Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina32/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   ...   42

LOEREN OF LUISTEREN





De wachter over Efraïm bij mijn God.

Hosea 9:8 a.



Op de loer ligt Efraïm bij mijn God.

(Vertaling Prof. Ridderbos)


Hoe preekten de profeten op de feestdagen?

Daar geeft Hosea 9 een antwoord op. Dit hoofdstuk bevat namelijk een toespraak, door de profeet gehouden op een van Israëls hoogtijdagen. Dat dit zo is, bewijst niet alleen de vermaning aan het begin, om niet al te luid te jubelen, maar ook de sarcastische vraag in vs 5, wat ze straks wel zullen doen op een feestdag des Heren, als ze namelijk in ballingschap zijn (vs 3, 6) en er geen dorsvloeren meer zijn om op te dansen en geen wijnkuipen om vrolijk te drinken. De vermelding van dorsvloer en wijn­kuip doet aan een met het Loofhutten-feest gecombineerd oogstfeest den­ken. Op het ogenblik dat de feestvreugde algemeen is, verschijnt dan Hosea ten tonele. Applaus! De feestredenaar is er: hij zal 'n bezielende rede houden of een daverend slotwoord spreken. Iedereen is in heftige span­ning als deze man Gods de kansel beklimt. Maar 't wordt 'n heel wonder­lijke preek, deze toespraak op de grote toogdag van het volk des Heren. Wie begint er dan niet minstens met op te geven: "Dit is de dag, de roem der dagen", en wie zet niet in met de oproep: verblijdt u! Maar Hosea ontnuchtert al de feestgangers, door ze toe te roepen: "Verheug u niet, Israël" (vs 1), en er op aan te dringen, dat feestbetoon zo spoedig mogelijk te staken. Het heilsfeit van de dag negeert hij volkomen, om van niets anders dan van onheilen te gewagen, deze ongeluksprofeet. Er zal een tijd komen, dat de dorsvloer en de perskuip hen niet meer zullen voeden, en dat de opbrengst van de most zal teleurstellen (vs 2) ... . mis­gewas dus! Doch daar zal het niet bij blijven. "Zij zullen in het land des Heren niet blijven" (vs 3) en dus in ballingschap worden weggevoerd, waar "zij de Here geen drankoffers van wijn meer kunnen doen" (vs 4a) en dus de ceremoniële eredienst van de "kerk als instituut" tot een schoon verleden zal behoren. Ze zullen nog net zoveel brood hebben, om er hun honger mee te stillen, maar er zal niets meer over schieten voor het huis des Heren, dat er trouwens niet meer is. . . . dat bedoelt de profeet, als hij zegt, dat hun brood "voor hen zelf" zal zijn (vs 4b), dat is: om hun leven in stand te houden.

Zo gooit de zoon van Beëri er lelijk de klad in, en is voor de zoveelste maal bewezen, wat een nare spelbrekers die profeten toch zijn. Als ieder­een juicht, treuren zij. Als de schare jubelt van hulp en heil hun aangebracht, stapelen zij de onheilen op elkaar, en zij roepen op, om op de borst te slaan, juist op het ogenblik als men naar de fluit wil grijpen.

Ik vermoed niet, dat de broeders geapplaudisseerd zullen hebben, toen Hosea "amen" gezegd had; dat pleegt men trouwens ook niet te doen na preken, noch met de handen, noch met het hart. Integendeel, ze hebben hem wel willen wegkijken met hun haat-ogen, die naarling, die boeteprediker, temeer toen hij z'n rede besloot met te zeggen, dat, al mochten ze dan denken in hun hart: "de profeet is een dwaas, en de man des geestes is waanzinnig" (vs 7b) (van Wie is dat ook nog meer gezegd?), het er tóch bij bleef: "de dagen der vergelding zijn gekomen!" (vs 7a).

Zo "ontdekkend" preekten dan de profeten op de feestdagen!

Hosea heeft zich niet alleen bepaald bij het dat, ook bij het waarom.

Als oorzaak van heel deze ongeluksprofetie, heeft hij kort en goed aan­gewezen: Israëls vijandschap: omdat de vijandschap zo groot is! (vs 7c)

De vijandschap! Niet zozeer onder elkaar, maar tegen God!

