hoor!’

Dat was iemand uit de buurt die ik van gezicht kende en was gaan groeten.

De bushalte was indertijd het Horinouchi busdepot van de Tomiya bus. Tot 1964, toen de Kanjōnanagōsen weg er kwam, waren het smalle straatjes waar bussen elkaar niet konden passeren. Deze weg is waarschijnlijk aangelegd met het oog op de Olympische Spelen.

Ik ga even terug naar waar ik gebleven was, mijn lagere school. Daar heb ik veel herinneringen aan. De hoofdingang van de school was aan de westkant van het centrale schoolplein en je ging dan aan de oostkant naar binnen. In het midden lag het pad naar de hoofdingang dat rechts en links naar beneden afliep. (Als je er vanaf opzij naar keek had het de vorm van een kamaboko vis cake). Wanneer je de poort doorging, stond er rechts aan de westkant een hele grote Zelkovaboom, waarvan ik niet weet hoe oud die is. Wel heb ik gehoord dat hij er nu (anno 2008) nog steeds staat. Aan de westkant links was er een zandbak en een klimstang van ijzer en ten noorden daarvan had je een groot zwembad van vijftien bij vijfentwintig meter. Er stond een L-vorming schoolgebouw dat midden over het schoolplein liep van de oostkant naar de westkant.

Aan de noordkant links van het oostelijk schoolgebouw was er een vijf meter brede trap met tien traptreden. Via deze trap ging je de school in. Als je op de bovenste tree stond en je je omdraaide, dan liet de schitterende berg Fuji zijn schoonheid zien.

Vooral als het mooi weer was, werd ik er altijd door ontroerd.

Op deze lagere school was mijn nicht, de dochter van mijn vaders broer die twintig jaar ouder was dan hem, lerares. Omdat het op een of andere manier heel dichtbij voelde, vond ik het leuk om naar school te gaan. In de winter verwarmden we onszelf in het klaslokaal aan een Daruma kachel (een traditionele Japanse houtkachel). Het aanmaken van de kachel geschiedde dagelijks op toerbeurt. Eén jongen en één meisje verwarmden dan met zijn tweeën het klaslokaal voordat alle overige klasgenoten binnenkwamen. Wanneer het mijn beurt was, ging ik vroeg van huis om mijn taak uit te voeren. Samen met het klasgenootje met wie ik de beurt had, haalde ik eerst uit het kolenhok, dat aan de noordkant stond, een volle ellipsvormige zwarte emmer terwijl we elkaar aanmoedigden met ´Kom op! Kom op!’

Dan kregen we van de conciërge lucifers, kranten en een plaatje waarmee we het vuur aanmaakten. Ik wil niet opscheppen maar doe dat misschien wel door te zeggen dat ik er erg goed in was.

Met Nieuwjaar werd er een vliegerwedstijd georganiseerd en dat vond ik geweldig. Wanneer het zomer werd, werd het zwembad in gebruik genomen en begonnen de langverwachte zwemlessen. Buiten de zwemlessen mochten we ook soms in het zwembad spelen. Dan speelden we meestal tikkertje. Ik was erg goed in duiken en of ik nu de tikker was of getikt moest worden, dit leek in mijn voordeel te werken op de andere kinderen. Ik vond dit erg leuk.

Naast het schoolzwembad had je in onze buurt het Yamate zwembad waar ik ook vaak heen ging. Misschien had het er mee te maken dat dit zwembad door het waterbedrijf gerund werd, maar de temperatuur van het zwemwater was laag en als ik naar huis ging, had ik het koud. Daarom stond er misschien juist bij de ingang van het zwembad een oden stalletje waar Japanse wintersoep (oden) werd verkocht. Daar kocht ik niets. De toegang tot het zwembad kostte toen 40 yen, oden was 5 yen.

We hadden ook vaak buiten school les. We liepen dan vanaf school naar het openbare theater in Nakano (de huidige Zero Hall) om naar een film, of een theaterstuk te kijken. Ik heb daar veel leuke en vreugdevolle herinneringen aan.

