Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina29/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   25   26   27   28   29   30   31   32   ...   42

ONVERHOORDE GEBEDEN





Hoewel Ik hen verloste, hebben zij tegen Mij leugens gesproken.

Hosea 7:13 b.


Hosea 7 is het hoofdstuk der gelijkenissen.

Waarmee zal ik dit geslacht vergelijken ?. ... De profeet is niet ver­legen met het antwoord! Uit het volle leven grijpt hij het ene beeld na het andere, om de boosheid en de dwaasheid van zijn tijdgenoten aan de kaak te stellen. Nu, erg best komen ze er niet af, want Hosea zegt ze ongezouten de waarheid. Van die slapende bakker en van het ongare brood hoorden we reeds. Er volgen nu nòg een tweetal gelijkenissen, waarvan een aan het dierenleven en de andere aan het militaire leven is ontleend. Wat dit laatste betreft, in het slotvers van dit hoofdstuk wordt Efraïm vergeleken met een "bedriegelijke boog". Bedoeld is een boog, die niet behoorlijk gespannen kan worden: telkens wanneer de boogschutter er een pijl mee afschiet, wordt het doel gemist, en dat ligt niet aan de schutter, noch aan de pijl, maar het is de boog met z'n slappe pees, die teleurstelt. Zo werd God keer op keer in Zijn volk teleurgesteld. Hij had gedacht er heel wat mee te kunnen bereiken, en het goed te kunnen gebruiken in de "heilige oorlog", maar het liep even zo vaak op een mislukking uit. Israël was onbruikbaar. Nu, wat doet men anders met zo'n onnut instrument dan het wegwerpen. Vandaar het oordeel: "Door het zwaard zullen hun vorsten vallen wegens de heftigheid hunner tong. Daarover spot men met hen in het land Egypte" (vs 16b)41.

Het andere beeld is, gelijk gezegd, aan de dierenwereld ontleend: "Efraïm is als een onnozele duif zonder verstand" (vs 11). Het méénde juist heel véél verstand te hebben. De beide grote mogendheden waren destijds namelijk Egypte (in het Zuiden) en Assyrië (in het Noorden), die beide met een begerig oog naar Palestina keken. Dies dacht Israël het de verstandigste politiek te zijn, om beide maar te vriend te houden, en zo fladderde het, om zo te zeggen, als een duif van de een naar de ander. Maar alle politiek, die met de Here niet rekent, is dom, hoe verstandig haar berekeningen ook schijnen mogen.

De domme wijsheid, of de wijze domheid, hoe men 't ook noemen wil, van Efraïm was, dat hij op mensen vertrouwde en niet op de Here. We zijn toch maar knappe lui, dachten de politici, zo listig gelijk de slangen en oprecht als de duiven. Nee, zegt Hosea: zo dom als de duiven. Want dit moet mislopen. Het moet vooral daarom mislopen, omdat de Here een jaloers God is, Die het heulen met de grootmachten insteê van het hulp-zoeken bij Hèm, niet onbewogen kan aanzien. Deze vliegende duif zal er dus invliegen: .... "Zodra ze gaan, span Ik Mijn net over hen uit" (vs 12a).

Men zou zo zeggen, dat Efraïm het bidden nu wel kon staken!

Immers, het stellen van z'n vertrouwen op de grote mogendheden sluit het schuilen in de mogendheid des Heren uit.

Wie bidt, echt bidt, zal, om met de Catechismus te spreken, zijn ver­trouwen van alle schepselen aftrekken en op God alléén stellen. De tegen­stelling is hier absoluut. Men kan wel z'n gezanten hebben bij verschil­lende aardse vorsten, en relaties onderhouden met onderscheidene hoven, maar het is niet mogelijk, terzelfder tijd het hof van Egypte èn het hof der hoven van God te betreden. Hier is te kiezen of te delen. Het een of het ander. Vertrouwen op mensen kan niet samengaan met vertrouwen op God. Het oog kan niet tegelijk naar beneden en naar boven gericht zijn. Wie in zulke omstandigheden toch nog het "gebed" aanhoudt, doet maar "alsof". Het kan de naam van bidden niet dragen. Want bidden is abso­lute en onvoorwaardelijke overgave aan God. Bidden is de ogen sluiten. Dat ogensluiten is meer dan een vorm. De bidder spreekt er mee uit: ik zie niets meer, ik zie geen mens, ik zie alleen de Onzienlijke, en geef mij in blind vertrouwen aan Hem alleen over.

Evenwel — Efraïm staakte z'n "bidden" niet.

Nu kan iedereen wel nagaan, wat dit "bidden" waard was.

Het was niets meer dan een vorm zonder inhoud, schijn zonder wezen. Dit gebed was een leugen!

We kunnen dan ook het krasse oordeel van Hosea verstaan, als hij fel verwijt in de naam des Heren: zij spreken leugens tegen Mij! Zij spreken wel, en zeggen gebeden op, maar alleen met de mond. Hun hart vertoeft in Egypte's en Assurs paleizen, en buigt zich niet voor de troon van Gods geducht paleis. En nòg krasser wordt heel deze vormelijke, leugenachtige godsdienst veroordeeld, in hetgeen daarop volgt: "Zij roepen niet tot Mij met hun hart, wanneer zij jammeren op hun bidplaatsen" (vs 14a).

Dit is dus Gods grote bezwaar!

