Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina17/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   42

DE ALWETENDE EN DE GODGELEERDEN





Ik ken Efraïm .... en de Here kennen zij niet.

Hosea 5:3 a, 4 b.


Gods Woord is daarin telkens zo verrassend, dat het zulke gewone din­gen zegt.

Zó gewoon, dat het ons glad overbodig lijkt, deze overbekende waar­heden telkens weer te herhalen.

Derhalve staat de bediening van het Woord vaak zo heel ver van het Woord zelf af, want vele prekers en sprekers putten zich uit, om gans zeer ongewone dingen te zeggen, of om het gewone zo ongewoon mogelijk voor te dragen. Dit moest maar ophouden. Want er zijn "waarheden", die langzamerhand zó bekend geworden zijn, dat ze dreigen onbekend te wor­den, en te vervagen in klanken. Het komt zoetjesaan zo ver, dat het sensatie-zuchtige kerkpubliek geen weet meer heeft van de meest elementaire zaken, die het meent zo goed te weten.

Daar hebt ge nu 'n uitspraak van God als déze hier: Ik ken Efraïm!

Is het nu niet overbodig, om 'n dergelijke mededeling te doen aan een theologisch geschoold volk, dat geroutineerd is in de dogmatiek, en ten­minste van de deugd van Gods alwetendheid alles af weet? Er mogen "eigenschappen" Gods zijn, die ver boven ons begrip gaan, maar dat God alles weet, dat Hij Efraïm kent, en Israël voor Hem niet verborgen is, nu, daar weten we alles van. De mens moge listig zijn, en z'n medemens leert hem zo gauw niet kennen, maar dat God hem dóór heeft, weet een kind onder ons. Nergens is reeds de kinderziel meer van doordrongen, dan van de alwetendheid Gods, en niets vervult het met meer eerbied dan de ge­dachte aan dat Alziende oog. Daar zijn we dus groot bij geworden. En groter geworden, kunnen onze jongelingen en jonge dochters er inleidin­gen over houden, over die alwetendheid Gods, en nóg grotere mannen, theologen van professie, schrijven er 'n hoofdstuk van de dogmatiek of een dissertatie over. En zo weten wij, kleinere en grotere godgeleerden, doorkneden in de kennisse Gods, er alles van, dat God alles en allen kent, dat Hij de mens kent, en Efraïm kent. Die waarheid stelt niemand dispu­tabel. Die heeft zozeer burgerrecht verkregen, en is zo gewoon geworden, dat.... er geen conscientie meer door geraakt wordt.

Ik ken Efraïm!

Nu, dat wist Efraïm — een andere naam voor Israël — óók wel vóórdat Hosea dat in Gods naam kwam zeggen. Ze zouden 't niet weten, Israëls theologen! Dat was oud nieuws! Daar konden ze hele series van teksten over opzeggen; kom, Hosea, een beetje frisser preken man, en geen dingen zeggen, die onder ons volkomen zekerheid hebben! Ze zouden de Psalmen van David niet kennen, waar ook zoiets in stond! Dit konden ze als kin­deren reeds opzeggen, niet berijmd natuurlijk, maar toch dezelfde gedachte vertolkend:

't Is God, aan tijd noch plaats gebonden,

Wiens toezicht over alles gaat,

Die 't harte vormt, en kan doorgronden,

Die aller werken gadeslaat.

Daar had je 't dus: die 't harte vormt, en kan doorgronden.... Ik ken Efraïm.

En dan die andere Psalm Davids:

"Here, Gij doorgrondt en kent mij;

Gij kent mijn zitten en mijn opstaan,

Gij verstaat van verre mijn gedachten;

Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,

met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.

Want er is nog geen woord op mijn tong,

of zie, Here, Gij kent het volkomen".

Hosea moest dus niet menen, dat hij hun iets nieuws kwam zeggen; het God-geleerde Israël wist van de Alwetende alles af!

