Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina21/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   17   18   19   20   21   22   23   24   ...   42

DE RIJKE EN DE PATRIMONIUMMAN





De vorsten van Juda zijn als zij, die de grenzen verleggen.

Hosea 5:10 a.


De "vorsten van Juda" zijn hier niet, gelijk men zou kunnen denken, de koningen, maar de hoge en lage adel. De grote heren. De aristocratie van Juda mèt en zónder titel. De machthebbers, die invloed konden oefe­nen door hun naam en positie èn die alles konden door hun geld. Goud­magnaten en dollarkoningen, groot-grondbezitters en bankdirecteuren, dat zijn de "vorsten" die van de profeet een geduchte afstraffing krijgen. Ze zijn blijkbaar niet op een al te eerlijke manier aan hun rijkdom geko­men, want ze worden vergeleken met "die de grenzen verleggen". We kènnen dat bedrijf! Het verzetten van de grenzen om eigen gebied ten koste van een ander te vergroten is niet alleen kleinbedrijf, maar ook grootbedrijf geworden. Groten stelen en kleinen stelen, maar groten stelen het meest.... de vorsten! De begeerte om in te palmen en te annexeren zit zowel de vorsten als de onderdanen, de volken èn de individuen in het bloed. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, maar de meesten hongeren meer naar land en koloniën en dorsten naar kapitaal en bezit. Daarom is elk mensenkind annexionist van nature.

Alzo dus ook de vorsten van Juda.

In Israël was elke akker door grensstenen of grenspalen gemarkeerd. Daartussen lag de "erve der vaderen", het patrimonium, en op het inbreuk maken van dit vaderlijk erfdeel stond de strengste straf. God wilde geen armoede zien onder Zijn volk, en daarom was het niemand geoorloofd, zijn grondbezit zonder bittere noodzaak te verkopen, maar nog minder was het te dulden, dat een ander het onrechtmatig in bezit nam. Diep ernstig klonk het daarom van de berg Ebal: "Vervloekt is hij, die de grensscheiding van zijn naaste verlegt, en het gehele volk zal zeggen: Amen". En daarop doelt ook de Spreukendichter, als hij verklaart: "Ver­leg de aloude grenzen niet, die uw vaderen vaststelden".

Dat de grote hanzen uit Hosea's dagen met annexionistische neigingen bezield waren, ligt wel zeer voor de hand te denken. Het was immers een tijd, waarin de geboden des Heren met voeten getreden werden. Onder­drukking van de armen en afpersing van de weerlozen waren aan de orde van de dag, en zij, die akker aan akker wilden trekken, konden straffeloos hun gang gaan.

Toch heeft Hosea dat niet in de eerste plaats op het oog!

Hij verwijt niet, dat ze de landpalen verzetten en hun ongebreidelde landhonger verzadigen, maar dat ze geworden zijn als zij die de grenzen verleggen. Daarmee zijn ze dus te vergelijken. Ze waren ook wel land-veroveraars in letterlijke zin, maar daar wil Hosea 't nú niet over hebben. Wat hij hun thans te verwijten heeft, is, dat zij gelijken op de grensver-zetters in figuurlijke zin.

De bedoeling is de volgende:

Zoals een grensverzetter in Israël wederrechtelijk inbreuk maakte op het bezit van z'n buurman, zo randden de mensen in Juda — en dat niet de eerste de beste, maar de groten en voormannen, de voorgangers des volks — de rechten des Heren aan.... ze zijn geworden als zij die de grenzen verleggen.

Hoe deden ze dit dan?

Om dit te verstaan, moet men bedenken, dat er op tweeërlei manier gezondigd kon worden met het "vaderlijk erfdeel". Men kon dit doen, door de grenspalen naar buiten te verzetten, en zo z'n eigen gebied te vergroten. Men kon het óók doen, door ze naar binnen te verzetten, en z'n gebied te verkleinen. Men zou dit verkwanselen kunnen noemen. En zoals naar luid van onze trouwe Catechismus niet alleen gierigheid en uitzetting van zijn gebied, maar ook verkwisting van Zijn gaven rondweg diefstal wordt genoemd, zó was het ook onder Israël door Gods wet verbóden, z'n patrimonium zonder noodzaak te verkopen of te vervreemden. Dit was niet alleen gebrek aan piëteit voor de erve der vaderen. Maar het was ook verkwisting en moest noodzakelijk tot armoede en verval leiden.

Dit heeft bijvoorbeeld Naboth uitnemend goed gevoeld.

