Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina26/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   42

WERELDGELIJKVORMIGHEID





Zij hebben als Adam het verbond overtreden.

Hosea 6:7a.


Bondsbreuk is de zonde, waarvan Israël nu beschuldigd wordt.

De ietwat vreemd aandoende toevoeging, dat zij het verbond hebben overtreden "als Adam", heeft de uitleggers veel hoofdbrekens gekost. We komen daar aanstonds nog op terug.

Eerst vragen we: wat hield die bondsbreuk in?

Als wij tegenwoordig over bondsbrekers spreken, dan denken we als vanzelf aan mensen, oudere, maar vooral jongere, die de God hunner moeder de rug toekeren, en hun eerstgeboorterecht verkopen.

Er is behalve deze openlijke bondsbreuk ook een andere, die veel meer verbreid is, en die veel minder opvalt. Daar maakt Hosea hier attent op. Hij noemt overtreders van het verbond degenen die de liefde missen32, ofschoon zij overvloedige offers blijven brengen. Dat kan dus ook al­weer !. . . . bij de altaren blijven staan en de tempel frequenteren, en toch het verbond trouweloos schenden. Druk over het verbond praten en ver­bondsbeschouwingen opzetten, en niettemin met de eerste beginselen van het verbond overhoop liggen. Immers, de bondswèt is: gij zult liefhebben, en waar met deze liefde een spel gespeeld wordt, en de "liefde is als een morgenwolk", daar verwijt de profeet des Heren: zij hebben het verbond overtreden.

Dit is alles nog negatief: het ontbreken van de liefde!

Positief wordt dit nu nader aangetoond in een reeks van overtredingen tegen de beide tafelen van de wet.

Wat de verhouding tot de naaste betreft — de tweede tafel dus — scheen het gebod: gij zult niet doodslaan, niet te bestaan in die dagen, en waren moord en doodslag aan de orde van de dag. Althans: Gilead wordt aangewezen als "een stad van misdadigers, vol bloedsporen" (vs 8). Het is niet onwaarschijnlijk, dat Hosea o.a. zinspeelt op het feit dat Pe-kahia door Pekah werd vermoord met behulp van vijftig Gileadieten, zoals in 2 Kon. 15:25 te lezen staat33. Zelfs de priesters, door Jerobeam 1 uit de heffe des volks gerecruteerd, sloten zich aaneen om als echte rovers­benden met name de weg tussen Bethel en Sichem onveilig te maken (vs 9) . . . . Zij slóegen zelfs de reizigers dood, dus nog erger dan die priester uit de gelijkenis, die een ellendige slechts halfdood aan de weg liet liggen. Anderen zijn van mening, dat de priesters het zo bont niet maakten, maar dat ze het asylrecht weigerden aan hen die in Sichem — vanouds een vrijstad — het vege lijf trachtten te redden34. Hoe dit zij, erg priesterlijk handelden deze priesters in elk geval niet.

Daar kwam dan nog bij de zondige cultus — de overtreding tegen de eerste tafel der wet —, door Hosea hier weer, gelijk hij gewoon is, als "ontucht" betiteld en als iets "afschuwelijks", iets horribels gequalificeerd (vs 10). Met de liefde tot God nam men het al evenmin nauw als met de liefde tot de naaste!

Zó was het toen!

Verschrikkelijke toestanden, is iemand geneigd hoofdschuddend te zeggen.

Wie echter enkele eenvoudige dingen bedenkt, als daar zijn: dat God ook nijd, haat, twistgierigheid voor een doodslag houdt; dat vele "gelo­vigen" — priesters des Heren — zó weinig priesterlijke bewogenheid be­zitten, dat ze de schipbreukelingen des levens kalmweg het asyl in de vrij­stad der kerk weigeren, en evangelisatie als een min of meer dwaze lief­hebberij, in elk geval als een "bijzaak" beschouwen, die leert wel spoedig af, om uit de hoogte op het Israël van Hosea's dagen neer te zien, en komt tot de conclusie: het was er al net als bij ons. Als dan bovendien het woord "verbond" in velerlei variatie niet van de lucht is, terwijl met de verbondswet der liefde geknoeid wordt, dan schrijnt en knarst het van alle kanten, en kan de Here ook nú gerust zeggen dat Hij iets horribels in het huis van Israël heeft gezien.

