Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud

Dovnload 1.03 Mb.

De Zoon van Beëri Over het boek Hosea H. Veldkamp Inhoud



Pagina42/42
Datum28.10.2017
Grootte1.03 Mb.

Dovnload 1.03 Mb.
1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42

LELIE EN LIBANON





Ik zal zijn als de dauw voor Israël, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uit­strekken als de Libanon.

Hosea 14:6.


Men herkent in z'n slothoofdstuk Hosea weer zoals we hem in de aan­vang aangetroffen hebben. De profeet der liefde; de man met het warme, liefdevolle hart. De taal der liefde kan zeer verschillend zijn. Zij kan toornen; zij kan ook fluisteren. Zij kan vloeken en zij kan ook bidden. We hebben Hosea dikwijls horen dreigen, thans horen we hem bidden. Of liever, hij leert zijn volk bidden, zoals een moeder haar kind bidden leert. Want na een ernstige oproep tot bekering, waarin hij er op aandringt, dat de echtheid dier bekering daarin blijken moet, dat ze nu eens niet met offers en geschenken tot de Here moeten komen — dat hebben ze al zo vaak gedaan, en daar walgt Hij van —, maar met woorden (vs 3)56, na­melijk met een oprecht, boetvaardig gebed, gaat hij ze dit gebed woord voor woord voorzeggen, zoals een kind aan moeders knieën een gebedje stamelen leert. Israël moet zeggen tot de Here: "Vergeef de ongerechtig­heid geheel en al, en wees genadig; wij bieden als offerdieren de belij­denis onzer lippen. Assur zal ons niet verlossen, op paarden zullen wij niet rijden. En wij zullen niet meer zeggen tot het werk onzer handen: onze God! Want van U verkrijgt de wees barmhartigheid" (vs 3b, 4).

Met ziet, dit is een echt gelovig gebed, waarin de oude zonden van hulp zoeken bij Assur en hulde bieden aan de afgoden, vaarwel gezegd worden, en het volk als een hulpeloze wees tot Israëls Ontfermer de toevlucht neemt.

Als het zóver eens mocht komen, dat Israël zo op de knieën kwam!

Dan zou de Here Zich Zijnertijds ook niet onbetuigd laten.

Hij zou haastiglijk recht doen Zijn uitverkorenen, die nacht en dag tot Hem riepen.

Zo diep is Hosea daarvan overtuigd, dat als vanzelf de toon van drei­ging overgaat in die der belofte, de ene zegen na de andere wordt toe­gezegd, en de profetieën van de zoon van Beëri eindigen in een schallende jubel van hulp en heil dat wordt aangebracht, en waarvan der vromen tent zal weergalmen.

De schoonste belofte is wel, dat de Here voor Israël zou zijn als de dauw!

Het is voor ons, Westerlingen, nauwelijks in te denken, wat de dauw betekent voor het Palestijnse land. Het hindert weinig of de regen maan­denlang uitblijft, als de overvloedige dauw (Gideon kon een schaal vol dauwwater uit z'n wollen vlies wringen) maar over de landen daalde. Het was daarom zo verschrikkelijk, dat Elia aankondigde, dat dauw noch regen zijn zou, tenzij op zijn woord! De dauw — dat is de verkwikking van de nacht na een dag van zengende zonnehitte.

Ik zal Israël zijn als de dauw — dat was dus de belofte van leven en overvloed voor het verkwijnende volk, dat zichzelf door z'n ongerechtig­heid verteerd had.

Dat nieuwe leven en die schone bloei zou men natuurlijk niet door eigen krachtsinspanning bereiken.... de dauw komt niet van beneden, maar van boven. Die zegen zou het deel zijn van het geestelijk Israël als volksgeheel, maar ook van ieder individu, zoals de dauw zich hecht aan het kleinste grassprietje; en met die zegen zou de Here niet af en toe komen, maar regelmatig terugkeren, zoals in Palestina de dauw in het regenloze tijdperk geen enkele nacht op zich liet wachten, maar steeds trouw op z'n post was, en gelijk wij daarom ook zingen kunnen:

Hij overlaadt ons dag aan dag

Met Zijne gunstbewijzen.

Het is dus wel een bijzonder rijke belofte hier, van die dauw, en ze is in laatster instantie vervuld door de uitstorting van de Heilige Geest, waar­door het Israël dat niet uit het vlees, maar uit de Geest geboren is, is kunnen gaan bloeien als de lelie en z'n wortelen kon uitslaan als de Libanon.

In schone beeldspraak wijst Hosea hiermee de vrucht der genade aan.

Voorop gaat de schoonheid.