Het was heus geen koppigheid of onwellevendheid, dat hij zijn wijn­gaard niet aan koning Achab verkopen wilde. Maar hij gevoelde zich in z'n geweten gebonden aan de ordinantiën des Heren. Het is de hoge roeping, Gode meer gehoorzaam te zijn dan de mensen, die hem fier doet zeggen: "Daarvoor beware mij de Here, dat ik de erfenis mijner vaderen aan u geven zou".

Déze patrimoniumgeest is deze rijken en edelen van Juda vreemd.

Van de Naboths-overwegingen hebben zij geen kaas gegeten.

Zonder blikken of blozen geven ze land en volk, stad en tempel prijs aan allerlei vreemde goden.

De Here had Israël tot Zijn erfdeel verkozen. Hij had gezegd, dat het een heilig volk moest zijn, en dat niets of niemand inbreuk mocht maken op Zijn terrein. Maar de vorsten van Juda draaien er hun hand niet voor om; zij bekommeren zich niet om de rechten en aanspraken des Heren, maar verkopen ze met 't grootste gemak voor een schotel linzenmoes. Ze zitten er zelf warmpjes in, maar laten de Here in de kou staan. Hun eigen landpalen zetten ze bij de dag verder naar buiten, maar zien rustig toe, dat er aan Gods landpalen wordt gerukt en aan 's Heren gebied wordt geknabbeld en aan Jahvè's recht wordt gebrokkeld aan alle kanten. Ze meten hùn land bij hectaren, deze groot-grondbezitters, en het kan hun niets schelen, dat de erve des Heren overstroomd wordt door afgods­altaren, en de Allerhoogste zich met luttele aren moet tevreden stellen.

Zó gaat het als er veel "vorsten" komen te wonen onder het volk des Heren. Als "kleine luyden" de grote luyden worden, en de "patrimonium-mannen", de Naboths, gering in aantal of niet meer in tel zijn. Want kijk eens, die Naboth-allures lijken wel heel mooi, maar is er ooit één Naboth vooruitgekomen in de wereld? Hij wordt onder de voet gelopen, man! Gestenigd! Iedereen is zich zelf het naast, en de vorsten in Juda kunnen zich niet te lang ophouden bij de burgerman-principes van het erfdeel der vaderen en de rechten des Heren!

Zó voeren dan de vorsten van Juda een vorstelijke levenswijs, laten intussen gemoedereerd toe, dat de erve des Heren bezet wordt door het heidendom, en het patrimoniummannetje, dat hier en daar het nog waagt te protesteren, wordt uitgelachen of doodgeknepen.... zo zijn de vorsten van Juda geworden als zij die de grenzen verleggen.

Het moet met leedwezen worden geconstateerd, dat velen in onze tijd rustig toezien, dat allerlei machten rukken aan de landpalen van de erve des Heren, en het terrein van het koninkrijk Gods zienderogen afbrokkelt.

Feitelijk is dit de omgekeerde wereld.

Het enige rijk dat van annexaties leven kan en móet, is het koninkrijk Gods.

Reeds Israël wist, dat God hun geven zou de erve van het heidendom, en nòg duidelijker is dit geworden in het Nieuwe Testament, waar de Here Jezus beslag legt op alle creaturen en Zijn apostelen beveelt, hen tot Zijn discipelen te maken.

In zoverre behóren dus de burgers van het koninkrijk Gods grensverzetters te zijn. Zij werpen zich in de strijd met het gebed op de lippen en in het hart: Uw koninkrijk kome, dat is: bewaar en vermeerder Uw kerk. Het is hun hartstocht, dat het gebied der "wereld" steeds meer inkrimpe, en provincie na provincie worde ingelijfd bij het koninkrijk Gods. Want de regering van Christus is de enig wettige. De heerschappij van Satan mist alle bestaansgrond.

Daarom is het feit, dat de "wereld" veroveringen maakt op het terrein der kerk, niet alleen jammerlijk, maar ook onredelijk.

Toch is het feit helaas niet te loochenen.

Ook de tegenwoordige "vorsten van Juda" zijn geworden als zij die de grenzen verleggen, die het breed laten hangen, maar om de rechten en het eigendom des Heren zich weinig of niet bekommeren.

Let maar eens op het Woord des Heren.

Er is een ouderwetse uitdrukking, die spreekt van het-zich-stellen-onder-de-tucht van het Woord. Dat wil zeggen, dat het Woord Gods de pretentie voert, zeggenschap te hebben over heel ons leven. Dat Woord zal beslissen wat wij spreken en wat we zwijgen zullen. Hoe we ons te gedragen hebben in huis en in de kerk. Hoe onze verhouding zal zijn tegenover God en de naaste.

