Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina34/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   30   31   32   33   34   35   36   37   ...   42

MONUMENTENZORG





Israël is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere ge­wijde stenen. Bedriegelijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen.

Hosea 10:1, 2.


Het tiende hoofdstuk van Hosea bevat eigenlijk drie delen.

Elk van die drie begint met het aanwijzen van een bepaalde zonde van Israël, en eindigt met een gerichtsaankondiging. Het eerste loopt van vs 1-8. Het tweede bevat de verzen 9 en 10. Het derde vs 11-15. Ieder kan dit in z'n Bijbel nalezen en controleren.

In de eerste oordeelsaankondiging nu komt een bekende oproep voor, namelijk, dat de Israëlieten bij de ruïnes van hun altaren bidden zullen tot de bergen: bedekt ons, en tot de heuvelen: valt op ons! (vs 8) Jezus zegt, dat bij de verwoesting van Jeruzalem de onbekeerlijke Joden dezelfde wanhoopsklacht zullen doen horen (Lukas 23:30), terwijl de ziener van Patmos, het eindgericht in de geest aanschouwende, de lucht heeft horen weergalmen van weer dezelfde hartverscheurende kreten. Dat is dus een monotone repetitie, waaruit gemakkelijk valt af te leiden, dat ook de zonde, die deze te late en onverhoorde gebeden aan de benauwde zielen ontlokt, óók wel een repeterende breuk zal zijn.

Er moet dus wel zeer veel aan gelegen zijn, dat deze zonde, waarin de opeenvolgende geslachten telkens weer verstrikt raken blijkbaar, ons ontdekt worde. Het is een zonde, waarvan onze consciëntie ons niet zo veelvuldig aanklaagt. Daarom is ze des te gevaarlijker. Hosea signaleert haar in het kwaad van de "monumentenzorg", of zoals het heet in de tekst die hierboven staat: "naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen".

Wat is er dan nu weer aan de hand met Israël?

Men weet, dat God Israël waarlijk goed geweest was, beschamend goed zelfs. Dat komt minder goed uit in de Statenvertaling, die spreekt van Israël als een "uitgeledigde wijnstok", die weder vrucht voortbrengt, hetgeen beter aldus kan worden gelezen: "een welig uitlopende wijnstok was Israël, vrucht bracht hij voort". De wijnstok, door 's Heren hand ge­plant, was dus wonder boven wonder nog niet uitgeroeid, maar was in­tegendeel zeer uitgelopen. Vooral in Hosea's dagen, tijdens de regering van Jerobeam II, was 't een lieve lust te zien hoe vol de perskuipen wel waren, en er was stellig alle reden, om een opgewekt oogstfeest te vieren45.

Van hun alles te geven, werd de Heer dus toen ook niet moe.

Iemand zou kunnen beweren, dat de Here ook rijk was: het vee op duizend bergen is van Hem, en Hij werd door Zijn mildheid niets armer. Maar het wonder van Gods mildheid was juist daarin gelegen, dat Hij de wijnkuipen deed overlopen van hen, die de Gever vergaten, en brood legde in monden, die Hem lasterden. Dat is onbegrijpelijke goedheid!

Wat dééd Israël nu met deze gaven van God?

In de eerste plaats — zegt de profeet — bouwden zij veel altaren, om daarop hun dankoffers te brengen natuurlijk. En hoe meer ze "gezegend" werden, hoe meer zich het getal altaren uitbreidde!.... "naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren". Nu, zou men zeggen, dat kon minder. Was dat nu ook alweer niet goed? Heeft de man Gods daar óók alweer iets op aan te merken? Begint Hosea nu niet veel op een criticaster te gelijken, bij wie 't nooit goed is, een onaangenaam mens in het Bethellerhout? Géén altaren, niet goed. Véél altaren, wéér niet goed!

Ik zou zo zeggen, die altarenbouw van Israël is toch wel beschamend voor heel veel mensen. Het zou toch wel heel gewenst wezen, dat de veel­heid der altaren steeds in overeenstemming was met de veelheid der "vrucht".

Meestal is het precies andersom: ontelbare zegeningen en géén altaren. Overstelpende goedheid Gods en géén dankoffers.

Israël geeft hier, dunkt mij, 'n beschamend lesje aan tal van echtparen, groene, koperen en zilveren! Prachtige rijtuigen of gestroomlijnde auto's bij stadhuis en kerk. Een daverend feest met veel wijn en gebak. De reke­ning? Och, zoiets gebeurt ook maar ééns in 'n mensenleven. Waar was het altaar, en waar het dankoffer? Dat is het onoplosbare Simsonsraadsel, dat tegenwoordig wel op de bruiloften te raden mag gegeven worden, mitsgaders bij jubilea en andere gebeurlijkheden. We schepen God af met 'n versje, 'k Wil U, o God, mijn dank betalen. Hèbt u 't al betaald? Of is 't alleen bij een "willen" gebleven?

Nu, Israël deed dat anders en béter. Israël bouwde wèl altaren, geweldig véél altaren zelfs, en was helemaal niet ondankbaar. En nu krijgt het, inplaats van lof, 'n berisping van Hosea. 't Is wèl vreemd!

Het tweede wat Israël deed, was de reeds vermelde "monumentenzorg" .... "naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen", zo gaat de profeet verder.

