Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina33/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   29   30   31   32   33   34   35   36   ...   42

EEN VERSCHRIKKELIJK GEBED





Geef hun, Here, wat Gij maar wilt: geef hun een kinderloze schoot en verdroogde borsten.

Hosea 9:14.


Het was met Efraïm werkelijk wel heel erg, dat is niet te ontkennen.

Hóe erg het wel was, wordt door Hosea nog eens in het licht gesteld door een beschamende historische herinnering. De Here had Israël na­melijk "gevonden" als druiven in de woestijn43, z'n vaderen "als de eerste opbrengst van de vijgeboom" (vs 10a). En zoals het hart van de wijn­gaardenier van blijde verwachting klopt, als de eerste jonge vruchten ge­zien worden, die een rijke oogst voorspellen, zo koesterde ook de Here, menselijkerwijs gesproken, hoge verwachtingen van het volk, dat Hij door Zijn uitgestrekte arm uit het diensthuis had uitgeleid. Zij wekten elkaar immers op:

Gij volk, uit Abraham gesproten,

Dat zoveel gunsten heeft genoten,

Gij Jacobs kind'ren, die de Heer

Heeft uitverkoren, zingt Zijn eer.

Dat leek dus goed.

Dit stekje door 's Heren hand geplant, zou veel vrucht dragen, en de ranken van de wijnstok, waarvan de hemelse Vader de landman was, zouden doorbuigen vanwege de kolossale trossen. De juichende schare van hen wier voetstappen lagen in de drooggevallen zee, moest wel uit­groeien tot een volk, dat door de geslachten heen de Here alleen zou die­nen en liefhebben.

Hoe bitter is deze verwachting teleurgesteld.

Het bleek een zeer oppervlakkige indruk te zijn geweest, en het volk dat te zingen geleerd had: vergéét niet één van Zijn weldadigheden, ont­hield er geen een. Gedurende de reis tussen Egypte en het Beloofde Land, waarvoor God om zo te zeggen al Zijn wonderen opgespaard had, begon de misère al. Veertig jaar heeft God verdriet inplaats van plezier van hen gehad, met dit gevolg, dat slechts twee mensen van het oude geslacht, dat alle wonderen had meegemaakt, Kanaän konden binnengaan. De rest werd neergeslagen in de woestijn. Nauwelijks kwamen ze in aanraking met de Baälsdienst in Baäl-Peor, of ze konden tegen de verleiding niet oproeien — ze deden mee met de meest verfoeilijke afgodendienst (vs 10b). Was dit nu even een misstap geweest, het was nog daaraan toe. Maar het geval bleek epidemisch; vanaf het begin van Israëls historie tot op heden was dit de doorgaande lijn gebleven: ontrouw en nog eens ontrouw! God ver­geten en de Baäls achterna lopen! Eén lange, verdrietige geschiedenis van overspel tegenover de Here.

Het was dus wel heel erg met Efraïm.

Het is totaal onbegrijpelijk!

Maar dat Hosea, de profeet des Heren, op deze ingekankerde volks­zonde reageert met zo'n schrikkelijk gebed als hier geuit wordt, is stellig niet minder onbegrijpelijk. Dat kunnen we evenmin zomaar verwerken. Feitelijk is Hosea's gebed nog abnormaler dan Israëls zonde. Want wat die permanente ontrouw van Efraïm betreft, och, we kunnen wel ons hoofd schudden er over en zeggen: hoe is 't mogelijk, maar welbeschouwd doen we dat Efraïm elke dag na. Maar zo bidden, dat doen we Hosea niet zo direct na.

Hoort, hoe de man Gods bidt!

Geef hun, Here.... ha, daar is onder de lichtzinnige menigte, die danst en jodelt bij de perskuipen44, toch nog één, die bidt, die pleit voor dit arme volk!

Geef hun, Here. . . . God zij gedankt, daar zinkt een voorbidder op de knieën en hij breidt zijn handen uit naar de hemel om te smeken voor het volk dat zijn ondergang tegemoet snelt en dat hij toch zo ont­zaglijk liefheeft!

