Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina27/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   42

DE SLAPENDE BAKKER





.... al slaapt bij hen de bakker de ganse nacht.

Hosea 7:6a


Tweemaal wordt er over een bakker gesproken in de Schrift. De eerste maal in Genesis: ieder kent die geschiedenis wel van de overste der bak­kers, die opgehangen werd. De onderstelling is niet ongerijmd, dat hij in een aanslag op het leven van de farao betrokken was geweest, en daarom zo zwaar gestraft werd. Hosea is de tweede, die een bakker ten tonele voert. Het is echter geen echte, maar een figuurlijke bakker. Dat wil zeggen: de profeet ontleent aan het bakkersbedrijf een beeld, om scherp in het licht te stellen, wat de boosdoeners van zijn dagen in Samaria uit­voeren. Die boosdoeners zijn in dit geval al weer koningsmoordenaars, die complotten smeden. Heeft Hosea aan de ongelukkige bakker uit Egypte gedacht, toen hij het doen en laten der samenzweerders in Efraïm vergeleek met wat de bakker doet met z'n oven en z'n brood? 't Is best mogelijk. In elk geval moet men goed bedenken, dat we hier met beeld­spraak te doen hebben, en dat er niets ten kwade gezegd wordt van de bakkers in Israël, maar wel van de zondaars tegen het zesde gebod. Dood-slagiers en samenzweerders dus. Zulke lieden zijn er te allen tijde geweest en zijn er nog in allerlei gedaante. Moordenaars met en zonder revolver. Zij, die metterdaad kwetsen en doden, en zij, die het doen met haat, maar dat is hetzelfde, want wie zijn broeder haat is een doodslager. Die doden dus met priemende dolken of met priemende woorden en gebaren, en die in de Schrift allen op één lijn worden gesteld, omdat "God zulks alles voor een doodslag houdt". Dus: bakker of dominee, schoenmaker of chauf­feur of wat dan ook, het komt er maar op aan, dat ik mij wacht voor het snood bedrijf van deze-bakker-in-de-gelijkenis van de profeet Hosea.

Wat is er dan met die bakker?

Enige woorden ter opheldering zijn hier niet overbodig, want de eerste zeven verzen van Hosea 7 zijn zó duister, gelijk ieder onder het nalezen zal bemerken, dat ook de knapste uitleggers niet veel verder komen dan te raden naar de feitelijke bedoeling. We gaan daarom ook niet op allerlei bijzonderheden in, en verdiepen ons niet in vele gissingen, maar bepalen ons tot de hoofdzaak. En dan is het wel meer dan waarschijnlijk, dat Hosea in dit gedeelte een beschrijving geeft van de horribele practijken der ko­ningsmoordenaars, zoals blijkt uit de uitroep aan het slot: "Zij verteren hun regeerders, al hun koningen zijn gevallen" (vs 7). Men zal zich na­melijk herinneren, dat na de regering van Jerobeam II het koninklijk bloed bij stromen vloeide, en de ene kroon na de andere viel. Gedurende een periode van omstreeks twintig jaar beklommen niet minder dan zes koningen de troon van Israël, en deze troonswisselingen vonden niet op normale, maar op gewelddadige wijze plaats: de een vermoordde met zijn aanhang eenvoudig de ander, om op zijn beurt weer door een derde neer­gesabeld te worden. Koningen als Zacharia en Sallum hielden het respec­tievelijk niet langer dan een half jaar en een maand vol. Zo ging dat toen.

Hosea laat ons nu achter de coulissen kijken, en zegt hoe die intriganten en sluipmoordenaars te werk plachten te gaan.

"Zij verheugen de koning met (of in) hun boosheid, en de vorsten met (in) hun leugens" (vs 3). De bedoeling daarvan kan zijn, dat de boos­heid en valsheid der handlangers de weg is, waarlangs de koning op de troon komt, en zij zódoende "de koning verblijden met hun boosheid"36, maar in verband met vs 5 lijkt een andere opvatting waarschijnlijker. Daar is namelijk sprake van "verhitting door de wijn", "op de feestdag des konings", waarmee wel z'n verjaardag bedoeld zal zijn. Op zo'n feestgelag nemen de samenzweerders hun kans waar. Zij "verheugen" de koning in hun boosheid, hetgeen dan zeggen wil, dat hij vrolijk wordt bij de wijn37. Ze laten hem 'n roes drinken. De koning, van niets kwaads zich bewust, "wisselt handslag met gewetenloze lieden" (vs 5) en gaat dus argeloos en vriendelijk met z'n belagers om, maar in de andere hand houden de huichelaars de dolk, en straks valt de beschonken koning als slachtoffer van hun sluipmoord!

