Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina10/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   42

DE HARMONIE DER GEBEDEN





Het zal te dien dage geschieden, dat Ik ver­horen zal, luidt het woord des Heren: Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde ver­horen, en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen Jizreël ver­horen.

Hosea 2:20, 21.


Het slot van het tweede hoofdstuk van Hosea is vol van geruchten van toekomstige heerlijkheid. De profeet tekent die heilstijd in de schoonste kleuren, en deze zijn zó gekozen, dat een volledige vervulling in deze be­deling nooit gekomen is, en nooit komen zal. In hoge profetische vlucht ziet hier de zoon van Beëri de nieuwe aarde, waarboven een nieuwe hemel zich welven zal.

Het zijn allereerst uitwendige zegeningen, die opgesomd worden. De Here zal, zo heet het in vs 17, ten behoeve van Zijn volk een verbond ma­ken met het wild gedierte des velds. Dit verbond wil zeggen, dat de Here dat wild gedierte bindt, en onder de verplichting legt, dat het geen leed of schade meer kan doen. Tot dat wild gedierte behoren niet alleen de leeuw die verscheurt, en de venijnige slang, maar ook de worm die aan de wortels knaagt, en de sprinkhaan die de oogst vernielt. Op de nieuwe aarde komt geen misoogst meer voor. Geen wanklank stoort het lied der natuur. Nie­mand of niets zal meer leed doen of verderven. De dieren niet, maar ook de mensen niet! De mens, die in zijn vernielzucht nog veel geraffineerder was dan het wilde dier, omdat hij kon wat het dier niet kon, namelijk: haten, zal de nieuwe aardbodem niet meer dragen: "Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen" (vs 17b).

Vrede op aarde!

Van hoger waarde dan dat Gods volk veilig zal zijn, is evenwel de voor­zegging, dat de bewoners der nieuwe aarde heilig zullen zijn!

Immers: "Ik zal u Mij tot bruid werven", belooft de Here!

En wat ligt er in deze belofte van "tot bruid werven" anders opgesloten dan reinheid? Als een heilige, als een onbevlekte bruid, zonder vlek of rimpel, zal zij in statie in Gods woning geleid worden. De zonde van Israëls overspel zal behoren tot een vergeten verleden.

Deze huwelijksverhouding is het, die de hemel tot hemel maakt. De pas genoemde voorspoed en vrede maken de heerlijkheid van de hemel niet uit. De paarlen poorten doen het niet, en evenmin de gouden straten. Maar de band aan de Here. De gemeenschap met Hèm. Wat geeft de vrouw, die haar man liefheeft, om het goud en het zilver van haar man, als ze hem zelf niet heeft? Wie door het Paulinisch ideaal: "en alsdan zullen wij altijd met de Here wezen", niet gegrepen is, kan in het klimaat van de hemel niet verkeren.

Het schoonste is, zegt Hosea, dat aan dit innig verkeer nooit meer een einde komt, en dit huwelijk niet weer verbroken wordt: "Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig" (vs 18a).

Hij voegt er aan toe: "Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw" (vs 18b, 19a).

Dat zijn dus de eigenschappen Gods, waaraan het volk zijn toekomstige heerlijkheid te danken heeft.

Allereerst de gerechtigheid, want krachtens het genadeverbond heeft de Here en niet Satan recht op Zijn volk, en dat volk recht op Hem! — een gerechtigheid, die door Jezus Christus is geopenbaard; Sion zal door recht verlost worden. En daarmee gaat dan vanzelfsprekend het gericht over Gods vijanden gepaard: het is wat de Catechismus belijdt: dat Hij al Zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen in de eeuwige blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

De tweede oorzaak van ons heil is: Gods goedertierenheid en ontfer­ming.

Dat komt hier wel heerlijk uit!

Want zij, van wie al deze heerlijke dingen gezegd worden, was die over­spelige vrouw, we herinneren ons dat nog wel.

Volgens de wet moest zo'n overspelige vrouw gestenigd worden.

Het enige rationele "Ik zal... ." had dan ook moeten luiden: Ik zal u doden!

Maar het wonder gebeurt! Het geheel onverwachte "Ik zal" klinkt pre­cies omgekeerd: Ik zal met u trouwen!

Niet: laten we met elkander trouwen! Maar: Ik zal u Mij tot bruid werven! Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Alle roem is uitgesloten, onverdiende zaligheên heb ik van mijn God genoten, 'k roem in vrije gunst alleen!

"Niet als hoer gaat ze verloren, maar als bruid wordt ze verkoren." 14

De derde deugd Gods, waarop de zaligheid van Zijn volk gefundeerd is, heet: Gods trouw. "Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof", zegt de Staten­vertaling, wat hetzelfde is als "trouw". We kennen die uitdrukking ook uit het "trouw en geloof houden" uit ons huwelijksformulier.

En het is aan deze trouw des Heren te danken, dat deze zaligheid eeuwig zal duren. Nooit zal één inwoner van het nieuwe paradijs meer behoeven te vrezen, dat het zwaard der cherubijnen hem wegdrijven zal van de boom des levens. Dit is Zijn trouw, aan Isrel nooit gekrenkt.

En het is nu in dit kader van de schildering der toekomstige heilstaat, dat de profeet ook dit wondere woord invlecht van de harmonie der ge­beden: "Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren; en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen Jizreël verhoren".

"Ik zal verhoren", zegt God, en die verhoring onderstelt de aanwezig­heid van gebeden.

De voorstelling, die de profeet van die gebeden geeft, is dichterlijk, maar eenvoudig.

Hij ziet de gebeden als een keten met vele schakels.

Jizreël — of Israël — begeert koren, most en olie — dat is het eerste gebed.

