Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina31/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   27   28   29   30   31   32   33   34   ...   42

ZAAIING EN OOGST





Want wind zaaien zij en storm oogsten zij.

Hosea 8:7 a.


Men zou boven het achtste hoofdstuk van Hosea kunnen schrijven: Wie niet horen wil, moet voelen. Daar komt de profeet telkens weer op terug. We hebben al vernomen, dat Efraïm veel te hoog bij zichzelf op zag, dan dat hij de les van de wilde ezels wilde leren: déze les namelijk, dat de afzonderingspositie de veiligste was. Door dit isolement te verbre­ken, en Assur om de hals te vliegen, is Israël z'n doodsvijand in de armen gelopen, en heeft het z'n eigen graf gedolven. Het had gedacht met z'n voorname bondgenoot goed uit te zullen zijn; dat was een fijne politieke zet. 't Kwam juist andersom uit: "Israël is verslonden; nu zijn zij onder de volken geworden als een voorwerp waar niemand behagen in schept" (vs 8) .... 'n stuk ouwe rommel op de vuilnishoop; naar deze Joden keek zelfs een.... Jóód niet meer om!

Israël pleegde dus nationale zelfmoord!

Déze gedachte wordt nu nader verduidelijkt door een beeld aan het land­leven ontleend, dat onder ons burgerrecht gekregen heeft in het tot spreek­woord geworden: Wie wind zaait, zal storm oogsten.

De gedachte, die aan deze spreuk ten grondslag ligt, is niet slechts, dat de daden der mensen niet zonder gevolgen zullen blijven. Maar meer in het bijzonder, dat de gevolgen in den regel veel groter zijn dan de daad zelf. Storm is meer dan wind. Storm is de wind in superlatief. De stormen zijn Gods wagens boven 't luchtig zwerk, verdubbeld in getallen. En in sterkte. Dit is het, wat de volksmond zegt, dat kleine oorzaken grote ge­volgen hebben. Ook, wat de Heiland leerde in de gelijkenis van het zaad, dat opwies, en in de aar voortbracht het één dertig-, het ander zestig-, het derde honderdvoud. De ene korrel is tot een grote familie geworden en in menigte uitgebroken, zoals Jacob met z'n staf over de Jordaan ging, maar tot twee legers is geworden.

Nu, op dezelfde wijze, zegt Hosea, is het wind-zaaisel uitgedijd tot een storm-oogst.

Vermenigvuldiging dus.

Maar in dit geval een schrikkelijke vermenigvuldiging, want de storm is een ramp, die de oogst met de zaaiers vernietigt en al de verwachtingen kapot slaat.

Men kan aan dit woord dus moeilijk anders dan ongunstige gedachten verbinden. Die storm is al huiveringwekkend, maar met die wind staat het ook niet al te best. De wind is een zegen, maar voor zaaisel dient het niet en deugt het niet. De wind-zaaier is dus een dwaas. In dit verband is de wind beeld van het ijdele, het nietswaardige. Het door Israël gebruikte zaad deugde dus niet, en daarmee was de oogst in overeenstemming. Het een is dus al even ongunstig als het ander. Het zaad deugt niet, de oogst niet, en per slot van rekening de zaaier ook niet. Die was feitelijk de oorzaak van alle misère.

Laten we al deze ongunstige factoren een ogenblik buiten beschouwing, dan ligt er toch een zeer bemoedigende gedachte in het feit zelf, dat de oogst het zaaisel overtreft, en dat de opbrengst in de regel groter is, dan de man die hier beducht met tranen zaait, heeft durven vermoeden. Een handvol koren, uitgestrooid op de hoogte der bergen, brengt soms een zó overvloedige oogst voort, dat de dorre akker herschapen schijnt in de vruchtbare Libanonflanken, waar de wind door de halmen ruist: de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon.

Het lijkt soms zo heel anders!

