Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina25/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   ...   42

GODS VERLEGENHEID





Wat zal Ik u aandoen, o Efraïm?

Hosea 6:4 a.


Er hangt een tragisch misverstand tussen God en Efraïm!

De laatste méént, dat God òm hem verlegen is, en God verklaart, dat Hij mèt hem verlegen is.

De gedachte, dat God òm Zijn volk verlegen was, lag onuitgesproken in de veelheid der offeranden: men was van mening, dat de Here van die offers leven moest en er gunstig door werd gestemd; het moest voor God toch wel aangenaam wezen, dat er in Palestina tussen de vele heidenen óók een volk woonde, dat Hèm met z'n altaren bedacht!.... Here, het is goed, dat wij hier zijn!

Het is nu de profeet Hosea, die deze gewaande verlegenheid-Gods-om-offeraars verwaand noemt, en afwijst met het ontdekkende: "Want in liefde heb Ik behagen en niet in offers" (vs 6), en er bij zegt, dat de zaak eigenlijk precies andersom staat, namelijk dat de Here hopeloos mèt dit volk verlegen zit, en niet goed weet wat Hij er mee doen zal.... "Wat zal Ik u aandoen, o Efraïm?" De grondtoon van deze vraag is niet zozeer ver­ontwaardiging28, dan wel verlegenheid. God is ten einde raad. Er is met dit volk niets aan te vangen. Alle hoop moet vrijwel prijsgegeven, dat er nog iets van Efraïm te maken is. Iets te máken! Zó kan de vraag namelijk óók, en waarschijnlijk nog béter gelezen worden: "Wat kan Ik nog van u maken, o Efraïm?" Het is immers steeds Gods doel, van de mens iets te maken. Hij is de grote Beeldhouwer, Die uit de zondaar Zijn beeld for­meren wil, en het is Zijn roem, uit de scherven en brokstukken kinderen te boetseren, die Zijn trekken vertonen. Maar mensenmateriaal is stug en hard. Met graniet en marmer is meer te bereiken. God schreef gemakke­lijker Zijn wetten in tafelen van steen, dan in het hart van Efraïm. Het antwoord op de vraag: wat kan Ik van u maken, Efraïm, zou moeten luiden: er is niets van u te maken!

Toch zijn er pogingen genoeg aangewend, om van Israël nog iets te maken.

Hosea brengt in herinnering de moeizame arbeid, aan hen ten koste gelegd, de eeuwen door: "Daarom heb Ik er door de profeten op ingehouwen, heb Ik hen gedood door de woorden Mijns monds" (vs 5)29.

God had de profeten dus gezonden om het volk te behouwen.... beeldhouwwerk, dat is der profeten taak, niets meer en niets minder.

Niets meer — zij moesten er maar niet doldriest op inhakken en houwen, om de boel kort en klein te slaan. De profeten waren geen slopers, maar bouwers, geen houthakkers, maar kunstenaars.... er is behalve beitel en hamer nog iets meer nodig om uit 'n brok marmer een beeld te fatsoeneren. Vooral veel liefde!

Niets minder — want profetenwoorden waren hamer en beitel gelijk! Geen klanken, geen speculaties, geen literaire ontboezemingen of dogma­tische beschouwingen. Ze wisten, de profeten, dat ze niet tot "beschou­wen", maar tot "behouwen" geroepen waren. Daarom spaarden ze niets en niemand. Ze aarzelden niet, om hard te slaan, zó, dat de stukken er af vlogen. Niet uit vernielzucht, maar om van Israël iets te maken.... Gods beeld! En zó weinig waren die woorden ijdele klanken, dat er af en toe ook wel slachtoffers vielen, als de aangekondigde gerichten in ver­vulling gingen: Ik heb ze gedood door de woorden Mijns monds! Maar de massa van het volk bleef onbewogen. Zowel de felste dreigingen als de roerendste beloften ketsten af op de stugge harten. Israël bleef zichzelf volkomen gelijk. Alle pogingen om door het woord der profeten Efraïm te behouwen, hebben gefaald. Er is niets van te maken — wat zal Ik u doen, o Efraïm?

Ziedaar de verlegenheid van Gods uitgeputte liefde.

Het staat niet zo best, als het Woord ons niets doet!



