Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina37/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42

EXODUS





Toen Israël een kind was, heb Ik het lief­gehad, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon ge­roepen.

Hosea 11:1.


In de heilige historie zien we het volk Israël groeien van kind tot jon­geling en van jongeling tot man.

De wieg van dit allermerkwaardigste volk stond in Egypte, en het is aan deze prille jeugd, dat Hosea herinnert.... toen Israël een kind was, kreeg Ik het lief.

De kinderjaren worden in de woestijn doorgebracht. Daar moet Efraïm leren lopen (vs 3a), en als hij niet meer verder kan, draagt God hem op de armen.

Dit woestijnkind groeit op tot een jongeling, wiens sieraad zijn kracht is, als hij in Kanaän de vijanden voor zich uitdrijft, en nu, in Hosea's dagen, is deze jongeling tot man gerijpt. Efraïm is echt groot geworden. Een grote mogendheid. Een grand seigneur bovendien, die liefst niet meer aan z'n armoedige komaf herinnerd wordt.

Het is juist daarom, dat Hosea deze parvenu wèl aan het verleden her­innert.

Dat is niet om 't een of 't ander. Niet om Efraïm te krenken, of uit te lachen of zo, maar om zo mogelijk hem zo nog te vertederen en tot be­kering te brengen. Er is geen snaar op de volksconsciëntie, die de profeet niet aanroert. Want, nietwaar, herinner een misdadiger, die 'n schande voor z'n vader geworden is en z'n moeder op het hart trapt, aan z'n kinderjaren; aan de tijd toen z'n moeder hem van de Heiland vertelde en met hem bad. . . . het moet wel een verstokt zondaar wezen, wiens hart dan nog niet bewogen wordt! Welnu, zó is het Efraïm gegaan. Hij is tot man gegroeid, niet alleen in aanzien en macht, maar ook in boos­heid. Hij was zó zelfstandig geworden, dat hij zelfs God niet meer meende nodig te hebben. Hij had God totaal vergeten! Nu moet ge eens luisteren, zegt Hosea. Weet ge niet meer van vroeger? Met wat vaderlijke en tegelijk moederlijke zorgen God u omringd heeft? Weet ge niet meer, hoe God u als kind reeds heeft lief gekregen? En wat ge nu zijt, hebt ge aan uw "Vader" te danken! Ge hebt niet zèlf uw vrijheid bevochten, maar. ... uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen. Geroepen! Al het rukken aan de slavenketenen hielp niets, maar één machtswoord van de Here was vol­doende, om de boeien te breken. Dat was toen de Here aan Mozes beval: "Zo zegt de Here: Israël is Mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg Ik u: laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene" (Exodus 4:22, 23). Nu, als deze jeugdherinnering Efraïms hart niet breekt, en de verloren zoon niet naar huis drijft, dan staat het er met Efraïm hopeloos voor!

Het staat er zo simpel: uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen; maar wat een glorieuze uittocht is dat geweest.

Meer dan zeshonderdduizend man voetvolk, ongerekend de kinderen, was hun getal. Ook trok veel vermengd volk met hen mee, en kleinvee en runderen, een zeer talrijke veestapel. Zilveren en gouden voorwerpen en klederen voerden ze tevens mee als een roof uit Egypte. Nee, een schamele vlucht was het niet, maar een koninklijke uittocht. Bovendien trokken de kinderen Israëls "bij vijven uit Egypteland" (Exod. 13:18, St. V.). Een betere vertaling luidt: "slagvaardig", of: "met lansen", gelijk de kant­tekenaren blijkens de lezing op de rand: "of gewapend, geharnast", reeds hebben vermoed. De nieuwe vertaling leest: "ten strijde toegerust". Dit is dan het lachen van de Heilige, Die in de hemel zit. Egypte moet Gods kind niet alleen loslaten, maar zelfs de lansen leveren, waarmee het straks de andere vijand, Amelek, zal verslaan. En Egypte moet de wijsheid en de wetenschap leveren, waardoor Mozes in staat gesteld wordt, Gods daden te boek te stellen. Precies zoals later de antieke wereld de taal moet lenen, om het Evangelie aan alle volken te verkondigen. Zo helpen Gods vijanden steeds tegen wil en dank mee om Gods koninkrijk te bouwen, 't welk ze be­doelen af te breken. De gangen Gods met Zijn kerk door de wereld zijn glorieus! Israëls exodus bewijst het reeds. En gedekt door de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts:

Toog 't verkoren volk des Heren

Al juichend uit, op Gods begeren.

