Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina19/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   42

HET OVERTUIGEND BEWIJS





Tegen de Here hebben zij trouweloos gehan­deld, want zij hebben bastaard-kinderen ver­wekt.

Hosea 5:7a.


De woorden, die ons thans bezighouden, doen ons heel sterk denken aan een rechtsgeding.

Daarbij behoren: een aanklacht; het wettig en overtuigend bewijs, dat de beschuldiging gegrond is, en de straf, die ten uitvoer zal worden ge­legd, en alle drie zijn hier aanwezig.

De ingebrachte beschuldiging is: Zij hebben trouweloos gehandeld.

Men kan ook lezen: de Here zijn zij ontrouw geworden, en dan treedt de aanklacht nog meer in alle felheid aan het licht. Efraïm wordt voor de Rechter geleid, als verdacht van overspel. In Hosea's gedachtengang — we zagen het reeds vroeger — is de verhouding van God tot Israël gelijk aan die tussen man en vrouw. Een huwelijksverhouding dus. Dit moest de profeet zelfs zichtbaar symboliseren door zijn huwelijk met de ontrouwe Gomer. Zoals die vrouw hem verliet en met andere mannen heulde, zo droeg Israëls zonde en verlating van de dienst des Heren het zwarte merk van overspel. Zij hebben trouweloos gehandeld.

Dit verwijt van ontrouw is feitelijk de scherpste beschuldiging, die kan worden ingebracht.

Ook in het beste huwelijk kan er wel eens iets haperen, kunnen er verwijten vallen, kan er verwijdering ontstaan. Maar zodra er ontrouw in het spel komt, is het huwelijk feitelijk kapot. Al het andere komt wel weer terecht, maar door ontrouw wordt het teerste en mooiste van het huwelijk geschonden. Dit is het pijnlijkste wat de echtgenoten zou moeten worden verweten: zij hebben trouweloos gehandeld.

Nu dan, dit is het wat de bruid des Heren in het gezicht moet worden ge­slingerd: ontrouw!

Het ernstigste is, dat élke zonde van Gods volk direct in dat hatelijk licht komt te staan. In een gewoon huwelijk kan er wel eens wrijving zijn, zonder dat er nu terstond ontrouw in het spel is. Maar in de huwelijks­verhouding tussen God en Zijn volk is dit anders. De Here is een ijverig, d.i. een jaloers God. Elke zonde, ook de geringste afwijking, draagt ter­stond het karakter van overspel. Dit komt, omdat God zo diep ziet. En Hij wil dat Zijn volk dat óók zal doen. Het moet bij élke afwijking terstond tot de verschrikkelijke ontdekking komen: ik ben ontrouw geweest.

Dit is dus de beschuldiging: overspel.

Op deze overtreding stond de doodstraf, en het is dus niet te verwon­deren, dat een schrikkelijk vonnis tegen deze overspeelster wordt uit­gesproken.

Eigenlijk staat de uitgesproken beschuldiging tussen twee doodvonnis­sen in. Er gaat een aan vooraf, en er volgt een.

De straf, die op de overtreding vòlgt, wordt in de Statenvertaling aldus weergegeven: "Nu zal hun de nieuwe maand verteren met hun delen". In de vertaling N.B.G. heet het: "Nu kan (elke) nieuwe maan hen verteren met hun bezittingen". Het is verre van duidelijk, wat daarmee bedoeld zou kunnen zijn, en het zal daarom wel aanbeveling verdienen, de Griekse vertaling tot uitgangspunt te kiezen, die deze zin geeft: "nu zal de schurft hen vreten met hun akkers".

Dit is duidelijke taal, en de profeet voorzegt dus, dat een schrikkelijke ziekte mensen en akkers zal aantasten, waardoor zowel het volk als de volkswelvaart vernietigd wordt.

Dit is dus een ernstig vonnis.

Nog veel erger is evenwel de straf, die aan deze beschuldiging vooraf­gaat: De Here heeft Zich aan hen onttrokken (vs 6b).

Dat werd en wordt natuurlijk lang niet door iedereen toegestemd, dat dit laatste érger is namelijk. Voor de keus gesteld: wat wilt ge liever, dat de schurft u en uw bezit verteert, of dat de Here Zich aan u onttrekt, kiezen velen onvoorwaardelijk het laatste. Zonder God kunnen ze, naar ze menen wel, maar zonder geld en goed niet. Als God Zijn zegeningen verbergt, jammert menigeen van pijn, maar gebeurt dit ook altijd als God Zijn aangezicht verbergt? We verklaren in de kerk wel vrij gemakkelijk, dat onze ziel dorst naar God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, maar over 't algemeen pleegt er meer dorst naar de waterstromen dan naar God te zijn. Als we goed gezond zijn en behoorlijk ons brood hebben, kunnen we 't nogal aardig goed een poosje zonder de Here stellen. Israël zelf was daarvan het bewijs. De Here had Zich natuurlijk allang aan het volk onttrokken, maar in de voorspoedige jaren had men daar totaal niets van gemerkt. Het kwam pas uit, toen de nood aan de man kwam, en zij de Here zochten met hun kleinvee en hun runderen, en Hem niet vonden (vs6).