Vijandschap! Maar hoe kon Hosea dat nu toch zeggen! Brachten ze dan niet stipt (en overvloedig!) hun offers, en onderhielden ze niet nauw­gezet de feestdagen des Heren? Deze eigen dag was er toch een bewijs van. Wat een volk was er, en wat een enthousiasme! Men moet tenslotte billijk blijven. Er was wel een steekje aan los hier en daar, dat zou wel niemand ontkennen, maar het verwijt van vijandschap tegen God mocht dit plichtsgetrouwe volk des Heren toch niet treffen: toonden ze niet in alles uitermate met de Here bevriend te zijn?

Nu, man Gods, wat hebt ge daarop te zeggen?

Och ja, wat zal men daar ook op zeggen?

Het is zo moeilijk, iemand die zo graag voor een vriend van God wil dóórgaan, en dat in de ogen der mensen vaak ook is, aan z'n verstand te brengen, dat hij een vijand van God is. We zoeken die vijanden zo graag buiten de kerk, terwijl ze toch bij bosjes in de kerk zitten kunnen. Het hoge woord moet er maar eens uit! Paulus heeft het óók ergens (Philipp. 3:18, 19) over vijanden des kruises, en dan wijst hij als dezulken niet aan allerlei gespuis van moordenaars en dieven en oproerkraaiers, maar "die aardse dingen bedenken". Ontstellend! Die vervlakte plattegronds­christenen, die even gemakkelijk "even bidden" kunnen als op visite gaan — dat zijn de vijanden! Die veruitwendigde massa, die er geen notie van heeft wat het is, de harten opwaarts in de hemel te verheffen, en van de gebedshoogte niet terugkeert als Mozes met een glinsterend aangezicht; die in z'n conversatie niet uitkomt boven de daverende dingen van de dag, en in z'n leven het principe huldigt, dat ieder zichzelf het naast is. De­zulken, die kopschuw zijn van het kruis, waar hun oude egoïstische mens aan moet hangen, zijn óók de vijanden van het kruis van Christus, zegt Paulus wenende, en daarmee stemt Hosea volkomen in: och nee, er was van de stiptheid van Israëls ceremoniële eredienst niets te zeggen; die was alleen maar verheidenst en dies verwereldlijkt (vs 1), dat alléén maar. En daarom was er vijandschap tegen God.

Een tweede bewijs, hoe groot de vijandschap van Efraïm wel is, geeft de tekst die hierboven staat.

De Statenvertalers hebben daar — laten we 't maar eerlijk zeggen — een beetje verlegen mee gezeten.

Dit blijkt uit de wijze waarop zij Hosea's woorden hebben weergegeven, aldus: "De wachter van Efraïm is met mijnen God; (maar) de profeet is een vogelvangersstrik op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods". Men voelt dat dit, hoe men het ook wendt of keert, geen goede zin geeft, terwijl de twee of drie verklaringen, die de Kanttekenaren geven (men zie aldaar), ook geen bevredigende oplossing bieden. Ook de Nieuwe Ver­taling geeft geen oplossing. Alle nevelen worden echter terstond opge­klaard, als men Efraïm zelf ziet als de "wachter", en dan niet in gunstige zin, zoals de Kanttekenaars willen, een wachter mèt zijn God, maar in ongunstige zin, als een soort waakhond, die bij God op de loer ligt.

Ridderbos vertaalt: "Op de loer ligt Efraïm bij mijn God; de profeet — een strik des vogelvangers is op al mijn wegen, vijandschap in het huis van zijn God".

Hierin is niets duisters meer over, dan alleen het duistere van de prac­tijken van Efraïm.

De bedoeling is namelijk de volgende: "In plaats van ootmoedig naar het woord des Heren te luisteren, ligt het volk op de loer bij de Here en bij de profeten, door wier mond Hij spreekt, of men niet de profeet in zijn woorden kan vangen. Zo ziet de profeet zich overal strikken gespannen; zelfs loert de vijandschap op hem, als hij komt "in het huis van zijn God".... Hosea zal hier wel spreken uit eigen ervaring, en dus klagen, dat hij hier in het heiligdom zelf — waar deze rede waarschijnlijk ge­houden is — vijandig werd bejegend"42.