Wat je op de lagere school ook had, was de zomerschool naar het platteland of naar zee. Tijdens het zomerkamp aan zee gingen alle jongetjes de zee in met een rode lendendoek om. We schaamden ons wel een beetje maar dat was nu eenmaal zo.

Toen ik in de eerste en tweede klas zat, ging ik met de bus naar school, in het derde en vierde jaar ging ik bijna altijd te voet en in het vijfde en zesde jaar fietste ik naar school. In de periode dat ik met de bus reisde, ging ik na school meestal snel naar huis omdat ik baseball wilde spelen met vriendjes uit de buurt. Ik was toen fan van de G-Giants. Dat lag voor de hand omdat ze ook uit Tokio kwamen. Het was de tijd van coaches als Shigeru Mizuhara, Shigeo Nagashima en Sadaharu Oh.

Met speelkameraadjes uit de buurt vormden we een baseballteam en oefenden we zoveel mogelijk. Als je als team van de lagere school sterk was en alles won, dan mocht je in de Korakuen Hall spelen, de droom van elk kind. Evengoed leenden we op zondag het schoolveld van de middelbare school en trainden we of speelden we wedstrijden met andere teams. Om heel eerlijk te zijn klommen we eigenlijk gewoon over het hek en gebruikten we het veld. Dat kan ik nu wel zeggen want na al die jaren is het wel verjaard.

Ik was zielsgelukkig toen mijn moeder handschoenen, een hoofdband en een sportuniform voor me had kocht. Ik hield van de korte stop van Hirooka van de Giants en bleef op mijn positie. Mijn moeder deed bijbaantjes en werkte als mannequin in een warenhuis. Ze werkte hard en gaf ons een opvoeding waarbij het ons aan niets ontbrak.

Ik dacht daar toen niet over na, voor mij was dat allemaal heel vanzelfsprekend. Ik ben mijn moeder erg dankbaar voor haar liefde.

Ik was ook een groot fan van professioneel sumoworstelen. Bij ons in de buurt woonde een voormalig prof-sumoworstelaar (sekitori ) die ‘Shimadagawa’ heette. Elke zomer werd er een toernooi gehouden waarvoor sumoworstelaars uit de Takasago stal en de Hanakago stal werden uitgenodigd. In de beginjaren van mijn lagere schooltijd vond dit toernooi plaats op de open akkers bij ons in de buurt. Vanaf de derde klas werd het verplaatst naar het plein, waar voorheen gerstvelden en groente-akkers hadden gelegen. Er was ook altijd kindersumo.

In die tijd kwamen ook Wakanohana, vierde rang in sumo (komusubi) en later hoogste rang (yokozuna) van de Hanakago stal en Asashio , vierde rang en later ook eerste rang van de Takasago stal. Sumoworstelaars zijn grote eters en mijn moeder hielp dan ook mee bij het bereiden van het eenpansgerecht chankonabe en het koken van udon.

Natuurlijk deed ik ook elke zomer mee aan het kindersumo. Ik was klein van stuk en niet zo opschepperig maar toch best sterk en ik herinner me dat ik heel wat prijzen (sojasaus, misopasta of suiker) heb gewonnen omdat ik in de sannninnuki en de goninnuki wedstrijden, waarbij je respectievelijk 3 en 5 partijen achtereenvolgens moet winnen, mijn tegenstander versloeg.

Waar ik trouwens goed in was, was, naar wat ik zelf noem, ‘de opwaartse dubbele trap’.

Het plein waar het sumoworstelen plaatsvond, was de speelplaats waar de kinderen altijd baseball en zo speelden. Wanneer het te donker voor baseball werd, deden we spelletjes die we in de schemering nog wel konden doen. Zo zetten we een stok neer en gooiden we kiezelsteentjes parallel aan de stok, terwijl we ‘Oe …’ riepen.

Dan wierpen zich uit het niets zomaar zwarte schaduwen op. Dat was een leuk spelletje. Het leken wel de vleermuizen uit Batman’s 'Back to the Future'.

Een stukje westwaarts vanaf ons huis, lag er een lage heuvel met een bos met allerlei verschillende bomen. Die heuvel werd de ‘Saibi berg’ genoemd. Aan de andere kant van de heuvel stroomde een prachtig mooi riviertje waar in de zomer vuurvliegjes rondvlogen.