De lelie is het beeld van subtiele schoonheid, gelijk ook de Heiland uitsprak, toen Hij wees op de leliën des velds en zeide, dat ook Salomo in al zijn heerlijkheid niet was bekleed geweest als een van deze.

Ziet de leliën op het veld,

Ziet hoe schoon zij bloeien.

Wie gaf haar die schone pracht,

Wie dat kleed zo rein en zacht,

Zonder zijns gelijke?

Dit zou men ook van iedere christen moeten vragen. Want onder de bedauwende werking des Geestes gaat hij bloeien als een lelie. Het is geen schoonheid die opdringerig aandoet. Leliën hebben geen blanketsel nodig. Het is geen schoonheid die de bewondering zoekt, want zij bloeien in het verborgen. Het is een innerlijke schoonheid des harten, die zich daarna over heel het leven uitbreidt.

Bij de wedergeboren mens, die aangeraakt is door de hemelse dauw, maakt het grove en stugge vanzelf plaats voor edeler zin. De genade maakt hem mild in zijn oordeel, voornaam in z'n gesprekken, en heilig in z'n levenswandel. Hij ontvangt sieraad voor as en het gewaad des lofs voor een benauwde geest.

Wij mogen daar wel goed op letten, dat we door Christus niet alleen gerechtvaardigd, maar ook geheiligd worden.

Wie zich met het eerste tevreden stelt, heeft een halve Christus.

Het doel der genade is juist, dat we aan de schone gestalte van Christus gelijkvormig worden, en dat het lelijke der zonde wordt verdrongen door de schoonheid der genade.... hij zal bloeien als een lelie.

Het was daarom ook niet toevallig, dat de Heiland op de gelijkenis van de schat in de akker liet volgen die van de parel van grote waarde: Christus maakt ons niet alleen schat-rijk, maar ook glanzend als een parel.

De burgers van het koninkrijk der hemelen bezitten in Christus niet alleen juwelen, ze dragen gemeenlijk ook geen juwelen, want ze zijn niet vele rijken en edelen, maar ze worden juwelen van mensen. Zij bedenken alles wat liefelijk is en wèlluidt. We kunnen wel spreken van parelen die gezet worden in de Middelaarskroon van Jezus, doch we moeten dan ook iets van die parelen hebben. We kunnen dromen van het hemelse paradijs, met kostelijke bloemen, maar behoren dan ook te bloeien als de lelie, aan­gezien ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel.

Deze leliënschoonheid zal zich niet het minst tentoonspreiden in een stil vertrouwen, dat de wereld tot jaloersheid moet verwekken. Het was die schoonheid der bloemen, die de Heiland ook ten voorbeeld stelde, toen Hij wees naar de leliën des velds: zij arbeiden niet en spinnen niet, maar zij worden nochtans door God onderhouden.

In dat onbezorgde geloofsvertrouwen ligt iets koninklijks. Er zit ma­jesteit in. Geen wonder dan ook, dat edellieden de leliën kozen als sym­bool der aristocratie in hun wapenschild en zelfs de pilaren in Salomo's Godshuis uitliepen in lelievormige kapitelen.

Hosea voegt hier nog iets aan toe.

Behalve dat Israël onder de dauw des Geestes zal gaan bloeien als de lelie, zal hij ook zijn wortelen uitstrekken als de Libanon.

Dit is een heel ander beeld, dat de profeet opeens te voorschijn roept.

Eerst die tere lelie, en nu die machtige Libanon, wiens "wortelen" of funderingen reiken tot aan de gronden der wereld. De nietige bloem, wel­ker standplaats men zelfs niet meer vindt, wanneer de wind zich over 't veld doet horen, èn de majestueuze Libanon, die geen duimbreed van zijn plaats wijkt, ook al geselen de stormen zijn flanken: beeld van onwrik­baarheid.

Deze aanvulling is prachtig èn noodzakelijk!

De lelie is schoon, maar.... verwelkelijk! Doch alzo is de kerk des Heren niet! Zij heeft de schoonheid van de lelie, maar tegelijk de onver­gankelijkheid en vastheid van de Libanon. Feitelijk is dit beeld nog te zwak. Want zelfs bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Here, uw Ontfermer; de gemeente heeft haar wortelen geslagen in het vaste verbond Gods.

De samenvoeging van lelie en Libanon zegt tevens, dat in de christen vrouwelijke schoonheid zich aan mannelijke kracht behoort te paren.

We zijn dikwijls zo eenzijdig!

De een legt alle nadruk op de schoonheid. Het zijn de sierlijke, innemen­de bloemen-christenen, die het dan met beginsel-vastheid niet al te nauw nemen.

