Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina2/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   42

VERGETEN GROOTHEID





Het woord des Heren, dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, en Jehizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël.

Hosea 1:1.


We komen nog eens op het opschrift van Hosea's boek terug.

Dit opschrift is verbazend belangrijk, omdat het een datering bevat van Hosea's profetische werkzaamheid. We worden er door in staat gesteld, deze man Gods beter te verstaan; want hoewel het volkomen onwaar is, dat ieder mens een product is van z'n omgeving en van z'n tijd, en in genen dele profeten uit hun historisch milieu verklaard kunnen worden, toch krijgen hun woorden oneindig veel meer perspectief, wanneer we enigermate vertrouwd zijn met de historische achtergrond, waartegen hun woorden resoneren. Zo konden we dan ook de profeet Hosea zetten in de lijst van zijn tijd, zijn we dankbaar, dat de Schrift ons daaromtrent inlichtingen verschaft. Wisten we er niets van, dan zou veel van wat deze profeet sprak, voor ons orakeltaal blijven, en daarvoor is het Woord Gods ons niet gegeven.

Dat is echter niet de enige reden, waarom dit opschrift belangrijk is.

Het is minstens even belangrijk en zelfs welsprekend, om wat het verzwijgt.

Zwijgen kan in sommige gevallen welsprekender zijn dan spreken.

Wat hier namelijk verzwegen wordt is een ganse reeks van koningen van Israël, tijdens welke Hosea óók heeft geleefd en geprofeteerd. ... we wezen daar vroeger reeds in 't voorbijgaan op4. Hun namen zijn ons uit de historische boeken wel bekend; het zijn: Zacharia, Sallum, Menahem, Pekahia, Pekah en Hosea. . . . niet minder dan zes koningsnamen — maar Hosea rept er zelfs met geen woord van. Ze zijn hem quantité's negli-geables! Hij schijnt met een der Psalmisten te zeggen: ik zal hun namen op mijn lippen niet nemen!

Deze omissie moet iedere lezer terstond opvallen.

Temeer opvallend is dit, waar Hosea geen Judeeër, maar Israëliet was, en geboortig uit het tienstammenrijk. Hij verzwijgt dus de namen van zijn eigen koningen, en dateert zijn boek naar die van "vreemde" vorsten! Die andere vorsten van Juda noemt hij allemaal op een rijtje: Uzzia, Jotham, Achaz, en Hizkia.... er ontbreekt er niet een! Maar toegekomen aan zijn eigen vorstenhuis, ontbreken er op eens zes van de zeven koningsnamen. Hosea volstaat met er slechts één te noemen: Jerobeam, de zoon van Joas. Dit is een schamele oogst. Het doet op het eerste horen even vreemd aan, als wanneer een Nederlander zou verklaren, dat hij leefde in de dagen van Koningin Elisabeth van Engeland, in plaats van Koningin Juliana!

Wat kan de profeet tot deze wonderbaarlijke weglating bewogen hebben?

Aan een onopzettelijk verzuim is natuurlijk geen ogenblik te denken, want de Heilige Geest bestuurde zijn pen evengoed toen hij dit opschrift schreef, als wanneer hij de roerendste beloften of de hardste bedreigingen deed horen. Evenmin kan aangenomen worden, dat Hosea ze niet gekend heeft: welk meelevend mens — en hoe leefden vooral profeten mee met hun volk — zou de klinkende namen van zijn tijdgenoten niet kennen, temeer waar die tijdgenoten nog wel de scepter voerden over Israël. Dat gaat dus in geen geval op. Veel aannemelijker is het dan nog als iemand beweert: "Een en ander is hieruit te verklaren, dat in de koningen van Juda het (in de grond alleen wettige) koningshuis van David wordt voort­gezet; het koningshuis van het Noordelijk rijk stond daarmee nooit op één lijn, en speciaal na Jerobeam II hebben daar nog slechts usurpatoren op de troon gezeten"5. Maar ook dan blijft nog onverklaarbaar, waarom de naam van Jerobeam II óók niet is weggelaten. Dat Hosea alleen de "vrome" koningen noemen wilde, kan al evenmin de reden zijn, want van Jerobeam, de zoon van Joas, kan niet gezegd worden, dat hij de Here diende, terwijl zelfs ook de genoemde Achaz van Juda uitblonk in goddeloosheid.

