Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina40/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42

DE VADEREN EN WIJ!





In de moederschoot bedroog hij zijn broeder,

en in zijn mannelijke kracht streed hij met

God....

Gij dan, keer tot uw God terug.



Hosea 12:4, 7 a.

Het is wel zeer merkwaardig, dat Hosea zomaar midden tussen de ver­wijten die hij tot zijn tijdgenoten te richten heeft, de geschiedenis van Jacob invlecht. Waarbij de profeet dan twee momenten uit de geschiedenis van deze patriarch naar voren haalt: ten eerste, wat hij deed bij z'n ge­boorte, namelijk dat z'n hand Ezau's hiel vasthield, zoals we dat uitvoerig in Genesis 25 kunnen lezen; en ten tweede, wat hij deed "in zijn kracht", dus op mannelijke leeftijd gekomen, te weten: tijdens zijn worsteling met God te Pniël, welke geschiedenis in Genesis 32 te lezen is, en die Hosea aldus uitwerkt: "Hij streed met een Engel en overwon. Hij weende en smeekte Hem om genade. Te Bethel vond hij Hem, en daar sprak Hij met hem" (vso)51.

Het is natuurlijk niet geoorloofd, deze herinneringen aan het aarts-vaderlijke leven van Jacob uit hun omgeving van deze vermaningen aan de kinderen Jacobs weg te halen, en zo maar losweg te gaan mediteren over Ezau's verzenen en Israëls Pniëls-worsteling. Hosea heeft met heel dit historisch relaas 'n zeer bijzondere bedoeling, en maakt met het oog op de tijdsomstandigheid speciaal van dat "hiellichten" een toepassing, die 'n gewoon lezer van Genesis nu niet direct voor-de-hand-liggend zou achten. Die bedoeling wordt terstond duidelijk uit de nevenstelling van de beide teksten die hierboven staan: zo en zo deed Jacob; zó moest ook gij tot uw God terugkeren! Men pochte in Israël altijd graag op de "va­deren", maar de profeet Hosea merkt op, en toont bovendien aan, dat er toch wel 'n heel grote afstand is tussen de "vaderen" en de "kinderen". De kinderen van Jacob handelden heel anders dan hun stamvader, of liever: de vader handelde heel anders dan z'n nakomelingen. Het zou 'n grote vraag zijn, of Jacob, als hij uit zijn graf kon verrijzen, déze kinderen als z'n geestelijk nakroost zou herkennen en erkennen. Ondanks hun dwe­pen met de vaderen! Daarom moeten ze zich maar eens spiegelen aan vader Jacob. Zijn geloof vormde een schrille tegenstelling met hùn ongeloofspolitiek. Hij hield zich aan God vast, maar zij sloten een verbond met Assur en voerden olie naar Egypte (vs 2b); hij gedroeg zich vorstelijk met God, maar zij "omringden" de Here met leugen (vs la). Het Bethel van toen, waar de Here Jacob "vond" (vs 5b), zag er heel anders uit dan het Bethel met z'n kalverendienst van nu! Dus, gij Jacobs kinderen, spréék niet te veel van uw vaderen, maar doe als zij! Let vooral op Jacob, die in de moederschoot zijns broeders hiel vasthield, en in zijn mannelijke kracht worstelde met God! Laat ons nu nauwkeurig toezien hoe Jacob deed, wat z'n nakomelingen deden en.... wat wij doen! Want vader Jacob is in dit opzicht minstens even actueel voor òns als voor de tijd der beide Hosea's52.

Vader Jacob!

Wie naar een bewijs zoekt van de waarheid, dat "ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid hebben", moet Jacobs leven bezien. Wat een knoeien en konkelen en struikelen! Wat een zwarte vlekken op dit levenskleed! Niettemin schijnt de Here bij voorkeur Jacobs God te willen heten. Dat mag ons, stumpers, wel bemoedigen. Abrams God? Izaks God? Neen — Jacobs God!

Want.... Jacob geloofde!

Hij hield vast, als ziende de Onzienlijke!

De struikelende voeten richtten zich altijd weer naar God toe.

Dit geloof was de doorgaande lijn in zijn leven, en deed hem daarom plaats nemen in de rij der "allerheiligsten" en strijden tussen de helden des geloofs.

Ondanks zijn zonden is Jacob daarom een prachtmens — door Gods genade!

Hij behoort niet tot hen, die in hun jeugd veel beloven, en later bitter teleurstellen. Zijn geloof breekt altijd weer krachtig door, en de Schrift laat dat zien op drie momenten van zijn leven: bij het begin, op het hoogtepunt en bij het einde. Bij het begin, toen hij Ezau's hiel omvatte, op het zenith, toen hij God vastgreep, en bij het einde, toen hij aangebeden heeft, leunende op het opperste van zijn staf. De beide eerste voorvallen worden hier door Hosea in herinnering gebracht; het laatste voegt de Hebreeënbrief er aan toe (Hebr. 11:21).

Alle drie keren is er geloofskracht, die het tegendeel is van lichaams­kracht.

De ongelovige mens zoekt z'n toevlucht bij denkkracht of spierkracht, of welke kracht dan ook, maar de gelovige mens is machtig als hij zwak is, omdat zijn sterkte in God is.

Wie is hulpelozer dan een zuigeling? Nu dan, die zuigeling Jacob houdt de hiel van z'n broertje vast. De eerste kreet van dit schreiende kind Jacob is een kreet van geloof. Het nietige handje klemt zich vast aan, en strekt zich uit naar de zegen van de eerstgeborene. Zijn eerste greep is een greep naar God, zijn eerste — nog onbewuste — daad is een geloofsdaad: een schreien om dè zegen, een gebed zonder woorden: ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent53.