Deze mensen, die zo de mond vol hadden van Mozes, en niet moede werden van het roepen: Jahvè is groot, en Mozes is Zijn profeet, waren wel heel ver van de gezindheid van Mozes afgeweken. Toen de Here eens tot Mozes gezegd had, dat hij met het volk moest optrekken, en dat Hij hun het land, overvloeiende van melk en honing geven zou, en Hij hun zelfs een engel als gids zou meegeven, maar dat de Here Zelf in hun midden niet optrekken zou, toen .... bedankte Mozes daarvoor! Menigeen zou gezegd hebben: nu, dan gaan we natuurlijk. Wat is prachtiger dan een land overvloeiende van melk en honing, en geleide van engelen? Maar Mozes hield voet bij stuk. Hij zei: Indien Gij Zelf niet medegaat, doe ons van hier niet optrekken (Exodus 33). Dat was juist gezien. Een huilende wildernis met de Here is verkieselijker dan een land van beloften zonder Hem. 'k Waar liever in Mijns Bondsgods woning een dorpelwachter, dan gewend, aan d' ijdele vreugd in 's bozen tent.

Daarom zei ik, dat dit vonnis van het "onttrekken" van de Here veel erger was, dan dat van die schurft!

In het eerste was feitelijk het doodvonnis over Israël reeds voltrokken.

Want God is het leven, en wie Hem mist gaat niet dood, maar is dood.

Laat er dus van alles gebeuren, en desnoods de schurft mensen en akkers aantasten, als de Here maar blijft!

We laten nu dit vonnis verder rusten, en eveneens de aanklacht, die tegen Israël moest worden ingebracht, om nu onze volle aandacht te geven aan het wettig en overtuigend bewijs, dat de beschuldiging van ontrouw niet zo maar uit de lucht gegrepen was.

Hosea levert dit bewijs.

De liefde handelt niet lichtvaardiglijk! Tenminste Gods liefde niet.

Feitelijk was het glad overbodig, dat voor de beschuldiging van ontrouw nog bewijzen werden bijgebracht. In de eerste plaats, omdat deze beschul­diging door Hosea namens de Here Zelf werd uitgesproken, en het is van tevoren uitgesloten, dat deze mond, die niet liegen kan, lichtelijk of on­verhoord zou beschuldigen.

Dat er niettemin door Hosea sprekende bewijzen van ontrouw worden aangevoerd, geschiedt, omdat het hart dezes volks zo dik geworden is.

Had het geweten nog gesproken, dan zouden ze de waarheid der be­schuldiging direct hebben gevoeld en toegestemd, maar nú is juist het tegenovergestelde het geval.

Ontrouw? Dat moet er nu ook nog bijkomen! Dat moest Hosea nu ook nog van hen zeggen! Ze mochten veel fouten en gebreken hebben, maar daar waren ze nu toch even onschuldig aan als kinderen! Was er wel één volk op de ganse aardbodem te vinden, dat zó trouw aan hun God en het geslacht hunner vaderen was als zij? En zo vroom? Stonden er ergens zóveel altaren en werden door andere volken zóveel offerfeesten gevierd en offerbeesten geslacht? Nee maar, het was toch eigenlijk om te lachen; dat ontbrak er alleen nog maar aan! Ontrouw!!

Hosea blijft echter volkomen rustig.

Hij kan, ondanks de heftigste ontkenningen, zijn aanklacht ten volle handhaven.

Zij wezen op hun offerbeesten, maar de profeet wijst op hun kinderen, en motiveert de aanklacht van ontrouw aldus: "want zij hebben bastaard­kinderen verwekt".

Niet alleen de wijsheid, maar ook de ontrouw wordt gerechtvaardigd van haar kinderen.

Het onechte kind bewijst de ontucht der moeder. Het komt niet zo maar uit de lucht vallen. Die bastaardzoon is haar levende en gedurige aan­klacht; de kroongetuige van haar ontrouw: wat hebben wij nog getuigen van node?

Natuurlijk is dit van Hosea slechts beeldspraak.