Maar de Alwetende, Die op Zijn beurt Zijn God-geleerden beter kent dan zij menen, verklaart eenvoudigweg: de Here kennen zij niet! Voor theretische God-geleerdheid kregen ze vast een tien, maar voor practische Godskennis een nul. Daarin waren ze zo onkundig, dat ze niet eens wisten, dat de Here alles van hen afwist. Terwijl ze bij hun altaren zon­gen: Here, Gij doorgrondt en kent mij, meenden ze zich achter hun altaren en de wierookwalmen voor de Alziende te kunnen verstoppen, de slim­merds! Net kinderen. Daarom moeten ze ook als onnozele kinderen be­handeld en met melk gevoed worden, en komt God tot vermoeiens toe de haast overbodige en overbekende verklaring afleggen: Ik ken u wel, Efraïm, en gij, Israël, zijt voor Mij niet verborgen!

Waarom zei God dit?

Waartoe deze vermoeiende herhaling van de allergewoonste waarheid?

Wel, eenvoudig omdat Israël bij zijn eigen dogmatiek niet leefde. Wat iedereen in theorie zo geheid wist, scheen iedereen in de practijk te ver­geten.

Het overbekende was juist daarom onbekend geworden, en raakte niemands geweten meer.

De Here had pas een sterk staaltje gegeven van Zijn alwetendheid en mensenkennis: de vorsten van Israël waren aan de kaak gesteld, en God had de verborgen strikken wel gezien, die in de deftige rechtzalen verdekt waren opgesteld om de onnozelen te vangen, o, Ik ken u zo goed, Efraïm!

Als het in de hoogste kringen zo gesteld was, dan hoeft men niet te vragen, hoever het bederf in de lagere kringen was doorgevreten.

Nu zullen ze in Israël wel gedacht hebben, dat het verder wel zou los­lopen, want de Here had er immers niets van gemerkt. Ze waren zó ge­woon elkaar te bedriegen, dat ze meenden dat het ook maar een kleinig­heid was, de Here te misleiden. Ze konden zo netjes hun geniepigheden en bedriegerijen maskeren met 'n extra gebed, dat het schier onmogelijk scheen, dat hun vroom bedrog opviel.

Daarom verklaart de Here bij voorbaat, dat ze die illusies moeten laten varen.

Ze kunnen de Alwetende niet misleiden, en derhalve is hun waan, dat ze hun straf zullen ontlopen, een ijdele droom. ... Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen.

Hij zou Efraïm niet kennen!

Als kleine jongen had de Here hem al uit Egypte geroepen, en al die jaren z'n gangen nauwkeurig gadegeslagen. Hij had hem in zijn nood horen schreien tot God en in z'n voorspoed zien afwijken van God. Hij had Efraïm gedragen en verdragen, o zo lang!

Maar ook aan Gods geduld komt een einde.

En juist, Efraïm, omdat Ik u zo door en door kèn, en weet hoe hard uw hart is, daarom is Mijn vonnis gans rechtvaardig.

"U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken. Gaan er twee tezamen, zonder dat zij het eens geworden zijn?" — zo had ook Amos het reeds over Israëls schuldige hoofd uitgeroepen (Amos 3:2, 3).

Het is stellig niet overbodig, dat aan het tegenwoordige Efraïm, dat topzwaar gaat van godgeleerdheid, en waar men met het grootste gemak ik weet niet welke theologische vraagstukken hoort behandelen en zelf behandelt (of is het mishandelen?), herinnerd wordt, dat de Here hem door en door kent. Hij is bekend met alle motieven en bedoelingen. We kunnen elkaar makkelijk genoeg iets wijsmaken, maar we kunnen God niets wijsmaken. Die in de hemel zit zal lachen. Dat geldt ook voor o zo­veel kerkelijk en ander comediespel. De een kan wel zeggen, dat hij zich opmaakt een kampvechter voor de waarheid te zijn, en een tweede, dat hij slechts de vrede van Jeruzalem beoogt, en een derde, dat het alles gaat om de ere Gods, en ze kunnen zich dat soms suggereren ook, maar de Here kent Efraïm. Hij kijkt achter de coulissen. Zijn oog boort tot het diepst van het hart. Alle dingen zijn naakt, spiernaakt, en geopend voor de ogen Desgenen, met Wie wij te doen hebben, en daar gaan alle vrome betuigin­gen! Geleerden en ongeleerden, dominees en ouderlingen, schrijvers en polemisten, jongelingen en ook maagden, hoort. ... de Here kent Efraïm! Wat zou er 'n diep stilzwijgen vallen, wat zouden 'n pennen weigeren nog één letter op papier te zetten, als we één dag van het jaar de waarheid op ons lieten inwerken: de Here kent mij!