Dit tot verbazing der verbondsbeschouwers!

Want al ware het dat het "verbond" geen geheimen meer voor mij had, en ik voor elke ongereformeerde verbondsbeschouwing volslagen im­muun was, en de liefde niet had, ik ware een klinkend metaal en een luidende schel geworden. Dan zal ons geslacht, dat liefdeloos schrijft en kijft over het verbond, en even liefdeloos en on-priesterlijk het asylrecht in het verbond ontzegt aan afgedwaalden van de kerk, verweten moeten worden: zij hebben het verbond overtreden als Adam; en ze dachten dat het nu zo keurig tot in de puntjes in orde was met het verbond. Ja, een mens kan zich vergissen. Hoewel deze vergissing minder vergeeflijk wordt met de voorbeelden der historie voor ogen!

Zij hebben het verbond overtreden.... als Adam: op die laatste woor­den zouden we nog nader terugkomen.

De plotselinge herinnering aan Adam doet in dit verband wat wonderlijk aan, en mee daarom is er iets voor te zeggen, de voorkeur te geven aan een andere vertaling, die taalkundig evengoed mogelijk is. Adam be­hoeft namelijk niet een eigennaam te betekenen, maar beduidt ook een­voudig: mens. In de Hebreeuwse tekst staat in Gen. 1:27: En God schiep Adam naar Zijn beeld, maar de Statenoverzetter vertaalde daar terecht: En God schiep de mens naar Zijn beeld. Op dezelfde wijze kan men ook hier lezen: zij hebben het verbond overtreden als een mens35.

Is dit juist, dan wordt het verwijt zo mogelijk nòg scherper.

Hosea verklaart dan, dat Israël vlak-menselijk, wij zouden zeggen puur-werelds gehandeld heeft in deze verbondskwestie. Zo maar ontrouw wor­den, en heilige pacten verscheuren, dat is werk dat men van natuurlijke mensen kan verwàchten (hoewel die nog wel eens voorbeeldig trouw kunnen zijn!), maar toch in geen geval van mensen Gods, tot alle goed werk bekwamelijk tóegerust. Dat een heidens volk als Tyrus niet gedacht heeft aan het verbond der broederen, zoals het door Amos wordt ver­weten [Amos 1:9], is erg, want daarmee heeft het de banden der gemene gratie verscheurd, maar wat dan te zeggen van het volk der bijzondere genade, dat aan het verbond met God niet meer denkt. Zoals onder mensen zelfs het huwelijksverbond niet meer heilig is, zo is voor Israël de huwelijks­band met God niet heilig meer. En zoals door de volken de verdragen als vodjes papier worden verscheurd, zo heeft Israël het heilig verdrag met de Here opgezegd.

Zo is dan het volk der bijzondere genade afgezakt tot het peil der volken van de algemene genade.

Wereldgelijkvormigheid!

Zij hebben het verbond overtreden als een mens.

Zelfs brengt de natuurlijke mens het er af en toe nog beter af, en zou de naam wereldgelijkvormigheid nog tè strelend zijn.

Het is wel de droevigste klacht, die Hosea kan aanheffen, en tegelijk de felste beschuldiging, die hij kan inbrengen, dat de nieuwe mens han­delt:.... als een mens!

Het is geworden tot een spreekwoord in het Israël-van-onze-tijd, dat een mens toch altijd maar een mens blijft!

Dit is een der meest goddeloze spreekwoorden, dienende om een menigte van ongerechtigheden te bedekken.

En zoals het met de meeste spreekwoorden gaat, bevat het een element van waarheid, maar is het in z'n algemeenheid een leugen.

De waarheid is, dat de "oude mens" tot onze dood toe zich blijft roeren, en dat ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, slechts een klein beginsel hebben van deze gehoorzaamheid.

