Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina36/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   32   33   34   35   36   37   38   39   ...   42

GELIEFKOOSDE BEZIGHEDEN





Efraïm was een afgerichte jonge koe, die ge­willig dorste; Ik heb haar schone hals ge­spaard. Ik ga Efraïm inspannen, Juda zal ploegen, Jakob eggen.

Hosea 10:11.


Nu, aan het slot van dit hoofdstuk, wordt ten derde male Israëls zonde met naam en toenaam genoemd, en de straf vermeld, die er op volgen zal.

De profeet Hosea kiest daartoe, om goed duidelijk te maken wat hij bedoelt, z'n beelden uit het landbouwleven, waarmee Israël zo goed ver­trouwd is. En dan is het nogal iets, wat hij hun voor de voeten werpt: "gij ploegt boosheid, gij oogst misdaad" (vs 13a). Dat wil wat zeggen. Zoals het leven van de landbouwer vrijwel geheel in beslag genomen wordt door ploegen en oogsten, zo is Efraïms leven zo ongeveer opgevuld met boosheid en slechtheid. En vervolgens eten ze er smakelijk, zonder blikken of blozen, de vruchten van: "gij eet vrucht van leugen" (vs 13b).

Heel het Israëlitische volksleven was verkankerd en tot in de grond be­dorven.

Het kan dan ook niet verwonderen, dat Hosea een oproep laat horen tot algehele levensvernieuwing. Ze moeten voortaan geen boosheid meer zaaien, maar gerechtigheid, en geen slechtheid meer oogsten, doch liefde (vs 12). Daarvoor is echter een heel nieuwe akker nodig, want als er "gezaaid wordt tussen de doornen", zoals Jeremia zich uitdrukt (Jer. 4:3), d.w.z. op een land waar het onkruid niet uitgeroeid is, dan zal de goede vrucht spoedig weer door het onkruid overwoekerd worden. Van­daar het dringend advies: "braakt ulieden een braakland", zoals het in de Statenvertaling heet, hetgeen zoveel zeggen wil, dat ze naar een geheel nieuwe akker moeten omzien. Er moet dus niet alleen verandering komen in het zaaien en oogsten, maar ook in de bodem.

Wat dit alles zonder beeldspraak wil zeggen, is duidelijk.

De Catechismus spreekt over de waarachtige bekering des mensen, hetgeen dus zeggen wil, dat de mèns, de gehéle mens veranderen moet. Niet alleen z'n daden, maar ook z'n gezindheid. Niet alleen het uiterlijke levensgedrag, maar ook de innerlijke gestalte van het hart. Dat hart is nu de bodem, de akker, het "braakland", waar Hosea van spreekt. Op dat innerlijke komt het juist aan. Als Gij mijn hart zult verwijd hebben, zegt de dichter van Psalm 119, zal ik in het spoor van Uw geboden lopen. Te­recht! Eerst het hart en dan de voeten. Als een veer van uw horloge ge­sprongen is, baat het u al heel weinig, of ge wat aan de wijzers zit te peuteren. Het hart van uw uurwerk moet eerst gerepareerd, en dan zullen de wijzers ook weer over de wijzerplaat lopen. Zo moet ook uw hart eerst veranderen, zal uw leven veranderen, want uit het hart zijn de uitgangen des levens. Vandaar dat Hosea zijn volk niet alleen op het zaaien en ploe­gen, maar ook op de akker wees.

Israël heeft deze bekering niet gewild.

Het heeft "de tijd om de Here te vragen, totdat Hij komt en voor u ge­rechtigheid laat regenen" (vs 12b), dat is het heden der genade, onge­bruikt laten voorbijgaan, en daarom moest de bedreigde straf ook wel komen.

Deze straf wordt door Hosea aangekondigd op tweeërlei wijze.

In de eerste plaats, zoals die in werkelijkheid komen zal.