Velen worden door de Heer des oogstes uitgezonden om te zaaien: vader en moeder thuis, de meester op school, de ambtsdragers in de gemeente, de zendelingen in de heidenwereld. Maar deze allen zijn ook telkens ge­neigd, met Multatuli moedeloos te vragen: wijs mij de akker, waar ik ge­zaaid heb. Het zaaien van het Woord schijnt een hopeloze onderneming. Week aan week wordt het uitgestrooid — waar is de vrucht? Van onze oud-vaderlandse regenten heette het: misschien wat oneerbiedig — "ze dronken een glas, en 't bleef zoals 't was". Soms denk ik: zouden ze dat bedoelen, als ze zingen: ons wenkt het beeld der vaderen? Het blijft zoals 't was. Voor, onder en na de preek. Semper idem! De oude vete blijft zitten. De zondige plooi in het karakter blijft zitten. Ik blijf zitten op m'n troon, verheven, onbewegelijk. De oude mens kruisigen, doden en be­graven, ja, dit is wel mooi gezègd in de belijdenis! Felix! Daar kunnen we prachtig en roerend over horen preken. Wat 'n onbekeerlijke heiden was dat toch, 'n zelfhandhaver, die Paulus wegstuurt, als er op 't critieke moment op z'n eigen consciëntie getikt wordt: rechtvaardigheid, matig­heid, toekomend oordeel, 't Bleef bij Felix zoals 't was. Wijs mij de akker, waar ik gezaaid heb, kon Paulus vragen. Foei, wat 'n verstokte zondaar, die Felix. Na onszelf hartelijk gefeliciteerd te hebben, dat we geen Felix heten, weten we nog juist aan de klem van het Woord te ontkomen, door alles te doen blijven als 't was, de een op z'n akker, en de tweede in z'n koopmanschap, 't Was overigens ook maar een "ethisch" preekje van Paulus. De man was gevraagd over het geloof in Christus te preken. Dat had hij nu echt Christo-centrisch en verbondsmatig moeten doen, en hij hééft het over de "deugden" van rechtvaardigheid en matigheid! Als Felix wat meer aan dogmatiek en zo gedaan had, zou hij zo waar z'n bekeringsonwil ook nog schuil hebben kunnen doen gaan achter de preek­critiek van: je hoort tegenwoordig toch maar niet meer zo preken als vroeger. Dit gezegd hebbende, dronken zij hun glas en.... 't bleef zoals 't was.

Het schijnt dus met die oogst niet zo best te zijn.

Trouwens, daar heeft de zaaier eigenlijk ook niet naar te vragen.

Een zaaier ging uit om te zaaien. Dat is z'n enige roeping. Niet om te oogsten, maar om te zaaien. Niet om de vruchten in te zamelen, maar om uit te strooien het zaad. Anders niets. In gehoorzaamheid. En als er dan maar geen wind gezaaid wordt — dat kan óók: preken van enkel wind — nú, dan zal de oogst ook wel volgen, maar na mij. Dan kan het gebeuren, dat als de zaaiers, die zo graag de vrucht hadden willen zien, reeds lang hun ogen gesloten hebben, het zaad ontkiemt, en dat latere generaties oogsten wat zij niet gezaaid hebben, en met volle armen de garven dragen in de schuur. Het is een ander die zaait en een ander die maait, en God gééft de wasdom, in de vrucht die overvloediger is dan de arbeid — waarlijk, dit is wel een bemoedigende gedachte voor hen die hier bedrukt met tranen zaaien in gehoorzaamheid.

We zeiden al, dat dit woord van wind en storm, waarin het zaad al van even slecht gehalte is als de vrucht, hier in ongunstige zin voorkomt.

De bedoeling is duidelijk genoeg.

Zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien!

Israël heeft slecht geleefd.

Of slecht, dat kan men nu ook weer niet zeggen in de gewone zin van het woord. Maar laat ons zeggen: 't was een ijdel, onnut leven, even ijl als de wind — we komen daar aanstonds op terug.

Welnu, zegt Hosea, de uitkomst zal daaraan beantwoorden.

Ze zullen hun eigen daden thuiskrijgen met precies dezelfde onafwend­bare zekerheid als het zaaisel uitgroeit en aanzwelt tot een oogst. Die oogst zal in dit geval "storm" zijn — een vernietigende macht, die hen zal wegblazen van de aardbodem.

En als dan straks komt de grote storm der "ballingschap", en Israël daar gehavend uit te voorschijn komt, en als een onttakeld scheepje dob­bert op de volkerenzee, aan wie dan de schuld? Is het de overmacht der heidenen, is het een onafwendbaar noodlot geweest? Zijn zij, de wande­lende Joden, de vermoorde onschuld, de martelaars der volken ? Nee, nee, waarschuwt Hosea, dan is dit de vrucht van uw eigen daden, de oogst van uw eigen zaaisel, de uitkomst van uw eigen leven, de volgroeide ellende waarvan ge zèlf de stekjes hebt geplant.... Want wind zaaien ze, en storm zullen ze oogsten!

Het is de tragiek van veler leven, van volken en individuen, dat zij van het graf, waarin ze wegzinken, zelf de eerste spade in de grond gestoken hebben. Soms zelfs met veel feestbetoon. Men zegt niet ten onrechte, dat de touwtjes van de gesel, waarmee de mens gekastijd wordt, gemaakt zijn van.... z'n eigen zonden! De gevolgen zijn niet evenredig aan onze zon­dige daden, maar zijn onevenredig veel groter, zoals de storm veel schrik­kelijker is dan de wind. En we hebben het zelf niet gewild noch geweten, hoewel we 't kònden weten, of Hosea moet eeuwen geleden voor niets gesproken hebben.

