Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina1/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   42


De Zoon

van

Beëri
Over het boek Hosea

H. Veldkamp
Inhoud

VERGETEN GROOTHEID 7

DE LIEFDE DIE KLAAGT 11

DE LIEFDE DIE TOORNT 15

1. Het eerste kind. 15

2. De beide andere kinderen. 18

DE LIEFDE DIE OVERWINT 23

HEILIGE OPSTANDIGHEID 27

DIE HET ZILVER RIJKELIJK SCHENKT 31

LOKKEN IN DE WOESTIJN 35

DE HARMONIE DER GEBEDEN 43

SIDDEREN VOOR GODS HEIL 47

PRIESTERCRITIEK EN ZELFCRITIEK 51

ZONDE ETEN 55

VROOMHEID MET 'N BIJSMAAK 59

VERDIENDE LOON 63

ADELDOM VERPLICHT 67

DE ALWETENDE EN DE GODGELEERDEN 71

HET STRUIKELBLOK 75

HET OVERTUIGEND BEWIJS 79

DE AANVAL IN DE RUG 83

DE RIJKE EN DE PATRIMONIUMMAN 87

GENERAAL OF MEDICUS? 91

DE VERLOREN ZOON 95

VAN ZONNESCHIJN EN REGEN 99

GODS VERLEGENHEID 104

WERELDGELIJKVORMIGHEID 108

DE SLAPENDE BAKKER 112

EENZIJDIGHEID 116

ONVERHOORDE GEBEDEN 120

VERSTANDIGE EZELS 123

ZAAIING EN OOGST 127

LOEREN OF LUISTEREN 131

EEN VERSCHRIKKELIJK GEBED 135

MONUMENTENZORG 139

PALSTAANDERS 142

GELIEFKOOSDE BEZIGHEDEN 147

EXODUS 150

DE ZONDE VAN ONOPLETTENDHEID 154

GELIJK EEN DUIF 158

DE VADEREN EN WIJ! 161

OPGEBORGEN ZONDE 165

LELIE EN LIBANON 169



DE ZOON VAN BEËRI


Het woord des Heren, dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël.

Hosea 1:1.


Het waren felbewogen dagen, waarin Hosea, de zoon van Beëri, zijn stem deed horen in het rijk der tien stammen.

Wel was het onder Jerobeam II — de koning die volgens het opschrift van Hosea's boek destijds op Samaria's troon zat — een gouden eeuw, en dus naar veler schatting een reuzen-tijd. Nooit had de scepter van Israëls koningen verder gereikt, en nimmer had men zich zó in weelde kunnen baden als toen. Als Hosea dan ook juist in deze tijd zijn stem opheft met macht, en van komende gerichten gaat spreken, dan heeft hij in elk geval de schijn tégen zich; is derhalve in de ogen zijner tijdgenoten een kwezel, die de werkelijkheid glad voorbijziet, op z'n minst een aartspessimist, zoals profeten nu eenmaal plegen te zijn.

Hosea heeft echter schoon gelijk gekregen.

Met eigen ogen heeft hij de vervulling van zijn sombere voorzeggingen aanschouwd.

Het is zeer waarschijnlijk, dat hij de dies ater van Israëls historie, de val van Samaria en de wegvoering der stammen naar Assyrië, heeft beleefd. Leedvermaak bestaat niet bij profeten. Maar indien dit het geval ware, dan had Hosea met zoiets als leedvermaak tegen z'n spottende hoorders van vroeger kunnen zeggen: daar hebt ge 't nu al!

Want volgens ditzelfde opschrift viel Hosea's werkzaamheid óók nog in de dagen van Hizkia, koning van Juda, en diens regering begon stellig niet eerder dan het jaar 727 vóór Christus, dat was dus slechts 5 jaar vóór het ongeluksjaar van Israëls totale ondergang.

Wat heeft deze profeet dus niet allemaal meegemaakt!

Hij heeft de buitenlandse vijand al dichter zien opschuiven naar z'n eigen land toe, totdat eindelijk de koningen van zijn volk vazallen werden van de Assyrische overheerser.

Hij heeft beleefd de grenzenloze verwarring in de binnenlandse politiek: een historie van bloed en tranen. Binnen een tijdvak van twintig jaren had niet minder dan zesmaal een troonswisseling plaats. En hoe? De ene "koning" vermoordde de ander, en die moordenaar werd dan maar weer koning. Zacharia, Sallum, Menahem, Pekahia, Pekah en Hosea zijn de usurpatoren, die elkaar beurtelings de troon betwisten; het is een hopeloze partijstrijd, waarbij de ene groep pro-Egypte en de andere pro-Assyrië, maar niemand pro Rege, voor de Here is, en in welke strijd de dolk het laatste woord spreekt en sluipmoorden aan de orde van de dag zijn. En terwijl zo Israël in eigen ingewand wroet, en het land door burgeroorlog wordt verteerd, breekt tot overmaat van ramp ook nog een broeder-krijg los tussen Israël en Juda: de beruchte Syro-Efraïmietische oorlog; het is waarlijk niet te verwonderen, dat door deze innerlijke verzwakking het volk Israël een gemakkelijke prooi wordt voor de wereldmonarch van Assur.

