Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina30/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   ...   42

VERSTANDIGE EZELS





De wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar Efraïm reikt minnegeschenken uit.

Hosea 8:9 b.


De wijze mens kan nog wel het een en ander leren van het stomme dier.

Die lessen zijn meestal diep beschamend.

Salomo verwijst de luiaards naar de mieren, om door deze beestjes in de wijsheid te worden onderwezen. Jesaja verklaart zonder omwegen, dat een os nog meer aanhankelijkheid betoont jegens z'n bezitter dan Israël aan God. De Here Jezus heeft Zijn wankelmoedige discipelen de mussen en de zwaluwen ten voorbeeld gesteld, die niet eens voorraadschuren heb­ben, en toch het hoogste lied zingen: ziet naar de vogelen des hemels. En zo komt Hosea z'n tijdgenoten voorhouden, dat het hoog tijd wordt, dat ze eens in de leer gaan bij de... . ezels! Ezels genieten niet de reputatie van bij uitstek verstandig te zijn, en de mens die maar een beetje dom is, wordt door boze tongen voor "ezel" gescholden. Maar onze profeet keert de rollen om, en is van oordeel, dat in de ezelwereld — als ze spreken konden, gelijk Bileams ezelin — de een de ander wel eens verwijten kon, dat hij zo dom was als. . . . 'n mens! Wat men ook van de ezels mag zeggen, vindt de zoon van Beëri, in één opzicht is hun gedragslijn in elk geval te loven boven die der mensen, en Efraïm mag wel eens bij hen ter school gaan. De vergelijking: mens—ezel valt in dit opzicht in het voor­deel van de ezel uit: de wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar. . . . Efraïm reikt minnegeschenken uit.

Deze vergelijking, waarin Israël zo schamel afsteekt bij de verstandige ezels, eist enige nadere verklaring.

Men bemerkt al aanstonds, dat de nieuwe vertaling, zoals die hier boven staat, niet onbelangrijk afwijkt van de Statenvertaling.

Daar luidt de hele tekst aldus: "Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraïm hebben boeleerders om hoerenloon gehuurd".

Onze Statenvertalers zijn dus uitgegaan van de gedachte, dat Hosea Assur een woudezel heeft genoemd, "die alleen voor zichzelven is", maar het blijft dan wel zeer duister, wat de profeet daarmee heeft willen zeg­gen. De bedoeling wordt echter veel duidelijker, als men de "komma­punt" verplaatst naar "Assur". Er komen dan niet twee, maar drie zin­netjes uit te voorschijn.

Aldus:

"Want zij zijn opgetogen naar Assur".... eerste zin.



"De woudezel is alleen voor zichzelf" d.i.: zondert zich af.... tweede zin.

"(Maar) Efraïm reikt boelengeschenken uit".... derde zin.

De kwestie met die woudezels of wilde ezels is namelijk deze, dat die dieren in afzondering leven in de eenzame steppen. Zij zoeken wel elkan­der op, maar ze mijden de mensen. Doodsbang zijn ze, dat die mensen hen van hun vrijheid zullen beroven. Ze voelen instinctief, dat de mensen hun vijanden zijn. Het is dus een begeerte naar vrijheid en de angst voor de mens, die hen zo verstandig doet zijn, uit de buurt te blijven.... de woudezel zondert zich af!

En nu de wijze mensen, de sluwe politici van Israël?

Zij missen met al hun slimheid, schampert Hosea, de wijsheid die de wilde ezels bij instinct bezitten. Want. ... zij verbreken hun veilig isole­ment. "Zij zijn opgetogen naar Assur!" Ze zijn niet bang! Ze wagen zich in de onmiddellijke nabijheid van hun belagers en vrijheidsberovers! Ze lopen de dood in de armen!