Daar ging ik samen met mijn zussen en moeder wel eens heen om te genieten van een koel avondbriesje.



Met moeder en zus

De koelte van de avond

vuurvliegjes vangen

Toen ik nog lopend naar school ging, verheugde ik me er ook op om op de terugweg langs het snoepwinkeltje (dagashiya) te gaan en de tien yen zakgeld dat ik dagelijks kreeg, te spenderen aan iets lekkers. Op andere dagen werden de kinderen met taiko geluiden opgetrommeld voor een kamishibai voorstelling.

Als ik snoep kocht, nam ik mizuame (transparant watersnoep dat je tussen twee wegwerp eetstokjes hard en wit maakt) of een rijstwafel met saus. Ik at dat dan, zittend met de andere kinderen op de grond, lekker op.

Als we dan zo zaten, hoorde je op het ritme van de taiko trommel ‘Het gaat beginnen, het gaat beginnen’ en dan werd er op een wel heel bijzondere toon een verhaal voorgelezen. Voor de kinderen die nog geen televisie hadden, was kamishibai het enige vermaak en het was dan ook heel wat om zo’n voorstelling te zien.

Ik ging toen nog lopend naar huis en het gebeurde vaak dat ik door een meisje, Mamechan bijvoorbeeld, meegevraagd werd om samen naar huis te lopen. Voordat ik het wist, was ik verliefd. Als ik haar meevroeg naar het kindersumo dan liet ik me van mijn beste kant zien om indruk op haar te maken. Dat zijn onvergetelijke herinneringen.

In het nabijgelegen Horinouchi had je veel tempels. De Myōhōji tempel, die in de volksmond ‘Osossama’ (de voorouder) werd genoemd naar de oprichter van de Nichiren-boeddhistische secte ter verbanning van het kwaad, had een geschiedenis van meer dan 700 jaar.

In deze tempel werd ook het klassieke Rakugo verhaal ‘Osossama’ opgevoerd.

Het verhaal gaat zo:



In een klein dorpje leefde een echtpaar gelukkig met elkaar maar als de man steeds vergeetachtiger wordt, gaat zijn vrouw, die daarover bezorgd is, praten met het wijze, oude familiehoofd. Deze zegt haar dat vergeetachtigheid het beste genezen kan worden door een bezoek aan ‘Osossama’ te brengen, waarop de man op reis gaat.

Al reizende raakt hij echter helemaal de kluts kwijt. Hij is vergeten waar hij naar op weg is en weet ook niet meer waarom hij is vertrokken.

Dit stuk werd erg komisch verteld.

Indertijd vond in de tempel ook twee keer, op de 13de en op de 23ste, het driedaags Sanyasama dorpsfeest plaats. Wanneer ik uit school kwam, ging ik daar beslist naar toe om me te vermaken. Nu heb je, sinds de Heisei periode, het Musenyama dorpsfestival dat ook drie dagen duurt.

Er was altijd van alles te beleven op een dorpsfestival.

Tegenwoordig moet je toestemming hebben om een voorstelling op straat te geven en liggen de plekken waar dat gebeurt vast. Het is jammer dat het grote bijeenkomsten zijn geworden met veel onderlinge rivaliteit en waar steeds minder te zien is.

Er was altijd wel iets te doen tijdens het ‘Osossama Dorpsfeest’. Heel populair was bijvoorbeeld ‘Olie van een pad’. (Gama no aburauri). Voor zover ik het nog weet, zal ik vertellen hoe het ging.

Het begon zo:

‘…… Als u even tijd heeft, komt dan tot zien! Het zwaard dat ik hier trek is een echt Masamune zwaard. Ik doe het heus met een echt zwaard. Ziet u maar eens! Dit zwaard snijdt perfect. Hier heb ik een velletje kaishi papier. Net als Noord-Korea komt dit velletje niet meer terug. Dacht u dat? Hahaha … Van één stukje papier maak ik er twee, twee maakt vier, vier maakt acht en acht wordt tien plus zes, van tien en zes maken we dertig met twee erbij, en dertig en twee wordt dan zestig met vier en zestig en vier maakt honderdtwintig plus acht. Mensen, hebben jullie allemaal gezien hoe dit zwaard snijdt?’

