Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina41/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42

OPGEBORGEN ZONDE





Welbewaard is Efraïms ongerechtigheid, weg­geborgen zijn zonde.

Hosea 13:12.


Zo staat hier dus duidelijk, dat God de zonde wel degelijk gedenkt!

Efraïms ongerechtigheden raken bij de Here niet in het vergeetboek, maar ze staan stuk voor stuk opgeschreven in Zijn gedenkboek. Hosea spreekt hier niet uitdrukkelijk van een boek, maar denkt aan 'n aantal papieren, die saamgebundeld worden. Zoals men van 'n aantal brieven en stukken van waarde een bundeltje maakt en ze stevig bevestigt, om er geen van te verliezen, en men ze te voorschijn kan halen als 't nodig is, zó heeft de Here Efraïms ongerechtigheden bijeengebonden. En geen een ont­glipt Zijn oog. Die zonden van Israël zijn bovendien opgeborgen, voegt de profeet er aan toe, opdat ze dienst kunnen doen als bewijsstukken, als het uur der afrekening zal slaan. De dag des gerichts!

Onze Catechismus belijdt, dat God al mijn zonden nimmermeer zal ge­denken. En dit wordt beleden op grond van dezelfde Schrift: "Gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee" (Micha 7:19). Dat is dus precies het omgekeerde! Wat is waarheid? Heeft Hosea gelijk of Micha? Ze hebben allebei gelijk. God gedenkt alle zonden secuur, en Hij gedenkt ze nimmermeer. Hij vergeet niets, en Hij vergeet alles. De ene waarheid schijnt de andere uit te sluiten, hetgeen toch niet het geval is. We komen daar aanstonds op terug. Wij zijn geneigd de ene waarheid tegen de an­dere uit te spelen, en houden ons dan liefst aan de veiligste kant, dat God wèl vergeet, om wat meer armslag te krijgen. Dat gaat natuurlijk niet. Daarom heeft Hosea voor ieder, die de lust in zich voelt opkomen, het met de zonde niet al te nauw te nemen, dit huiveringwekkende woord neer­geschreven, dat Efraïms ongerechtigheid bijeengebonden is, en zijn zonde opgeborgen. Hetgeen natuurlijk niet alleen van Efraïm geldt, maar even­zeer van u en mij. Gelijke monniken, gelijke kappen.

Welke die ongerechtigheden van Efraïm waren, is ons nu langzamer­hand genoegzaam gebleken. Hosea heeft, wat het uitstallen van de volks­zonden betreft, geen blad voor de mond genomen, en van z'n hart geen moordkuil gemaakt. Van de methode, om zichzelf en anderen te verze­keren, wat een trouw en gehoorzaam volkje ze toch wel waren, in elk geval stukken beter dan de heidenen van rondom, moesten Israëls profe­ten niets hebben. Ze waren geen lofredenaars, maar boetpredikers. Daar­om vertelden ze hun hoorders niet, dat ze toch zulke makke schapen waren, lieve beestjes, die je uit de hand kon laten eten, want ze wisten zich geroepen tot de verloren schapen van het huis Israëls, en ze verheelden derhalve niet, hoe verloren en goddeloos die bondelingen toch waren. Te­recht, want zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

Nu, van die zonden dan geeft de profeet in de laatste hoofdstukken van z'n boek nog eens 'n kort resumé. Ondanks die kortheid blijkt het nog een hele bundel te zijn, die bij God bijeengebonden is.... men beginne zelf maar eens z'n zonden van één dag bijeen te rapen!

Daar was in de eerste plaats de ongeloofspolitiek, waar we 'n vorige maal al over spraken. Vervolgens de fiandelszonden (12:8, 9), die Joden-trucjes met valse weegschalen, die notabene nog goedgepraat werden ook, daar kan Hosea ook maar niet over uit. Dat staat óók in de "stukken" die bijeengebonden zijn, nu, denk er om! En dan is er eindelijk dè grote zonde, de zonde waar Hosea altijd wéér over begint, waar hij mee opstaat en mee naar bed gaat, de zonde waar men zich in den regel 't minst over bekommert: die van ondankbaarheid. We zagen Hosea vroeger reeds Jacob ten tonele voeren (12:3-7): aan zijn geloof konden de kinderen 'n voor­beeld nemen. De profeet komt er nú nog eens op terug: Jacob hield aan God vast, hoewel hij in veel ongunstiger omstandigheden verkeerde: hij moest vluchten naar het veld van Syrië, om daar te dienen zij daaren­tegen waren door de Here uit het land der dienstbaarheid opgevoerd; hij moest hoeden "om een vrouw" — zij werden gehoed "door een profeet" (12:13, 14).

Maar dit volk, uit Abraham gesproten, dat zoveel gunsten had genoten, deze Jacobskinderen, die de Here had uitverkoren, waren helemaal niet van plan Zijn eer te melden, maar dienden de Baäls en kusten de kalveren.

Nu, die kalveren kussen, en niet de Zoon, zullen op de weg vergaan!

Zó toornig is de Here, dat Hij zelfs de pestilentiën van de dood en de verdervende machten uit de hel oproept om dit goddeloze volk te verdel­gen. "Dood, waar zijn uw pestziekten? dodenrijk, waar is uw verderf?" (vs 14). Komt te voorschijn en breekt los tegen dit ontaarde volk!55

Dit komt er dan van, als de saamgebundelde zonde niet verzoend is.

Wij plegen volmondig te belijden, dat wij onze schuld dagelijks meerder maken.

