Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De ziel in de literatuur

Dovnload 5.98 Kb.

De ziel in de literatuur



Datum26.06.2017
Grootte5.98 Kb.

Dovnload 5.98 Kb.

De ziel in de literatuur

Smalbrugge wijst op de klassieke eenheid tussen de ziel als uitdrukking van het goddelijke in de mens en de ziel als zelfportret in de mens, diens kern. Lang was er samenhang tussen die twee maar die is geleidelijk verloren gegaan. Dat ze lang samengingen was niet zo gek in een tijd waarin iedereen religieus was. Atheïsme heeft niet altijd bestaan maar is iets vanaf de Renaissance. Daarvoor was de ziel normaal. Denk aan Plotinus die het heeft over een Wereldziel, een onlichamelijke maar wel denkbare eenheid die alles verbindt. Denk aan Marcus Aurelius die zei: ‘ de ziel kan zondigen tegen zichzelf maar dan heeft ze geen tijd zichzelf te leren kennen’. Plato en Cicero, beiden geloofden in de onsterfelijke ziel. Kortom, de ziel stond lang voor het innerlijk, het persoonlijke, de eigen identiteit maar was tegelijk verbonden met iets transcendents.

Iemand die veel bezig was met de ziel was Augustinus (4de eeuw). Hij ziet overal begeerten, in allerlei vormen. De wil heeft op die begeerten helemaal geen vat, de wil ziet begeerten als negatief, verwijderd van de ziel. Augustinus wilde weten wat hem bezielde: wie ben ik eigenlijk? Daarom gaat hij in zijn Confessiones op zoek naar de ziel. Hij doet dat al eerder in de Alleenspraken en stuit daarbij op het verschil tussen waarheid en onwaarheid en om de dubbelzinnigheid van die twee. ‘ Soms moet je onwaar zijn om waarheid op het spoort e komen. Bijvoorbeeld een toneelstuk (onwaarheid) neerzetten om iets te begrijpen (waarheid)’. In de Belijdenissen komt Augustinus een stap verder dan waar/onwaar en definieert hij zichzelf als een gespleten mens die zich afvraagt of de ziel wel ooit kenbaar was.

Augustinus stuit ook nu op onmogelijkheden: leven in onthouding en toch dromen van vrouwen: wat is het verschil tussen ik en mij zelf? Ze lijken niet tot elkaar te herleiden.

Voorbeeld: je kunt je herinneren dat je iets vergeten bent zonder je te herinneren wat je vergeten bent. Dat roept de vraag op: is er nog een ander in mij aanwezig? Ja, dat is volgens Augustinus de ziel. Wat mij in alle gespletenheid tot een eenheid maakt is de ziel en die komt van God, is Gods aanwezigheid in mij, is gestalte van God in het menselijk leven. De vragen van Augustinus zien we ook bij Paulus die zich de vraag stelt: waarom wil je iets wat je niet wilt?

Maar, zegt Smalbrugge, er is een addertje onder het gras: Augustinus schrijft de Confessiones als een gebed maar is zich al schrijvend heel goed bewust van het feit dat het niet alleen een gebed is maar ook een publicatie, een boek. Daar zit iets dubbels in.

En dan Petrarca en het bekende plaatje van de dichter op de top van de Mont Ventoux. Petrarca die naar buiten kijkt maar ook naar binnen en tot de conclusie komt: ‘ ik ben er nog niet’. Het diepst in mij is verdeeldheid: haat en liefde. Hij legt die verdeeldheid, die gespletenheid niet bij God en ook niet bij de ziel – hij blijft bij zichzelf (ook als hij dat doet in een bericht aan zijn biechtvader).

Pascal schrijft in zijn Pensees wel over de ziel als van God ontvangen en onsterfelijk. Maar los daarvan: in de literatuur wordt de ziel steeds meer ‘ zelfbeeld’ zonder enige goddelijke verwijzing. De ziel wordt een drijfveer, zoals bij François Larochfoucault bij wie onverschrokkenheid de grote kracht van de ziel is. De ziel als drijfveer is er wel maar je laat hem liever niet zien, je houdt hem verborgen want je ziel (als drijfveer) is in essentie nogal ontluisterend.



En ja, de ziel als zelfportret van de mens is heel duidelijk aanwezig in het werk van James Joyce (Portrait of the artist as a young man). Was het bij Augustinus de ziel die de mens tot eenheid maakt, bij Joyce zien we iets anders: hoe eerlijker het beeld van mezelf, hoe meer ziel, hoe minder God. Joyce heeft de ander (God) niet nodig om naar zichzelf te kijken zoals Augustinus dat wel heeft. Smalbrugge: ‘ in jezelf is de ander begrepen = je ziel = deel van de ander = God = dat deel dat het zelfportret heel kan maken’.

Ziel: het is geen los ding van jezelf maar kan wel groter of kleiner worden. Je kunt hem ook verliezen, bijvoorbeeld als je ontrouw bent aan jezelf. Terwijl de Geest meer gaat over het begripsvermogen van de mens die kan groeien, gaat de ziel meer over het zelf van de mens.


Dovnload 5.98 Kb.