Dat ze geleken op een onnozele duif zonder hart — d.i. zonder ver­stand —, was dòm. Maar dat ze óók waren bidders zonder hart — dat was goddeloos. Bidden moet altijd gebeuren met het hart. De allereerste voor­waarde voor het gebed dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt, is, dat wij Hem.... van harte aanroepen! God heeft alleen lust aan waarheid. Een gebed, dat met de mond wordt gepreveld, maar niet uit het hart komt, is harteloos. Het hart is er uitgesneden. Het is zielloos en zielig, dood, ijdel, leugen!

Had Israël het gebed resoluut afgeschaft, het was tenminste consequent en eerlijk geweest. De biddeloze doet althans één zonde minder dan de bidder met de mond — hij liegt niet. Met al dat jammeren op hun bidplaatsen maakten zij het eer erger dan beter. Zij gebruikten de naam des Heren er ijdellijk bij, en al dat bidden was dus kortweg vloeken. Nu, er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan het roepen tot Hem met de mond, waar het hart verre is — de lastering Zijns naams —, waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.

Nu ik weet, dat elk gebed dat niet uit het hart komt, een Godslastering is, en de Here als een vloek in de oren klinkt, zou ik niet direct een ant­woord durven geven op de vraag, waar het meest gevloekt wordt, in de kazerne of in de kerk. In elk geval wordt ook in de kerk ontzettend veel gevloekt. Vroom gevloekt. In onze heiligste verrichtingen. Dit Hoseaans verwijt van het "jammeren op de bidplaatsen" en het leugens spreken tegen God in de gebeden, is helaas nog steeds actueel. Hier zit er een die eerst bij zichzelf heeft overlegd òf hij wel naar de kerk zou gaan van­morgen. Maar ja, thuisblijven is ook zo maar wat, en bovendien minstens zo vervelend als een kerkgang. Dus: hij is er. Hoor, hij bidt met de ganse gemeente: "hoe branden mijn genegenheên om 's Heren voorhof in te treên, mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen". ... zij spreken leugens tegen Mij! Ginds zit iemand met een hart vol venijn. Hoor, hij bidt mee: "vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldena­ren" .... zij spreken leugens tegen Mij! Daar is een derde, die de hele week gedraafd heeft om z'n dagelijks brood en pas nog op huisbezoek ernstig geklaagd heeft, dat hij z'n zaakje wel kon opdoeken, als de "broeders" niet meer bij hem kochten. Hoor, nu bidt hij: "geef ons heden ons dagelijks brood", dat is: dat wij ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken, en op U alleen stellen.... zij spreken leugens tegen Mij!

Wat al een ijdele, onnadenkende, vormelijke, leugenachtige gebeden.

Wat al een Psalmen, die we gemeenschappelijk zingen, en waarbij we er niet aan hebben gedacht, dat het gebéden waren.

Wat een "bidplaatsen", over het hele land verspreid, waarvan de Here moet zeggen: doe het getier uwer liederen van Mij. Ik mag ze niet horen!

De meest voor-de-hand-liggende conclusie is nu: helemaal niet bidden. Dit is de logica van de hel.

De Satan zegt u (en hij kan vroom praten!): ge moet vooral geen huichelaar wezen! Als ge de keus hebt tussen gewoonte-godsdienst en helemaal geen godsdienst, kies dan het laatste. Staak het kerkgaan en houd op met bidden, als ge het niet van harte kunt of wilt doen. Dit zegt hij, omdat hij de moordenaar van den beginne is, en niets liever wil, dan de "adem der ziel", het gebed, radicaal afsnijden.

Maar deze raad der hel is vals.

De hemelse luidt niet: schaf uw gebed af. Maar: bekeert u in uw ge­beden. En bidt voortaan niet meer zonder, maar mèt uw hart. En dit is meer dan een raad. Het gebed is een gebod. Het is 't hoog bevel van de Heer der Heren aan Zijn Israël: Roep mij aan (met uw hart) ten dage der benauwdheid, Ik zal u redden.

Ik zal u redden: dit is de verhoring der gebeden.

De Here staat als 't ware altijd gereed om te verlossen en te helpen, maar het is Hem onmogelijk, want er wordt niet gebeden, want dit ge­prevel kan de naam van gebed niet dragen. Er kunnen geen verhoorde gebeden zijn, zegt Hosea, om de eenvoudige reden, dat er geen gebéden zijn. Er is niets om te verhoren. Zodra er maar één waar gebed om ver­lossing en hulp in de hemel zou doordringen, zouden ze ervaren, dat de Here haastig was ter hulp.

Hier ligt — voor een deel — de oplossing van het "raadsel" der "on­verhoorde gebeden".



Wij klagen soms, dat er geen verhoring is.

God klaagt, dat er geen gebeden zijn.

Wij zoeken (we zijn er boos genoeg voor!) de schuld bij God. De Here wijst de schuld aan bij ons. De fout schuilt niet bij de Hoorder der gebeden, maar bij de sprekers der gebeden. Wat er veranderen moet, is niet, dat God beter horen en verhoren moet, maar dat wij beter bidden moeten. Gij bidt en ontvangt niet, omdat ge kwalijk bidt.

Hij wacht tot er eindelijk eens gebéden wordt — met het hart!

Wat er in den regel aan onze gebeden hapert, is niet, dat ze niet plechtig genoeg zijn (o, we zijn zo plechtig!), en ook niet, dat ze niet veelvuldig genoeg zijn (hoeveel maal bidden we wel niet op een dag!), maar dat ze niet diep genoeg weg komen.... uit het hart.

Deze gebeden uit de diepte stijgen het hoogst.

Deze zijn geen zeepbellen gelijk, die uit elkaar spatten, maar ze be­reiken de hemel en de oren van de Here Sebaoth.

Daarom bekere zich een iegelijk.... in zijn gebeden!

1   ...   25   26   27   28   29   30   31   32   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.