En anderzijds ontmoet ge de stoere strijders, de Libanon-mensen, die echter in hun onverzettelijkheid wel eens hard en koud kunnen zijn.

Hosea beweert, dat beide elkaar niet uitsluiten, maar bij elkander be­horen. En dat de genade zo wonderbaar werkt, dat ieder die er deel aan heeft, zo teer wordt als een lelie en tegelijk zo kloek als de Libanon.

Het kan niet ontkend worden, dat wij noch aan schoonheid, noch aan kracht een teveel bezitten.

Waar is onder ons de pracht der bloemen èn de schoonheid der bergen?



Na deze beschamende vraag aan mijzelf en ieder die dit leest, gesteld te hebben, neem ik afscheid van het boek Hosea met het woord, waarmee de zoon van Beëri eindigde, en dat geen commentaar behoeft:

"Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des Heren zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er".

1 Zie: "De boer uit Tekoa".



2 We kiezen hiermee positie voor de z.g. realistische en tegen de z.g. Visionnaire opvatting van Hosea's huwelijk, waarover later meer. Men zie voor de eerste opvatting o.a. Dr W. H. Gispen: Uit het leven der profeten I, blz. 37-43, en voor de laatste o.a. Dr J. Ridderbos: De kleine profeten I, blz. 13-24.



3 Zie: "De balling van den Kabaroe", blz. 235 v.



4 Zie het vorige hoofdstuk: De zoon van Beëri.



5 Aldus Prof. Ridderbos: De kleine profeten I, blz. 25 (in: Korte Verklaring der H. S.).



6 Dit woord betekent: niet.



7 Dit blijkt uit hfdst. 3.



8 Zie 3:1: "bemin een vrouw". Hier wordt dezelfde Gomer bedoeld.



9 Ridderbos, a.w., blz. 29.



10 Aldus b.v. Prof. Ridderbos a.w., blz. 32.



11 Zo b.v. Ds Tazelaar: Woestijn en wijngaard, blz. 10-12



12 Het is natuurlijk volkomen waar, dat Israël niet geheel ondergegaan is, zoals b.v. ook uit Anna, die uit de stam van Aser was, blijkt. Dit was dan de heilige rest, het "overblijfsel". We moeten dan eigenlijk ook niet zeggen, dat het heidendom in de plaats van Israël gekomen is, maar dat het de "heilige rest" aanvult.



13 Rinkel: "Uit den rijkdom Zijner genade" deel 3, blz. 97.



14 Tazelaar: Woestijn en Wijngaard, blz. 45.



15 Naar onze opvatting is "de vrouw die zich door een ander laat beminnen en overspelig is" (3:1) en die Hosea "weder heengaande, beminnen moet" niet een andere, maar dezelfde vrouw als in hfdst. 1; Gomer dus.



16 Zie voor deze berekening Ridderbos, a. w., blz. 52, noot.



17 Hier worden wel voornamelijk de onwettige cuhus-voorwerpen opgesomd, maar bedoeld wordt toch evenzeer, dat Israël in het vreemde land van de wettige eredienst en gemeenschap met God uitgesloten zal zijn.



18 Blijkens de woorden: "de Here heeft een rechtsgeding met de bewoners van het land" (vs 1).



19 Zie het vorige hoofdstuk: "Priestercritiek en zelf critiek".



20 Heraut, Zondag 30 Dec. 1888, no. 575.



21 De woorden in vs 1: "u gaat het gericht aan" zijn in deze zin te lezen: "u komt de rechtspraak toe".



22 Deze vertaling, die beter voldoet dan "voor Mizpa", wordt verkregen door een andere vocalisatie.



23 J. A. Tazelaar: Woestijn en Wijngaard, blz. 65.



24 Volgens de nieuwere vertaling is vs 3 nog een voortzetting van de onderlinge opwekking, die begon met "laat ons wederkeren tot de Here".



25 A. w., blz. 74.



26 Zie het vorige hoofdstuk: "De verloren zoon".



27 Zie Hosea 2:20 v. en het hoofdstuk: "De harmonie der gebeden".



28 Prof. Ridderbos (a. w., blz. 77) is van mening, dat er heilige toorn spreekt uit deze woorden. Het is niet onmogelijk, maar in het gehele verband schijnt het verlegenheidselement waarschijnlijker. Zo ook Harper in I. C. C. Amos en Hosea, blz. 284.



29 Prof. Ridderbos ziet in vs 5 een antwoord op vs 4, dat dus zou zeggen wat de Here zou doen. Maar die profetische bearbeiding had juist gefaald! Er moet nu iets anders gebeuren!



