Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina14/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   42

VROOMHEID MET 'N BIJSMAAK





Op de toppen der bergen slachten zij offers en op de heuvelen ontsteken zij die, onder eik, populier en terebint, omdat de schaduw er van aangenaam is.

Hosea 4:13 a.


De mensen waren toch wel zéér godsdienstig in Hosea's dagen!

Men kon nu letterlijk geen heuvel voorbij komen, of er stond een altaar te roken, en er was schier geen bosje van eiken, populieren of terebinten, of men had kans gezien, het tot een heilige plaats te wijden, waar niet maar eens per week, maar dagelijks het bloed der offerdieren stroomde, en plechtig offergezang ten gehore werd gebracht. Friesland, dat beroemd is om z'n vele kerktorens — geen gehuchtje haast, waar men er geen vindt — zou het in dit opzicht stellig moeten afleggen tegen Palestina! Dit doet toch zeer weldadig aan, zou ik denken. Een volk, dat z'n altaren afbreekt, z'n kerken sloopt of ombouwt tot bankgebouwen of bioscopen, en steden zonder tempels doet verrijzen, is in de diepste zin a-religieus. Verzakelijkt. Maar zo was Israël niet. Het aantal offerplaatsen en kerkdiensten groeide bij de dag. Men róók er de godsdienst en snoof de wierookgeur alom waar men z'n treden zette. Het waren toch werkelijk wel goede en wakkere zonen van Abraham, deze kinderen Israëls. De levensweg van Abraham was getekend door altaren. Men kon later precies nagaan, waar hij geweest was, want overal richtte hij een altaar op. Dat was Abrahams vroomheid: zijn leven was een altaarleven. Deze "issus" van Abraham doen desgelijks: "op de toppen der bergen slachten zij offers en op de heuvelen ontsteken zij die, onder eik, populier en terebint".... nu, Hosea, man Gods, wat hebt ge daar op tegen? Zult ge dat niet prijzen? Blijven deze zonen der patri­archen niet goed in de lijn, als ze metterdaad herhalen, wat hun vaderen eens zeiden tot Jozef: Wij zijn vroom?

En toch heeft deze vroomheid een bijsmaak!

Zelfs zó, dat een profeet, die niets liever dan altaren ziet, nu het hoofd schudt, en over déze altaarbouw niet applaudiseert, maar klaagt.

Neen, nu mag men tot deze Israëlieten geen onbillijke verwijten richten. Niemand mag insinueren, dat het afgodsaltaren waren, die daar rookten. Dat de heilige plaatsen aan Baal waren gewijd, zegt Hosea met geen woord. De geest van deze Godsman werd dan ook niet ontstoken, omdat het land zozeer afgodisch was, en op geen enkel altaar stond het opschrift te lezen: "Aan een onbekende God". Integendeel werd bij deze diensten de naam van Jahvè, de bekende God van Israël, veelvuldig genoemd, en Zijn lof was op de lippen van de "dienaren des Allerhoogsten Gods". Daar dus niet van. Elke priester en elke bidder daar onder die heilige eiken zou zeer verontwaardigd gedaan hebben, indien hun afgodendienst ver­weten werd. Wij zijn vroom!

De "bijsmaak", waarvan dit opschrift gewag maakt, moet óók niet ge­zocht worden in de onwettigheid dezer godsdienstoefeningen op elke heu­vel en onder elke groene boom. Inderdaad, ze waren onwettig, dat is buiten kijf! Deze openluchtdiensten waren buiten de orde, sinds de Here Jeruzalem had aangewezen als centraal-heiligdom, waar Hij Zijn volk wil­de ontmoeten. Wat voordien Abraham had gedaan, en ook Jozua, toen hij onder een eik een altaar oprichtte (Jozua 24:26), kon dus geen genoeg­zame motivering zijn voor deze eigenwillige godsdienst. Maar sedert Jeru­zalem min of meer geïsoleerd was komen te liggen vanwege de scheuring van het rijk, kon déze factor enigermate als een — zij het niet afdoende — verontschuldiging dienen voor het "roken op de hoogten". Elia had ook een altaar op de hoogte van Karmel opgericht, en God had met vuur geantwoord: "de Here was aldaar". Men kan aan een illegale kerkdienst nog niet steeds de tegenwoordigheid des Heren ontzeggen, noch aan een onwettig kerkinstituut de naam van "kerk": de "wettigheid" is geen ken­merk der kerk.

Laat Hosea zelf ons opheldering geven over zijn "bezwaren tegen de geest der eeuw".

Welke bittere bijsmaak proeft hij in deze vroomheid?