Hij bedoelt geen ogenblik iets kwaads te zeggen van de echtelieden in Israël. Waarschijnlijk werd geen oprechter trouw dan tussen man en vrouw in Israël ergens elders gevonden. Daar dus niet vàn! Maar de profeet bedoelt heel wat anders. Hij bedoelt het zó: daar is langzamerhand een geslacht opgegroeid en bézig op te groeien, dat aan alle ware godsvrucht is gespeend. Geestelijke bastaarden dus! Als Zijn kinderen kan God ze onmogelijk erkennen, en de trekken van kinderen Gods zijn in hen niet meer te ontdekken. Nu, vaders en moeders in Israël, geef een antwoord, waar komen die bastaarden vandaan? Dat komt zó maar niet. Hadden die vaders trouw de Here gediend, en waren ze hun kinderen in tere gods­vrucht voorgegaan, dan was dat zó niet geweest, want 't verbond met Abraham Zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind, en God de Here doet barmhartigheid aan duizenden dergenen die Hem vrezen en Zijn geboden bewaren. Nu, ze moeten nu niet nèt doen, of ze van de prins geen kwaad weten. Ze moeten niet stomverbaasd doen over die bastaarden, want zij waren toch zo heel anders. Ze moeten ook geen klacht aanheffen over dat opgroeiend geslacht van tegenwoordig, maar een klacht aanheffen over zichzelf: zij hebben die vreemde kinderen voortgebracht, en het "huidige geslacht" van bastaarden wandelt daar rond als een levende aanklacht en overtuigend bewijs van de ontrouw der moeders en van de vaders!

De vraag is hier niet aan de orde, of het tegenwoordig opgroeiend ge­slacht minder of beter is dan dat van vroeger.

Maar indien de klacht waarheid bevat, dat het aantal bastaarden, die van de dienst des Heren vervreemd raken, toeneemt, en er veel gedoopten van de kerk losweken, dan behoeft dit voor ons geen pijnlijke verrassing te wezen, noch een aanleiding om de vroegere tijden boven de tegen­woordige uitbundig te prijzen. Nog minder om over die "vreemde" jongens en meisjes verwonderd te klagen. Want wij hebben ze zelf voortgebracht, en in den regel valt de vrucht niet ver van de boom.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen.

Aan de edele wingerd kunnen wilde loten groeien.

Er zijn godvrezende gezinnen, waar het een pijnlijk raadsel is, dat er zo'n "vreemde" jongen tussen loopt; het herinnert altijd weer aan de waarheid, dat het niet is desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods.

Maar vaker gebeurt het helaas, dat er geen enkele reden behoeft te zijn tot smartelijke verbazing en dat het bestaan van die "vreemde" kinderen helemaal niet "vreemd" is. Er zijn vaders en moeders genoeg, die allang "ontrouw" geworden zijn. Uiterlijk misschien niet. Uiterlijk is er dan een verbazende stiptheid en trouw. Maar innerlijk. Er is wel "godsdienstig­heid", maar geen godsvrucht. Er is wel kerkelijk, maar geen geestelijk leven. De bijbel wordt wel elke dag gelezen, maar Christus woont niet door het geloof in de harten. Het is niet vreemd, dat in zulke huizen ook geen godsvrucht kan worden gekweekt. Het zou integendeel bevreemding wekken, als er géén bastaarden en van ware godsvrucht vervreemde kin­deren werden verwekt. En zo valt de klacht over bastaarden als een aan­klacht op de "ontrouw" van vaders en moeders, van herders en leraars, voorgangers en leidslieden terug. Zijn wij niet ontrouw? Leven we wel nauw met de Here, en merken onze kinderen dat goed? Of maken we er maar wat van?

Laat ons dit goed bedenken:

De profeet Hosea klaagt de kinderen niet aan. Hij klaagt hun ouders aan: zij hebben bastaarden voortgebracht!

Wij hebben behalve natuurlijke kinderen, ook nog geesteskinderen.

Dat zijn de boeken en tijdschriften.

Dat zijn de brieven die we schrijven.

Dat zijn de woorden die we spreken, en de gesprekken die we voeren.

Is soms aan al die geesteskinderen te zien, dat ze afkomstig zijn van vaders en moeders in de genade?

Of dragen zij soms ook het wereldse merkteken van "bastaarden" aan hun voorhoofd?

Aan de vrucht wordt de boom gekend.

En onze kinderen, natuurlijke en geesteskinderen, zullen het wettig en overtuigend bewijs leveren, of we werkelijk zó "trouw" wel zijn, als we dat gaarne voor veler oor uitroepen.

1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.