30 A. w., blz. 78.



31 Dit is wel zakelijk de zin van vs 5a: "de oordelen over u waren een doorbrekend licht".



32 Zie het vorige hoofdstuk: "Gods verlegenheid".



33 Zie Ridderbos a. w., blz. 78.



34 Harper, a. w., blz. 290.



35 Zo Harper. Prof. Ridderbos handhaaft de St. V., maar geeft toe, dat de ver­taling: "op mensenwijze", evenzeer mogelijk is, en dat er geen zekerheid bestaat. Ook de vertaling N.B.G. leest: Adam.



36 Aldus Harper in I. C. C. Amos and Hosea, blz. 295.



37 Aldus Prof. Ridderbos a. w., blz. 80.



38 We zien daarom geen noodzaak, om met Ridderbos te lezen: hun toorn slaapt de ganse nacht.



39 Aldus de vertaling van vs 6 door Prof. Ridderbos.



40 Men leze hierover de mooie preek van Prof. Hepp in "In Heilig Sieraad", blz. 40 v.



41 Hier wordt vermoedelijk gedacht aan Israëls politici, die met Egypte een verdrag sloten tegen Assyrië, en die nu overmoedig een hoongelach aanheffen tijdens hun verblijf in Egypte over Assyrië. Ze lachten echter te vroeg.



42 Ridderbos, a. w., blz. 93, 94.



43 Prof. Ridderbos aanvaardt hier een conjectuur, waardoor de lezing ontstaat: "als druiven aan een tros", met het motief, dat er in de woestijn geen druiven groeien. Ik zie de absolute noodzakelijkheid van deze wijziging niet in, omdat de profeet de werkelijkheid reeds in z'n gedachten had, en ook neerschreef, voordat het beeld nog geheel was uitgewerkt. Het spelen van de werkelijkheid door de beeldspraak heen, is in de Schrift geen ongewoon verschijnsel.



44 Vermoedelijk speelt zich dit tafereel ook nog af op het Loofhuttenfeest, waar Hosea deze "feestpreek" hield. Zie het vorige hoofdstuk: "Loeren of luisteren".



45 Ook deze prediking van Hosea zal wel uitgesproken zijn tijdens het oogstfeest, waarvan in het vorige hoofdstuk sprake was.



46 Met die "beide zonden" zullen dan wel bedoeld zijn de "twee kalveren" te Dan en Bethel.



47 Zie hierover en de indeling van hfdst. 10, het vorige hoofdstuk.



48 Zie 8:13 en 9:3 en 6.



49 Men zie voor de exegetische verantwoording Ridderbos a. w., blz. 102, de noten onderaan.



50 Vertaling Prof. Ridderbos.



51 Deze lezing is waarschijnlijker dan de overgeleverde tekst: "aldaar sprak Hij met ons".



52 De beide Hosea's, want "het in één adem noemen van een Assyrisch verbond en van het heulen met Egypte, 12:2, past bijzonder goed voor de tijd van koning Hosea, die met Assyrische steun op de troon gekomen, zich daarna tot Egypte wendde" (2 Kon. 17:30) (Ridderbos, a. w., blz. 106).



53 Wij gaan dus niet mee met de vertaling N.B.G.: "in de moederschoot bedroog
hij zijn broeder".

54
 Men zou uit de St. Vert.: "maar Juda heerste nog met God en was met de heiligen getrouw", de indruk kunnen krijgen, dat Juda 'n gunstige uitzondering maak­ te. Dit is onjuist, daar vs lb aldus te lezen is: "terwijl Juda nog altijd in opstand is tegen God, ja tegen de Allerheiligste, de Getrouwe".

55
 Het verband laat niet toe, deze bekende woorden, die ook in 1 Cor. 15 worden aangehaald, als een belofte op te vatten. Immers, er gaat een bedreiging aan vooraf en er volgt er een op, en daarom bedoelt Hosea er hier ook 'n bedreiging mee, zoals boven is aangeduid. Als Paulus deze woorden citeert, geeft hij er dus een andere zin aan, en maakt er 'n triumfkreet van. Het is dus ongeoorloofd, hier van Hosea's Paas-klokken te spreken (zie b.v. Tazelaar: Woestijn en Wijngaard, blz. 132).

56
 In de St. Vert. lezen we: "neemt deze woorden met u"; waarbij "deze" terecht cursief gedrukt staat, ten teken dat het in de Hebr. tekst niet staat. Prof. Ridderbos vertaalt: "neemt met u woorden". Vert. N.B.G.: "komt met woorden van schuld­belijdenis".
1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   42


Dovnload 1.03 Mb.