Het land der heid'nen van rondom

Schonk Hij hun tot een eigendom.

Der volken arbeid werd geheel

Aan Israël ten erf'lijk deel.

Waar had Israël dit toch allemaal aan te danken?

Waarom heeft God het als kind reeds liefgekregen en vertroeteld, en waarom werd dit volk van slaven als een stoet van koningszonen uitgeleide gedaan uit Egypteland?

Was het zo'n lieftallig kind?

Werkelijk niet!

Reeds als kind was Efraïm een balsturige en onhandelbare knaap: we weten daar alles van!

Maar God had dit kind lief om het Kind. Om Christus' wil! Of, om met het helaas te weinig bekende kerkelijk formuliergebed "Voor alle nood der Christenheid" te spreken: "de Here aanschouw (de) het aange­zicht Zijns Gezalfden en niet hun zonden, opdat Gods toorn door Zijn voorbidden gestild werd!"

Eigenlijk was Christus reeds in Israël besloten, toen het nog in Egypte was. Toen was de Christus in de lendenen van Efraïm. Daarom mislukte ook elke aanval op dit volk, omdat de Christus er in verborgen lag. God kan toch Zijn heilig Kind Jezus niet laten verdrinken in de Nijl? Dat was Satans bedoeling wel. Die Jodenkindertjes konden hem zo veel niet sche­len. Die zouden hem geen kwaad doen. Maar dat ongeboren Kind Jezus, daar was hij wel bang voor en Die wilde hij bij de geboorte smoren in het water. Maar dat kòn niet. God waakte over Zijn Kind! En òm dat Kind Jezus waren ook de kinderen Israëls sacrosanct! Onschendbaar!

Evenzo geschiedde de exodus om Christus-wil.

Christus, nog in de lendenen der vaderen besloten, moest uit Egypte weg, en dat Kind trok Zijn vaderen dus méé weg uit Egypte. De exodus van de kinderen Israëls was gevolg en vrucht van de exodus van het Kind Jezus uit Egypte. Toen, bij de Schelfzee, heeft Jezus Zijn volk reeds uit geleid en verlost. Zoals Sodom en Gomorra gespaard zouden zijn om tie rechtvaardigen, zo is Israël verlost om de ene Rechtvaardige, Die in de schoot van Israël was.

Men moet dus niet denken, dat Jezus eerst uit Egypte geroepen is, toen Hij met Jozef en Maria kon terugkeren naar Zijn land. Hij is reeds uit Egypte geroepen, lang vóór Zijn geboorte, mèt de beenderen van die andere Jozef mee!

Dat in Israël eigenlijk de Christus uit Egypte trok, en dat evenzo om de Christus Israël uit Egypte mocht trekken, dat alles berust niet op fantasie of speels vernuft, maar wordt door de Schrift zelf geleerd. Het is namelijk de evangelist Mattheüs, die na het verhaal van de terugkeer van Jezus met Maria en Jozef uit Egypte, dit woord uit Hosea regelrecht op Christus toepast, als hij aantekent: "opdat vervuld zou worden hetgeen van de Here gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen" (Matth. 2:15b).

Die uit Egypte geroepen zoon, zo verklaart Mattheüs, was dus eigenlijk Christus. En terwille van die Zoon, kan God Israël tot zoon aannemen en 'n glorieuze exodus bereiden.

Terwille van de Zóón!

Want de verlossing van al Zijn volk kon pas een feit worden, toen Christus op aarde kwam, om in onze plaats te lijden. Toen werd alles "vervuld".

Van dat plaatsbekledend lijden was Zijn uittocht uit Egypte nog maar 'n begin.

Het was geen exodus in glorie, maar in vernedering.