Zoals Salman, zegt hij, eens Beth-Arbel verwoestte ten dage van de strijd, toen moeder en kinderen werden verpletterd, zo zal Hij u doen, huis Israëls (vs 14b, 15a). Wie deze Salman precies geweest is, en waar dat Beth-Arbel precies gelegen heeft, weten we niet meer. Het doet er ook niet toe. Hosea's tijdgenoten wisten het wel, en in hun herinnering leefde dat voort als een vreselijk bloedbad, waarin moeder en kinderen verpletterd werden. Zó, zegt Hosea, zal het u eens gaan!

Even te voren had de profeet dit komende gericht echter reeds onder woorden gebracht in de vorm van 'n beeldspraak. Dat beeld is ook nu weer aan de landbouw ontleend, en men kan het lezen in de woorden die hierboven staan.

Efraïm wordt hier vergeleken met een vaars of jonge koe, die "afge­richt" is, nl. om te dorsen.

Dat dorsen behoorde, om zo te zeggen, bij de lichte arbeid. Onder de zware karweien kon men het niet rangschikken. De dorsende os behoefde geen juk te dragen, en kon bovendien zoveel eten als hij wilde, want de Mozaïsche wet verbood een dorsende os te muilbanden. Vergeleken bij het zware werk, dat de ossen later moesten doen, als ze groter en sterker werden, nl. de zware ploeg door de voren trekken, en het dragen van het juk op de nek, was dat dorsen feitelijk een plezierig leventje. Het luilekkerland voor de ossen. Vandaar dat Hosea min of meer ironisch opmerkt, dat Efraïm als een vaars is die gaarne en gewillig dorst. Dat weeldeleven onder de voorspoedige regering van Jerobeam II stond Israël best aan. Ze hadden wel andere tijden gekend. Wie wist niet van de tijden van weleer, toen Israël gebukt bij de tichelstenen neerlag, z'n juk moest dragen, en zwart zag van dienstbaarheid? Maar dat behoorde gelukkig tot een grauw verleden. De slaaf van vroeger was een grote mijnheer gewor­den. Hij behoefde niemand meer naar de ogen te zien. Hij had óók wat in de melk te brokken.

Dat weeldeleven beviel Israël dus best. Zo stil te genieten, en te eten zonder gemuilkorfd te worden, en te zitten een ieder onder z'n vijgeboom, dat alles behoorde tot de geliefkoosde bezigheden.... Efraïm is een vaars, die gaarne dorst.

Maar het zware karwei, daar hadden de Israëlieten niets mee op. . . . ze wilden zich namelijk niet bekeren.

Er is in dit opzicht nog niet zo erg véél veranderd.

Er zijn tal van lichte karweitjes, die we met alle plezier en met alle liefde willen opknappen, en die zo gezegd tot onze geliefkoosde bezigheden zijn gaan behoren. Op het "terrein van het koninkrijk Gods", zoals we dat dan noemen. Wij zwoegen voor déze vereniging en voor die commissie, waar we lid van zijn. Zeker, het is niet alles plezierwerk: je bent geen avond thuis in den regel, en je hebt veel tegenstand te overwinnen en veel critiek te verduren, maar ook in dit stuk wordt de dorsende os toch niet gemuilband: de lof van stugge werkers in het koninkrijk Gods kan ons niet worden onthouden, en als we het vijf en twintig jaar hebben uit­gehouden, wordt dat ook wel eens gezègd. In elk geval, dat dorsen doen we gaarne, 't Hoort dan ook bij het lichte werk. Het zwaardere werk van de bekering is nog wat anders natuurlijk. Het kost in zekere zin minder moeite, om trouw commissielid te wezen, dan om navolger van Christus te zijn, dat is: Zijn kruis op te nemen en zichzelf te verloochenen. Het is gemakkelijker, trouw tweemaal op een Zondag in de kerk te komen, dan tweemaal op een dag de minste te wezen. Het is veel eenvoudiger te zingen: Ach Heer, ik ben, o ja, ik ben Uw knecht, dan 'n knecht voor een ander te wezen en zijn voeten te wassen. Er zijn van die "knechten", die tirannen zijn voor hun omgeving.