Op de vraag: "loeren of luisteren" hebben deze Efraïmietische kerk­gangers in Bethel (het huis Gods) dus hun antwoord gereed: . . . .loeren! Ze zijn naar het heiligdom gekomen, deze vrome lieden, niet om te luiste­ren naar wat God tot hen te zeggen heeft bij monde van Zijn profeet, maar om zó te luisteren, of ze iets tegen de man Gods kunnen inbrengen met hun felle critiek. Dus om te loeren met de oren. Dat kan ook. 't Is dus wel een fraaie kudde, waarover deze herder Israëls, Hosea, de staf voert, 't Zijn geen schapen, zelfs geen bokken, maar grimmige waakhonden, die grommen als men ze te na komt, anders gezegd: mensen, die opvliegen bij elk woord dat hun niet aanstaat, en de prediker nog aanvliegen zullen ook. Pas op uw woorden, Hosea, in dit gezelschap! 't Mooie is, dat de profeet er zich niets van aantrekt. Het is eenvoudig het woord van God, dat hij brengt, en daarom raakt het vijandig gegrom hèm niet, maar zijn Zender: Efraïm ligt op de loer.... bij mijn God!

Dit loeren is tegenwoordig ook nog zeer in zwang.

Bleef het alleen bij een loeren op elkander, dan was het al erg genoeg.

We leven in een christelijke en nader in een kerkelijke gemeenschap, die af en toe zeer vijandig aandoet, en waarin men soms het gevoel krijgt, meer door spionnen dan door broeders omringd te zijn. Van alle kanten loerende ogen. Laat de een in 't publiek iets zeggen of schrijven, er liggen vijf, zes andere scribenten op de loer om hem als hyena's naar de keel te vliegen. Het woord van Schiller: "da werden Weiber zu Hyenen" blijft actueel en heus niet alleen voor de vrouwen. Vele nieuwere exegeten willen de wilde beesten, waartegen Paulus zegt gevochten te hebben in Efeze, figuurlijk verklaard zien; het zouden mensen geweest zijn, tegen­standers van de apostel, en ik begin hoe langer hoe meer voor die exegese te voelen, gezien de huidige situatie. Voorts weet men, dat niet weinigen het apostolisch vermaan om acht op elkander te hebben, uitleggen als een soort spionagedienst die uitgeoefend moet worden, waarvan de rappor­ten bij de thee worden uitgebracht: hebt u dat al gehoord?

Veel ernstiger is het verschijnsel, dat sommigen van Efraïm ook nu op de loer liggen.... bij mijn God, en zich naar "het huis van mijn God" begeven, minder met de uitgesproken bedoeling om te luisteren, dan wel om te loeren. Zij stellen zich niet voor de vraag: wat heeft God mij te zeggen, maar: wat zal de dienstknecht van God er van terecht brengen. Men is niet zozeer begerig om de boodschap des heils te vernemen, dan wel welke "richting" de man die de boodschap brengt, is toegedaan. Er wordt geloerd of 't ie verbondsmatig is ja of nee, op zelfonderzoek aan­dringt al of niet, "talent" heeft, veel of weinig "leest", enzovoort. Vroeger werd na de dienst in de consistorie wel eens gebeden, dat "wij als de reine dieren de gehoorde waarheid mochten herkauwen", 'k Heb die beeldspraak in dit verband nooit erg kunnen bewonderen, maar stellig nog minder bewonderenswaard is de huidige kerkelijke practijk der loerende jakhalzen, die de preek al verscheurd hebben vóór ze is uitgesproken, zodat niet eens een stukje van een oor uit hun muil wordt gered, om met Amos te spreken.

Zo ligt dan Efraïm op de loer bij mijn God.

Jammer, dat Efraïm niet op de loer ligt bij... . de duivel!

Want de duivel loert wèl op hèm, en zal hem stellig nog verslinden, indien hij zich niet haastig van het loeren tot het luisteren bekeert.

1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.