Ze weten hun tijd echter te beiden, deze heren.

Ze slaan er niet doldriest op in, maar handelen op het meest geschikte moment. Alles is van tevoren gearrangeerd, eerst wachten op de nationale feestdag, dan weer wachten tot de koning en de rijksgroten door de wijn beneveld zijn; overhaast mag er niets gebeuren. Dit kan alles bederven. Wachten dus — beid uw tijd!

En nu dan die bakker!

Als iemand namelijk vraagt, hoe Hosea toch déze sluwe moordenaars vergelijken kan met een eerzame bakker, dan ligt het punt van overeen­komst heel gewoon in.... het wachten!



Zij wachten de ganse nacht, om hun slag te slaan als het feest ten einde loopt bij het morgengloren — precies zoals de bakker. Die bakker kan namelijk ook niet direct aan de slag gaan. De al te haastige bakker, die geen geduld heeft om te wachten, dat het geknede deeg eerst gegist is, brengt er niets van terecht. Dat wordt een mislukking. Dus: wachten.

Hij maakt de oven wel al vast aan, maar wacht nu voorts af tot het deeg geheel doorzuurd is. Hij gaat dus zolang maar slapen. Evenzo sluimert z'n oven. Als nu maar niemand meent, dat de sluimerende oven en de sluimerende bakker zoveel betekent, dat van het eigenlijke bakken wordt afgezien. Integendeel, 's Morgens is het deeg klaar, de oven hoeft maar even opgestookt en "hij brandt als een vlammend vuur" (vs 6b). Het wachten diende slechts om te beter te kunnen bakken.

Zo is het nu ook met de haat van deze moordlustigen.

In snelle afwisseling van beeldspraak wordt die haat nu eens vergeleken met het vuur van de bakkersoven (vs 4a, 6a, 7a), dan weer met de wach­tende bakker zelf38. Maar één ding is zeker: zo min het sluimerende vuur uitgaat, en zo min als de slapende bakker van bakken afziet, maar beide slechts wachten op het juiste uur, zo min worden de haat en de gramschap van deze sluipmoorders geblust. Trek uit hun kalme afwach­tende houding geen verkeerde conclusies. Evenmin uit hun vriendelijke gebaren aan tafel. Meen niet, dat zij hun vijandschap hebben afgelegd.

De wrok sluimert slechts.

Straks brandt hij als een vlammend vuur.

Hij wacht slechts op een welgelegen uur. Z'n prooi zal hem stellig niet ontgaan!

Als we dit allemaal zo lezen, dan horen we in dit luguber moordenaars-bedrijf een praeludium van het kruis.

Zoals Israël altijd z'n profeten doodde en z'n koningen afslachtte, zo heeft het ook z'n hoogste Profeet en grootste Koning niet gespaard. Zal ik dan uw Koning kruisigen? — dat is de noodlottige en ijzeren conse­quentie van de historie. Wie zal zeggen, of Jezus Zelf de harten der Emmaüsgangers niet brandende gemaakt heeft door de uitlegging van Hosea 7, dat al deze dingen alzo moesten geschieden? Schoon minder duidelijk, lopen door Hosea 7 evenzeer de bloedsporen van het kruis, als dat in Jesaja 53 het geval is. Die "koningen Israëls" zijn anti-typen van de Messias-koning, hun moordenaars zijn de sprekende typen van de Messiasmoorders. Nestelden zich niet van de aanvang af haat en wrok in hun harten tegen Jezus? Maar ze weten ook hun tijd af te wachten. Hun toorn sliep wel, maar was niet dood, evenmin als de slapende bakker van Hosea. Ze beraadslaagden voortdurend hoe ze hem doden zouden, maar afwachten was de boodschap. Wachten tot het feest, de verjaardag des konings, zeiden de samenzweerders uit Hosea. Niet op het feest, zeiden de moordenaars van de grote Hosea-Jezus. 't Kwam tòch op het feest.