Wij hebben ook het profetische Woord, dat zeer vast is — en zeer pijnlijk.' —, en wij doen wèl, als we er acht op geven, wat de bedoeling Gods is met dat Woord. Het staat hier duidelijk: houwen! En de redenen Zijns monds zijn bestemd om te doden, namelijk datgene wat dood moet: de oude mens; opdat het nieuwe leven kan opbloeien, en wij de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is. Dat is: dat we Zijn beeld ver­tonen.

Het is nodig, dat dit uitgesproken doel der prediking goed bedacht wordt, zowel door de overbrengers als de hoorders van het Woord.

Een preek moet meer houwen dan beschouwen. Mag derhalve niet op­gaan in: een Schriftbeschouwing, kerkbeschouwing, verbondsbeschou­wing, doopsbeschouwing. Het is nodig als brood, dat daar goede "be­schouwingen" over heersen! Ook aan verkeerde denkbeelden behoort te worden geschaafd en gebeiteld en gehamerd. Maar de mens is meer dan 'n stel hersens. Ook met de meest correcte "beschouwingen" is het mogelijk onbekeerd te blijven. Behouwen is daarom meer dan beschouwen. Het stelt zich niet tevreden met juiste denkbeelden er in te hameren, maar de ganse mens te vernieuwen naar Gods beeld. Hij moet niet slechts denk­beelden bezitten, maar beeld van God zijn, en Christus behoort in hem een gestalte te verkrijgen.

Dit "houwen" vraagt een kunstenaarsziel.

Het vereist veel liefde en spanning, om de juiste proporties te zien, dat er niet te weinig, maar ook niet te veel met ruwe hand wordt afge­houwen. Het beeld moet harmonisch zijn. Het "Woord" is een geniaal beeldhouwer, en geen smid, die almaar op hetzelfde aambeeld slaat. Het wil ook geen menselijk geraamte formeren, maar mensen Gods van vlees en bloed, die met verstand en gevoel, hoofd en hart en hand, met lichaam èn ziel tot alle goed werk bekwamelijk zijn toegerust.

En anderzijds, wat de hoorders betreft, wie gaat er nu eigenlijk nog naar de kerk om zich te laten behouwen, en zich te laten "doden" door de woorden Zijns monds. Liever dan dit behouwen is ons het bedauwen door veel stichtelijke "leerredenen", we kunnen daar kostelijk onder genieten, terwijl de zaak op de oude voet wordt voortgezet. We zingen onver­schrokken:

'k Haat ranken vol van kwaad' en bittere vrucht,

en eveneens zonder blikken of blozen:

Ik heb gepoogd mijn lusten in te tomen,

maar het moet menigeen toch wel moeite kosten, daar ernstig onder te blijven. Bovendien komen we dit "de dichter" na te zeggen, en dichters leven nu eenmaal in hogere sferen; en het proza van het leven is wat anders dan de poëzie der Psalmen. Wat is er dus tegen, om 's Zondags­morgens met een slecht humeur op te staan en ongenaakbaar te wezen, en straks in de heilige gebouwen te verklaren aan God, dat men gepoogd heeft z'n lusten in te tomen? Om dan na kerktijd te verklappen, dat ge die Psalmen toch altijd zo mooi vindt: men ziet er Gods heiligen in het hart!

Een van de trekken — stellig wel de voornaamste trek —, die God zo gaarne van Zijn beeld terug wil vinden in Zijn volk, wordt hier door Hosea met name genoemd.

Het is de liefde.

Hij zegt eerst negatief, dat het niet heeft mogen gelukken die trek van Gods beeld in Efraïm diep in te graveren, want: "uw liefde is als een morgenwolk, en als een dauw, die in de vroegte vergaat" (vs 4b).

En even later positief, dat de Here juist die eigenschap zo gaarne had willen ontdekken: "want Ik heb lust tot liefde en niet tot offer" (vs 6a).

Sommigen vertalen: vroomheid. Weer anderen: goede gezindheid. In elk geval wordt een gesteldheid des harten bedoeld, die ons woord "liefde" heel dicht nadert. We zullen nu maar niet met de exegeten gaan uitpluizen, of Hosea in dit geval de liefde tot God of de liefde tot de naaste op het oog gehad heeft, maar we houden 't er voor, dat beide bedoeld zijn, want dat is de vervulling der wet: God lief te hebben boven alles, en de naaste als zichzelf.