Deze chaos op staatkundig terrein wordt geëvenaard, zo niet overtroffen, door de verwildering op godsdienstig, sociaal en zedelijk gebied. We hebben Amos, de tijdgenoot van Hosea, daartegen reeds horen toornen1. En de zoon van Beëri laat geen ander geluid horen. Zij zingen hetzelfde lied, doch ieder op zijn wijs. Hetgeen vanzelf spreekt. Want een profeet is geen grammofoon, maar een mens van vlees en bloed. Gelijk elk vogeltje zingt, zoals het gebekt is, zo spreekt elke profeet naar z'n aard. Ziet Amos de zonde zijns volks als onrecht (vooral sociaal onrecht!), Hosea legt diezelfde zonde bloot als ontrouw. Zoals een overspelige vrouw ontrouw is aan haar man, zo is zijn volk ontrouw aan de Here, Die het Zich ondertrouwd heeft. De kalverendienst is een verlaten van de dienst des Heren; geestelijk overspel; ontrouw! Dat uitkijken, nu eens naar Assur, dan weer naar Egypte is ontrouw; de Here is schrikkelijk jaloers, dat ze niet bij Hèm om hulp komen vragen in de benauwdheid.

Maar of nu Amos zegt, dat ze onrecht plegen, of Hosea dat ze zich aan trouwbreuk schuldig maken, beide malen is het precies dezelfde zonde.

De boer uit Tekoa toornt omdat Gods recht wordt gekrenkt, maar de zoon van Beëri toornt eveneens, zo niet feller, omdat Gods liefde wordt gekrenkt en vertrapt.

Wanneer men dan ook Amos de profeet van Gods gerechtigheid en Hosea de profeet van Gods liefde noemen wil, dan is dat uitnemend, als men dit maar niet tot een tegenstelling gaat verwringen, want bij God strijden recht en liefde niet met elkaar, doch deze zijn in Hem één. Amos is dus niet de harde, stoere, onbuigzame boer, wiens woorden dreunen en hard zijn als metaal, en Hosea de lieflijke fluitspeler, die zachte tonen laat horen.

Dat niet!

Zeker, Amos is de profeet der goddelijke gerechtigheid, en Hosea is de profeet der goddelijke liefde.

Dat komt reeds in beider naam uit.

Amos betekent: drager van een last, en hij hééft een vreselijke last-brief te brengen aan zijn volk: Gods oordeel.

En Hosea betekent: drager van heil. Hosea is precies hetzelfde als Jezus. Jezus, in Wien Gods liefde een eindpunt bereikte. Verder kon die liefde niet gaan.

Ge zoekt dan ook bij Amos tevergeefs een zó ontroerende tekening van Gods liefde als bij Hosea: Israël, de bruid van God, die Hij lokken zal en leiden in de woestijn; tot haar hart zal Hij spreken, en haar tot bruid werven voor eeuwig (Hosea 2:13, 18).

Maar liefde is geen zoetsappigheid.

Liefde kan ook toornen.

De gekrenkte liefde wekt evenzeer Gods toorn op, als Zijn geschonden recht!

Amos moge zeggen, dat Israël onrecht doet, en Hosea klagen dat Israël ontrouw is, daarin is variatie, maar in het resultaat is géén variatie. De conclusie is bij beiden dezelfde: toorn, gericht, oordeel.

Bij de een toorn op grond van Gods recht!

Bij de ander toorn op grond van Gods liefde!

Feitelijk is de toorn waar Hosea van spreekt: de toorn van de jaloerse man, de toorn vanwege de vertrapte liefde, omdat men God op Zijn hart trapt, nog véél verschrikkelijker dan de toorn waar Amos van spreekt.

Is er iets ergers denkbaar dan verbrand te worden door de vlammen der liefde?

Is het niet vreselijker, dat uw lieve moeder u vloekt, dan dat een vreemde dat doet?

Is het niet hartverscheurend, te moeten horen, dat we op zo grote zalig­heid en liefde geen acht gegeven hebben?

Hosea moet het hete woord spreken, dat als de liefdevlam niet te koesteren vermag, ze dan moet verteren.

En hiermee is het dan ook in volkomen overeenstemming, dat ge, zeker, bij Amos niet die ontroerende klanken der klagende liefde hoort als Hosea's harp te ontlokken weet, maar dat ge ook bij Amos tevergeefs zoekt naar een zo felle uitbarsting van toorn als bij Beëri's zoon.

Hosea doet u huiveren!

Alleen wie verstaat hoe ontrouw grieven kan, en hoe gekrenkte liefde toornen kan, die kan begrijpen dat de profeet der goddelijke liefde zeggen kan: "Want Ik ben als een leeuw voor Efraïm, en als een jonge leeuw voor het huis van Juda. Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegnemen zonder dat iemand redden kan" (Hosea 5:14).