Zou Hosea zich soms geschaamd hebben hen te noemen? Er zijn mensen, die een schande voor de familie zijn, de rotte appel in de mand! Er wordt over hen in de huiselijke kring liefst niet teveel gesproken, vooral niet als er vreemden bij zijn. Ze zijn niet vergeten, die verloren zonen en dochteren, en er gaat geen avond voorbij (als het goed is!) dat ze niet in hartelijke gebeden aan de troon der genade opgedragen worden, maar.... men spreekt niet over ze; daar schaamt men zich eigenlijk voor: hun namen worden niet genoemd. Dit zou een redelijk motief kunnen zijn voor Hosea om de namen dezer gekroonde hoofden op zijn lippen niet te nemen. Ze hadden een zeer zwarte bladzijde in de geschiedenis van Israël geschreven, deze ongenoemden! Het waren schier stuk voor stuk moordenaars, koningsmoorders nog wel, die zich een weg naar de troon gebaand hadden over de lijken van hun voorgangers! Met een schone toespeling op de troon van God, die men zich dacht boven de ark — de ark waarin de twee wetstafelen lagen —, verklaarde een der Psalmisten, dat recht en gerechtigheid waren de vastigheid van Gods troon: die troon zetelde om zo te zeggen op de wet, waarin het zuiverste recht vertolkt werd; maar met déze koningen Israëls (die als theocratische koningen een afdruk moesten vertonen van Gods koningschap!) was juist het tegenovergestelde het geval: hun waggelende troon stond op een met mensenbloed gedrenkte bodem. En het zou geen wonder zijn, dat uit dien hoofde Hosea's pen weigerde de namen dezer geweldenaren te memoreren uit schaamte over deze koningen die géén koningen waren, ware het niet, dat de profeten er toch ook overigens niet voor terugdeinzen de zonden van volk en vorsten openlijk aan de kaak te stellen.

Er blijft dus feitelijk voor Hosea's zwijgen geen andere motief over dan dit, dat deze lieden voor de profeet de moeite van het vermelden niet waard geweest zijn, wijl ze volkomen nutteloos geweest zijn voor het ko­ninkrijk Gods. Het is nog niet eens noodzakelijk, godvrezend te zijn, om tegelijk nuttig effect te hebben voor Gods koninkrijk.

Zelfs openbare vijanden der kerk kan de Here gebruiken, en hééft Hij menigmaal gebruikt ten dienste van Zijn kerk, en op hetzelfde ogenblik dat hun handen meenden te breken, waren ze onbewust bezig aan de kerkopbouw. De koning der Perzen kon stellig niet gerekend worden onder degenen die in Sion geboren zijn, en niettemin zegt de Here van deze Kores: "Mijn herder, hij zal al Mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde gegrond­vest" (Jes. 44:28).

Zo kan van al de koningen in het opschrift van Hosea's profetieën gezegd worden, dat ze op de een of andere wijze God "gediend" hebben, en een taak volbracht. Zelfs van de ontrouwe Jerobeam II geldt dit — de koning die Hosea dan ook wèl noemt. Wel vreesde hij God niet, en deed wat kwaad was in de ogen des Heren, maar de voor Hem weggelegde op­dracht heeft hij stipt moeten vervullen. Hij was de door God bestemde en door Jona geprofeteerde verlosser, die Israël moest bevrijden van de Damasceense overheersing. "Hij veroverde het gebied van Israël, van de weg naar Hamath tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de Here, de God van Israël, gesproken had door Zijn knecht Jona, de zoon van Amittai, uit Gath-Hefer" (2 Kon. 14:25).

Zelfs van de — eveneens in dit opschrift genoemde — goddeloze Achaz kan gezegd dat hij Gods Raad heeft gediend. Aan zijn ongelovige houding heeft de kerk des Heren te danken de heerlijke Immanuëlsprofetie van Jesaja (7:14). Toen Achaz geen teken wilde vragen in driest ongeloof, heeft de Here aan déze koning laten zeggen, dat Hij Zelf een teken zou geven: "Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël — God met ons — geven"! Zo hangt de profeet Jesaja de goddeloze Achaz om zo te zeggen een lantaarn op de rug; hij wandelt zélf wel niet in dat licht, maar werpt toch het schijnsel op het pad van allen die Gods naam ootmoedig vrezen. Het is wel een zeer lugubere taak, om zo als lichtdrager voor anderen te moeten dienen, en zelf in de duisternis te blijven — maar het is toch een taak. En zo zegt de Here ook tot alle Achaz-figuren en predikers van het Woord, die het licht voor anderen laten schijnen, en tot alle Jerobeams, die iets doen en ijveren voor Gods zaak zonder zelf in de schatten Gods te delen: "Mijn herder, hij zal al Mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest".