Terwijl hij zo doorging liet hij de klein gesneden papiersnippertjes met een waaier als sneeuwvlokjes naar beneden dwarrelen.

Hij zei dan: ‘Gelooft u me niet, dan zal ik dit Masamune zwaard eens op mijn arm uitproberen’, waarop hij het zwaard op zijn arm zette en er aan trok. Bloed sijpelde dan uit zijn arm waarmee hij het publiek deed verbleken.

Zoals u allen ziet is dit een zwaardwond maar geen zorgen hoor! Ik heb hier een zalfje. Hoeveel? Eentje maar?’ Hij smeerde de zalf op de wond waar bloed uitkwam en depte het met een stukje Japans kaishi papier. ‘Het geneest helemaal als je dit op de wond smeert.’

U vertrouwt het nog steeds niet? Zullen we dan eens het zalfje op het zwaard proberen te smeren?’ Hij smeerde het zwaard in met zalf. ‘Een zwaard met zalf, wat vindt u daarvan?’ Hij drukte het zwaard in zijn arm. Terwijl hij zei ‘je moet niet drukken maar trekken’, trok hij het zwaard erdoor heen. Het publiek schreeuwde dan van: ‘OOH …’. ‘Of het kan snijden of niet dat leert de grootsheid van dit zalfje ons. Nou wilt u weten wat dit zalfje dan moge zijn. Op Harukakita heb je de Tsukuba berg. Daar leeft een hele zeldzame kikkersoort die maar op één plek in Japan voorkomt en wel aan de voet van deze berg. Deze kikker wordt ook wel de Shiroku (vier-zes) pad genoemd. Kent u de Shiroku pad? U zult hem wel niet kennen. Ik denk niet dat u hem kent. Nou, mensen hij zit heel braaf in dit doosje.’ Hij wees op het doosje maar liet de inhoud ervan niet zien. ‘Weet u waarom ze hem de Shiroku pad hebben genoemd?



Een pad is zoiets als een kikker, maar mensen … een kikker is een kikker. U weet allemaal dat uit een eitje een kikkervisje komt en het kikkervisje dan een kikker wordt. Maar een pad komt niet voort uit een kikkervisje. Vanaf het begin zet hij alles op alles om de vorm van een kikker aan te nemen. Gelooft u dat niet? Sta ik hier soms Indianengrappen te maken? En omdat ze vier tenen voor en 6 tenen achter krijgen, wordt hij de Shiroku pad genoemd.

Zo’n Shiroku pad vinden en vangen is ook verschrikkelijk moeilijk en je moet dan ook wel dag en nacht op de uitkijk liggen, wat geen pretje is.

En wat moet je er dan mee aanvangen als je er eentje gevangen hebt?

Er zit er één in dit doosje. De binnenkant is bedekt met vijf glazen wandjes. Die Shiroku pad, die zit zich hierbinnen te verbazen over zijn eigen gestalte en denkt: “He? Dat klopt niet!” Bevend van angst breekt het koude zweet hem uit.

Dat koude zweet, dat vang je voorzichtig op in een aardenwerken pot, zonder ook maar één druppel te verspillen en laat je inkoken met treurwilgenblad op een laag vuurtje gedurende twintig plus vier dagen. Wat je dan hebt verkregen , dat is de olie van deze pad.

Zoals u hebt gezien, werkt het bij snijwonden maar ook bij schaafwonden, mondslijmvliesontsteking, huiduitslag, puistjes, liefdesverdriet en ga zo maar door. Het is te koop voor 300 mon. Nou vooruit, alleen nu bied ik het u hier voor 150 mon aan, de helft van de prijs’.

Dit was ongeveer wat je hoorde bij het straatoptreden van ‘gama no aburauri’.