En zoals deze Hosea sprak, zó getuigde zijn naamgenoot Jezus, Wiens Geest trouwens in Hosea was, want door Hosea profeteerde Jezus Zelf. Het was deze mond der liefde, die gewaagde van een onuitblusselijk vuur!

Men moet dus niet wat bazelen over 'n tegenstelling tussen recht en liefde, en Jezus niet gaan verheffen boven Hosea of Amos, want dan toont men noch van Gods gerechtigheid noch van Gods liefde iets te hebben verstaan!

Van de man Hosea weten we zo goed als niets.

Wat we er van weten, is spoedig genoeg gezegd.

Dat zijn naam dezelfde klank heeft als Jezus, vernamen we reeds. Maar iets bijzonders was dat toch niet. Hosea, ook wel Jozua, of Josia, was om zo te zeggen een even alledaagse naam in Israël als Jan of Piet bij ons, en we kennen er genoeg van die naam. Voorts weten we eveneens dat hij geen Judeeër was zoals Amos, maar stamde uit Israël, zodat hij ook van de koning uit het tienstammenrijk als van onze koning spreekt (Hosea 7:5). En eindelijk wordt hij geïntroduceerd als de "zoon van Beëri", maar wie en wat die Beëri geweest is, is ons ook al weer volledig onbekend, zodat hij als een soort Melchizedek uit het duister der historie plotseling opduikt "zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening". De een meent dan wel dat onze profeet uit een priesterlijk geslacht stamde, en een tweede dat hij van boerenfamilie was, omdat hij in z'n beeldspraak zo goed op de hoogte blijkt te zijn met het landbouwersleven, maar dit zijn allemaal maar veronderstellingen, die niet bewezen kunnen worden.

Dus gaat zijn persoon volledig schuil achter z'n ambt.

Weliswaar wordt in het eerste hoofdstuk ons ook nog een en ander meegedeeld over Hosea's huwelijksleven. We vernemen daar namelijk dat Hosea (op Gods bevel) getrouwd was met een zekere Gomer, een dochter van Diblaïm — ook al weer onbekende figuren —; dat er uit dit huwelijk drie kinderen geboren werden, en dat dit huwelijk buitengewoon slecht was (hfdst. 1 en 3)2.

Maar ook dit huwelijksdrama wordt ons niet medegedeeld als een interessante onthulling over het intieme leven van Hosea zelf, doch integendeel moest dit huwelijk dienen om zijn woord, het Woord des Heren kracht bij te zetten. Hij moet trouwen op Gods bevel (zoals Jeremia niet mocht trouwen op Gods bevel en Ezechiël niet mocht treuren over de dood van zijn vrouw op Gods bevel)3. Hij moet in dat slechte, ongelukkige huwelijk aan Israël aanschouwelijk onderwijs geven over de slechte verhouding tussen God en Zijn volk. Hij moet in de ontrouw van zijn vrouw de smart doorvoelen in z'n eigen leven, de smart die God heeft over de ontrouw van Zijn volk. Hij moet prediken niet alleen met het woord, maar ook met de daad, met lichaam en ziel Gods slaaf zijn, en zeggen: zie, hier ben ik, o God!

En zo is ook alweer het huwelijksleven van Hosea ondergeschikt aan zijn ambt en zijn woord.

De persoon van Hosea valt weg.

Op zijn woord, op de prediking komt het aan!

Wij willen dus déze twee dingen terstond goed vasthouden aan het begin van dit boek.

Vooreerst, dat in een felbewogen tijd op staatkundig gebied, en een tijd van ontrouw van het volk des Heren valt het Woord des Heren. Al het persoonlijke valt wèg. De dingen zijn te ernstig en te geweldig voor 'n chronique scandaleuse van de een of andere nietige prediker. En wanneer wij ontdekken willen, dat onze tijd gelijke kenmerken vertoont, dan gaan we ons diep schamen over onze interesse voor personen, voor persoonlijke feiten en theologen- en niet-theologen-ruzies en andere prullaria. Dan vragen we ook niet meer: wie preekt er, en hoe preekt ie, maar luisteren we met heilig beven naar het Woord des Heren dat tot Hosea, de zoon van Beëri (kort en goed: de zoon van Beëri) kwam in de dagen van Eisenhower, Churchill en Malenkow.

Dàt wat ons horen betreft.

En wat de brengers van dat woord in de tweede plaats betreft, de profeten (en zijn we niet allen profeten), willen we goed bedenken, dat God vraagt het "payer de sa personne". De inzet van ons leven! De prediking door de daad!

Wanneer Gods kerk alleen bestaat uit mooie-woorden en mooi-weer-profeten, en wij ook niet in ons huis en huwelijk, en overal, het Woord Gods met ons leven bezegelen, dan zal het zijn dat noch de kerk noch de wereld dageraad zullen hebben.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.