Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina24/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   42

VAN ZONNESCHIJN EN REGEN





Ja, wij willen de Here kennen, er naar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is Zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de re­gen.

Hosea 6:3a.


Reeds Hosea heeft de zin van het "Onze Vader" verstaan.

Het eerste, wat hij de berouwvol terugkerende kinderen in de mond legt, is: laat ons kennen, ja, er naar jagen de Here te kennen24. Nu, wat is dat anders dan: Vader, Uw naam worde geheiligd, waarvan de Cate­chismus deze treffende omschrijving geeft: "Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, goed­heid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heili­gen, roemen en prijzen; daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzo schikken en richten, dat Uw naam om onzent-wille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde".

Dat is nu ook de hartstochtelijke begeerte van het weergekeerde volk.

Het wil eerstelijk er naar jagen de Here te kennen.

Daarna ook "aandachtig op Zijn wegen letten, Zijn aangezicht zoeken, en naar Zijn wil en wet vragen", zoals Ridderbos25 dit "kennen" nader expliceert. En dat alles opdat nu niet meer, zoals vroeger, Gods naam om zijnentwil gelasterd, maar geëerd en geprezen zou worden.

In deze begeerte openbaart zich klaar het nieuwe leven.

Want de adem van het nieuwe leven is het gebed.

En dan natuurlijk niet elk willekeurig gebed. Had dit verloren kind, weer thuisgekomen, alleen en uitsluitend gebeden om z'n dagelijks brood, en weer de handen begerig uitgestrekt naar Gods gaven, dan zou de waar­achtigheid van z'n bekering onder ernstige verdenking moeten gesteld worden. Maar dit is gelukkig niet zo! Déze verloren zoon denkt niet in de eerste plaats aan brood en kleding, maar aan de eer van zijn Vader. En zo heeft de Geest van Christus, Die tevoren getuigde door de mond der profeten, reeds hier antwoord gegeven op de onuitgesproken vraag der kinderen: leer ons bidden! Deze Hosea (dat betekent: Jezus) onderwijst: Wanneer gij straks als u bange wordt, de handen weer uitstrekt naar God, zo bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd, dat is: "laat ons kennen, ja, er naar jagen de Here te kennen".

Maar niet zodra hebben de kinderen Israëls deze gebedswoorden per­soonlijk overgenomen, met geheiligde bereidheid om hun leven te schik­ken ook tot Gods eer, of ze gevoelen diep, dat zij in zichzelf alzo zwak zijn, dat ze geen ogenblik kunnen bestaan. Dat had de ervaring hen wel ge­leerd. Daarom laten ze er terstond de hoopvolle verwachting op volgen, dat de Here Zelf dat nieuwe leven moge onderhouden, gelijk zon en regen het ontluikende leven in de natuur tot ontplooiing brengen. Zij voelen zich in het genadeleven even diep van de hemel afhankelijk, als het leven in de natuur zonneschijn en regen behoeft. . . . dat is de zin van de nu volgende woorden: "Zo zeker als de dageraad is Zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen". Dat laatste, van die "regen", is zonder meer te verstaan; de eerste woorden maken duidelijk, dat Israël verwacht en bidt, dat de Here over Zijn volk zal opgaan en schijnen als de licht- en warmtebrengende zon, die opgaat over de akker. Zon èn regen! Zal er iets van het nieuwe leven terecht komen en van de schone beloften, dan kunnen ze die vruchtbaarmakende werking van de H. Geest niet missen. Van de Geest! Op Zijn komst wijzen deze beelden (gelijk ook bij andere profeten!) dui­delijk heen. En zo is deze passage van Hosea vol Paas- en Pinksterver­wachting. Van de Paasverwachting werd reeds gesproken26. Over de Pinksterverwachting gaat het nu. Hosea kent geen Pasen zonder Pinkste­ren. Hij verbindt de Paasvorst met de Pinkstergeest; de Verwekker van het nieuwe leven met de Voltooier van dat leven; de Zaaier mèt de Maaier, Die de oogst tot volle garven doet rijpen. Want om die oogst is het per saldo te doen. De Landman komt om de vrucht. Daarom besteedde Hij aan Israël, èn aan ons, alle zorg. Laat ons van Hosea vernemen, wèlke zorgen dat zijn, en ook eens nagaan, of de vruchten in ons leven daaraan wel beantwoorden.

