Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina12/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   42

PRIESTERCRITIEK EN ZELFCRITIEK





Laat maar niemand een aanklacht inbrengen en laat maar niemand een terechtwijzing uiten, aangezien mijn aanklacht u geldt, o priester!

Hosea 4:4.


Critiek op de "voorgangers des volks" is 'n zeer oud verschijnsel.

Reeds Hosea verwijt hier de Israëlieten, dat ze aanklachten indienen en terechtwijzingen uiten.

Nu is het merkwaardige van 't geval, dat Hosea, die het volk priester-critiek verwijt, zelf even hard meedoet.

Men moet het vervolg maar eens lezen (vs 6-10), om zich daarvan te overtuigen. Daar doet de profeet een boekje over hen open. Zijn beschul­digingen zijn zo fel mogelijk: "Van de zonde van Mijn volk eten zij, en op zijn ongerechtigheid zetten zij hun zinnen" (vs 8). Zijn requisitoir is vernietigend: "omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn" (vs 6m).

Wat wil Hosea dan toch?

Er was toch heel wat op die voorgangers aan te merken! Waarom mag het volk z'n critiek dan niet doen horen? Hij doet het toch zelf ook, en is in zijn oordeel stellig niet mals!

Jawel, maar wat Hosea doet, is héél wat anders.



Hij geselt de zonde, en of de bedrijvers van die zonden nu voorgangers of volgelingen zijn, is hem om 't even. Hij spaart niemand, zelfs de priesters niet, die zich in leer en leven ernstig misgaan.

Was nu het volk hem in die niets-sparende critiek bijgevallen, dan had Hosea het deswege niet vermaand, maar geprezen. Want als ambtsdragers feil gaan, behoeft het volk niet te zwijgen. Mag het zelfs niet zwijgen. Krachtens het ambt der gelovigen niet. Dan moet geprotesteerd worden met het woord, en desnoods met de daad.

Maar zó was het in Israël niet.

Op de levenswandel der priesters had men in het minst geen aanmer­king. Dat ze meededen met de kalverendienst van Dan en Bethel ont­moette bij het volk geen enkel bezwaar. Daarover werd volledig gezwegen. Dat vond iedereen best. Het was immers een prachtige verontschuldiging voor eigen zonde! Hoe kan men nu beter zichzelf schoonwassen, dan door te verklaren: de voorgangers doen het immers ook!

Neen, de critiek van het volk ging een heel andere kant op.

Volgens de wet waren de priesters tevens rechters.

Niemand mocht z'n eigen rechter wezen, maar als de een met de ander een twistzaak had, dan gold als inzetting in Israël: "Gij zult gaan tot de Levietische priesters en tot de rechter, die er dan wezen zal, en hen raad­plegen; zij zullen u hun rechterlijke uitspraak aanzeggen" (Deut. 17:9).

Hoger beroep was niet mogelijk.

Verzet daartegen was op straffe des doods verboden.

"De man, die in overmoed handelt door niet te luisteren naar de priester, die daar in dienst staat van de Here, uw God, of naar de rechter, die man zal sterven; zo zult gij het kwaad uit Israël wegdoen" (Deut. 17:12).

Maar daar stoorde men zich nu niet meer aan.

Tegen de bindende uitspraken der priesters werd slag op slag verzet aangetekend. Men legde er zich niet bij neer. Het gezag van deze overheid werd eenvoudig opzij gezet. Naar de in Gods naam gedane uitspraken werd niet geluisterd....

Intussen konden zij, die vol critiek zaten op de beslissingen van de priesters, geen enkele critiek op zichzelf velen.

Vanzelfsprekend deden ze niet aan zelfcritiek, maar zelfs dat anderen hèn becritiseerden konden ze niet hebben. Dat bedoelt Hosea met de woor­den:"Laat maar niemand een aanklacht inbrengen". Niemand moest het wagen als zij 'n misdrijf begaan hadden, hen voor de rechter te dagen, ja, zelfs niemand moest het wagen een terechtwijzing te uiten, d.i. voorzichtig op hun zonde te wijzen. Wie dat dorst bestaan, zou het wel spoedig op minder-aangename manier gewaar worden.

Toch was er genoeg te critiseren.

Het is een in-droevig beeld, dat Hosea van het "bondsvolk" in zijn dagen te zien geeft: het is "vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken; men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad" (vs 2). Het is gewoonweg on­gelooflijk: moord, diefstal, echtbreuk en inbraak zijn aan de orde van de dag. En wee degene, die er maar 'n kik over geeft. En als 'n rechter eens zo'n rover of moordenaar durft te veroordelen, schreeuwt heel de bende moord en brand, en roepen ze schande over zo'n vonnis!

Iemand zou kunnen menen, dat deze schrikkelijke toestanden te wijten waren aan het feit, dat na Jerobeam II de ene revolutie volgde op de andere. Maar Hosea zegt kort en goed, dat de oorzaak elders lag: "er is geen kennis Gods in het land" (vs 1). Dies wankelden de beide funda­menten der samenleving: trouw en liefde. De kennis van God en de levens­wandel, leer en leven hangen dus nauwer met elkander samen dan som­migen geneigd zijn te geloven. Het is echter de oude geschiedenis: waar God niet gevreesd wordt, wordt geen mens ontzien.