Dat zij offeren op de heuvelen en in de bossen zou hij desnoods nog kunnen laten passeren, maar waarom zij offeren, dat stuit hem tegen de borst!

Waaróm stellen zij hun godsdienstoefeningen in? Waaróm richten zij hun altaren op? Is het om God te dienen, en om in aanbidding neer te zinken voor Hem, Die hemel en aarde gemaakt heeft? Dringt dankbaarheid tot de Allerhoogste hen, om hun gaven neer te leggen op het altaar der liefde? Of is het oprecht schuldgevoel, dat hen de zoenoffers doet ontste­ken?

Het is helaas niets van dit alles!



Dit is het vlijmscherpe profetisch verwijt: zij offeren onder de bomen "omdat de schaduw ervan aangenaam is".

Hiermee is hun vroomheid getypeerd.

Het is niets anders dan vroom egoïsme. Het is hun niet om Gód, maar om henzelf, om de goede schaduw, om het profijt te doen. De vroomheid van Israël is een zuiver wereldse vroomheid. Dit is de bittere bijsmaak!

Wat was namelijk het geval? — Israël leefde temidden van heidense volken, en de heidense godsdiensten hadden niet nagelaten invloed uit te oefenen op de godsdienst van Israël.

Die heidense godsdienst was 'n zuivere natuur dienst. Feitelijk een gods­dienst zonder God. Niet God, maar Zijn schepsel, de natuur werd aange­beden, de krachten der natuur vergoddelijkt. Daarom koos men ook bij voorkeur de toppen van bergen en heuvelen; men was dan — meende men — dichter bij de godheid, die zetelde in de zon of de maan. En daarom waren de bossen ook zulke geliefde cultusplaatsen, want die bomen met hun "aangename schaduw" waren een treffend symbool van het wel­doend karakter der goddelijke Natuur! Daar werd dus geofferd. Daar woonden de goden, en hoe meer nu maar onder de schaduw der "bomen Gods" geofferd werd, hoe meer schaduw en beschutting die bomen geven zouden. De heiden zei in z'n hart: ik geef u, mijn god, niet omdat alles van u is, maar opdat gij mij veel teruggeeft. Het was hem niet om zijn god, maar om z'n bescherming, om de "schaduw" te doen.

Met die geest was nu Israëls "eredienst" doortrokken. Het was hun niet om God te doen, maar om Zijn "schaduw" aan hun rechterhand. Al werd Jahvè veelvuldig genoemd, men kon Hem rustig missen, als Hij maar schaduw gaf.

Daarom roken ze bij de bomen, omdat hun schaduw aangenaam is.... godsdienst zonder God!

Hoezéér die godsdienst verwereldlijkt en feitelijk God-loos geworden was, daarvan geeft de profeet in ditzelfde verband een paar sterke staaltjes.

Vooreerst zegt hij "Hoererij, wijn en most neemt het hart weg" (vs 11, St. vert.). Een betere vertaling luidt: "neemt het hart in beslag". De zinnelijke genietingen, kan men kort zeggen, beheersen hun leven. Er worden wel godsdienstoefeningen gehouden, maar vóór, tijdens en na de dienst cirkelen aller gedachten en aller gesprekken rondom datgene wat het oog bekoort en de zinnen streelt.

En wat nóg erger is: "Mijn volk raadpleegt zijn hout, en zijn staf moet het voorlichten" (vs 12).

Hierbij is te denken aan de heidense orakels. Men liet een stuk hout of rechtopstaande stok vallen, en uit de wijze waarop die neerviel: voor- of achterover of zijwaarts, werd dan de toekomst opgemaakt. Dat was een duidelijke aanwijzing welke weg men gaan moest. Deze kinderen Abra­hams offerden dus wel als Abraham, maar begeerden niet als Abraham met God te leven. Abraham was een bidder. Hij begeerde alleen te gaan naar het land dat God hèm wijzen zou. Maar zij laten zich de weg wijzen door een stuk hout. Zij vouwen de handen niet tot gebed, maar grijpen er mee naar het grote rad van avontuur, en Fatum en Fortuna, Noodlot en Fortuin zijn de god en de godin in wier handen zij hun levensgeluk stellen. Het is wel werkelijk een godsdienst zonder God.