Verder had je dan nog Nankin Tamasudare, slangenbezweerders, Banana no Tatakiuri, Amezaiku (suikertrekken), Chindon’ya, messenslijpers en ook kon je okomomiyaki, yakisoba, gebakken suiker ( bekkō-ame), suikerspinnen, hakka paipu (suikerpijpjes), kushi-dango (rijstballetjes aan een spiesje), gebrande karamel (karume yaki), rijstekoeken met saus (sōsu senbei), chocoladebanaantjes, gember rijstebollen (shōga mochi), getrokken suikerwaar, ramune en shichimi tōgarashi van het merk Hatagen (Kruidenaroma van sesamzaad, gedroogde sinaasappelschil, papaverzaad, koolzaad, hennepzaad en Sichuan peper) kopen. Bij de verkoop van Hatagen shichimi tōgarashi hoorde ook altijd een verhaal.

De echte yagenbori shichimi heeft een oorsprong en geschiedenis die wel heel ver terug gaat. Meer dan driehonderd jaar geleden, in het tijdperk van de helden van de derde shogungeneratie die bekend stonden als de Tokugawa’s , schonk men de shogunfamilie dit op het grote feest van de chrysanthemum in de negende maanmaand van het tweede jaar van de Kanei periode (1624-1643), uit dank, met het teken voor toku (deugd) van de naam Tokugawa en zo kreeg het een deugdelijk handelsmerk.’

Op het ritme van Ta Taa Tata Ta Taa werd er met een lepel op een ronde ton geslagen.

Als ik zeg wat er in Yagenbori shichimi zit … Ta Taa Tata Ta Taa. In de allereerste plaats is er aan toegevoegd … Ta Taa Tata Ta Taa … de beroemde zwarte peper van Bushō Kawagoe, en vervolgens schilpoeder van de beroemde producent … uit Kishuu en gebakken pepers uit Shinjuku … Ta Taa Tata Ta Taa … En als je dan de oostelijke zeeweg opgaat naar Shizuoka dan kom je bij de sansho pepers van Asakura, papaverzaad van Daiwa Ta Taa Tata Ta Taa … en hennepzaad van het bekende merk Nikko uit Yashū, Ta Ta Tata Ta Taa, 7 kleuren, 7 smaken, groot geluk, middelgroot geluk, klein geluk, geen geluk, laat ik het maar zeggen, het is Ta ta Tata Ta Taa, Yagenbori uit Edo, 7 kleuren, een origineel maaksel dat past bij de smaak van ieder mens. Van verre gekomen om het hier te verkopen.’

De verschillende stalletjes stonden dicht op elkaar gepakt naast elkaar. Zo had je een kraampje waar je goudvisjes kon scheppen (Kingyosukui), een stalletjes met yoyo’s , bonbons, ballonnen, bonsai boompjes, zelfportretten, potplanten, snijbloemen, tijdschriften, kussens, getaklompen.

Al die verschillende kraampjes en voorstellingen vond ik erg indrukwekkend en ik vermaakte me dan ook volop met de Ennichi dag tijdens het Sanyasama festival.

Er is nog veel meer te vertellen over Osossama en als ik dat nu zo doe, ben ik in gedachten dicht bij mijn moeder die ik per slot van rekening maar 27 jaar en 4 maanden heb gekend.

Ik ben namelijk op 7 mei 1947 geboren en mijn moeder is op 6 september 1974 gestorven. Wat voor vrouw zij was kan ik natuurlijk niet in één zin samenvatten, dus zal ik haar beschrijven hoe zij was vanaf mijn vroege kinderjaren en lagere schoolperiode.

Mijn moeder droeg altijd een kimono. Wat moet ze daarvan gehouden hebben.

Als ze aan het koken was, had ze een schortje voor waarbij de mouwen van de kimono omhoog werden getrokken (tasukigake) of droeg ze een schort met lange mouwen (kappōgi). Ze had ook wel eens een pofbroek aan. Dan was ze aan het schoonmaken, afstoffen of dweilen.

De futons werden opgeschud en buiten uitgehangen. Ik herinner me dat ik dan vaak hielp met het uit elkaar trekken van het opvulsel.

Tegen de tijd dat het Nieuwjaar werd, werden de fusuma deuren vervangen. De seizoensgerechten die met Nieuwjaar werden gegeten, maakte ze natuurlijk allemaal zelf. Ik heb veel van haar geleerd, het koken vooropgesteld. Ik heb mijn moeder heel sporadisch in westerse kleding gezien.