Het koren moet het op zijn beurt weer van de aarde hebben — dat is het tweede gebed; maar de aarde kan weer niets voortbrengen zonder de regens van de hemel, en zo strekt de aarde zich verlangend onder de hemel uit — het derde gebed. De hemel kan weer geen regen uitgieten, als God er de sluizen niet van opent, en zo roept de hemel tot de God des hemels — het vierde gebed. En al deze gebeden worden verhoord! God verhoort de hemel; deze verhoort de aarde; de aarde verhoort het koren, en het koren verhoort Jizreël.

Van die keten is dan God de opperste schakel en Jizreël de laatste. Daar is het tenslotte om te doen, dat de Here Zijn volk voorziet van alle over­vloed.

De profeet had dat natuurlijk ook zó kunnen zeggen, dat God Zijn volk steeds verhoren zou. Dat was wat gewoner, wat prozaïscher geweest.

Waartoe nu deze dichterlijke fantasie, waarin koren, aarde, en hemel als evenzoveel bidders worden voorgesteld? Natuurlijk niet om de ver­beelding de vrije teugel te laten. Evenmin om het wat poëtisch te zeggen. Maar wat de dichter-profeet ons op 't hoogst betuigen wil is dit, dat in de nieuwe wereld, die wij met opgestoken hoofde verwachten, heel de schepping een biddende schepping zal zijn. Alles zal daar, waar de vloek voor altijd is weggenomen, bidden. En aanbidden! De hemel bidt, en de aarde bidt. Het koren bidt, en de most en olie bidden. Meer nog: die nieuwe schepping is één groot gebed. Niets vloekt, niemand zucht, in diepe aanbidding ligt alles neergebogen voor de grote Schepper aller dingen.

In deze gebeden zal een wonderschone harmonie zijn.

De gebeden aller schepselen rijen zich aaneen en schakelen zich ineen, en het stemt alles samen in één machtig accoord, van koren tot aarde, van aarde tot hemel.

Men kan niet zeggen, dat het gebed er thans niet is, in de schepping.

Er is integendeel één langgerekt en sprakeloos gebed in de onbezielde schepselen. Dit bidden is vooralsnog echter een zuchten. De Schrift leert ons, dat het ganse schepsel tezamen zucht, en reikhalzend uitziet naar de dag der verlossing van de kinderen Gods. Gij hoort het zuchten in de zon-doorschroeide akkers, in het klagen van het stomme vee, in het huilen van de wind, in het kreunen der wouden. Dit is het Adventsgebed der natuur en... . in dat Adventsverlangen gaat de schepping zelfs de kinderen der herschepping voor, daar in hun mond het "Maranatha" menigmaal is verstomd.

En behalve de schepselen bidden ook de mensen voorzover ze niet vloe­ken, maar wat in al deze gebeden ontbreekt is: de harmonie.

De gebeden botsen tegen elkander in.

De een bidt om regen, en de ander tegelijkertijd om droogte. Twee mensen solliciteren naar dezelfde betrekking en ze zijn daarin ook "bid­dend werkzaam". Maar de "verhoring" van het gebed van de een moet de teleurstelling van de ander betekenen. In onze heiligste verrichting, het gebed, dringen we nog en duwen we elkaar weg van Gods troon. Als er een oorlog is ontbrand, wordt wederzijds de zegen voor eigen wapenen van de Allerhoogste afgesmeekt.

Het raast alles door elkaar heen.

De harmonie is zoek.

En waar er geen samenstemming in de gebeden is, kan de ene verhoring ook niet op de andere volgen. Wie om koren smeekt, krijgt brandnetels, en wie om olie en most bidt, ontvangt armoede. De aarde smeekt de hemel om regen, en cyclonen en hagelstenen zijn soms het antwoord. De hemel verhoort de aarde niet, en de aarde verhoort het koren niet, en het koren verhoort Jizreël niet. En de mens raakt in verwarring en tobt over het zwaar probleem der "onverhoorde gebeden", laat tenslotte het gebed schieten, omdat het "toch niets geeft", en eindigt in een sprakeloos zuchten mèt gans het schepsel!

En het schoon vooruitzicht dat mij streelt, is dan nu: dat het raadsel der tegenstrijdige en der onverhoorde gebeden mij niet meer treiteren zal. Straks zullen alle gebeden schakels zijn, die elkaar grijpen en in elkander passen. Mijn zegen zal niet meer de vloek van de ander betekenen. De ge­beden in de nieuwe wereld zullen samensmelten tot één melodieus geheel en samen zingen één machtige harmonie, en zij zullen gevolgd worden door één onafzienbare reeks van verhoringen.

En nademaal ik nu reeds het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel; dat is: aangezien de hemelse vreugde geen totaal nieuw element is, maar in beginsel reeds door mij gekend en voorgeleefd wordt, zal ik nu reeds beginnen mijn gebeden te controleren. Bid ik ook zelfzuchtig? Ben ik bereid van de verhoring van mijn gebed af te zien, als ik weet, dat een ander veel beter gebruiken kan, wat ik voor mij begeerde. Ben ik be­reid ook voor mijn vijanden te bidden?

Door deze noodzakelijke zelfcontrole wordt het probleem der "onver­hoorde gebeden" aanmerkelijk lichter.

Het ideaal van de harmonie der gebeden komt dichterbij.

De hemel reikt de aarde de hand.

Als wij hebben leren inzien, hoeveel wanklanken we zelfs in onze gebe­den uitgestoten hebben, zullen we bereid zijn de bede: vergeef ons onze schulden, aldus te wijzigen: vergeef ons onze gebeden.

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.