O neen, dat bedoelden ze niet, de slimmelingen! Ze meenden met Assur een verbond te kunnen sluiten, en ze kwamen deswege met armen vol ge­schenken bij het Assyrische hof "om zich diens vriendschap te verwerven, en hem aan te hangen als een minnaar". . . . Efraïm dingt naar boelen­vriendschap. Maar ze verstaan niet, dat ze in de armen van deze minnaar Assur.... doodgedrukt zullen worden: apenliefde, anders niet! Heel dat zogenaamde "verbond" met Assur zal uitlopen op 'n "Anschluss", an­nexatie met huid en haar; ze zullen eenvoudig worden ingelijfd, en het onafhankelijk volksbestaan van Efraïm zal worden vernietigd!

Zo loopt het slimme Efraïm z'n doodsvijand in de armen!

Ja, zo gaat het, als men wijzer wil wezen dan God en nog niet eens zo wijs is als de ezels.

God had gezegd, dat in z'n isolement Israëls kracht lag, en dat Efraïm "alleen zou wonen", zoals de wilde ezels, maar Efraïm zei: je moet wel een ezel wezen, om als de ezels te leven. Anders gezegd: wie laat zich dit buitenkansje om met Assur — dè grote mogendheid — goede vriendjes te blijven, ontgaan? Dies brak Efraïm de boeien van z'n isolement en. . . . wèrd gebonden; hij wilde groot worden en vrij en. . . . werd slaaf; hij zocht een vriend, die bleek z'n vijand te zijn. Het is de oude paradijs­geschiedenis van de mens die vriendschap met Satan sloot. ... de moor­denaar van den beginne; die de grote sprong wilde wagen naar de hemel, om als God te zijn, en... . viel!

Was Efraïm toch maar zo verstandig geweest als een ezel! De zonde heeft ons niet alleen slecht, maar ook dom gemaakt.

Efraïm is niet de eerste, maar helaas ook niet de laatste geweest, aan wie deze schuldige dwaasheid verweten moest worden.

Men kan gerust zeggen dat het heden ten dage de grote zonde — tegelijk de grote dwaasheid — der kerk is, dat ze niet bang meer is.

Er is een ongeoorloofde en ongemotiveerde vrees.

Als de gelovige zich beangst maakt, dat de zaligheid hem nog zal ontgaan, of in duizend angsten verkeert over de gang van z'n tijdelijk leven, dan is dat ongeloof, een loslaten van Gods belofte, en is er reden voor het verwijt: wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen?

Maar er ook een geboden vrees.

Zoals de wilde ezel bang is voor de mensen, en ze daarom ontvlucht en de eenzaamheid opzoekt, zo moet de christen doodsbang zijn voor zijn doodsvijanden, die het te allen dage op z'n leven gemunt hebben: de wereld, de Satan en de zonde in het eigen hart. Waarom zouden we toch zo dringend vermaand worden, deze te vlieden, als ze ons niets meer zouden kunnen doen?

De strijd tegen de zonde is geen parade of schimmenspel.

Wee hem, die z'n doodsvijanden onderschat of en bagatelle neemt.

Het is een strijd op leven en dood!

Hier past geen overmoedige houding. Vluchten is geen bewijs van lafheid, maar van moed. Angst is geen zwakheid, maar kracht. Welgelukzalig is hier de man, die geduriglijk vreest, en die gehoor geeft aan het woord: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven.

Die doodsangst staat te lezen op het gelaat van de bidder, die smeekt: "leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze".

Er is geen sprake van onderschatting van eigen krachten, als hij uit de benauwdheid roept: "dewijl ik van mijzelf alzo zwak ben, dat ik geen ogenblik kan bestaan, en mijn doodsvijanden, de wereld, de duivel en mijn eigen vlees geen ogenblik ophouden mij aan te vechten, zo wil mij toch staande houden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat ik in deze geestelijke strijd niet onderligge".

Voor velen schijnt deze vrees een overwonnen standpunt te zijn.

Wij zijn niet bang!

We zijn niet bang voor de wereld!

Het isolement-standpunt lijkt ons hopeloos ouderwets en bovendien niet vol te houden. We veroorloven ons daarom geregeld uitstapjes op het ter­rein van de wereld, en trachten deze snoepreisjes te verontschuldigen met 'n: wat steekt daar nu in?