Ik herinner me nog heel vaag dat er tijdens het shichigosan festival een foto bij de ingang van ons huis werd gemaakt van mij met mijn zusje (die zeven werd) en mijn moeder. Mijn moeder was dol op foto’s en die zijn dan ook als documenten bewaard gebleven.

Rond die tijd brak, in juni 1950, de Koreaanse oorlog uit.

Ik veronderstel dat ze de foto’s van 61 jaar geleden (ik als baby direct na de geboorte) en ook die van 50 jaar geleden niet zelf heeft gemaakt maar dat ze deze door een fotograaf liet maken. Maar toch, het kostte geld en als ze daar geen belang aan had gehecht waren die foto’s er niet geweest. De foto’s van de kleuterschool, met mijn zus tijdens het Tanabata festival, een foto met mijn moeder tijdens de lunch op de sportdag, al die verschillende foto’s houden herinneringen levend. Mijn moeder was ook creatief en tekende.

Toen mijn moeder stierf, leek het alsof de hemel en aarde over elkaar heen waren gevallen. Wat had ik graag tekeningen van haar gehad die ze op hoge leeftijd had geschilderd, maar die zouden er helaas nooit komen.

Als het dan zomer werd, zei mijn moeder: ‘laten we barbecueën’. Ze rolde onigiri rijstballen en bereidde vlees, vis en groente (paprika, wortelen, uien, prei, kool, asperges, in aluminium gewikkelde voorgekookte aardappelen en zoete aardappelen).

De barbecue maakte ze van bakstenen die ze om en om op elkaar stapelde met openingen aan de voor- en achterkant voor de lucht. De barbecue was 80 centimeter hoog en breed en 50 centimeter lang. De onderkant hoopte ze op met grote stenen waarop ze brandhout legde. Bovenop legde ze dan een rek of ijzeren plaat en zo had ze dan een voortreffelijk fornuis gemaakt.

Met familie en vrienden van mijn broers en zussen zaten we er omheen en het was leuk om met zovelen luidruchtig te zijn. De volwassen zaten te praten en te lachen terwijl ze bier dronken.

Ik was de baas van het vuur en zoals de uitdrukking luidt: ‘You tend to be good at those things you like’, deed ik dat goed.

Mijn moeder kwam dan met een emmer water aan en zei: ‘Het vuur is mooi he! Maar kijk uit dat je je niet verbrandt.’ Dat was zo lief. Ik at ook van alles en dronk appelcider en als ik mijn buik rond had, liet ik heel voldaan een boer, waarvoor ik me dan in plat dialect verontschuldigde.

Hoe je het ook went of keert, ik ben gezegend opgegroeid met een geweldige moeder en een geweldige familie.

In die tijd was amidakuji, een soort loterij waarbij men geld inzet, een rage. Ik deed mee met de loterij maar dokte geen geld. Mijn taak was boodschappen doen.

Ik kocht dan vanille-ijs en snoepjes. In die tijd werd de gewichtseenheid monme vervangen door gram. Eén monme werd 3,75 gram. Je had vooral Karinto, gekonfijte rijstkoeken (senbei konpeitō) en Imagawayaki (kostte toentertijd 5 yen). Duizend monme werd trouwens 1 kanme. Ijs kom je per kanme (3,75 kg) kopen.

Toen ik in de vijfde klas van de lagere school zat, ging ik in de zomer met mijn moeder en mijn broer en zussen naar ‘Lake Ashii’ in Hakone om te kamperen. Je kampeerde toen niet met tenten maar je had een soort van bergblokhutten gemaakt van boomstammen. Met zijn alleen kookten we en hadden het erg fijn met elkaar. ‘s Avonds maakten we een gezellig kampvuur. We bleven er twee nachten.