Men besteedde dus, behalve veel zorg aan de altaren, ook veel zorg aan de monumenten. Religie en kunst dus. Israël was een volk van religie, een volk dat bij altaren leefde, maar kwam in deze dagen wellicht tot het inzicht, dat ook de kunst niet mocht worden verwaarloosd. Daarom werd een Rijksdienst voor monumentenzorg ingesteld, die zich had bezig te houden met de "gewijde stenen". U kent die gedenkstenen wel. Jacob had er ook een opgericht. Stenen met "Eben-Haëzer" en zo er in. Was het geen daad van piëteit, dat deze "stenen" netjes werden onderhouden? Maar ze werden niet alleen onderhouden, maar ook keurig "verbeterd", en gerestaureerd. Van de primitieve stenen der "vaderen" werden pracht-zuilen gemaakt, waardoor de "band aan de historie" werd verstevigd. En naast de oude verrezen nieuwe gedenkstenen — met al maar schoner en stichtelijker inscripties.

Nu, Hosea, is u daar óók al op tegen? Men had z'n geld toch waarlijk slechter kunnen besteden. Stel u voor, dat ze er bordelen of stadions van gebouwd hadden. Nee, Israël bleef in het nette! Het geld werd niet ver­brast en verdronken. Voor altaren en opgerichte stenen, religie en kunst, kerk en wetenschap stelde men grote sommen disponibel. En als Israël dan zo met woord en daad bewijst prijs te stellen op het behoud van culturele goederen, dan stoot Hosea ook dit met z'n felle critiek in gruizels.

De Here — aldus namelijk Hosea — heeft met die altaren en monu­menten niets op. Hij is het dan ook, Die hun altaren zal verwoesten, hun gewijde stenen vernielen (vs 2).

Waaróm toch?

Wel, hierom, omdat hun hart vals, of zoals de Statenvertalers zeggen: verdeeld was. We spreken er nu nog maar niet eens van, dat heel die eredienst in Bethel zondig was en verheidenst. Maar gesteld dat dit prima in orde was, dan konden die altaren en gedenkstenen God nóg niet be­hagen, want hun hart was er niet bij. Ze hebben niet begrepen, wat Paulus later aan de Romeinen schrijft, dat de goedertierenheid Gods tot bekering moet leiden. Dat is een van de middelen, waardoor God weer poogt de mens weer bij Zich te krijgen. Soms gebruikt Hij kastijding. Vaak ook Zijn goedheid. Zoals de stralen van de zon de slapende wekken. Dat heeft Israël niet begrepen. Zij bouwden maar altaren en erezuilen. Maar ze bekéérden zich niet. Hun hart was de Here, hun God, niet volkomen toegewijd. Doch wat heeft de Here aan altaren, als de mens zichzelf niet tot een levend dankoffer Hem opoffert. En wat aan restauratie van op­gerichte beelden, als het beeld Gods niet in zijn leven wordt hersteld!

Daarom zal de Almachtige blazen in de prachtige altaren en werpt Hij alle monumenten omver.

Men ziet dus, hoe nauw het luistert in de dienst des Heren.

We moeten niet menen, God te kunnen bedriegen met een beetje luid­ruchtigheid. En met het oprichten van monumenten zijn we er nog niet af. We zijn daar anders aardig handig mee gewoonlijk. Een advertentie in de krant, en met grote letters er onder: EBEN-HAEZER. Een prachttekst op fluweel aan de wand: Gedenkt de weg, waarin de Here u .... jaren geleid heeft; u kunt ze zó kopen en het aantal jaren naar verkiezing invullen. Een stichtelijk versje ten besluite van 'n overigens vrij werelds gevierd feest. En als er nog wat overgeschoten brokken zijn, dan die be­stemd voor de armen of de kerk, als we er tijdig om gedacht hebben. Ziedaar enige monumenten, die we plegen op te richten tot prijs van de goedheid van onze God, van Wien wij zingen: Gij woudt mij met Uw gunst omringen; meer dan een vader zorgdet Gij! — hoe beter het hun land ging, des te beter maakten zij de gewijde stenen. Maar als de goed­heid Gods niet tot "betering" des levens, d.i. tot bekering leidt, staan die monumenten daar als een felle aanklacht. Mensen Gods, die levende mo­numenten zijn van Gods trouw, zijn meer waard dan keurige monumenten van steen of houtsnijwerk.

Hoe beter het ons "kerkelijk" gaat, des te beter worden daar ook de gewijde stenen. De moderne cathedralen zien er heel wat beter uit dan de schuren en steenklompen uit de dagen van Afscheiding en Doleantie! Er verschijnen gedenkboeken en er verrijzen gedenkstenen. Maar Paulus spreekt ergens (2 Cor. 3:3) van de gemeente als "een brief van Christus, geschreven niet met inkt, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten" als een levende gedachtenis van en een dagelijkse aanbeveling voor de naam van Jezus Christus — hoe staat het daarmee?

Als nu maar niemand gaat denken — want arglistig is het hart, meer dan enig ding —: och ja, het verbroken hart is het offer dat de Here behagen kan, en ik kan gerust de altaren der kerk leeg laten! Het is hier niet het een òf het ander, maar het een èn het ander! De altaren móeten branden, en de monumenten zijn niet onnut, zolang ze maar worden opgericht door christenen die zèlf levende monumenten zijn, en wier harten in onverdeelde overgave kloppen voor de dienst des Heren.

Het leven van onze Here Jezus Christus was een liefdeleven, èn een offerleven, waarvan de "gedachtenis" in het Heilig Avondmaal door de gemeente steeds weer wordt gevierd.

En het is alleen in gemeenschap met Hem, dat de verbetering van al­taren en monumenten gelijke tred houdt met de betering des levens, opdat wij het beeld des Zoons gelijkvormig worden.


1   ...   30   31   32   33   34   35   36   37   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.