Zelfs voor deze "negatieve" dienstverrichting heeft de Here de Sallums en de Menahems, de Pekah's en Pekahia's, de Zacharia's en Hosea's niet kunnen en willen gebruiken. Ze zijn volkomen onbruikbaar materiaal ge­weest. Volstrekt nutteloos. Daarom verglijden deze figuren in de mist. Hun namen worden door Gods profeet niet eenmaal genoemd.

Ongetwijfeld hebben ook déze "koningen" zich met grote luister om­ringd. Stuk voor stuk zijn ze echte "Strebers" geweest, die gepoogd hebben zichzelf een "naam" te maken en Israël tot een wereldmacht te verheffen. Maar in dit alles hebben zij slechts zichzelf gezocht en vóór zichzelf ge­leefd, Dus is hun roem verbleekt en hun grootheid vergeten. Ze zijn het niet eens waard, dat het optreden van een profeet naar hén wordt geda­teerd. Ze zouden gewild hebben, dat hun regeringsjaren met gouden cijfers in de annalen werden vermeld, maar de profeet des Heren zwijgt ze dood, noemt zelfs hun namen niet, en doet alsof ze nooit hebben bestaan!

Deze koningen van Israël waren ook leden, en nog wel zeer vooraan­staande leden, van het bondsvolk, en toch.... naamloos voor God! Om de eenvoudige reden, dat ze nooit geleerd hadden:

Leer mij, o God van zaligheden,

Mijn leven in Uw dienst besteden,

maar uitsluitend hun leven in de dienst van eigen belangen hebben besteed.

Dit is een uitermate drevig verschijnsel, ook nog in onze tijd onder zeer velen die "de naam van Sions kinderen dragen".

Neen, men behoeft nog niet eens een koningsmoordenaar, ook geen overspeler of dief te zijn, om geen naam te hebben bij God en zijn naam tevergeefs te zoeken in het boek des levens. Dit is de fatale vergissing der gangbare mening, dat slechts erkende boeven en openlijke zondaren uitgesloten zijn van het koninkrijk Gods. De Schrift leert ons anders. Het is de zonde der onvruchtbaarheid en nutteloosheid, die strafbaar maakt voor het helse vuur. Men kan een zeer fatsoenlijk mens zijn en een achtbaar lid der kerk, en een goede naam hebben onder de mensen, en toch onder dit oordeel der naamloosheid vallen.

Devraag is alleen maar, of we voor onszelf geleefd hebben, of voor de Here.

Helaas is dat zoeken van zichzelf en eigen belangen de constante levensregel van zeer velen geworden. We moeten eens eerlijk bij onszelf nagaan, hoe vaak we welbewust onszelf niet gezocht, maar verloochend hebben. Het resultaat van dit onderzoek zal pijnlijk wezen. Het sombere getuigenis van de Schrift: "zij zoeken allen het hunne", kan helaas niet alleen voor de "wereld" gereserveerd worden. Het is zelfs mogelijk, zeer te ijveren voor de Here der heerscharen en toch daarmee eigen roem te willen oogsten. Arglistig is het hart, meer dan enig ding!

Verblijdt u daarom niet, dat u de geesten onderworpen zijn, maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven staan in de hemelen. Zo dit laatste niet het geval is, wordt alle grootheid een vergeten grootheid. Onze namen mogen met ere genoemd worden onder de mensen, en voorkomen misschien op de dubbeltallen voor ouderlingen en diakenen en in de naamlijsten der predikanten, maar tevergeefs worden ze gezocht in het Boek, als er geen vrucht zichtbaar was van ons vernieuwde leven.

Die vrucht is natuurlijk niet ons werk, evenmin als de wijnstok de vrucht aan zichzelf te danken heeft, maar aan de wortel.

Alle rank, die in Mij blijft, zegt Christus, die draagt veel vrucht.

Christus leeft in mij.... of niet!

Dat is de hele kwestie.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.