Maar het is een leugen, dat een gelovige altijd maar een mens blijft, en niet boven het peil van het gewoon-menselijke wordt uitgeheven. Hij wòrdt integendeel een nieuw mens, en het oude is voorbijgegaan. Dit wáárt gij eertijds, maar gij zijt nu geheiligd. Met die nieuwe naam van geheiligd mens is hij zelfs alleen bij God bekend, en wordt hij als zodanig door God in de Schrift aangesproken. Hij doet en handelt niet — om met de Statenvertalers te spreken — als Adam, maar als de tweede Adam. Christus kreeg in hem een gestalte. Christus leeft in mij! De eerste, oude Adam moge nog aanwezig zijn, en aan de teugels rukken, de tweede, Christus, geeft de richting van zijn leven aan. De boze lusten des vleses regeren niet meer, zoals de Catechismus ergens treffend opmerkt, maar zijn hoogstens de rebellen, die af en toe de kop opsteken.

Zo blijft dus de gelovige mens niet maar een mens. Hij wordt integen­deel een ander mens, die anders dènkt — het zijn inderdaad de anders­denkenden —, anders voelt, anders handelt, anders spreekt.

Kortom, hij wordt in alles Christus-gelijkvormig.

Blijft dit uit, dan is hij wereld-gelijkvormig, het verbond overtredende als.... een mens!

Het is volstrekt nog niet voor een ieder duidelijk, dat de "wereld-gelijkvormigheid" daarin feitelijk bestaat. Ze wordt gemeenlijk in allerlei uiterlijke dingen gezocht, want de mens ziet aan, wat voor ogen is. De pin-up-girls, de bezoekers van de bioscoop en dergelijke zijn in de ogen der meesten de wereldgelijkvormigen. De zaak is echter veel erger. De wereld-gelijkvormigheid is veel dieper doorgedrongen dan menigeen geneigd is te geloven, misschien wel niet het minst in het leven van hen die hun wee over de huidige afval uitspreken. Want Christus beoordeelt de harten. En wereldgelijkvormig is een ieder die overlegt als een mens, gezind is als een mens, spreekt als een mens, en dat alles niet doet als. ... een ver­nieuwd, een wedergeboren mens.

Deze wereldgelijkvormigheid is er, als onze conversatie niet boven het peil der wereld uitkomt, ook al blijft het alles in 't fatsoenlijke en wordt er niet meer aangeroerd dan het weer, de buren en de politiek. Ze is er als in het sociale en maatschappelijke leven geen andere maatstaf wordt aangelegd dan die de wereld heeft: het eigenbelang, ook al blijft men stipt en strikt eerlijk. Ze is er in de vraag: wat zullen we eten, en wat zullen we drinken, want.... al deze dingen zoeken de heidenen. Ze is aanwezig in de echt-wereldse vraag, wie van hen de meeste zal zijn. Deze wereld­gelijkvormigheid hangt overal breed uit in het gezinsleven en in het kerkelijk leven, in disputen en vergaderingen en in de innerlijke overleggingen des harten. Altijd en overal waar de natuur aan het woord is en niet de geest, waar we maar doen als mensen, en niet als nieuwe mensen, daar wappert vrolijk de vlag der wereldgelijkvormigheid boven de schetterende fanfares van verbond en verbondsmatigheid uit.

Zij doen en laten als. . . . mensen.

Dat is het ernstige verwijt van Hosea tegen Israël en... . tegen ons!

Dat maakt hem angstig en toornig tegelijk. Dat is de tragiek van een bondsvolk, en een onbegrijpelijk raadsel tevens!

Wij kunnen er niet over uit, dat er mensen bestaan, die handelen kunnen als de béésten. Hosea verklaart, dat er nog iets ergers is, namelijk dat nieuwe mensen als. . . . mènsen handelen.

Een Psalmist heeft eens gebeden tot God: "laat de heidenen weten, dat zij mènsen zijn".

We kunnen dat verstaan, en we kunnen dat meebidden, och ja, laten die arme heidenen toch weten, dat ze mènsen zijn, die ook een ziel hebben. We plegen ons immers over heidenen zeer te bekommeren.

Maar als dit gebed nu verder gaat, en wat persoonlijker wordt, in dezer voege: en laat de christenen weten, dat ze nieuwe mensen zijn, zouden we dat óók zo goed kunnen meebidden?

Het zou zo èrg nodig zijn!

Vanwege die wereldgelijkvormigheid, weet u?

O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk, tweede Adam, leef in mij, opdat ik U geheiligd zij, en ik, bondeling, niet meer het verbond overtreed door te doen als ware ik maar... . een mens, en geen kind van God.

1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.