Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina16/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   42

ADELDOM VERPLICHT





Hoort dit.... gij huis des konings!

Hosea 5:1.


Profeten zijn nooit geschikte hovelingen geweest.

Zij kunnen niet vleien en hebben de waarheid lief.

Zij weten dat er één wet geldt zowel voor de hogere als voor de lagere standen, en dat een "dubbele moraal" nimmer mag worden geduld. Ko­ningen zowel als onderdanen hebben gehoorzaam te buigen voor de ordinantiën van de Koning der koningen.

Derhalve kunnen profeten, die gezanten Gods zijn en voor Zijn eer heb­ben op te komen, niet zwijgen, als er iets in het koninklijk huis te bestraf­fen valt. Zij dragen geen zachte klederen, en hebben geen fluwelen tong. Ze doen niet gewichtig tegenover de "kleine man", om daarna schuw en schichtig weg te kruipen, als ze met de deftige stand in aanraking komen, maar roepen zonder aanzien des persoons iedereen toe: tot de wet en tot de getuigenis!

Zo heeft Elia koning Achab tot de orde geroepen, en precies zo heeft Johannes de Doper, die kwam in de kracht van Elia, Herodes om zijn zonde van overspel vrijmoedig bestraft. Paulus deinsde er geen ogenblik voor terug, voor de groten der aarde te spreken van gerechtigheid en oordeel, en de profeet Hosea is uit hetzelfde hout gesneden. Hij verzoekt niet alleen het "huis Israëls" om het Woord Gods ter ore te nemen, en sommeert niet slechts de priesters om op te merken, maar hij slingert de fakkel ook in der koningen paleizen: hoort dit, gij huis des konings!

Dit vereist profetische moed.

En niet altijd heeft de kerk des Heren, die uit enkel profeten bestaan moet, deze moed aan de dag gelegd.

In de eerste dagen van de Doleantie, toen Sikkel in Den Haag beroepen werd, moest Dr Kuyper in de Heraut20 schrijven: "Residentieinvloeden hebben er van ouds toe geleid, om vooral de aristocratie en de nering­doenden, die van haar afhankelijk zijn, enigszins te doen terugdeinzen voor de ontzaglijke consequentie, waartoe het Evangelie van onze Here Jezus Christus elk belijder op sociaal en kerkelijk gebied roept". "Wel had deze kerk leraren, en onder hen zelfs zeer uitmuntende mannen, maar toch geen Calvinisten. Geen Dienaren in de geest van Junius, Waleus of Fest. Hommius. Leraren, eer gewoon veel en velerlei wonden met de mantel der liefde zeer voorzichtiglijk te bedekken, dan dat ze de moed van de echte arts zouden bezeten hebben, om met vaste hand de windselen er af te rukken, en het mes in de zweer te zetten." "De residentieatmosfeer hield hen daarvan terug. O, om in de residentie gezien en gevierd en ge­ëerd te zijn op de fluwelen kussens, moet ge zo onuitputtelijk vredelievend, alles verdragend zijn; niet zozeer waar men uw persoon grieft, als veel meer, waar de strenge en onverbiddelijke eis van het Woord in botsing zou geraken met allerlei verkeerds in de sociale verhoudingen."

Aldus Dr Kuyper in 1888.

Dezelfde geest is nu nog niet gestorven!

We durven het o zo goed en o zo scherp te zeggen tegen de mindere man, maar dezelfde vrijmoedigheid schijnt eensklaps geweken in het aan­gezicht van aanzienlijken en intellectuelen. De krachtige woorden van daareven druppelen nu van honigzeem. Of er vallen in 't geheel geen woor­den. We durven niet! Zelfs valt er, wanneer het "koninklijk huis" ver­maand wordt over de schending van het sabbatsgebod, een stroom van critiek. Zodat er èn op het terrein der kerk èn ook op het gebied der evangelisatie alle reden is, ons opnieuw te refereren aan de profetische geest, die roepen dorst: "hoort dit, gij huis des konings!"

Wat dit koninklijk huis te horen krijgt van Hosea is lang niet mals.