Geen heirleger van gewapende mannen, beladen met tropheeën, doch slechts drie mensen: Jozef, Maria en hun Kind.

Meer een vlucht dan een zegetocht.

Maar die exodus van het Kind Jezus was er, om de exodus van al Gods kinderen mogelijk te maken. De schone uittocht met muziek en zang is de voldragen vrucht van de schamele uittocht met stille trom.

En dat hetgeen wij sterven noemen, een koninklijke uitvaart kan worden, waarbij engelen te pas komen, om Gods kinderen te dragen in Abrahams schoot — waarbij de dood een doorgang wordt tot het eeuwige leven, een aftocht uit een wereld van zonde en een intocht in het eeuwig, zalig licht —, dat is alles mogelijk geworden, doordat God Zijn Zoon uit Egypte heeft geroepen.

Die uittocht betekende voor Israël tegelijk de vrijheid.

De slaven waren nu voorgoed van hun juk ontslagen, en ze behoefden geen schatsteden meer te bouwen, waarop de Egyptenaar het snoevende woord geschreven had: "Geen kind dezes lands heeft hieraan gewerkt". Dat dienen met hardigheid, waardoor hun leven werd verbitterd, behoorde nu voorgoed tot het verleden.

Op dezelfde wijze zijn alle bevrijden des Heren door Christus uit de heerschappij des Satans verlost. Satan is een tiran, en zondaren zijn sla­ven. Ze weten dat niet en geloven dat niet. Ze menen juist heerlijk vrij te zijn; ze behoeven niemand naar de ogen te zien; ze zijn eigen heer en meester. Er is geen tragischer vergissing dan deze. Die de zonde dóet, is een dienstknecht der zonde. Zó is het. Het bakken van tichelstenen en het rapen van stro in Egypte is nog niets, vergeleken bij déze slaven-dienst.

Daar zijn Gods kinderen dan van verlost. Ze zijn uit dat diensthuis weggehaald. Uit Egypte worden al Gods zonen en dochteren weggeroepen. Ze voelen er zich niet meer thuis. Ze willen nooit meer terug. Egypte is in hun herinnering een schrikbeeld. Zij verstaan, dat al Gods profeten de wraak over Egypte uitroepen.

Niet, dat zij helemaal geen zonde meer doen, of in 't geheel geen last meer hebben van Satan. Uit de heerschappij van Satan verlost, is nog iets anders dan voor de aanvallen en invloeden van Satan te zijn gevrijwaard. Het laat­ste wordt nergens beloofd. Wèl, dat de poorten der hel ons niet meer zullen overweldigen. En wat de zonde betreft, de Catechismus belijdt ergens terecht, dat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren. Zo is het alweer precies. Maar daarom zijn die boze lusten nog wel aanwezig, en vaak heel merkbaar aanwezig, ook al hebben ze de teugels der regering niet meer in handen. Het is een weldaad voor een land, als de communisten niet meer regeren. Dat er daarom nog wel aanwezig zijn, en complotteren en cellen vormen, en voor de wettige regering heel lastige elementen kunnen zijn, zal niemand durven ontkennen. Zo zijn er nog heel wat revolutionnaire elementen in ons leven te vinden. Maar ze hebben 't niet meer te zeggen. Ze oefenen geen dictatuur meer uit. Ze mogen af en toe de kop opsteken en 't ons heel lastig maken, maar ze moeten per slot van rekening weer buigen voor.... Christus!

Hoe meer Christus dus in ons leeft en werkt, des te vrijer zullen we worden.

Dat is het geheim der ware vrijheid.Tegelijk

Zoals Israël het diensthuis verlaten kon, omdat het Christus in zijn lendenen besloten had, zo zal een ieder die de Here door Zijn Geest in zich werken laat, elke dag meer onder de heerschappij wègkomen; elke dag is een nieuwe, zegevierende uittocht. een aftocht van de boze lusten des vleses. En een stap dichter bij de intocht in het hemels Kanaän. Want zovele zonen God uit Egypte geroepen heeft, deze heeft Hij ook ver­heerlijkt.

1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42


Dovnload 1.03 Mb.