Want toen was het Zijn ure. En dan, als het "de dag en de ure des "konings" is" (vs 5), hebben zij ook hun lagen gelegd en naderen ze in hun arglistigheid39. De verrader, "de man die Mijn brood at", ontbreekt zo waar ook hier niet, de man met het masker — Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met. . . . een kus? En zo is de lang-sluimerende haat langzaam aangewakkerd tot een laaiend en brandend vuur, als zij allen tezamen roepen: kruist Hem, kruist Hem, en is in dat vuur van de haat Jezus verteerd. Ik zeg het verkeerd. Is Hij geworden tot hèt Brood des levens.

Wat nuttigheid verkrijgt gij uit deze offerande en de dood van Christus aan het kruis?

"Dat door Zijne kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer re­geren."

Ja, zó gaat het met hem, die dit Brood des levens gegeten, en Zijn bloed gedronken heeft.

Zolang we alleen maar toeschouwers bleven bij het kruis, en niet wer­den medekruiselingen, die "met Hem gekruisigd" werden, blijft de "oude mens" intact, en blijven de boze lusten des vleses regeren. We komen er dan niet toe, om alle wraakgierigheid af te leggen, en evenmin om dan de zon niet te laten ondergaan over onze toornigheid. Als de zon ondergaat, slapen we rustig in, de ganse nacht, en. . . . nijd, haat, toorn en wraak­gierigheid slapen mee in. Maar ze worden niet gedóód. O nee, dat niet. En die venijnige wortelen van de doodslag, die ons eigen leven èn dat van anderen verwoesten, worden niet uitgeroeid. O nee, dat ook niet. De bak­ker slaapt alleen maar de ganse nacht, en 's morgens ontwaakt hij weer, de nijd, als een vlammend vuur, en als het uur komt, het uur van de wraak, dan zullen we 't eens goed betaald zetten.

O, de slapende bakkers in de gemeente, die hun belagers wel eens 'n poets zullen bakken!

O, de sluimerende nijd en toorn en wraakgierigheid! Die al maar slui­meren blijven, maar niet dóód willen; die maar smeulen blijven als een bakoven en nimmer worden uitgeblust. De hitte van Uw gramschap is geblust, jubileren we in onze Psalmen, maar. ... de hitte van mijn gram­schap wordt nooit geblust! Dat is te veel gevergd! Dan zouden we immers onszelf moeten verloochenen, en de minste wezen! En wie wil dat?

De wereld van ongerechtigheid van deze slapende — en niet bestreden — zonden is groot.

Hier sluimert een stille wrok, en daar de vale afgunst en ginds wacht er een op het gelegen moment, om de ander eens geducht de waarheid te zeggen, en de oren (in plaats van de voeten) te wassen. En af en toe komt het tot een explosie, en laait aan alle kant het twistvuur op, om daarna weer. ... te gaan slapen. En als hier en ginds nog eens een consciëntie ontwaakt, als dan eens iemand inziet, dat het zo toch niet kan, en niet mag, dan is er wel een ander, die een wiegeliedje zingt, dat het vroeger toch niet veel beter was, en dat onze vaderen ook aldus deden, of men schenkt zichzelf het slaapdrankje in, dat men "toch heus niets op hem tegen heeft".

Dan slaapt de bakker weer — de ganse nacht!

De bakkers èn de oversten der bakkers!

En zij drómen zo waar óók!

Zij dromen de schone droom, dat zij Jezus Christus toebehoren kunnen en tóch dezelfde mensen blijven, in wie de "boze lusten des vleses rege­ren". Dat zij hun mede-koningen, -priesters en -profeten kunnen vermoor­den, zij het "slechts met gedachten of enig gebaar", en tóch hun gerechte straf ontgaan. Dit is dan ook maar een droom. Als de overste der bakkers wakker wordt, dan blijkt, dat hij zal worden opgehangen, waarlijk op "de dag des konings", "de dag van Farao's geboorte" (Gen. 40:20). Zoals op de dag des groten Konings het eeuwig doodvonnis treft die niet "met Hem gekruisigd, gedood en begraven zijn". Want wie niet sterft eer hij sterft, zal sterven als hij sterft.

Daarom, ontwaakt, gij die slaapt, en laat uw toorn niet langer slapen!

Ik weet, Here, dat ik zeer zwak ben, en dat mijn boze lusten zeer sterk zijn. Ze zullen in mij blijven woelen, tot mijn dood toe, maar laat mij die wetenschap niet in valse rust doen inslapen. Laat de boosheid in mij niet regeren, maar regeer Gij mij door Uw Geest en Woord, en gun door 't geloof in Christus krachten, dat mijn oude mens met U sterve en gekruisigd worde.


1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.