Geef hun, Here....!

Zo zet het dankgebed in na de preek.

Dan zwijgt de bidder. De man op de kansel hapert. Hij kan niet verder. Moet hij zich goed bedenken, wat hij de Here nu vragen zal dit volk te geven ?

We luisteren gespannen mee. Welke hemelse gave zal hij met z'n bid­dend hart en biddende handen de Gever van alle goed nu ontwringen? Here, wat zùlt Ge geven? Ge hèbt zoveel te geven! Geef hun, Here, een nieuw hart, opdat zij in Uw wegen wandelen? Schenk hun vergeving, o Vader, want ze weten niet wat ze doen?

O, we voelen het, dat is het, wat Efraïm nodiger heeft dan brood. Toe, Hosea, bidder bij de gratie Gods, smeek nu voor uw volk Gods ontfer­ming af.

We luisteren gespannen!

Geef hun, Here — wat zult Ge geven. ... ?

Dan davert en ratelt. ... de vloek uit de mond van deze voorbidder. Geef hun.... een kinderloze schoot en verdroogde borsten! Maar dat betekent de allerergste vloek die de Oosterling kan treffen. Dat betekent ook de ondergang van het volk. 0 God, vervloek dit volk met de uiterste vloek waarover Gij beschikt. Verdelg het van de aardbodem! Zo eindigt het gebed na de predikatie. De preek was onheil. Het gebed één schrikke­lijke vloek. Verpletterd staan de hoorders. En wij verbazen ons mèt hen!

Hoe is 't mogelijk, dat een volk zó zondigen kan, maar hoe is 't ook mogelijk, dat de voorganger des volks zo'n vloekgebed spreken kan? Verbeeldt u, zo'n gebed na de predikatie eens te moeten horen op de kansel!

Vloekpsalmen en -gebeden komen in de Schrift veelvuldig voor. We denken aan de dichter van Psalm 104, die Hallelujah roept als de godde­lozen van de aarde verdaan zullen worden, en aan de balling van Psalm 137, die welgelukzalig prijst hem, die Babels kinderen grijpen en aan de steenrots verpletteren zal. Steeds waren het dan evenwel de heidenen, de vijanden van Gods volk, over wier hoofd de vloek werd afgeroepen. Hosea smeekt om die vloek voor z'n eigen volk.

Dit maakt het nòg onbegrijpelijker.

Iemand zou mogelijk kunnen denken aan een opwelling van toorn. In dezer voege, dat het zien van zoveel goddeloosheid, zelfs op het "feest des Heren", hem deze vloek over het volk deed slingeren, maar later kreeg hij er oprecht spijt van, zich zo te hebben laten gaan. Eerbied voor de Schrift zet evenwel deze opvatting even spoedig weer op zij.

Even onhoudbaar is de opinie, dat we hier te doen zouden hebben met een van de vele Oud-Testamentische wraakgevoelens.

Het Nieuwe Testament zou daar zo niet van weten, en Christus zou tegenover die wraak gesteld hebben de liefde en tegenover de vloek de zegen.

Deze "tegenstelling" berust slechts op fantasie!

Ook Christus heeft met de mond der hoogste liefde Zijn "wee u" uit­gesproken, en een Hallelujah over de ondergang der goddelozen heft niet slechts een Oud-Testamentisch "zeloot" aan, maar zelfs de hemelingen, die God loven, omdat het grote Babel gevallen is en het bloed van 's Heren dienaren gewroken.

Bovendien heeft dit alles met persoonlijke wraakgevoelens niets te maken.

Het was slechts de liefde tot God en Zijn eer, die hen bewoog zo te spreken. Geen leedvermaak, maar de begeerte dat God weer in al Zijn werken geprezen worde. De goddeloosheid is daarin echter een belemme­rende factor. De zondaren zijn de dissonanten in Gods scheppingslied, de bloedvlekken op Zijn lichtkleed, de brutale vernielers van Zijn kunstwerk, de inbrekers in Zijn huis, de Baaispriesters voor Zijn altaren.