Maar tegenwoordig lappen velen dat aan hun laars.

Die invloedssfeer van het Woord reikt hun veel te ver.

Laten de wanden van het kerkgebouw weergalmen van het gepredikte Woord, maar daar moet het dan ook mee uit zijn. Het is al mooi genoeg, dat we er anderhalf uur naar luisteren. Vijf kwartier was beter. Maar laat dat Woord zich niet gaan bemoeien met mijn zaken. Het moet mij met rust laten op mijn kantoor. Het moet zwijgen in mijn particulier leven, vooral tot m'n slaapkamer niet doordringen. "Die Zijn wet overpeinst bij dag en bij nacht".... dat was vroeger zo. Hoe m'n vrouw en ik ons huwelijksleven zullen inrichten, zullen wij tenslotte zelf weten. Souvereiniteit in eigen kring! En wat wij zullen bebabbelen en over wie we zullen babbelen op onze visites, zullen wij ook uitmaken. Enzovoort!

Zó wordt de zeggenschap van het Woord des Heren gereduceerd tot enkele uren op de eerste dag der week, — als er zo gehandeld wordt over de dingen des geestelijken levens. En de landpalen, die God uitgezet heeft over de lengte en de breedte van ons leven, worden teruggeschoven tot de vier muren van het kerkgebouw op een mooie Zondagse morgen. Daar­heen trekken de vorsten van elks huisgezin, om daarna vorstelijk hun eigen gang te gaan. ... de vorsten van Juda zijn geworden als zij die de grenzen verleggen!

Ingekrompen wordt ook het terrein van Gods eigendommen!

Gods wettig eigendom is: "al d' aard en alles wat zij geeft, met al wat zich beweegt en leeft". Dat vers kènnen we wel! Insgelijks hebben we ver­nomen, dat wij rentmeesters zijn, niet anders dan rentmeesters, die reken­schap hebben te geven over hun rentmeesterschap. Elk ogenblik, dat de Here er iets van nodig heeft voor Zijn kerk, voor Zijn armen, voor Zijn koninkrijk, voor Zijn school, voor Zijn Vrije Universiteit, moet Hij er vrijelijk over kunnen beschikken. Daar valt verder niet over te praten. De Meester heeft het van node. Maar vele huidige vorsten van Juda stellen zich aan als de absolute eigenaars van wat ze bezitten, waarover zij en niemand anders te beschikken hebben. Al d' aard en alles wat ze geeft moge vrijelijk het eigendom des Heren zijn, maar daar is dan toch zeker hùn portemonnaie en hùn brandkast van uitgezonderd. Het gaat voor het koninkrijk Gods, zegt u? Man, hou op, dat is patrimoniumpraat. Die broeders hebben makkelijk praten, maar zij hebben niets te verliezen, en wij kunnen betalen! En daarmee kunnen de werklieden en arbeiders in Gods koninkrijk vertrekken. De vorsten van Juda hebben zich breeduit voor hùn brandkast neergezet en zij hebben bepaald dat de grenzen van Gods beschikkingsrecht over de kapitalen der aarde juist voor hun huis­deur langs lopen.... de vorsten van Juda zijn geworden als zij die de grenzen verleggen.

Het aantal voorbeelden van de inkrimping van de landpalen des Heren zou gemakkelijk te vermenigvuldigen zijn.

Genoeg echter, om te doen zien, dat Hosea's woord over de "vorsten van Juda" nòg actueel is.

Het is gelukkig, dat er ook nog vorsten in Juda zijn, rijken en edelen, die zich voor de komst van Gods koninkrijk vorstelijk weten te gedragen voor God en voor de mensen.

Maar evenzeer is het jammerlijk waar, dat er ook "vorsten" zijn in de trant van Hosea's tijdgenoten, die zich om het koninkrijk Gods niet be­kreunen.

Van deze vorsten is de kerk gelukkig niet afhankelijk.

Ze is het ook nooit geweest.

De kerk des Heren heeft het alle eeuwen door moeten hebben van die kleine (en grote!) luyden, die bezield waren met en doortrokken van de patrimoniumgeest —: daarvoor beware mij de Here, dat ik de erfenis mijner vaderen verkopen zou.

Dat is vorstelijk gesproken.

Zùlke vorsten hebben we veel nodig.

Deze koninklijke lieden kunnen er schuilen zowel onder de rijken als onder de eenvoudigen, maar er moet veel genade aan te pas komen, wil men tegelijk rijk en patrimoniumman zijn.

1   ...   17   18   19   20   21   22   23   24   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.