Dit geloof beheerst z'n hele leven!

De zegen van het eerstgeboorterecht, dat is de belóófde zegen, de zegen van de Christus, moge langs zondige wegen zijn gezocht, het is niettemin de enige hartstocht van zijn leven: ik zoek de zegen! Daartoe zoekt hij door gebeên met ernst Gods aangezicht.

Zo ook te Pniël.

De zuigeling is een man geworden.

De onbewuste hielgreep is uitgegroeid tot een bewust aangrijpen van de Engel.

Ook hier komt geen lichaamskracht de mannelijke Jacob te baat — wat zal een mens tegenover God, Die door één aanraking zijn heup ont­wricht? —, maar Jacob overwint door de geestelijke kracht van het ge­lovig gebed!

En wie is tenslotte zwakker dan een stervende grijsaard? Maar nog eenmaal richt deze geloofsheld zich op in de kracht des geloofs, om zijn zonen profetisch te zegenen, en dan te wachten op Gods zaligheid.

Zó is dan zijn leven van de wieg tot het graf een leven uit het geloof, en daarom een overwinnend leven geweest. Israël! Vorst des Heren!

De zonen van Jacob waren in de dagen, waarover wij nu spreken, aan dit geloof ten enenmale ontzonken, evenals trouwens Juda54.

In plaats van als Jacob bij God z'n sterkte te zoeken, zoekt men die bij de wereldmachten, Assur en Egypte. Het was een bedriegelijke politiek ook nog, want terzelfder tijd dat men steun kreeg van Assyrië, werd ge­tracht de steun te kopen van Egypte, dat bedoelt het "brengen van olie naar Egypte" (vs 2b).

Hosea noemt dit bedrijf tekenend een najagen van de Oosterstorm (vs 2a), waarmee hij twee dingen zegt: ten eerste, dat die hulp niets te be­tekenen heeft en geen succes zal hebben, want wat is ijdeler dan de wind; en in de tweede plaats, dat ze daarmee het paard van Troje binnenhalen en hun eigen ondergang verhaasten, want niets was meer verderfelijk voor de plantenwereld dan de hete Oosterstorm.

Men zag dus de Onzienlijke niet meer, maar vergaapte zich aan de zienlijke dingen, en liever dan te bouwen op de Rots der eeuwen, zocht men heul bij de vluchtige wind.

De afstand tussen vader en zonen was dus wel zeer groot geworden.

Men kende natuurlijk de glorieuze geschiedenis der "patres" uitnemend goed; hun graven waren onder hen tot op die dag, en de plaatsen waar die hun voetstappen gezet, hun altaren gebouwd, en hun putten gegraven had­den, werden als heilige plaatsen vereerd. Maar hun wenkt het beeld der vaderen, dat kloek en vroom geslacht, niet meer. Hùn geloof was in de harten der kinderen niet meer. Tegenover de gebedsworsteling der vade­ren stonden de zonen vreemd. Het hartstochtelijk verlangen naar de ko­mende Christus, dat Jacobs leven beheerste, was in zijn naamgenoten geheel geluwd.... snelle afloop der wateren!

Wij hebben het tegenwoordig nogal eens over de vaderen.

Over hun wetenschappelijke arbeid is het oordeel zeer verschillend. Dan beweert de een, dat ze er niets van geweten hebben, en de ander, dat ze 't nog altijd bij het rechte eind hebben.

Maar hierin zijn we 't vrijwel met elkaar eens, dat het een kloek en vroom geslacht was, en dat zij bidders bij uitnemendheid waren. De kerk onzer dagen is er het tastbaar bewijs van. Die staat er als een vrucht van hùn gebeden!

Nu plegen we — soms niet zonder enige luidruchtigheid — te beweren, dat ons dit beeld der vaderen wenkt, 't Is mogelijk! Een andere vraag is natuurlijk, of we aan die wenk gehoor geven, en althans enkele stappen dichterbij pogen te komen. Sommigen schijnen bij die wenkende vaderen te denken: láát maar wenken, niet omkijken, 't zijn maar dooie beelden. In elk geval schijnt ons leven uit het geloof der vaderen omgekeerd even­redig te zijn met ons prijzen van de vaderen. Waar zij hebben gebéden, gaan wij ruzie maken; waar zij hebben gebouwd, gaan wij afbreken. En met dat geuzenbloed valt het ook al niet mee! Slappelingen!

Ik hoor natuurlijk de tegenwerping wel!

Lofredevoeringen, zegt men, op de verleden tijden. We weten daar alles van! Maar vroeger was het ook niet alles, en ze vlogen elkaar ook wel in de haren! Bovendien hebben we 't in dogmatisch en wijsgerig denken heerlijk ver gebracht, en beleven we tijden van kostelijke reformatie — daar konden de vaderen niet aan ruiken!

Ik heb niet alleen het vermoeden, maar de zekerheid, dat Hosea iets dergelijks te horen heeft gekregen.

Toen de profeet Jacob naar voren haalde, en tegen z'n tijdgenoten zei, dat ze toch als hij moesten leren bidden en geloven en worstelen, en als hij tot God terugkeren, toen wees men die vermaningen af met een zelf­genoegzaam pochen op verkregen rijkdom: "Efraïm zegt: Waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij rijkdom verworven; in al mijn vermogen vindt men bij mij geen ongerechtigheid die zonde zou zijn" (vs 9).

En dat zegt Efraïm op de huidige dag zowaar nòg!

1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42


Dovnload 1.03 Mb.