Aan de prinsen en verdere koninklijke hooglieden was de uiterst ver­antwoordelijke taak der rechtspraak opgedragen21. Van hen kon dus te­recht worden verwacht, dat zij de verdrukten zouden helpen, en dat de strik, die men deze of gene had gelegd, door hen zou worden losgemaakt.

Het tegendeel was echter het geval!

De bedrukten en belaagden werden in hun verwachting op de rechters jammerlijk bedrogen!

In plaats dat deze koninklijke rechters knopen ontbonden en knopen losmaakten, lagen de rechtzalen in Israël vol voetangels en klemmen, en ieder die het wagen dorst in hoger beroep te gaan, raakte vaster in de netten verward dan ooit tevoren. Dat is de felle bestraffing die Hosea het huis des konings toedient: "ge zijt geworden als een strik des vogelvangers22, een net, dat op de Tabor gespannen is". De Tabor was waarschijn­lijk een zeer gezocht jachtterrein voor vogelvangers, en daar vergelijkt de profeet dan Israëls gerechtshoven mee: ieder, die er kwam, vloog er let­terlijk in. Of liever: "ieder", moet men niet zéggen; het waren uitsluitend de armen, die erin vlogen. Ze beschikten niet over voldoende contanten, deze "kleine luyden", om hun rechters om te kopen, en daarom was hun lot van tevoren beslist: "barbertje moet hangen". Die met geld konden rinkelen, konden nog wel wat gedaan krijgen, maar voor de rest schudden de getabberde mannen bedenkelijk hun wijze hoofden. Ook al stond hun zaak nog zo recht, de rechters en advocaten wisten het wel zo te draaien, dat de beschuldigers tenslotte beklaagden werden, en zij die recht zochten, vonden een kunstig gespannen strik. En zo werden al die bedrukten en be­nauwden in Israël als argeloze vogeltjes gevangen door de balie, en achter de tralies gezet.

Zó was de toestand in Israël!

Voor elke balie mocht wel een bordje hangen: pas op voor zakken­rollers, en boven elke rechtzaal de waarschuwing: hier liggen voetangels en klemmen.

Het was de omgekeerde orde.

Bandieten in toga!

Bloedhonden met bef en das.

Rechthuizen waren tot slachthuizen omgebouwd, rechters fungeerden als vogelvangers.

En dit alles geschiedde door rechters van koninklijken bloede, wier adel tot betere dingen verplichten moest. Het geschiedde voorts in Israël, waar de theocratische koningen vooral in hun rechtspraak het beeld ver­tonen moesten van de komende Messias-Koning.

De Messias-Koning, van Wie men zo gaarne zong — en het gezang uit de nabije tempel drong misschien wel in de deftige rechtzaal door:

Dan zal Hij al Uw volk beheren

Rechtvaardig, wijs en zacht,

En Uw ellendigen regeren,

Hun recht doen op hun klacht.

en:


't Ellendig volk wordt dan uit lijden

Door Zijnen arm gerukt.

Hij zal nooddruftigen bevrijden,

Verbrijz'len, wie verdrukt.

Wij leven in een gezegend land met een onomkoopbare Justitie, die zelfs naar klasse-justitie niet zweemt. Aan rijk en arm wordt gelijkelijk recht gedaan, en onze gerechtshoven hebben niets weg van 'n Tabor, waar snode vogelvangers hun luguber bedrijf uitoefenen. Derhalve zouden we met 'n schouderophalen over dat diepgezonken Israël verder kunnen gaan, en kunnen overgaan tot de orde van de dag.

Zó spoedig laat het Woord des Heren ons echter niet gaan!

Het licht ons niet maar in over historische gebeurtenissen en toestan­den, maar heeft steeds een "praesens-betekenis".

We hebben ons steeds af te vragen: wat heeft het vandaag te zeggen aan mij?

Als we zó luisteren, dan is ook dit woord van gedegenereerde rechters en koninklijke vogelvangers, die de onnozelen er in lieten vliegen, boorde­vol "ontdekking". Ook deze Schrift is gegeven tot vermaning en onderwij­zing en weerlegging. Als we maar luisteren willen.

Met die koninklijke prinsen, die recht en gerechtigheid hadden te oefe­nen, zijn wij natuurlijk bedoeld.