Hosea voegt hieraan toe, dat die mannen en vaders straks helemaal niet verwonderd moeten opkijken, als hun bruiden en dochteren straks openlijk overspel bedrijven zullen, en zich naar Kanaänietische zede aan de een of andere godin zullen wijden, om zich aan prostitutie over te geven. Dit is eenvoudig de consequentie. De jeugd heeft scherpe ogen, en heeft natuurlijk heel goed het holle en voze van de godsdienst "der vaderen" gezien. Het enige wat zij doen is nu ook de frase en vormen overboord werpen. In dit opzicht is de jeugd niet slechter, maar eerlijker dan de vaders en moeders. Ze moeten ook niet verwachten, die verslagen vaders en die bedrogen bruidegoms, wier dochters en bruiden met de heidense orgieën meedoen, dat de Here het voor de vaders en mannen zal opnemen, en hen straffen zal, want ze waren zelf aanleiding en oorzaak: "Ik zal aan uw dochters de ontucht niet bezoeken, noch aan uw schoon­dochters het overspel dat zij plegen" (vs 14a).

En Hosea's slotsom van heel deze tragedie is: "Zo komt het volk, dat geen inzicht heeft, ten val" (vs 14b).

Dit woord moeten de intellectualisten niet uitbuiten, alsof verstand en verstandelijke kennis een volk op de been zou houden. Dit riekt naar hu­manisme! Ongetwijfeld is kennis van Gods Woord van onschatbare bete­kenis. Maar een volk, dat enkel "verstand" heeft, kan ook ten val komen en verkommeren en verstikken aan intellectualisme. Men kan "inzicht" hier veilig vertalen door "geloof". Verlichte ogen des verstands, die inzicht hebben in datgene wat tot hun vrede dient. Een volk, dat een godsdienst pleegt zonder God en niet uit het geloof leeft, zal ten val komen. De rijpen­de jeugd zal aan zo'n godsdienst niet de minste waarde meer hechten.

Ze zal er openlijk mee breken!

Wat staan we hier weer angstig dicht bij onze tijd!

In meer dan één opzicht laat onze tijd een godsdienst zien, waarvan de bedrijvers van die godsdienst het kennelijk meer om Gods schaduw, dan om Gods glorie te doen is. Dat blijkt nergens klaarder dan in het merk­waardig onderscheid tussen een kerkdienst op Oudejaarsavond en op Nieuwjaarsmorgen. Op de avond van het oude jaar vlucht iedereen ang­stig onder de "schaduw" Zijner vleugelen, maar de Nieuwjaarsmorgen-dienst met hier en daar 'n paar bezette plaatsen getuigt luide: wij kunnen wel weer op eigen vleugels verder. Dan kent men liever de beursnote­ringen, de koersen en de inspraak van eigen hart dan de Here in al z'n wegen.... zijn stok zal het hem zeggen!

Op de Oudejaarsavond, die spreekt van het vergankelijke, ziet iedereen bergen wijken en heuvelen wankelen, maar op Nieuwjaarsmorgen staan de heuvelen en bergen weer zó vast, dat men er huizen op bouwt.

Hoezeer wijn en most, en hoe weinig God de harten in beslag neemt, kan ook wel blijken uit de gesprekken voor en na de preek.

Dit zijn zo enkele symptomen — er zijn er veel meer — van een veruitwendigde godsdienst.

Er gaat natuurlijk niet de minste kracht en wijding van uit op het gezin.... hij is volkomen pitloos en futloos!

Dat de dienst des Heren de kracht en de vreugde van het leven der ouders is, komen vele kinderen nooit aan de weet.

Vader bidt wel aan tafel, maar dat dit gebed verder het geheim van z'n leven en de bron van z'n kracht is, blijkt uit niets. Als het hem tegen-loopt is hij niet te genieten, maar als de zaken wat beter gaan, fleurt alles weer op.

De kracht van het gebed is niet het zuurdesem, dat z'n leven doorzuurt, en de blijdschap van het geloof springt niet als een vonk op alle gezins­leden over. Behalve handel wordt er ook nog godsdienst gedreven, maar dat is 'n zaak apart. Voor de Zondag en voor buitengewone gelegenheden. Terwille van de schaduw!

Meent men nu werkelijk, dat de jeugd dit niet ziet en voelt?

En dat de kinderen niet inwendig lachen om zo'n hol vertoon? En als dan straks de opgroeiende jongens en meisjes een hekel krijgen aan de kerk en de catechisatie, en met moeite in de band te houden zijn, dan moeten veel vaders en moeders heus niet dik doen over "die jeugd van tegenwoordig", maar tot zichzelf inkeren!

Hebben zij de dienst des Heren tot een begeerlijke zaak gemaakt?

Hebben de kinderen kunnen voelen en tasten, dat het geloof tot andere, blijde en rustige mensen maakt?

Er wordt nogal eens geklaagd over de achteruitgang van het georga­niseerde jeugdwerk.

Er zijn ook vele oorzaken gezocht en aangewezen.

Laat men voor één belangrijke oorzaak de profeet Hosea eens raad­plegen!

1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.