We zouden dit stellig minder zonder blikken of blozen doen, als we minder aan frases deden. Want deze belijdenis houdt in, dat onze schuld langzamerhand 'n geweldig dossier geworden is, bijeengebonden en op­geborgen bij God. Dit is maar niet een invallende gedachte van Hosea! Ze vindt ook elders steun in de Schrift, die verklaart, dat eens de boeken zullen geopend worden, de boeken, waarin niet alleen de grove overtre­dingen zijn aangetekend, maar ook de ijdele woorden, waarvan rekenschap moet worden afgelegd.

Wij zouden liever willen, dat God ons schuldregister niet zo nauwkeurig bijhield en bewaarde.

Nòg liever zou het ons zijn, indien Hij de taak om onze zonden te bun­delen en te bewaren, aan òns overdroeg.

Het dossier zou er stellig heel anders uitzien.

Vooreerst zouden we heel wat vergeten op te schrijven.

Och, er zijn zoveel bagatelletjes: 'n slecht humeur, een driftig woord, een verzuimde plicht, eigenlijk de moeite niet waard om er nog op terug te komen, want dat wie tot z'n broeder "gij dwaas" zegt, strafbaar is voor het helse vuur, en dat wie z'n broeder haat 'n doodslager is, staat wel in de Bijbel, maar dat hoeft er toch niet allemaal zo in? En gezien onze neiging om eigen schuld zoveel mogelijk te vergoelijken, zou er nog heel wat meer verwaarloosd kunnen worden.

Dat over het vergeten van het noteren der schulden.

In de tweede plaats zou ik zó bang wezen, dat m'n buurman vergat z'n zonden in te boeken, dat ik het maar vast voor hem deed, en ik zou het daar zo geweldig druk mee hebben, dat ik aan m'n eigen boeken niet toe kwam.

In de derde plaats is het een bekend verschijnsel, dat 'n mens liever re­keningen dan schuldbekentenissen schrijft, en zodoende zou ik meer werk hebben met de penningen, die mijn naaste mij schuldig is, dan met de tienduizend talenten, die ik God schuldig ben. Zelfs zou ik tot de conclusie kunnen komen, dat God mij meer schuldig is, dan ik Hem. Dat gebeurt ook!

En eindelijk zou de mogelijkheid niet gering zijn, dat op onze creditzijde kwam te staan, wat op de debetzijde thuis hoorde. We zien immers graag onze ondeugden voor deugden aan, en bestempelen b.v. gierigheid met de mooie naam van gepaste zuinigheid. Enzovoort. En hoewel we wel weten, dat onze beste werken nog met zonde bevlekt zijn, en hardop nazeggen, dat onze gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn, hellen we er toch niet direct toe over, het inderdaad weg te werpen, integendeel: we pron­ken er liever wat mee, en zouden er zowaar toe overgaan, die goede werken en gebeden bij God in rekening te brengen, insteê van er verzoening over te vragen.

Ja, het zou toch wel mooi zijn, indien God òns het scribaat opdroeg.

Maar Hij doet dit niet!

Het zou namelijk Gods eer te na komen, indien ook maar één zonde, hoe gering ook, vergeten en ongestraft bleef, en daarom vertrouwt Hij het bijhouden der schuldregisters aan niemand anders toe dan aan Zichzelf .. .: "Welbewaard is Efraïms ongerechtigheid, weggeborgen zijn zonde".

En als op de dag der terechtzitting door de Rechter van hemel en aarde deze bundels ontbonden worden, wat opgeborgen werd te voorschijn wordt gehaald, en onze heimelijke zonden komen in het licht Zijns aanschijns — dan zal elke zondaar het hoofd moeten buigen, en erkennen: Gij zijt rechtvaardig in Uw oordelen en heilig in Uw richten!

Maar wie kan nu, gelet op al z'n geregistreerde zonden, zalig worden?

En hoe is het bestaanbaar, dat Hosea terecht de dood, die de bezol­diging der zonde is, uit de onderwereld oproept, om zich te stellen tegen het schuldige volk, en dat Paulus diezelfde dood in het gezicht uitlacht: dood, waar is uw prikkel? Hoe kan Hosea aan alle pestilentiën van de hel vragen: kom, terwijl Paulus ze gebiedt: ga weg? Hoe kan Hosea's dreiging worden omgezet in een Paulinische triumfkreet?

Omdat het kruis van Christus er tussen staat!

Hosea, hoe hebt gij om uw grote Naamgenoot Jezus geroepen met uw klacht van de saamgebonden zonde, en hoe is uw roepen verhoord!

Want in Christus, Die zonde voor ons gemaakt is, werd al onze zonde saamgebundeld, en alle kwaad is voor Hem opgeborgen en bewaard, toen de Here al onze ongerechtigheden op Hem deed aanlopen.

Hem bleef niets gespaard.

God heeft niets vergeten, wat Hij niet lijden moest om onze zonden.

En zo wordt door het wondere kruis die wondere tegenstrijdigheid op­gelost, waarvan wij boven spraken. Om Christus' wil kan God, Die niets vergeet, alles vergeten èn vergeven, kan Hij, Die alles in Zijn gedenkboek schrijft, mijn zonden nimmermeer gedenken, en kan Hij, Die onze schuld­brieven eigenhandig schreef en bundelde en opborg, ze een voor een ver­scheuren.

Maar het is onmogelijk, dat zo wie Christus door een oprecht geloof is ingeplant, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

Welke die vruchten zijn?

Vooreerst deze, dat we niet meer zo nonchalant over onze zonden — waarvoor Christus Zijn leven liet — denken, maar ze elke avond samen­bundelen in ons gebed, en ze daar stuk voor stuk, een voor een noemen durven en belijden!

En vervolgens, dat we de zonden, ook die wij zo graag vasthouden en opbergen willen, leren loslaten, en dat door het geloof in Christus' krachten.


1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42


Dovnload 1.03 Mb.