Bezit de mens déze liefde, dan vertoont hij wel de heerlijkste trek van Gods beeld, want God is liefde. Daarom noemde Paulus de liefde de meeste. Want het geloof doet de mens zich in Gods armen werpen; de hoop doet hem naar God uitzien, maar de liefde doet hem op God gelijken. Het is dus geen wonder, dat de Here, Die van Efraïm iets begeerde te maken, en hen daartoe door profeten liet behouwen, boven alles uitzag of Hij déze trek van Zijn beeld ook kon ontdekken: de liefde.

Helaas, ook die werd niet gevonden!

Wat God wèl vond, was het offer!

Overal vlamden en brandden de altaren, maar op de altaren legde Israël beesten, en niet.... z'n brandende hart vol liefde. Zulke offers zijn waar­deloos. Wie heel stipt naar het vierde gebod de kerkedienst en het predik­ambt onderhoudt, maar in dat geld z'n ziel niet legt en het al morrend in steê van met blijdschap geeft, kan het beter houden. De Here verklaart, er geen lust in te hebben. Dat geld klinkt even vals als de zilverlingen die Judas in de tempel wierp. De opbrengst van dat geld sticht geen bloei­ende kerk, maar een akeldama, 'n akker des bloeds!

Dit woord is, zegt Ridderbos30, een dier merkwaardige uitspraken, waarin ook onder de oude bedeling reeds wordt verklaard, dat "in de dienst van God niet de uiterlijke eerbetoning, maar de gezindheid des harten het eigenlijke is".

Inderdaad!

En toch zoeken wij het altijd zo graag weer in die "uiterlijke eerbeto­ning", en zijn we geneigd met de buitenkant genoegen te nemen en onszelf en anderen en — als 't mogelijk was — ook God te bedriegen.

Nu, met dat uiterlijke is de burgerlijke wetgever dubbel en dwars te­vreden. Als ge uw belasting betaalt, is het in orde, en wordt er geen onder­zoek ingesteld of ge de belasting ook met blijdschap of uit ware vader­landsliefde hebt betaald.

Maar waar de burgerlijke wetgever eindigt, daar begint de goddelijke Wetgever.

Hij is niet tevreden als ge uw gelofte en uw kerkelijke bijdragen betaalt, met 'n zucht, en stipt in het gareel blijft lopen, maar Hij stelt een ernstig onderzoek in naar de binnenkant, en vraagt of ge dit alles doet uit liefde!

Hij zoekt het allerdiepste van uw leven op!

En een onbarmhartig oordeel gaat over een volk, waarvan moet wor­den gezegd: dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. En over de scrupuleuze Joden (en christenen!), die op de Sabbat in de synagoge zaten en moordplannen smeedden in hun hart (dat kan dus ook al samengaan!) en dagen en maanden onderhielden, maar nalieten het zwaarste der wet: de liefde!

Die liefde was bij Efraïm — zegt Hosea — als een morgenwolk, die bij het opgaan der zon al weer verdwenen is, en als de dauw, die in de vroege morgen al weer heen is gegaan.

Wolken en dauw — zonder vruchtbaarheid!

Beloften, rijke beloften — zonder daad.

Schijn zonder wezen! Alles even vluchtig en voorbijgaand en oppervlakkig.

Veel geschreeuw en weinig wol. De trekken van Gods beeld waren er niet in gegraveerd en gehouwen, maar er hoogstens buiten op... . geschilderd. Het is klaar als de dag31, dat Gods oordelen dit volk zullen verteren, dat op het Woord zich niet heeft willen bekeren.

Indien soms hier en daar de gedachte zich had postgevat — men kan nooit weten —, dat de Here om het "gereformeerd volksdeel" in Neder­land wat verlegen is, en het "goed is dat wij hier zijn" om Zijn taber­nakelen te bouwen, dan zou het nuttig zijn, dat ditzelfde volksdeel eens de vraag overwoog en de mogelijkheid onder ogen zag, of de Here soms mèt hen zeer verlegen was, vanwege die gestalte van Jezus Christus, ziet u, en die trek der "liefde", die Hij (tevergeefs?) zoekt!

Wat zal Ik u dan aandoen, o Efraïm?


1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.