Zo is het te verstaan, dat zij het lichtere dorswerk gaarne doen, en om zo te zeggen aaien en liefkozen.

Maar op het zwaardere komt het aan. Bekering! Dat is: mijzelf geregeld ongelijk geven, en tegen mijzelf zeggen: ik ken die mens niet. Het is: wèl een muilband te willen dragen, en te zwijgen als het toornige hart spreken wil, en wèl een juk te willen torsen, het juk van Christus, dat trouwens zacht is. En van deze moeilijke bezigheid kan niet gezegd worden, dat de mens die zélf gaarne doet en liefkoost.

Die tijd van dorsen was voor Israël, zo bleek ons boven, een weeldetijd. Ze waren er helemaal bovenop gekomen, werden niet meer gemuilband, en konden zelfs in de buitenlandse politiek een woordje meespreken.

Het is kwalijk te ontkennen, dat wij "kerkelijk" eveneens in goeden doen zijn. Wat een weelde niet? Dat het Woord hier vrij en ongehinderd mag worden gepredikt, dat de dominees niet gemuilkorfd worden en de kerk niet gaat onder het juk der overheid. Daar wordt 's Zondags in de kerk nogal eens voor gedankt. Bovendien heeft ons "gereformeerd volks­deel" nogal het een en ander in te brengen. Er wordt met ons gerekend. Onze mannen zitten overal. We presteren wat. Ook op wetenschappelijk en staatkundig terrein. We liggen niet meer als weleer, in de dagen van Afscheiding en Doleantie, gebukt bij tichelstenen neer. We herkennen onszelf nauwelijks meer uit die periode.

Kerkelijke bloei gaat evenwel niet altijd gepaard met geestelijke wel­vaart.

In rijkdom schuilt een groot gevaar.

Dat is altijd zo! Ook in gewone stoffelijke rijkdom. Men hoort tegen­woordig nogal eens zeggen, dat het toch zo moeilijk is, als je arm bent of werkloos, om dan je geloof vast te houden. De Bijbel zegt het precies andersom, namelijk, dat het zo moeilijk is als je rijk bent, je geloof vast te houden: gemakkelijker gaat een kameel door het oog van een naald, dan dat een rijke ingaat in het koninkrijk der hemelen.

Zo kan ook kerkelijke rijkdom bedwelmen.

Voor Efraïm was althans de weeldetijd een zeer slechte tijd. Israël veruitwendigde en verwereldlijkte over de hele linie.

Vandaar dan ook dit oordeel: "Ik ga Efraïm inspannen, Juda zal ploe­gen, Jakob zal eggen".

De straf is dus in overeenstemming met de zonde.

God, de Eigenaar, zal haar "inspannen", om de ploeg te trekken. De kwade dagen zullen komen na de weeldetijd. De ballingschap. En als Israël dan zo voelen moet, waar het niet wilde hóren, zal het misschien zó leren, dat God niet van liefhebberijtjes gediend is, maar uitsluitend bekering wil.

Reeds moest menige mond, die volop te eten had, gemuilband worden.

En op weelderige schouders werd een juk gelegd.

Ook de kerk, die in haar voorspoed vergeet, wat het eigenlijke doel van haar leven is, zal onder dit juk moeten komen, waarvan bijvoorbeeld de Openbaring van Johannes zulke huiveringwekkende dingen zegt.

God legt dat juk niet op, omdat Hij een beul of tiran is, maar omdat Hij de os, die zo gaarne dorst, maar zijn Bezitter niet meer kent en de kribbe zijns heren vergeet, dat onvernuftig beest, weer bij Zich in de hemel wil hebben. Voor het eeuwig welzijn moet het tijdelijk welzijn vaak wijken, en wie zijn leven zal willen behouden, moet het verliezen.

Wie oren heeft om te horen, die hore daarom wat de Geest tot de ge­meenten zegt: "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij ge­komen".


1   ...   32   33   34   35   36   37   38   39   ...   42


Dovnload 1.03 Mb.