Overdag trok ik er op uit om te gaan zwemmen en speelde ik met het zoontje van de bootverhuurwinkel , met wie ik vriendjes was geworden, in de boot. Om vanuit de boot in het water te komen lieten we ons zakken vanaf de onderkant maar je moest niet met je voeten of je lichaam ergens aan blijven hangen want dan kon je niet meer zwemmen. Je werd dan naar beneden getrokken en verdronk bijna. Als je dan zinkend met je voeten verstrikt in het zeewier de boot boven je hoofd zag wegdrijven, betekende het dat het afgelopen met je was. Het kwam er dan op aan om in alle kalmte het zeewier, waarin je verstrikt zat, weg te halen.

Toen ik in de zesde klas van de lagere school zat, werd de Marunouchi metrolijn onder de Ome Kaido straat in gebruik genomen waardoor de tram die hier overheen reed, verdween. Maar de komst van de metro en het wegvallen van de tram viel niet helemaal samen en ze hebben dan ook, al was het maar een hele korte tijd, tegelijkertijd gereden. Dat wilden wij, klasgenoothelden van de zesde klas, niet missen. We gingen dan heen naar Shinjuku met de tram en namen de metro terug. Een ontzettend leuke tijd en het voelde alsof we geschiedenis schreven.

Ook toen werd er op de lagere school gepest. Ze vonden mij er klein en slap uitzien wat wel de aanleiding zal zijn geweest om mij te pesten. Maar ik heb het gevoel dat het pesten van toen meer spelen was en niet zo geniepig als het pesten van nu waarbij leerkrachten uit angst hun mond houden. Ik liep er niet voor weg en loste het zelf op. Ik denk dat bij pesten uiteindelijk degene gepakt wordt waarvan wordt gedacht dat die wel bang gemaakt kan worden en te intimideren is. Ik liet het vaak geen onderwerp van gesprek worden en negeerde het gewoon. Het is belangrijk om assertief en flexibel er tegenin te gaan. Je moet het aan de leerkracht vertellen en zorgen dat die je begrijpt en er thuis natuurlijk met je ouders over praten.

Het is uiteindelijk het allerbeste dat je jezelf voor je eigen zwakte indekt. Mijn zesde klas leraar vond mij zwak en heeft mij waarschijnlijk sterker willen maken. Hij was zelf leider van een padvinderijgroep en spoorde mij aan om er ook bij te komen. Ik werd lid van groep 128 die bij mij in de buurt zat. De scouting heeft erg veel voor mij betekend. Twee keer ben ik op de Jamboree in Japan geweest. Men meende toen dat wie je bent, wat je doet, hoe je over dingen denkt of naar dingen kijkt, bepalend is voor je eigen persoonlijke ontwikkeling. De leraar zei altijd: 'onkruid vergaat niet', en ik nam dat gedwee aan alsof hij het tegen mij had.

Die woorden spelen nu nog altijd door mijn hoofd. Overdreven gezegd heb ik hieruit geleerd om mijn eigen pad en toekomstplannen uit te stippelen. Ik kende de lol maar ook het harde van het buitenleven en kamperen, het koken van de maaltijden met alles wat daar bij kwam, en natuurlijk de schoonheid van de bergen (ik hield ook van de zee).

Er werd opmerkelijk veel aandacht besteed aan het eten, aan voedzaamheid, dat het goed en volgens een vooropgezet plan bereid werd, de verhouding suiker, zout , vet enzovoorts.

Na de lagere school hadden we eens per jaar een klasse reünie waar de leraar ook bij aanwezig was en dat ging zo’n zeven jaar door tot aan mijn studententijd. Ik heb nog een reünie uitstapje van Aburatsubo naar Jōgashima georganiseerd maar daarna verwaterde het en nu is er helemaal geen contact meer.

Jaren later hoorde ik pas dat mijn leraar het thuis erg zwaar had omdat één van zijn kinderen vanwege een zware verwonding een been had moeten laten amputeren en ik veronderstel dat er daarom geen reünies meer kwamen. Vanaf de middelbare school begon ik in mijn eentje bergen te beklimmen en wat ik bij de padvinderij over het eten en het buitenleven geleerd had kwam mij toen erg goed van pas.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

  • Op een winterdag Het geluid van de stoomfluit Doet je ontwaken
  • Met moeder en zus De koelte van de avond vuurvliegjes vangen

  • Dovnload 0.53 Mb.