Men moet nu een woord als dit niet reserveren voor socialisten en communisten en dat slag mensen. Het is niet zonder enige gretigheid, dat we zo'n Schriftwoord dan "te pas" kunnen brengen. Als we dan zien, hoe een revolutionaire staat zichzelf verteert, en de burgers elkaar opeten, en men de boze geesten niet bedwingen kan, die men zelf heeft opgeroe­pen, dan zeggen we tegen elkaar: ziet ge wel: ze hebben wind gezaaid, ze zullen storm oogsten.

Nee, we moeten dit woord concreet op onszelf durven toepassen!

Hoeveel ouders kunnen de zonden hunner jeugd — en misschien nòg van hun ouderdom — niet in hun kinderen terugvinden, en dan.... vele malen vergróót! Aangegroeid tot een storm, die jeugdige levens vernietigt. Vader heeft zich nog op de been kunnen houden — de wind. De zoon wordt er door verteerd — de storm!

Er zijn vaders en moeders, die de jonge takjes niet hebben gebogen terwijl ze nog teer waren. Straks groeien de jongens en meisjes op tot op­standigen. Ze gaan hun gang. Er vaart een storm van revolutie door het gezin. Och, zegt vader, je kunt ze niet meer bij 't handje nemen. En moeder zucht: o, die jeugd van tegenwoordig. Zo vluchten ze beide uit hun verantwoordelijkheid weg, en vergeten, dat ze nu oogsten de vrucht van hun eigen zonde: ze hebben wind gezaaid, ze zullen storm oogsten!

U kunt de "toepassing" nu zelf wel uitbreiden.

En de rechte toepassing zal zijn: zie toe, dat ge voorzichtiglijk wandelt. Niemand zondigt voor zichzelf alleen. Het onkruid der zonde groeit ver­schrikkelijk snel. De oogst kan uw eigen ondergang betekenen. Het is mogelijk, dat de "stormen van het leven", waarover ge klaagt, en waarin gij met uw geslacht dreigt onder te gaan, door u zelf zijn opgeroepen! Zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.

Ik moet nu, volgens belofte, nog even terugkomen op dat "slechte" leven van Israël.

Als we spreken van iemand die een slecht leven leidt, dan denken we gewoonlijk aan hoeren en tollenaars en ik weet niet wat voor booswichten meer. En zodoende zou het mogelijk zijn, dat "nette" mensen hier buiten schot bleven, en bij zichzelf dachten: hier heb ik mij niets van aan te trekken, die stormen zullen wel bij mij langs trekken.

Het zal daarom wel dienstig zijn, er op te letten, dat Hosea hier aan Israël verwijt, dat ze "wind" hebben gezaaid. Deze beschuldiging houdt dus niet zozeer positieve overtredingen, dan wel negatieve nalatigheden in. De wind is hier het beeld van het ijdele, nietszeggende, inhoudloze. Hun leven was een ijdel spel, een opgeblazen vertoon, zonder ernst, zonder realiteit, iets waar je geen houvast aan hebt. Grijp naar de wind en doe je hand open, en je hebt nog niets. Wind was hun leven, niets dan wind, leeg, hol, onbeduidend!

Ai, wat wordt het nu ernstig, want nu blaast de storm niet slechts in de richting van die boosdoeners, maar van al die lege levens, die windmakers, die maar wat zitten te teuten en te keuvelen bij de koffietafel, maar geen hand uitsteken naar het werk in het koninkrijk Gods. Nu komt de storm gierend opzetten tegen al dat hol gedoe van hen, wier leven niet gevuld was met Christus, maar die vervuld waren van zichzelf en hun beuzelingen en kletspraatjes en kibbelarijtjes. Misschien ook vervuld met noeste vlijt om zich kranig door 't leven te slaan, maar zonder dat Christus er in was met Zijn kracht, blijdschap en vrede. En niet alleen die onbenullige, maar ook die stoere, werkzame levens zijn niet vol bevonden voor God. Hol. Leeg. Wind. Ze hebben wind gezaaid, storm zullen ze oogsten.

Dat dan Jezus Christus, de grote Zaaier en Maaier tegelijk, Zijn wind, Zijn Pinksterwind uitzaaie in Zijn kerk, opdat een storm van geloofs­enthousiasme opsteke, een geweldige macht, waartegen de wereld het niet bolwerken kan.

1   ...   27   28   29   30   31   32   33   34   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.