Die waarheid is ook overweldigend!

Wat weten wij, welbezien, van onze medemensen af. We hebben ze aan de buitenkant bekeken, maar hoe het er van binnen uitziet en wat er in de hoofden en harten omgaat is ons meestal totaal onbekend. We plegen er ook geen moeite voor te doen, het te weten te komen; onze tijd is te vluchtig en te oppervlakkig geworden, om van hart tot hart te spreken. Duizenden wandelen als vreemdelingen en eenzamen niet alleen midden door de drukke wereld, maar ook door de straten van het kerkelijk Jeruza­lem. Veel ouders weten niets van hun kinderen af, en de kinderen omge­keerd niets van hun ouders. Man en vrouw zijn voor elkaar een gesloten boek. Ja, wat weten we van onszelf af? Psalmdichters waren nog wel eens gewend, met hun ziel te spreken, en die ziel te vragen, waarom ze zo on­rustig was, maar dat is van overlang uit de mode. De moderne mens, ook de moderne kerkelijke mens, wordt al banger, met zichzelf alleen te zijn.

Wij kennen onze medemensen niet!

Wij kennen onze huisgenoten niet!

Wij kennen onszelf niet!

Maar de Alwetende kent mij en iedereen tot in de verborgenste roer­selen, en Hij weet wat in de binnenste slaapkamer gesproken en gedacht wordt.

Deze waarheid is vertroostend enerzijds. Wat een heerlijkheid, te weten dat bij de Here niet alleen mijn naam, straat en huisnummer bekend zijn, maar ook al mijn zorgen. Er komt dan wel niet direct verandering, als we Hem alles bekend gemaakt hebben — heerlijke consequentie van het gebed, om de Alwetende z'n noden bekend te maken —, maar te weten, dat Hij nu alles weet, dat is mij genoeg.

Maar deze waarheid is zeer ontdekkend anderzijds.

Nu moet dus elke godsvrucht de proef van Gods vlammende ogen kun­nen doorstaan. Vrome woorden kunnen liegen. "Christelijke" levensge­woonten kunnen eveneens liegen. En de mensen zijn daarmee gemakkelijk genoeg te bedriegen. Maar de Here ziet het hart aan, en kijkt dus door alle maskers heen.... Ik ken Efraïm!

De Here kent ons. Hij kent ons allen en een iegelijk.

In ons persoonlijk leven, in ons huiselijk leven, in ons kerkelijk leven.

We behoeven ons niet beter voor te doen dan we zijn, en we moeten niet trachten een stand op te houden. Het geeft niets, weg te schuilen ach­ter katheders, kansels of kerkbanken. De Here is niet te verschalken, zelfs niet in de zuiverste openbaring der kerk, zelfs niet door beginseltrouw en synodale decreten.... Ik ken Efraïm.

Kennen wij Hem ook?

O ja, we weten heel veel van Hem af, en er schijnt zelfs een voortschrij­ding in Godskennis te zijn, die alle vorige generaties in de schaduw stelt.

Gaat deze kennis nu ook gepaard met waarachtige vroomheid — om het heel ouderwets te zeggen: hebben we "kennis aan" de Here en aan Zijn wegen? En blijkt uit heel onze wandel, dat we er diep van door­drongen zijn, dat de Here ons kent?

Of zou voor ons godgeleerde geslacht, dat de zwaarwichtigste proble­men aansnijdt, disputen houdt en aanhoort, en kerkelijke bladen bij dozij­nen verzwelgt, ook Gods oordeel moeten luiden: "maar de Here kennen zij niet"?

Het is al wat, veel van de Here af te weten en de Here Zelf niet te kennen!

Er is een Alwetende, Die de "godgeleerden" kent!

Er zijn "godgeleerden", die de Here niet kennen!

Dat is een pijnlijk en moeilijk raadsel, dat z'n oplossing alleen vinden moet in het kruis.


1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.