Gelijk de volle dageraad zal Zijn opgang zijn. ... we denken daarbij allereerst aan het volle heil, ons in Jezus Christus geschonken, Die daarom ook de "Opgang uit de hoogte" heet, en waarvan een onzer formulier­gebeden dankt: "dat Gij ons gevoerd hebt tot het licht Uwer waarheid". Maar in Hem en met Hem worden ons voorts alle dingen geschonken, zodat nú Gods goedertierenheid voor ons verbaasde oog te vlammen staat als de opgaande dageraad en boven ons hoofd staat te stralen in nooit verflauwende kracht als.... de zon. Gods goedheid is om Christus' wil niet een korte opwelling, maar een altoosdurende, gelijkmatige uitstraling van zonlicht, die dóórgaat, ook al sluit de dwaze mens de luiken en ven­sters, om in het donker te klagen, dat hij zo weinig de zon ziet en altijd aan de schaduwzijde van het leven wandelen moet.

God is als de volle dageraad — als de zon in volle pracht, en zet ons derhalve onophoudelijk in verbazing wegens de aaneenrijging van ver­hoorde gebeden27. Van ons alles te geven, wordt de Heer nimmer moe. En die zonne-mildheid — dat is het verbazingwekkende — giet Hij uit over óns, die nog ontevreden zijn ook en klagen of God soms niet meer heeft te geven. Zijn zon doet Hij opgaan over bozen (dat zijn wij, en niet alleen de boze wereld!); Zijn brood legt Hij in de mond van die Hem lasteren, en met schatten vult Hij de handen die er op uit zijn, het ver­keerde te doen.

Dat licht willen we allen wel opvangen.

Het is ons stellig niet onaangenaam, als de zon van Gods goedheid op­gaat in ons leven, en we willen daar 's Zondags ook wel van zingen, dat Gods vriend'lijk aangezicht vrolijkheid en licht verspreidt, en wij wande­len graag in 't licht van 't goddelijk aanschijn voort!

Dat de zon schijnt — zeggen we immers — verveelt nooit.

Maar de Here vraagt meer.

Hij is er niet mee voldaan, dat we de dageraad zullen bezingen, en Zijn schatten incasseren zonder meer.

Want nu herinneren we ons, dat Israël hopend naar dat opgaande licht uitzag, opdat het nieuwe leven groeien zou, en we bedenken tevens, dat Paulus tegen de Romeinen zegt, dat ze goed moeten weten, dat de rijkdom van Gods goedertierenheid ten doel heeft: hen tot bekering te leiden.

God heeft de zon niet geschapen om dichters tot vervoering te brengen, het licht van de dageraad niet om zangers in ontroering te zetten, maar om licht, en vooral: vruchtbaarheid te geven. En God-Zelf is als een Zon, om met Zijn stralen de slapende wakker te kussen, en tot de mens te zeg­gen:bekeert u! God beschikt over veel middelen om de mens tot bekering te brengen, d.i. om hem vruchtbaar te maken. Ook over harde middelen. Maar een van die middelen is: de stralende zon. Daarmee zoekt Hij ons te ontwapenen. Wat Hij eist van de mens, die naar Zijn beeld geschapen is, dat doet Hij ons Zelf dag aan dag voor, namelijk het kwade te over­winnen door het goede.

En dit is dan de vrucht der bekering die Hij zoekt, en dit de ontplooiing van het nieuwe leven dat Hij verwacht: dat wij in alle voorspoed dankbaar zijn.

Deze plicht der dankbaarheid reikt ver.

Ze bestaat waarlijk niet alleen in een vrome (vaak onvrome!) betuiging, dat de Here u toch zo rijkelijk gezegend heeft. Maar ze bestaat in een totale levensvernieuwing in gebondenheid aan 's Heren geboden. Het leven der dankbaarheid kent maar twee woorden: gebod en gebed. De dankbare mens is de bekeerde mens. Dat is: hij is een ànder mens. Hij wendt zich met afschuw af van de zielige uitvlucht, dat "wij toch altijd maar mènsen blijven". Hij maakt er integendeel ernst mee, dat hij "een nieuw schepsel" is geworden. Hij maakt — door Zijn kracht — van zijn leven een lied: Uw geboden zijn mij gezangen. Hij maakt van zijn leven voorts een gebed: Uw naam worde geheiligd!