Want alle gelovigen zijn als kinderen Gods koningskinderen.

Mevrouwen en dienstbodes, patroons en knechten, wasvrouwen en chauffeurs, onderwijzers en straatmakers, om 't even van wat stand of qualiteit zij zijn, het zijn allemaal koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen. Ze zijn niet slechts geplaatst naast prinsen en wereldgroten, maar ze zijn Gode gemaakt tot koningen.

We zijn dus allen van adel.

En... . adeldom verplicht!

We hebben een stand op te houden!

Van 'n koning wordt natuurlijk meer verwacht dan van ,,'n gewoon mens". Daarenboven is een koning of een koningin of een prinses een publiek persoon. Er wordt nauwkeurig notitie genomen van al hun doen en laten. Het is wel eens benauwend, zo zeggen we dan, om paleisbewoners te zijn. Dat valt óók niet mee. Ze kunnen letterlijk geen stap doen, of 't komt in de krant, en in binnen- en buitenland worden ze achtervolgd door 'n leger journalisten en fotografen.

Laten we nu maar goed bedenken, dat het ons precies zo gaat. We zijn als christenen paleisbewoners, en wonen in een glazen huis. De wereld neemt ons nauwkeurig in observatie, en slaat met meer dan gewone belang­stelling ons doen en laten gade. Ge kunt dit niet doen of dat niet doen, of er staan vele verslaggevers klaar, die het wereldkundig maken. Ge kunt dit lastig of vervelend of pijnlijk vinden, maar daar zijn we nu een­maal koningskinderen voor.

De hooggespannen verwachting, die de wereld van u koestert, is boven­dien niet ten onrechte.

Van de kinderen Gods kan en mag nu eenmaal verwacht, dat zij anders zijn dan anderen. Zij kunnen bijvoorbeeld alleen goede werken doen. Dit is uitsluitend het privilege der kerk. Want een "goed werk" moet, zal het voor God goed zijn, beantwoorden aan drie eisen: uit een waar geloof, naar de wet Gods, tot Zijn eer. Hieraan getoetst, smelten wel heel veel goede werken, waarover wij nogal aardig tevreden waren, als sneeuw voor de zon weg. Maar voor de onwedergeboren mens is het totaal onmogelijk. Hoezeer de mensen hun edelmoedigheid mogen prijzen, uit het geloof is het nooit; evenmin bedoelen zij Gods eer. Daarom sprak Augustinus van de "blinkende zonden" der heidenen. God schrijft er een nul onder. Goede werken zijn alleen vrucht van het wedergeboren leven. Uitsluitend Gods kinderen zijn er toe in staat! Daarom mag ook geen christen zeggen: laat ieder naar zichzelf kijken. De Here Jezus zegt Zelf, dat de mensen naar u moeten kijken. En dat dit het daglicht verdragen kan. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken!

Beantwoorden wij nu aan onze hoge roeping?

De wereld verwacht van de gelovigen meer dan van 'n "gewoon mens", en mag dat ook terecht. Zij eert daarin onbewust de kracht van het Evan­gelie, en de doorwerking van het nieuwe leven.

Stellen wij haar in deze verwachting niet teleur?

En worden door onze godzalige wandel ook de naasten voor Christus gewonnen ?

Deze vragen te stellen, is ze beantwoorden!

Helaas kunnen niet alle daden van de prinsen en prinsessen der kerk in de krant, en niet al hun woorden gepubliceerd.

Het is ook maar gelukkig, dat het niet gebeurt. Maar we behoorden toch te bedenken, dat we toch wel degelijk worden bespied, en dat er door ons toedoen heel wat schande gebracht wordt over het koninklijk huis!

Hoort dit... . gij huis des konings!

Hoort dit... . gij koningen en koninginnen bij de gratie Gods!

Uw adeldom verplicht!

De wereld verwacht van u, en... . uw God verwacht van u, dat gij edeler, royaler, koninklijker zult zijn dan anderen.

En dat gij in geen geval gelijkt op die prinsen, die onnozelen er in laten vliegen, en argelozen een strik spannen.

Zou dit geheel tot het verleden behoren ?

Zijn het alleen de verworden toestanden van het huis Israëls uit een grijs verleden?

1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.