En al duldt dan ook niemand dat een ander ook maar met 'n vinger naar hem wijst, God zal Zijn critiek uitspreken. Een critiek in feiten: "Daarom treurt het land, en al wat er in woont verkwijnt, zowel het ge­dierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om" (vs 3). En zo is de Here dan nu zonder enige beeldspraak — als in de vorige hoofdstukken van de ontrouwe vrouw •— onomwonden als Aanklager tegen Zijn volk opgetreden18, en heeft Hij ondubbelzinnig het oordeel aangekondigd. De woorden, waarin dit vonnis wordt gekleed, wijzen op het eindoordeel. Tegen deze uitspraak van de hoogste Rechter zal niemand in verzet durven komen. Ieder zal verstommen. Op duizend vragen zal er niet één antwoord te geven zijn.

Dat is de felle critiek Gods op de priestercritici, die alle critiek afwezen.

Is het tegenwoordig wel veel beter?

Legt dit woord van Hosea niet onbarmhartig de zere plek van ons huidig kerkelijk leven bloot?

We zitten, om te beginnen, boordevol "priestercritiek".

We zullen nu niet spreken over de critiek op het doen en laten der "ambtsdragers". Het is wel zo, dat als ze zich afsloven bij dag en bij nacht, en hun beste krachten geven en verteren in de dienst der kerk, iedereen in alle talen zwijgt, terwijl luid aan de alarmklok wordt getrok­ken, als er naar hun mening iets misloopt. Maar daarover zouden we 't nu niet hebben. Daarover ging de critiek van Israël ook niet. Er zal boven­dien genoeg aan te merken zijn, en de trouwste ambtsdrager zal wel den­ken: zwijg gij stil, ik weet het ook wel.

Evenmin zullen we nu maar spreken over de preekcritiek: dat het hier te lang is en daar te kort, nu eens te droog en dan weer te sappig; heden te dogmatisch en straks te ethisch. Daar zal ook wel genoeg op aan te merken zijn, op die preken. Ofschoon — hier komt de aap uit de mouw. Te zeggen, dat de preek niet deugde, is immers de beste en meest afdoende manier om oor en hart voor Gods Woord te sluiten?

Dat is de ergste en ergerlijkste critiek, die denkbaar is!

Achter de "priestercritiek" verschuilt zich de Schriftcritiek!

Schriftcritiek.... wat een vreselijk woord is dat voor gereformeerde oren! En nee, in de gewone zin van het woord maken wij ons daar niet aan schuldig. Wie zou het wagen ook maar één bladzijde uit de Bijbel weg te scheuren, of ook maar één letter te schrappen?

En toch kan de gereformeerde mens de grofste Schriftcriticus zijn!

Door namelijk hele stukken van de Bijbel rustig naast zich neer te leg­gen. En voor kennisgeving aan te nemen.

Bij de beslissingen van Gods Woord over ons leven wensen wij ons evenmin neer te leggen, als de Israëlieten zich wensten neer te leggen bij de rechterlijke uitspraken van de priester.

We weigeren ons er aan te onderwerpen.

We willen er niet voor buigen.

Natuurlijk buigen we wel diep het hoofd als in de kerk zo in bekende klanken en welvertrouwde termen het vonnis der Schrift over ons heen-rolt, dat we diepbedorven zondaren zijn. Dat vinden we best. We zijn er veel te goed-gereformeerd voor, om tegen dat vonnis appèl aan te tekenen.

Maar laat dat woord nu eens heel concreet en persoonlijk op ü toe­gepast worden! Dat ge met die en die bepaalde zonde moet breken. En laat op huisbezoek door de dominee of de ouderling eens de beslissing van de hoogste Rechter voorgehouden worden, dat ge u voor die broeder of die zuster moet buigen, en dat ge de minste moet zijn.

Dan vlamt het protest op.

Dan willen we die beslissing gewijzigd zien.

Dan wordt ons onrecht aangedaan.

Dan begrijpen we niet, waarom wij nu juist altijd de minste moeten zijn.

Zulke "priestertwisters" zijn we nu eenmaal. Dat zit ons zo in 't bloed. En met de betuiging, dat de mens maar op 't diepst vernederd moet wor­den, zit het niet zo glad als we dachten. Of we bedoelen met die "mens" die vernederd moet worden, die ander, niet onszelf.

Met deze priestercritiek gaat dus hand aan hand de weigering van elke critiek over eigen leven.

Niemand bestraffe mij.

Ook ik zelf bestraffe mijzelf niet!

Aan zelfcritiek is onze tijd doodarm! Derhalve wandelen de rijke jon­gelingen vrolijk en vrij door de straten van het gereformeerd Jeruzalem! En als eens in de straten van Rome de vogelwichelaars, kunnen ze elkaar niet tegen komen zonder te lachen. Want dat ze niet stelen, moorden, echtbreken of inbreken — zoals déze joden van Hoséa — weten ze uit­nemend wel, maar dat ze aan de liefde, die de vervulling der wet is, ook met de vinger niet raken, weten ze eveneens goed, sinds die eerste aller rijke jongelingen ontmaskerd is. Maar ze doen net of ze 't niet weten. Daarom kunnen ze hun lachen niet houden, als ze elkaar tegen komen.

Intussen zal de critiek des Heren over deze critiekloze priestercritici geweldig zijn.



Zij zullen tot de Here zeggen: wij kennen U wel; wij kennen U wel; wij kennen U zelfs heel goed; we hebben veel van U gehoord, want Gij hebt in onze straten geleerd.

Dan zal de Here zeggen: Ik ken u niet!


1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.