Nu, zeg mij, als de eer van God u iets waard is, kunt ge dan althans niet begrijpen, dat Hosea bidt dat weggedaan, vernietigd, vervloekt wordt, alles wat Zijn glorie tegenstaat? Zèlfs al is het voorwerp van die vloek . . . Zijn eigen volk?

Het moet voor Hosea niet gemakkelijk geweest zijn zó te bidden.

Hij had zijn volk zo lief, en wie smeekt om de vloek en de ondergang van wat hem dierbaar is?

Maar liever dan zijn volk is hem zijn God.

Er moet een geweldige strijd gestreden zijn in de ziel van deze bidder — daarom hokt en stoot dit gebed ook zo, en gaat het hem zo vlot niet af —, welke liefde de overhand zou hebben.

En o, als Hosea bereid is en gewillig, om zijn volk de ondergang te profeteren op Gods bevel — dat is al iets geweldigs —, maar ook gewillig is geworden zó met Gods boodschap eenswillend te zijn, dat hij om de ondergang van dit volk smeekt, wie durft er dan nog spreken van wraak of liefdeloosheid? Dan is er hier een liefde aan het woord in dit gebed om de vloek, een liefde tot de Here, zó intens en zó diep, dat ze alle menselijk verstand te boven gaat.

Het raadsel van de vloeken in gebeden en Psalmen in het Oude Testa­ment zou zo raadselachtig niet wezen, als we niet zulke slechte christenen waren, die zich om de eer van God zo buitengewoon weinig bekommeren.

De grote vraag van ons leven wordt dan, niet of we dit gebed van Hosea nu hebben begrepen, maar of we het kunnen nabidden, en met deze smeking om de vloek kunnen instemmen.

Dat is: of onze liefde tot God groot genoeg is, dat we bidden kunnen om de ondergang en de vervloeking van wat ons lief geworden is.

Dit wordt dan een gebed tegen onszelf in.

Want wie goed staat, heeft altijd nog de beste gedachten van anderen, maar de slechtste gedachten van zichzelf. Hij erkent: die goddeloze en zondaar ben ik. Ik ben die dissonant, die valse zanger in Gods Sabbats­lied. Ik ben die man, die vrouw, die Gods eer nog belemmert en tegenstaat.

Dan komt het tot dit verschrikkelijk gebed: het gebed om de ondergang van mijzelf: dat mijn oude mens gedood en begraven worde en dus op de aardbodem niet meer zij. Dat mijn oude mens gekruisigd worde — terwijl de dood des kruises van God vervloekt is. Het gebed om de vloek! Wie erkennen wil, hoe lief hij zichzelf nog heeft, hoe ontzaglijk veel hij nog van zichzelf houdt, hoe graag hij z'n boezemzonden streelt en koestert, die kan dit werkelijk niet zo vlot en zo sierlijk bidden. Die hapert en stottert ook wel eens, zoals Hosea, de profeet. Het gaat hem niet vlot af. Zo'n gebed wordt een heftige worsteling, waarin de zelfliefde en de liefde tot God een geweldige kamp voeren. Wie kòmt tot dit gebed, om wreed te mogen zijn voor zichzelf? En wie komt er uit! Wie perst het er uit: Geef mij, Here, — wat zult Gij mij geven? — geef mijn boze natuur een onvruchtbare schoot? Wie komt er triumferend uit te voorschijn als Israël, de vorst Gods. Wie kermt er met Paulus mee: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?

Het is alleen de verschrikkelijke vloek, die over onze Here Jezus Christus gekomen is, die ons de verschrikkelijke vloek van Hosea's gebed kan doen verstaan.

En het is alleen door Zijn kracht, dat ik bidden kan om de vloekdood over mijzelf.

Dat wij te weinig "leven", vindt z'n oorzaak in het feit, dat we te wei­nig "sterven" willen, en dat we ten bloede nog niet tegenstaan tegen de zonde, komt omdat we meer sierlijk dan stotterend bidden. Wie deze paradoxen vatten kan, die vatte ze, en lere van Hosea het verschrikkelijk gebed.


1   ...   29   30   31   32   33   34   35   36   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.