De grensgebieden van het koninkrijk Gods zijn het dichtst bevolkt, om­dat men daar zo heerlijk smokkelen kan. Dat de "wereld" een zinkend schip is, hetwelk te ontvluchten eigen levensbehoud betekent, vindt weinig of geen geloof meer. Het gevolg van deze vriendschap met de wereld is hetzelfde als die van Efraïm met Assur: annexatie! Er zijn meer christe­nen" gelijkgeschakeld, dan men geneigd zou zijn te geloven. We mogen dan al niet dansen en kaartspelen, voor de rest komen de levensgewoonten van vele kerkmensen niet boven het niveau van de wereld uit. We hebben daar vroeger bij de "wereldgelijkvormigheid" al genoeg van gezegd. Zo is onze vriend "wereld" bezig het "leven uit het geloof" dood te drukken, en wordt daarin als doodsvijand openbaar. Dat we dit niet zien, geeft Hosea aanleiding tot de nuchtere opmerking, dat er dan ook dieren zijn, die verstandiger zijn dan mensen. Ezels bijvoorbeeld. Die blijven wel uit de buurt!

We zijn ook niet bang voor de duivel!

In theorie zeggen wij allen aan het bestaan van duivelen te geloven, maar in de practijk schijnen ze toch legendarische figuren te zijn. We houden er althans zó weinig rekening mee, dat we ze rustig en lustig laten ronddansen. In onze gezelschappen, op visites en zelfs in kerkelijke vergaderingen en organen. Verdachtmakingen, lasterpraatjes, iemand lichtelijk veroordelen of helpen veroordelen, het zijn, zegt onze Catechis­mus, allemaal eigen werken des duivels, maar het lijkt er heel weinig op, dat tegen deze duiveltjes, die de een op z'n tong, een tweede in z'n oor en een derde in z'n vulpen heeft, een grimmige strijd op leven en dood wordt aangebonden.

Van Luther gaat het verhaal, dat hij z'n inktkoker de duivel naar het hoofd smeet. Sommigen zeggen, dat dit een legende is, en dat is best mogelijk, maar het zou werkelijk niet overbodig wezen, als er tegen­woordig wat meer inktpotten naar de duivel werden gegooid, want met pen en inkt is al heel wat duivelswerk verricht. Dat is te zeggen, dat ge­leerde en hooggeleerde schrijvers nog wel iets kunnen leren van de. . . . ezels! Die wilde ezels houden zich bij de mensen vandaan, maar er zijn wijze mensen, die zich de duivelen niet van het lijf houden. O, die verstan­dige, bange ezels!

We zijn evenmin bang voor onszelf.

Een gereformeerd mens zou toch eigenlijk de meeste angst behoren te koesteren voor z'n eigen boze ik. Die boze natuur is nog gevaarlijker dan wereld en duivel samen! Want dit is de verrader binnen de vesting. We zijn zelf de ergste vijanden van onszelf. Maar dat zien we natuurlijk helemaal niet in. We zijn dan ook geen ezels. Ik lees zelfs een gerefor­meerde kerkbode, waarin vrijwel week aan week deze zelfverering wordt gevoed, door de bewering, dat de gereformeerde mens van z'n schouderen en opwaarts hoger is dan al het volk, en dat niemand aan "ons Calvi­nisten" kan tippen. Zo staat 't er niet precies, maar daar komt het op neer. Hoe is 't mogelijk? Zien we dan zo weinig, hoever we beneden het ideaal van Christus gebleven zijn? Is de betuiging, dat wij allen "arme zondaren" zijn, dan maar een vrome frase?

Hoe meer wij ons zelf leren kennen, hoe meer we een afschuw krijgen van onszelf en bang worden voor onszelf, en dan zijn we ook bereid onze oude natuur te doden. Maar zolang we met onszelf blijven coquetteren, is er alweer nog heel wat van die verstandige ezels te leren!

"De wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar Efraïm reikt minnege­schenken uit."

Zo, wezen we boven aan, luidt de nieuwe vertaling, en wordt de bedoe­ling van de profeet het best weergegeven.

Men ziet dus, dat een nieuwe Bijbelvertaling óók van ethische en reli­gieuze betekenis kan zijn, als we tenminste nog van de ezels leren willen. Men kan nooit weten.


1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.