Als het iets voor mij betekenen zal, o God, dat Uw opgang over mijn leven was als de volle dageraad, dan moeten die vruchten in mijn leven groeien, en anders is mijn roem ijdel, en klinken mijn Psalmen van Gods vriendelijk aangezicht in Uw oor als een vloek!

Ook als een regen zal de Here tot ons komen, zegt het herboren Israël.

Met die regen is, in onderscheiding met de spade of voorjaarsregen, speciaal bedoeld de vroege regen, die in de herfst uit laaghangende wolken neerplaste. Stromende regenvlagen, die de rivieren tot bruisende stromen deden zwellen, en bij het gedruis van Gods watergoten riep de afgrond tot de afgrond. Opwekkend waren die neerkletterende regenstromen niet, maar welke landman zal nu begeren dat altijd de zon schijnt — dat is alleen de dwaasheid van de verwende cultuurmens. Betekent die regen geen zegen? Dragen de sombere buien geen beloften van heil in hun schoot? Verrijkt Hij 't grotelijks niet met regen, die tot de wortel raakt? Dient die plassende regen niet tot vruchtbaarheid van de akker en tot het behoud der gouden schoven, die zonder de regen zéker zouden verkòmmeren? Wie dankt er dan niet voor de vlagen die razen over het veld in de sombere herfst, en wie jubelt er niet over de donkere wolken­gevaarten die losbarsten boven zijn hoofd?

Nu, dat doet bijna niemand.

Zoals wij mopperen kunnen over het buiïge weer, zonder te bedenken, dat de akkers het daarvan hebben moeten, en wij daar straks van leven moeten, zo staan wij te pruilen als de zon schuil gaat in ons leven achter de dikke regenwolken, en de slagen en de vlagen neervallen. Wij bedenken niet, dat de ongewenste regen een ongedachte zegen meebrengt; dat alle dingen, óók die sombere vlagen (die wellicht het meest!), moeten mede­werken ten goede, en bevorderlijk zijn voor de grote oogst!

Niet minder dan met de zon, bedoelt God met de regen onze bekering, dat is: dat we vruchtbaar zullen zijn.

Als een van die vruchten noemt de Catechismus: dat wij in alle tegen­spoed geduldig zijn.

Geduldig — dat is niet maar de passieve houding van "het is nu een­maal niet anders". Want zó kan, ja moet ook de ongelovige mens wel

"geduldig" zijn. Dat is geen vrucht van het nieuwe leven. Het christelijk geduld is vol bruisende activiteit. Het sléépt z'n kruis niet, en draagt het ook niet alleen, maar draagt het vrolijk. Het jubileert: wij hebben dan altijd goede moed. Het overlegt in paradoxaal geloof, dat elke tegenspoed feitelijk voorspoed moet heten, omdat in de regen een zegen verborgen ligt. Daarin komt de bekering, het anders-zijn van de christen uit, dat hij alle dingen anders ziet, en daarom ook andere namen geeft. Op de vraag, hoe het wel met hem gaat, antwoordt hij te allen dage: goed! Want God doet alles ten goede gedijen. Hij leert het wonderspreukige woord ver­staan, dat men God kan danken in alles, en dat men te allen tijde verblijd kan zijn.... Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden! Uw goedheid straalt hen toe (de zon!), Uw kracht schraagt hen in 't lijden (de regen!).

Zodat wij wel tot de conclusie moeten komen, dat we op het pad der waarachtige bekering nog maar een heel klein eindje gevorderd zijn.

De resultaten van Gods arbeid zijn uiterst gering.

De vruchten van Gods zon en regen zeer schraal.

Allerdroevigst zou het echter zijn, als élke vrucht uitbleef!

Het einde van een onvruchtbaar leven is: in het vuur geworpen te worden.

En toch — er zijn zo angstwekkend veel onvruchtbare levens.

En zelfs onvruchtbare "gereformeerde" levens!

Vol stekels en distels.

Maar zonder vrucht.

De grote Landman komt om de vrucht — wat zal Hij vinden?

1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.